← België

Arrest 253808 - Artsen, geneesheren-specialisten en dierenartsen - 19/05/2022

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 19 mei 2022 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.253.808 Rolnummer: A. 235327/VII-41268 Zaak: Arrest 253808 - Artsen, geneesheren-specialisten en dierenartsen - 19/05/2022 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2022-05-30 Raadplegingen: 92 - laatst gezien 2026-06-17 05:30 Fiche Arrest nr 253.808 van 19 mei 2022 Sociale zaken en volksgezondheid - Artsen, geneesheren-specialisten en dierenartsen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER nr. 253.808 van 19 mei 2022 in de zaak A. 235.327/VII-41.268 In zake: Silvana SKOCIC bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Willem Slosse en Stijn Brusselmans kantoor houdend te 2018 Antwerpen Mechelsesteenweg 64, bus 201 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: het AGENTSCHAP OPGROEIEN REGIE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Stefaan Verbouwe en Sophie Notre kantoor houdend te 1150 Brussel Tervurenlaan 270 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering

  1. De vordering, ingesteld op 20 december 2021, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging van het voornemen van het Agentschap Opgroeien Regie van 12 mei 2021 tot opheffing van de erkenning van verzoekster als consultatiebureauarts en van het besluit van het Agentschap Opgroeien Regie van 18 juni 2021 tot opheffing van de erkenning van verzoekster als consultatiebureauarts. II. Verloop van de rechtspleging
  2. De verwerende partij heeft een nota ingediend. Eerste auditeur Anja Somers heeft een verslag opgesteld. VII-41.268-1/18 De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 12 mei
  3. Kamervoorzitter Eric Brewaeys heeft verslag uitgebracht. Advocaat Stijn Brusselmans, die verschijnt voor verzoekster en advocaat Sophie Notre, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Anja Somers heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  4. III. Ontvankelijkheid van de vordering
  5. De beslissing van 12 mei 2021 betreffende het voornemen tot opheffing van de erkenning als consulatiebureauarts vermeldt de bezwaar/beroepsmogelijkheden. Verzoekster kon overeenkomstig artikel 79 van het besluit van de Vlaamse regering van 12 oktober 2018 houdende de erkenning en de subsidiëring van consultatiebureaus en de erkenning van consultatiebureauartsen (hierna: besluit van de Vlaamse regering van 12 oktober 2018) binnen de dertig dagen bezwaar aantekenen bij de administrateur-generaal van Opgroeien Regie. Verzoekster heeft het administratief beroep niet uitgeput. Er kan echter enkel tegen een in laatste aanleg genomen beslissing een beroep tot nietigverklaring worden ingediend. Bovendien vermeldt artikel 79 van het besluit van de Vlaamse regering van 12 oktober 2018 dat indien er geen bezwaar wordt ingediend binnen de termijn het voornemen tot opheffing wordt omgezet in een beslissing tot opheffing van de erkenning. De vordering is niet ontvankelijk met betrekking tot de eerste bestreden beslissing. VII-41.268-2/18 IV. Feiten
  6. De bestreden beslissing luidt: “Opgroeien regie heeft het voornemen om uw erkenning als consultatiebureauarts op te heffen vanaf 1 juni
  7. De feiten en inbreuken die de aanleiding zijn voor dit voornemen tot de opheffing van de erkenning worden hierna vermeld. […] De feiten Op 14 april 2021 ontving Opgroeien regie een melding van een mogelijk ernstige inbreuk op de erkenningsvoorschriften, vastgelegd in artikel 69, 1° van het besluit van de Vlaamse Regering van 12 oktober 2018 houdende de erkenning en subsidiëring van consultatiebureaus en de erkenning van consultatiebureauartsen. Het betrof een melding van het feit dat de consultatiebureauarts tijdens een consultatie die plaatsvond op 12 april 2021 de vaccinatie niet volledig toegediend zou hebben aan een kind. De consultatiebureauarts zou de vaccinatiespuit na het toedienen ervan in het verzorgingskussen gestoken hebben en de aanwezige ouder, die eveneens arts is, zou gezien hebben dat er nog vaccinatievloeistof in de spuiten zat. Wanneer de ouder de consultatiebureauarts hierop wees, zou de consultatiebureauarts gezegd hebben dat het beter is voor het kind om [de] vaccinatie niet volledig toe te dienen. Opgroeien regie nam op 14 april 2021 contact op met de consultatiebureauarts over de melding. Hierbij ontkende de consultatiebureauarts dat zij de vaccinatie niet volledig toegediend zou hebben. Naar aanleiding van deze melding besliste Opgroeien regie op 14 april 2021 om de erkenning van de consultatiebureauarts te schorsen. Overeenkomstig artikel 78 van het hoger vermeld besluit van de Vlaamse Regering van 12 oktober 2018 werd de consultatiebureauarts gehoord op 19 april
