← België

Arrest 253809 - Financiële tegemoetkomingen - 19/05/2022

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 19 mei 2022 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.253.809 Rolnummer: A. 234845/XIV-39328 Zaak: Arrest 253809 - Financiële tegemoetkomingen - 19/05/2022 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2022-05-30 Raadplegingen: 85 - laatst gezien 2026-06-10 06:55 Fiche Arrest nr 253.809 van 19 mei 2022 Sociale zaken en volksgezondheid - Financiële tegemoetkomingen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER nr. 253.809 van 19 mei 2022 in de zaak A.234.845/VII-41.227 In zake: Marc VAN GESTEL, in zijn hoedanigheid van bewindvoerder van Ann VAN GESTEL bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Stéphanie Rondelez en Sander Meert kantoor houdend te 3000 Leuven Arnould Nobelstraat 40, bus 0102 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de VLAAMSE GEMEENSCHAP bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bart Staelens kantoor houdend te 8000 Brugge Gerard Davidstraat 46, bus 1 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering

  1. De vordering, ingesteld op 18 november 2021 strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging van de artikelen 25, 26 en 55, eerste lid, in zoverre dat betrekking heeft op de inwerkingtreding van de artikelen 25 en 26 van het besluit van de Vlaamse regering van 5 maart 2021 ‘tot wijziging van een aantal besluiten van de Vlaamse regering over de ondersteuning van personen met een handicap’ bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad op 29 april 2021 en het bevelen van volgende voorlopige maatregelen: “Bij wege van voorlopige maatregel aan de verwerende partij, meer bepaald de minister van Welzijn, Volksgezondheid, Gezin en Armoedebestrijding, het bevel te geven om binnen zeven kalenderdagen na de betekening van het arrest, aan het Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap de opdracht te geven om de terbeschikkingstelling van het persoonsvolgend budget aan verzoeker in overeenstemming te brengen met de bepalingen van het Besluit van de Vlaamse VII-41.227-1/21 Regering van 27 november 2015 zoals deze gelden ten gevolge van de schorsing, minstens voorlopig tot aan de einduitspraak over het beroep tot nietigverklaring, onder verbeurte van een dwangsom, vastgesteld op 500 euro per begonnen kalenderdag dat de verwerende partij, meer bepaald de minister van Welzijn, Volksgezondheid, Gezin en Armoedebestrijding, in gebreke blijft de voorlopige maatregel na te leven”. II. Verloop van de rechtspleging
  2. De verwerende partij heeft een nota ingediend. Eerste auditeur Anja Somers heeft op 30 maart 2022 een verslag opgesteld. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 12 mei
  3. Kamervoorzitter Eric Brewaeys heeft verslag uitgebracht. Advocaat Stéphanie Rondelez, die verschijnt voor verzoeker en advocaat Bart Staelens, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Anja Somers heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  4. III. Feiten 3.
  5. Verzoeker ontvangt sinds 1 januari 2017 een persoonsvolgend budget. Met ingang van 1 januari 2020 bedraagt dit persoonsvolgend budget 43,3167 zorggebonden punten. VII-41.227-2/21 3.
  6. Op 28 mei 2018 wordt een aanvraag tot herziening ingediend van het persoonsvolgend budget op grond van artikel 24 van het besluit van de Vlaamse regering van 24 juni 2016 ‘houdende de transitie van personen met een handicap die gebruikmaken van een persoonlijke-assistentiebudget of een persoonsgebonden budget of die ondersteund worden door een flexibel aanbodcentrum voor meerderjarigen of een thuisbegeleidingsdienst, naar persoonsvolgende financiering en houdende de transitie van de flexibele aanbodcentra voor meerderjarigen en de thuisbegeleidingsdiensten’, dat op zijn beurt verwijst naar artikel 35, § 1 van het besluit van de Vlaamse regering van 27 november
