← België

Arrest 253757 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 16/05/2022

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 16 mei 2022 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.253.757 Rolnummer: A. 234098/VII-41169 Zaak: Arrest 253757 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 16/05/2022 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2022-05-19 Raadplegingen: 95 - laatst gezien 2026-06-10 06:53 Fiche Arrest nr 253.757 van 16 mei 2022 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER nr. 253.757 van 16 mei 2022 in de zaak A. 234.098/VII-41.169 In zake : de TUSSENGEMEENTELIJKE MAATSCHAPPIJ DER VLAANDEREN VOOR WATERVOORZIENING bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Patrick Devers en John Devers kantoor houdend te 9000 Gent Kouter 71-72 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : Maurice VAN SEVECOTTE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Griet Cnudde kantoor houdend te 9000 Gent Brabantdam 5 bij wie woonplaats wordt gekozen ------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het cassatieberoep

  1. Het cassatieberoep, ingesteld op 12 juli 2021, strekt tot de nietigverklaring van arrest nr. RvVb-A-2021-1063 van de Raad voor Vergunningsbetwistingen van 3 juni 2021 in de zaak 1920-RvVb-0388-SA. II. Verloop van de rechtspleging
  2. Bij beschikking van 31 augustus 2021 wordt het cassatieberoep toelaatbaar verklaard. De memorie van antwoord werd op 13 januari 2022 aan de verzoekende partij ter kennis gebracht. VII-41.169-1/4 De mogelijkheid om te worden gehoord werd, op verzoek van de auditeur, op 28 maart 2022 aan de verzoekende partij en de verwerende partij ter kennis gebracht. De hoofdgriffier heeft aan de partijen de mededeling ter kennis gebracht bedoeld in artikel 15, § 1, van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State’. De verzoekende partij heeft gevraagd om te worden gehoord. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 5 mei
  3. Staatsraad Pierre Lefranc heeft verslag uitgebracht. Advocaat John Devers, die verschijnt voor de verzoekende partij, is gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Ann Van Mingeroet heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  4. III. Beoordeling
  5. Naar luid van voormeld artikel 21, tweede lid, stelt de Raad van State het ontbreken van het vereiste belang vast als de verzoekende partij de termijn voor het toesturen van de memorie van wederantwoord niet eerbiedigt. Op grond van artikel 15, § 1, van voornoemd koninklijk besluit, doet de kamer uitspraak onder aanvoering van het ontbreken van het vereiste belang, tenzij een VII-41.169-2/4 van de partijen binnen een termijn van vijftien dagen vraagt om te worden gehoord. Bij het versturen van een afschrift van de memorie van antwoord aan de verzoekende partij heeft de hoofdgriffier melding gemaakt van artikel 21, tweede lid, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, en van artikel 15, § 1, van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State’. De verzoekende partij heeft binnen de termijn van dertig dagen, bepaald in artikel 14 van voormeld koninklijk besluit, geen memorie van wederantwoord aan de griffie toegestuurd.
  6. De verzoekende partij heeft ter terechtzitting geen argumenten aangevoerd die het niet indienen van een memorie van wederantwoord binnen de voorgeschreven termijn rechtvaardigen.
  7. Er dient te worden vastgesteld dat het vereiste belang om de gevorderde vernietiging te verkrijgen, ontbreekt. BESLISSING
  8. De Raad van State verwerpt het cassatieberoep.
  9. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 20 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. VII-41.169-3/4 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van zestien mei tweeduizend tweeëntwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Pierre Lefranc, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier. De griffier De voorzitter Elisabeth Impens Pierre Lefranc VII-41.169-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.253.757 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.