  8. Tijdens dit gesprek werden volgende aspecten besproken: - de visie van de consultatiebureauarts over vaccinatiebeleid van Opgroeien - de praktische aanpak bij het toedienen van een vaccin - de omgang met gezinnen bij vaccinatietwijfel - de aanpak bij het voorschrijven van het rotavirus - het consult waarover de melding kwam, waarbij onder andere foto’s werden getoond van spuiten waar nog residu aanwezig was, die aangetroffen werden in de naaldcontainer van een consultatiebureau waar de consultatiebureauarts werkte Op 30 april 2021 bezorgde Opgroeien regie het verslag van het gesprek aan de consultatiebureauarts, samen met een brief met de objectieve vaststellingen bij de opening van twee naaldcontainers uit twee consultatiebureaus waar de consultatiebureauarts werkte. Opgroeien regie vroeg de reactie van de consultatiebureauarts op deze vaststellingen aangezien op basis van de objectieve vaststellingen bleek dat de consultatiebureauarts met zekerheid vaccins toegediend heeft waarbij nog een residu in de spuit achter bleef. VII-41.268-3/18 Op 3 mei 2021 bezorgde Opgroeien regie op vraag van de consultatiebureauarts bijkomend de beeldopname van het openen van de naaldcontainers van het CB in de Atletenstraat en de foto’s van de aangetroffen spuiten in de naaldcontainers van de CB’s in de Atletenstraat en Letterkundestraat. Op 7 mei 2021 reageerde de consultatiebureauarts dat de validiteit en de betrouwbaarheid van het onderzoek sterk betwistbaar is en dat ze hierbij aanwezig had moeten zijn. Ze deelde mee dat ze geen andere keuze heeft dan de zaak voor een rechter te brengen. […] De vastgestelde inbreuken Op basis van de feiten en de informatie waarover Opgroeien regie beschikt, blijkt dat er een inbreuk is op volgende voorwaarden die opgenomen zijn In het besluit van de Vlaamse Regering van 12 oktober 2018 houdende de erkenning en de subsidiëring van consultatiebureaus en de erkenning van consultatiebureauartsen: - artikel 69, 1°: de arts vervult de opdrachten in het medisch preventief of prenataal consultaanbod conform de wetenschappelijke aanbevelingen en bevindingen in de preventieve jeugdgezondheidszorg, met inachtneming van de code van de geneeskundige plichtenleer. In het kader van vaccinatie is het noodzakelijk dat alle vaccinatievloeistof toegediend wordt om garantie te hebben dat een kind na vaccinatie voldoende beschermd is. Onvolledig toegediende vaccinaties kunnen bijgevolg in de eerste plaats voor het betrokken kind een gezondheidsrisico inhouden, maar bij uitbreiding een gevaar vormen voor de volksgezondheid. Opgroeien regie stelt vast op basis van de objectief vastgestelde feiten dat de consultatiebureauarts met zekerheid spuiten heeft toegediend waarbij er nog residu in de spuit zat. De ontvangen melding op 14 april lag In het verlengde van de vaststellingen van Opgroeien regie na analyse van de naaldcontainers. De consultatiebureauarts heeft echter van bij aanvang ten stelligste betwist dat het mogelijk kon zijn dat zij vaccins zou toegediend hebben waarbij er nog residu in de spuit zou zitten. Ook nadat de vaststellingen en de beeldopname aan haar bezorgd werden, bleef ze dit ontkennen, terwijl ze op geen enkele manier met duidelijke en concrete argumenten de vaststellingen van Opgroeien regie weerlegt. Aangezien Opgroeien regie vaststelt dat de consultatiebureauarts op geen enkele manier aangeeft haar aanpak bij vaccinatie bij te sturen of aangeeft dat ze dan toch een extra controle zal doen bij vaccinatie dat de spuiten effectief leeg zijn, blijkt dat deze inbreuk niet met zekerheid weggewerkt zal worden in de toekomst. - artikel 69, 3°: de arts neemt bij de uitvoering van zijn opdracht de inhoudelijke en methodische doelstellingen die het agentschap ter uitvoering van zijn decretaal bepaalde kerntaak van preventieve gezinsondersteuning en gezondheidszorg voor het jonge kind nastreeft, in acht en hij geeft zo mee vorm aan het kwaliteitskader van het agentschap: Opgroeien regie stelt op verschillende vlakken vast dat de consultatiebureauarts niet volledig tegemoetkomt aan deze voorwaarde. Meer bepaald blijken volgende concrete tekorten: o Bij het gesprek op 19 april 2021 vroeg Opgroeien regie aan de VII-41.268-4/18 consultatiebureauarts om de door haar gehanteerde aanpak met betrekking tot vaccinatie volledig toe te lichten. Met betrekking tot de aanpak bij het voorschrijven van het vaccin tegen het rotavirus beschreef de consultatiebureauarts heel concreet dat ze bij een consult op 4 weken zeker niet systematisch het voorschrift meegeeft. Alleen als ouders al echt overtuigd zijn van het vaccin wordt het meegegeven. Dit strookt echter niet met de inhoudelijke en methodische doelstellingen van het agentschap. Het agentschap streeft een zo hoog mogelijke vaccinatiegraad na bij kinderen en wil daarom de drempel om tot vaccinatie over te gaan zo laag mogelijk leggen. Daarom stelt het kwaliteitskader dat op 4 weken het voorschrift voor het vaccin systematisch wordt meegegeven, ook als ouders nog twijfelen. Medewerkers van Opgroeien regie (de verpleegkundigen van het CB in de Turnhoutsebaan) hadden de consultatiebureauarts hierover al mondeling aangesproken nadat dit onderwerp op een overleg van 25 januari 2021 besproken werd. Op dit overleg was de consultatiebureauarts niet aanwezig, maar het verslag werd bezorgd op 2 februari 2021 en de consultatiebureauarts werd hierna dus nog afzonderlijk door de verpleegkundige aangesproken met de vraag om de aanpak bij te sturen. Ondanks die vraag, wijzigde de aanpak van de consultatiebureauarts niet. Ook op 19 maart 2021 sprak een verpleegkundige van het CB in de Letterkundestraat de consultatiebureauarts aan over hetzelfde probleem. Ondanks de herhaalde aandacht die gevestigd werd op de foutieve aanpak die de consultatiebureauarts hanteerde voor het voorschrijven van het rotavirus, bleef de consultatiebureauarts haar eigen praktijk toepassen, zoals ze ook toelichtte bij het gesprek op 19 april
  9. Opgroeien regie stelt hierdoor vast dat er geen vertrouwen meer is dat de consultatiebureauarts, zelfs na herhaalde feedback, haar aanpak zal bijsturen. Op basis van de vaststellingen blijkt dat hierdoor niet voldaan is aan artikel 69, 3°. o Consultatiebureauartsen met een erkenning vormen als het ware een verlengstuk van Opgroeien regie en moeten het kwaliteitskader van Opgroeien regie in de consultatiebureaus in de praktijk brengen. Als Opgroeien regie vaststelt dat een bepaalde werkwijze van een consultatiebureauarts niet aansluit bij de inhoudelijke en methodische doelstellingen van het agentschap, spreekt Opgroeien regie de consultatiebureauartsen hierover aan. In het kader van de erkenningsvoorschriften is het noodzakelijk dat een consultatiebureauarts dan aan de slag gaat met die feedback en de gehanteerde aanpak bijstuurt. Om bijgevolg bij te dragen aan het kwaliteitskader en de inhoudelijke en methodische doelstellingen van het agentschap te realiseren, moet een consultatiebureauarts open staan voor feedback, zelfinzicht vertonen en op basis van zelfevaluatie en de feedback een werkwijze bijsturen. Opgroeien regie stelt echter vast dat de consultatiebureauarts met betrekking tot de spuiten geen zelfinzicht vertoont en niet open staat om de eigen aanpak te evalueren, waardoor een bijsturing ook niet zal volgen. ook met betrekking tot het voorschrift voor het rotavirus blijkt dat de consultatiebureauarts niet de nodige stappen zette. Opgroeien regie stelt bijgevolg vast dat bij gebrek aan dat zelfinzicht en openstaan voor bijsturingen, de consultatiebureauarts onvoldoende de inhoudelijke en methodische doelstellingen in acht neemt en mee vorm geeft aan het kwaliteitskader. VII-41.268-5/18 - artikel 71, 5°: de consultatiebureauarts werkt voor de uitvoering van zijn opdrachten samen met de medewerkers van het agentschap en de medewerkers van de organisator: Samenwerking betekent onder andere dat een consultatiebureauarts gemaakte afspraken met de verpleegkundigen van Opgroeien regie en met andere erkende consultatiebureauartsen naleeft. Verpleegkundigen spraken de consultatiebureauarts aan over haar aanpak met het voorschrijven van het rotavirus met de vraag die bij te sturen. Hieraan gaf de consultatiebureauarts geen gevolg. Ook nadat hierover afspraken gemaakt werden met de andere consultatiebureauarts bleef de consultatiebureauarts haar eigen aanpak hanteren. Deze feiten geven blijk aan een gebrek aan samenwerking. Conclusie Gelet op de hoger vermelde vaststellingen is het vertrouwen van Opgroeien regie in de consultatiebureauarts ernstig geschonden. Opgroeien regie moet er echter kunnen op vertrouwen dat consultatiebureauartsen de erkenningsvoorschriften naleven. Opgroeien regie moet er nog meer op kunnen vertrouwen dat als er vaststellingen zijn dat bepaalde erkenningsvoorschriften niet of niet volledig nageleefd worden, dat na dialoog hierover de consultatiebureauarts de werking bijstuurt. Op basis van de vaststellingen en de reactie van de consultatiebureauarts tijdens het gesprek van 19 april 2021 en via mail op 7 mei 2021 stelt Opgroeien regie echter vast dat de consultatiebureauarts met betrekking tot de vastgestelde inbreuken de werking niet voldoende zal bijsturen, waardoor het aanhouden van de erkenning onmogelijk is. […] Voornemen Gelet op de vaststellingen van Opgroeien regie die hierboven vermeld worden, heeft Opgroeien regie, conform artikel 78, tweede lid van het besluit van de Vlaamse Regering van 12 oktober 2018 houdende de erkenning en de subsidiëring van consultatiebureaus en de erkenning van consultatiebureauartsen, het voornemen om de erkenning op te heffen met ingang van 1 juni 2021 op basis van de hogervermelde inbreuken. […] Beslissing tot opheffing van de erkenning als consultatiebureauarts Gegevens arts Naam: Dr. Silvana Skocic RIZIV nr.:1-18778-47-009 Beslissing Opgroeien regie beslist tot opheffing van de erkenning als consultatiebureauarts van dr. Silvana Skocic met ingang van 1 juni
  10. Dit betekent dat vanaf die datum de consultatiebureauarts geen zittingen mag uitvoeren op een consultatiebureau. Meer gegevens over deze beslissing, de motivering en de regelgeving waarop de beslissing is gebaseerd worden vermeld op bladzijden 2 en volgende. Deze informatie maakt integraal deel uit van de beslissing. Brussel, 18 juni
  11. DE BESLISSING IS GENOMEN OP BASIS VAN • De melding aan Opgroeien regie over een mogelijke ernstige inbreuk op de erkenningsvoorschriften, vermeld in artikel 69, 1° van het besluit van de VII-41.268-6/18 Vlaamse Regering van 12 oktober 2018 houdende de erkenning en de subsidiëring van consultatiebureaus en de erkenning van consultatiebureauartsen: • Het gesprek tussen Opgroeien regie en de consultatiebureauarts op 14 april 2021; • De beslissing tot schorsing van de erkenning van Opgroeien regie van 14 april 2021; • Het gesprek tussen Opgroeien regie en de consultatiebureauarts op 19 april 2021; • De brief van Opgroeien regie van 30 april 2021 in opvolging van de beslissing tot schorsing en van het gesprek van 19 april 2021; • De beeldopnames bezorgd op 3 mei en 7 mei 2021; • De reactie van de consultatiebureauarts van 7 mei 2021; • Het voornemen tot opheffing van de erkenning van 12 mei 2021; • Het administratief onderzoek; • Artikel 69,1°, artikel 69,3°, artikel 71,5° en artikel 79§2 van het besluit van de Vlaamse Regering van 12 oktober 2018 houdende de erkenning en de subsidiëring van consultatiebureaus en de erkenning van consultatiebureauartsen. UIT HET ONDERZOEK BLIJKT HET VOLGENDE De feiten Op 14 april 2021 ontving Opgroeien regie een melding van een mogelijk ernstige inbreuk op de erkenningsvoorschriften, vastgelegd in artikel 69, 1° van het besluit van de Vlaamse Regering van 12 oktober 2018 houdende de erkenning en subsidiëring van consultatiebureaus en de erkenning van consultatiebureauartsen. Het betrof een melding van het feit dat de consultatiebureauarts tijdens een consultatie die plaatsvond op 12 april 2021 de vaccinatie niet volledig toegediend zou hebben aan een kind. De consultatiebureauarts zou de vaccinatiespuit na het toedienen ervan in het verzorgingskussen gestoken hebben en de aanwezige ouder, die eveneens arts is, zou gezien hebben dat er nog vaccinatievloeistof in de spuiten zat wanneer de ouder de consultatiebureauarts hierop wees, zou de consultatiebureauarts gezegd hebben dat het beter is voor het kind om vaccinatie niet volledig toe te dienen. Opgroeien regie nam op 14 april 2021 contact op met de consultatiebureauarts over de melding. Hierbij ontkende de consultatiebureauarts dat zij de vaccinatie niet volledig toegediend zou hebben. Naar aanleiding van deze melding besliste Opgroeien regie op 14 april 2021 om de erkenning van de consultatiebureauarts te schorsen Overeenkomstig artikel 78 van het hoger vermeld besluit van de Vlaamse Regering van 12 oktober 2018 werd de consultatiebureauarts gehoord op 19 april
  12. Tijdens dit gesprek werden volgende aspecten besproken: - de visie van de consultatiebureauarts over vaccinatiebeleid van Opgroeien; - de praktische aanpak bij het toedienen van een vaccin; - de omgang met gezinnen bij vaccinatietwijfel; - de aanpak bij het voorschrijven van het rotavirus; - het consult waarover de melding kwam, waarbij onder andere foto’s VII-41.268-7/18 werden getoond van spuiten waar nog restant van vaccin aanwezig was, die aangetroffen werden in de naaldcontainer van een consultatiebureau waar de consultatiebureauarts werkte. Op 30 april 2021 bezorgde Opgroeien regie het verslag van het gesprek aan de consultatiebureauarts, samen met een brief met de objectieve vaststellingen bij de opening van twee naaldcontainers uit twee consultatiebureaus waar de consultatiebureauarts werkte. Opgroeien regie vroeg de reactie van de consultatiebureauarts op deze vaststellingen aangezien op basis van de objectieve vaststellingen bleek dat de consultatiebureauarts met zekerheid vaccins toegediend heeft waarbij nog een residu in de spuit achter bleef. Op 3 mei 2021 bezorgde Opgroeien regie op vraag van de consultatiebureauarts bijkomend de beeldopname van het openen van de naaldcontainers van het CB in de Atletenstraat en de foto’s van de aangetroffen spuiten in de naaldcontainers van de CB’s in de Atletenstraat en Letterkundestraat. Op 7 mei 2021 reageerde de consultatiebureauarts dat de validiteit en de betrouwbaarheid van het onderzoek sterk betwistbaar is en dat ze hierbij aanwezig had moeten zijn. Ze deelde mee dat ze geen andere keuze heeft dan de zaak voor een rechter te brengen. Er werden echter niet geconcretiseerd waarom de validiteit en betrouwbaarheid betwistbaar was. Op 12 mei 2021 bezorgde Opgroeien regie een voornemen tot opheffing van de erkenning als consultatiebureauarts. De consultatiebureauarts tekende geen bezwaar aan tegen het voornemen tot opheffing. […] De vastgestelde inbreuken Op basis van de feiten en de informatie waarover Opgroeien regie beschikt, blijkt dat er een inbreuk is op volgende voorwaarden die opgenomen zijn in het besluit van de Vlaamse Regering van 12 oktober 2018 houdende de erkenning en de subsidiëring van consultatiebureaus en de erkenning van consultatiebureauartsen: - artikel 69.1°: de arts vervult de opdrachten in het medisch preventief of prenataal consultaanbod conform de wetenschappelijke aanbevelingen en bevindingen in de preventieve jeugdgezondheidszorg, met inachtneming van de code van de geneeskundige plichtenleer. In het kader van vaccinatie is het noodzakelijk dat alle vaccinatievloeistof toegediend wordt om garantie te hebben dat een kind na vaccinatie voldoende beschermd is. Onvolledig toegediende vaccinaties kunnen bijgevolg in de eerste plaats voor het betrokken kind een gezondheidsrisico inhouden, maar bij uitbreiding een gevaar vormen voor de volksgezondheid. Opgroeien regie stelt vast op basis van de objectief vastgestelde feiten dat de consultatiebureauarts met zekerheid spuiten heeft toegediend waarbij er nog restant van het vaccin in de spuit zat. De ontvangen melding op 14 april 2021 lag in het verlengde van de vaststellingen van Opgroeien regie na analyse van de naaldcontainers. De consultatiebureauarts heeft echter van bij aanvang ten stelligste betwist dat het mogelijk kon zijn dat zij vaccins zou toegediend hebben waarbij er nog restant van het vaccin in de spuit zou zitten. Ook nadat de vaststellingen en de beeldopname aan haar bezorgd werden, bleef ze dit VII-41.268-8/18 ontkennen, terwijl ze op geen enkele manier met duidelijke en concrete argumenten de vaststellingen van Opgroeien regie weerlegt. Aangezien Opgroeien regie vaststelt dat de consultatiebureauarts op geen enkele manier aangeeft haar aanpak bij vaccinatie bij te sturen of aangeeft dat ze dan toch een extra controle zal doen bij vaccinatie dat de spuiten effectief leeg zijn, blijkt dat deze inbreuk niet met zekerheid weggewerkt zal worden in de toekomst. - artikel 69, 3°: de arts neemt bij de uitvoering van zijn opdracht de inhoudelijke en methodische doelstellingen die het agentschap ter uitvoering van zijn decretaal bepaalde kerntaak van preventieve gezinsondersteuning en gezondheidszorg voor het jonge kind nastreeft, in acht en hij geeft zo mee vorm aan het kwaliteitskader van het agentschap: Opgroeien regie stelt op verschillende vlakken vast dat de consultatiebureauarts niet volledig tegemoetkomt aan deze voorwaarde. Meer bepaald blijken volgende concrete tekorten: o Bij het gesprek op 19 april 2021 vroeg Opgroeien regie aan de consultatiebureauarts om de door haar gehanteerde aanpak met betrekking tot vaccinatie volledig toe te lichten. Met betrekking tot de aanpak bij het voorschrijven van het vaccin tegen het rotavirus beschreef de consultatiebureauarts heel concreet dat ze bij een consult op 4 weken zeker niet systematisch het voorschrift meegeeft Alleen als ouders al echt overtuigd zijn van het vaccin wordt het meegegeven. Dit strookt echter niet met de inhoudelijke en methodische doelstellingen van het agentschap. Het agentschap streeft een zo hoog mogelijke vaccinatiegraad na bij kinderen en wil daarom de drempel om tot vaccinatie over te gaan zo laag mogelijk leggen. Daarom stelt het kwaliteitskader dat op 4 weken het voorschrift voor het vaccin systematisch wordt meegegeven, ook als ouders nog twijfelen. Medewerkers van Opgroeien regie (de verpleegkundigen van het CB in de Turnhoutsebaan) hadden de consultatiebureauarts hierover al mondeling aangesproken nadat dit onderwerp op een overleg van 25 januari 2021 besproken werd. Op dit overleg was de consultatiebureauarts niet aanwezig, maar het verslag werd bezorgd op 2 februari 2021 en de consultatiebureauarts werd hierna dus nog afzonderlijk door de verpleegkundige aangesproken met de vraag om de aanpak bij te sturen. Ondanks die vraag, wijzigde de aanpak van de consultatiebureauarts niet. Ook op 19 maart 2021 sprak een verpleegkundige van het CB in de Letterkundestraat de consultatiebureauarts aan over hetzelfde probleem. Ondanks de herhaalde aandacht die gevestigd werd op de foutieve aanpak die de consultatiebureauarts hanteerde voor het voorschrijven van het rotavirus, bleef de consultatiebureauarts haar eigen praktijk toepassen, zoals ze ook toelichtte bij het gesprek op 19 april
  13. Opgroeien regie stelt hierdoor vast dat er geen vertrouwen meer is dat de consultatiebureauarts, zelfs na herhaalde feedback, haar aanpak zal bijsturen. Op basis van de vaststellingen blijkt dat hierdoor niet voldaan is aan artikel 69, 3°. o Consultatiebureauartsen met een erkenning vormen als het ware een verlengstuk van Opgroeien regie en moeten het kwaliteitskader van Opgroeien regie in de consultatiebureaus in de praktijk brengen. Als Opgroeien regie vaststelt dat een bepaalde werkwijze van een consultatiebureauarts niet aansluit bij de inhoudelijke en methodische VII-41.268-9/18 doelstellingen van het agentschap, spreekt Opgroeien regie de consultatiebureauartsen hierover aan. In het kader van de erkenningsvoorschriften is het noodzakelijk dat een consultatiebureauarts dan aan de slag gaat met die feedback en de gehanteerde aanpak bijstuurt. Om bijgevolg bij te dragen aan het kwaliteitskader en de inhoudelijke en methodische doelstellingen van het agentschap te realiseren, moet een consultatiebureauarts open staan voor feedback, zelfinzicht vertonen en op basis van zelfevaluatie en de feedback een werkwijze bijsturen. Opgroeien regie stelt echter vast dat de consultatiebureauarts met betrekking tot de spuiten geen zelfinzicht vertoont en niet open staat om de eigen aanpak te evalueren, waardoor een bijsturing ook niet zal volgen. Ook met betrekking tot het voorschrift voor het rotavirus blijkt dat de consultatiebureauarts niet de nodige stappen zette. Opgroeien regie stelt bijgevolg vast dat bij gebrek aan dat zelfinzicht en open staan voor bijsturingen, de consultatiebureauarts onvoldoende de inhoudelijke en methodische doelstellingen in acht neemt en mee vorm geeft aan het kwaliteitskader. - artikel 71, 5°: de consultatiebureauarts werkt voor de uitvoering van zijn opdrachten samen met de medewerkers van het agentschap en de medewerkers van de organisator: Samenwerking betekent onder andere dat een consultatiebureauarts gemaakte afspraken met de verpleegkundigen van Opgroeien regie en met andere erkende consultatiebureauartsen naleeft. Verpleegkundigen spraken de consultatiebureauarts aan over haar aanpak met het voorschrijven van het rotavirus met de vraag die bij te sturen. Hieraan gaf de consultatiebureauarts geen gevolg. Ook nadat hierover afspraken gemaakt werden met de andere consultatiebureauarts bleef de consultatiebureauarts haar eigen aanpak hanteren. Deze feiten geven blijk aan een gebrek aan samenwerking. Conclusie Gelet op de hoger vermelde vaststellingen is het vertrouwen van Opgroeien regie in de consultatiebureauarts ernstig geschonden. Opgroeien regie moet er echter kunnen op vertrouwen dat consultatiebureauartsen de erkenningsvoorschriften naleven. Opgroeien regie moet er nog meer op kunnen vertrouwen dat als er vaststellingen zijn dat bepaalde erkenningsvoorschriften niet of niet volledig nageleefd worden, dat na dialoog hierover de consultatiebureauarts de werking bijstuurt. Op basis van de vaststellingen en de reactie van de consultatiebureauarts tijdens het gesprek van 19 april 2021 en via mail op 7 mei 2021 stelt Opgroeien regie echter vast dat de consultatiebureauarts met betrekking tot de vastgestelde inbreuken de werking niet voldoende zal bijsturen, waardoor het aanhouden van de erkenning onmogelijk is. Het gevolg van deze beslissing Dit betekent dat vanaf 1 juni 2021 de consultatiebureauarts geen zittingen mag uitvoeren op een consultatiebureau”. VII-41.268-10/18 V. Herinnering aan de schorsingsvoorwaarden
  14. Krachtens artikel 17, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan de schorsing van de tenuitvoerlegging slechts worden bevolen onder de dubbele voorwaarde dat de zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een beroep tot nietigverklaring en indien minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden. VI. Onderzoek van het enige middel Uiteenzetting van verzoekster
  15. Verzoekster voert de schending aan van artikel 78 en artikel 79 van het besluit van de Vlaamse regering van 12 oktober 2018, artikel 2 en artikel 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, alsook de algemene beginselen van behoorlijk bestuur met in het bijzonder het zorgvuldigheidsbeginsel, het redelijkheidsbeginsel en het materiële motiveringsbeginsel. Zij meent dat zowel het voornemen tot intrekking als de beslissing tot intrekking van de erkenning op verkeerde feitelijke vaststellingen zijn gestoeld omdat deze geen inbreuken vormen op de erkenningsvoorwaarden en -voorschriften die niet op korte termijn weggewerkt kunnen worden. Volgens haar diende het voornemen tot opheffing van de erkenning binnen de vijf werkdagen te worden genomen. Deze termijnoverschrijding leidt tot de onwettigheid van de bestreden beslissingen. Voorts zet verzoekster uiteen dat overeenkomstig artikel 79, § 1 van het besluit van de Vlaamse regering van 12 oktober 2018 slechts in een beperkt aantal gevallen een voornemen tot opheffing van de erkenning kon worden geformuleerd. In het besluit van 14 april 2021 waarmee werd overgegaan tot schorsing van de erkenning werd geenszins een termijn bepaald waarbinnen een VII-41.268-11/18 inbreuk moest worden weggewerkt. Evenmin was er sprake van een schorsing omdat verzoekster op basis van onjuiste gegevens haar erkenning als consultatiebureauarts zou hebben gekregen. Het voornemen tot opheffing kon te dezen dan ook alleen maar geformuleerd worden indien een inbreuk op de erkenningsvoorwaarden en -voorschriften niet op korte termijn kon worden weggewerkt. Vervolgens voert verzoekster aan dat op basis van de weerhouden inbreuken in het voornemen tot opheffing er niet kon besloten worden tot het voorhanden zijn van inbreuken op de erkenningsvoorwaarden en -voorschriften die niet op korte termijn weggewerkt konden worden en op grond waarvan men kon overgaan tot opheffing van de erkenning. De eerste weerhouden inbreuk betreft een inbreuk op artikel 69, 1°, van het besluit van de Vlaamse regering van 12 oktober
  16. Verzoekster heeft spuiten toegediend waarbij nog residu in de spuit achterbleef. Zij heeft dit steeds ontkend. Volgens verzoekster toont het aangevoerd beeldmateriaal niet aan dat zij de spuiten met residu heeft toegediend. Zij zet achtereenvolgens uiteen dat het spuiten betreft die niet zijn opgenomen in het vaccinatieschema van Kind en Gezin, dat de container met spuiten niet leeg was toen zij aan haar consultatie begon, dat de wijze waarop de spuiten uit de container werden gehaald niet betrouwbaar is en dat het beeldmateriaal onbetrouwbaar is. Zij besluit dat er geen enkel bewijs voorhanden is waarmee wordt aangetoond dat zij als consultatiearts op niet-correcte wijze vaccins zou toedienen door een residu in de vaccinspuiten achter te laten. De tweede weerhouden inbreuk betreft een inbreuk op artikel 69, 3°, van het besluit van de Vlaamse regering van 12 oktober
  17. Verzoekster zou bij een consultatie op vier weken niet systematisch een voorschrift voor rotavirus meegeven met de ouders daar waar dit volgens de inhoudelijke en methodologische doelstellingen van de verwerende partij wel zou moeten gebeuren. Zij zou hier herhaaldelijk op aangesproken zijn maar zou steeds VII-41.268-12/18 geweigerd hebben haar aanpak bij te sturen. Ook zou zij volgens de verwerende partij onvoldoende open staan voor feedback, zelfinzicht en op basis van zelfevaluatie en de feedback een werkwijze bijsturen. Met betrekking tot de spuiten zou verzoekster onvoldoende zelfinzicht hebben en ook met betrekking tot het voorschrift voor het vaccin voor het rotavirus zou zij niet de nodige stappen zetten. Verzoekster geeft toe dat zij mogelijks tussen de artsenoverleggen van 25 november 2020 en 25 januari 2021 niet altijd systematisch de voorschriften heeft meegegeven, maar zij heeft nooit aangegeven dat zij niet bereid was om zich te schikken naar de richtlijnen die stellen dat beide voorschriften systematisch moeten worden meegegeven tijdens het vierwekenconsult. Er is dan ook geen sprake van een inbreuk. Verzoekster ontkent hier ooit over aangesproken te zijn. De derde weerhouden inbreuk betreft een inbreuk op artikel 71, 5°, van het besluit van de Vlaamse regering van 12 oktober
  18. Verzoekster betwist formeel dat zij gemaakte afspraken met de verpleegkundigen en andere erkende consultatiebureauartsen niet zou naleven. Beoordeling
  19. Artikel 78 van het besluit van de Vlaamse regering van 12 oktober 2018 luidt: “Het agentschap kan in de volgende gevallen beslissen om de erkenning te schorsen: 1°als een inbreuk op de erkenningsvoorwaarden en -voorschriften op korte termijn weggewerkt kan worden; 2°uit voorzorg, als er ernstige indicaties zijn dat er een inbreuk is op de erkenningsvoorwaarden en -voorschriften en dat daardoor de veiligheid en gezondheid van de gebruikers en medewerkers van het agentschap en de medewerkers van de organisator in het gedrang komen, of bij dringende noodzakelijkheid; 3°als de consultatiebureauarts de opvolging van de naleving van de erkenningsvoorwaarden en -voorschriften bemoeilijkt of verhindert. VII-41.268-13/18 Het agentschap hoort zo snel mogelijk en uiterlijk binnen vijf werkdagen de consultatiebureauarts en neemt op basis daarvan een beslissing over de erkenning. De beslissing heeft betrekking op: 1°het opheffen van de schorsing, in voorkomend geval met naleving van de gemaakte afspraken met het oog op de naleving van de erkenningsvoorwaarden en -voorschriften; 2°het voornemen tot opheffing van de erkenning, vermeld in artikel
  20. Het agentschap brengt de consultatiebureauarts met een aangetekende brief op de hoogte van de beslissing, vermeld in het tweede lid”.
  21. De materiëlemotiveringsplicht houdt in dat iedere administratieve rechtshandeling moet steunen op motieven waarvan het feitelijk bestaan naar behoren is bewezen en die in rechte ter verantwoording van die handeling in aanmerking mogen worden genomen. Bij de beoordeling van de naleving van de materiëlemotiveringsplicht is de Raad van State niet bevoegd om zijn oordeel omtrent de feiten in de plaats te stellen van het oordeel van het bestuur. Hij is enkel bevoegd om desgevraagd na te gaan of de administratieve overheid is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan binnen de perken van de redelijkheid tot haar besluit is kunnen komen. Het zorgvuldigheidsbeginsel houdt voor het bestuur de verplichting in om zijn beslissing zorgvuldig voor te bereiden en te steunen op een correcte feitenvinding. Het bestuur dient zowel bij de voorbereiding van zijn beslissing als bij het nemen ervan zorgvuldig te handelen, wat impliceert dat het zijn beslissing slechts kan nemen na een behoorlijk onderzoek van de zaak en rekening houdend met alle relevante gegevens.
  22. Op woensdag 14 april 2021 nam de verwerende partij de beslissing tot schorsing van de erkenning als consultatiebureauarts bij dringende noodzakelijkheid. Verzoekster werd op 14 april 2021 en op maandag 19 april 2021 gehoord door de verwerende partij. Zij werd aldus binnen de vijf werkdagen gehoord zoals bepaald door artikel 78 van het besluit van de Vlaamse regering van 12 oktober
  23. Op basis van dit gesprek werd het voornemen tot opheffing van VII-41.268-14/18 de erkenning vermeld in artikel 79 aan verzoekster betekend. Op het eerste gezicht werd artikel 78 van het besluit van 12 oktober 2018 niet geschonden en werd de termijn waarbinnen verzoekster diende te worden gehoord niet geschonden. Het middel is niet ontvankelijk in zoverre het betrekking heeft op het voornemen tot opheffing van de erkenning van verzoekster als consultatiebureauarts van 12 mei
  24. De kritiek die betrekking heeft op het voornemen tot opheffing kan op het eerste gezicht niet tot de nietigverklaring van de bestreden beslissing tot opheffing van de erkenning leiden.
  25. De eerste inbreuk heeft betrekking op het niet volledig toedienen van vaccins. Dit vormt een inbreuk op artikel 69, 1°, van het besluit van de Vlaamse regering van 12 oktober 2018: “De arts voldoet aan al de volgende voorschriften om de erkenning als consultatiebureauarts te behouden of te verlengen: 1°de arts vervult zijn opdrachten in het medisch preventief of prenataal consultaanbod conform de wetenschappelijke aanbevelingen en bevindingen in de preventieve jeugdgezondheidszorg, met inachtneming van de code van de geneeskundige plichtenleer. Het agentschap verstrekt daarvoor de nodige informatie en aanbevelingen”. Deze inbreuk werd vastgesteld op basis van de feiten opgesomd in de bestreden beslissing. De vaststellingen zijn niet enkel gebaseerd op fotomateriaal maar ook op cijfergegevens waaruit blijkt dat verzoekster vaccins heeft toegediend met restant aangezien het totale aantal vaccins toegediend door de andere artsen lager ligt dan het aantal aangetroffen spuiten met restant. Verzoekster tracht deze cijfergegevens te weerleggen door te stellen dat de informatie en het onderzoek niet betrouwbaar zijn. Deze loutere beweringen tonen op het eerste gezicht niet aan dat de cijfergegevens en het fotomateriaal niet correct zijn. Ook de verklaring dat verzoekster de vaccins volledig toedient en geen residu achterlaat doet geen afbreuk aan de vaststellingen.
  26. De tweede inbreuk gebaseerd op artikel 69, 3°, van het besluit van de Vlaamse regering van 12 oktober 2018: de arts neemt bij de uitvoering van zijn opdracht de inhoudelijke en methodologische doelstellingen die het VII-41.268-15/18 agentschap ter uitvoering van zijn decretaal bepaalde kerntaak van preventieve gezinsondersteuning en gezondheidszorg voor het jonge kind nastreeft, in acht en hij geeft zo mee vorm aan het kwaliteitskader van het agentschap. Verzoekster betwist niet dat zij niet systematisch het voorschrift meegeeft bij het vierwekenconsult maar ze heeft nooit aangegeven dat zij niet bereid zou zijn om zich te schikken naar de richtlijnen. Er werd nooit een opmerking gemaakt. De vaststellingen in de bestreden beslissing in verband met de voorschriften voor het rotavirus lijken steun te vinden in het administratief dossier. Uit het verslag van het gesprek van 19 april 2021 waar verzoekster zelf verklaart dat ze het voorschrift in principe niet meegeeft op 4 weken als er twijfel is bij het gezin. Voorts verklaart ze dat dit op het artsenoverleg aan bod is gekomen. Pas wanneer verzoekster geconfronteerd wordt met haar aanpak wijzigt ze haar verklaring en “denkt ze dat ze systematisch nu wel anders doet maar ze is niet 100% zeker dat het in de tussenperiode bij alle consulten correct gebeurd is.” De verwerende partij uit haar twijfels over de wijze waarop dit effectief in praktijk is gebracht omdat verzoekster bij de beschrijving van haar aanpak gewoon haar vroegere aanpak beschreef. De verwerende partij deelt haar mee toch verwonderd te zijn vast te stellen dat ondanks de reeds gemaakte afspraken op het consultatiebureau hierover en ondanks het feit dat verzoekster over dit punt al aangesproken werd door de collega’s op het consultatiebureau, ze bij de beschrijving van haar aanpak gewoon haar “vroegere” aanpak beschreef.
  27. Met betrekking tot de derde inbreuk op artikel 71, 5°, van het besluit van de Vlaamse regering van 12 oktober 2018 betwist verzoekster dat zij werd aangesproken over haar aanpak met betrekking tot de voorschriften voor het rotavaccin met de vraag die bij te sturen en dat verzoekster hier geen gevolg heeft aan gegeven. Het feit dat verzoekster al dan niet werd aangesproken door verpleegkundigen om haar aanpak te wijzigen blijkt inderdaad niet uit een schriftelijk stuk. Wat wel blijkt is dat de aanpak twee maal werd besproken op het VII-41.268-16/18 artsenoverleg en dat verzoekster nadien nog een eigen afwijkende werkwijze beschreef tijdens het gesprek van 19 april
  28. Uit de weergave van dit gesprek blijkt dat verzoekster op dat ogenblik werd geconfronteerd met het feit dat ze over dit punt al aangesproken werd door de collega’s op het consultatiebureau. Verzoekster ontkent of weerlegt dit gedurende de procedure niet. Bovendien moet bij het onderzoek naar het afdoende karakter van de motieven rekening worden gehouden met het geheel van de in de bestreden beslissing uitgedrukte motieven en niet louter met een of meerdere door verzoekster geciteerde en bekritiseerde onderdelen van de motivering op zich. Het volstaat immers dat de motivering in haar geheel afdoende is. Uit het bovenstaande blijkt dat het geheel van de motieven afdoende lijkt te zijn om de bestreden beslissing te dragen. Het enige middel is niet ernstig. BESLISSING De Raad van State verwerpt de vordering. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van negentien mei tweeduizend tweeëntwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Eric Brewaeys, kamervoorzitter, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier. De griffier De voorzitter VII-41.268-17/18 Bart Tettelin Eric Brewaeys VII-41.268-18/18 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.253.808 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.