  7. 3.
  8. Op 12 maart 2019 geeft het Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap (hierna: VAPH) kennis van een voornemen tot toewijzing van een persoonsvolgend budget van budgetcategorie X (70,9602 zorggebonden punten of 60.778,09 euro) en werd verzoeker gerangschikt in prioriteitencategorie
  9. 3.
  10. Er werd een gemotiveerd verzoek tot heroverweging ingediend met betrekking tot de prioriteitengroep. 3.
  11. Op 7 juni 2019 wordt aan verzoeker een persoonsvolgend budget toegekend van budgetcategorie X, behorende tot prioriteitengroep
  12. De beslissing vermeldt verder dat het budget niet onmiddellijk kan worden ter beschikking gesteld. 3.
  13. Verzoeker tekent beroep aan tegen deze laatste beslissing bij de arbeidsrechtbank van Gent en vordert dat zijn dossier wordt toegewezen aan prioriteitengroep
  14. 3.
  15. Bij vonnis van 6 september 2021 wordt gesteld dat verzoeker aan prioriteitengroep 1 moet worden toegewezen gerangschikt op datum van 28 mei
  16. VII-41.227-3/21 3.
  17. Bij beslissing van 26 oktober 2021 wordt aan verzoeker met ingang van 27 juli 2021 een persoonsvolgend budget van budgetcategorie 14 (62,160000 zorggebonden punten of actueel 54.006,47 euro) ter beschikking gesteld. 3.
  18. De thans bestreden bepalingen zijn de artikelen 25 en 26 en artikel 55, eerste lid in zoverre dit betrekking heeft op de inwerkingtreding van de artikelen 25 en 26 van het besluit van de Vlaamse regering van 5 maart 2021, omdat deze belangrijke gevolgen hebben voor het persoonsvolgend budget van verzoeker. 3.
  19. Door deze artikelen van het bestreden besluit van 5 maart 2021 tot wijziging van een aantal besluiten van de Vlaamse regering over de ondersteuning van personen met een handicap wordt verzoeker geconfronteerd met de actualisering van de budgetten, wat ertoe leidt dat de terbeschikkingstelling met ingang van 27 juli 2021 een lager persoonsvolgend budget van 62,16 zorggebonden punten, of actueel 54.006,47 euro bedraagt in plaats van het bij beslissing van het VAPH van 7 juni 2019 toegewezen budget van 70,9602 zorggebonden punten of 60.778,09 euro in prioriteitencategorie
  20. 3.
  21. Verzoeker zet de gevolgen uiteen: “Het toegewezen persoonsvolgend budget werd bepaald op basis van B-waarde 5 en P-waarde 5, zoals vermeld in het multidisciplinaire verslag op basis van de afname van het zorgzwaarte-instrument uit die periode (met B-waarden die variëren van B0 tot B6). Het toegewezen persoonsvolgend budget werd bepaald op basis van de volgende vraag, zoals vermeld in het ondersteuningsplan […]: Het toegewezen persoonsvolgend budget valt door toepassing van de oude methode budgetbepaling op de hierboven vermelde vraag, opgenomen in VII-41.227-4/21 het ondersteuningsplan, en de hierboven vermelde B-waarde B5 en P-waarde P5, onder de (oude) budgetcategorie X en bedraagt 70,9602 zorggebonden punten of 60.778, 09 euro[…], na indexatie 61.652,32 euro. Voor de actualisatie werd de nieuwe methode budgetbepaling toegepast op de hierboven vermelde vraag, opgenomen in het ondersteuningsplan, en op de B-waarde 5 en P-waarde
  22. De aldus nieuwe vastgestelde budgetcategorie zou op basis van de tabellen 1 en 2 in de bijlage bij het BVR van 27 november 2015 de volgende moeten zijn: budgetcategorie 13, die 57,51 zorggebonden punten of (actueel) 49.966,41 euro bedraagt (zie voor de gedetailleerde berekening de simulatie via de ‘rekentool’[…] van het VAPH […]. Blijkens de beslissing van het VAPH van 26 oktober 2021 werd de mededeling van het VAPH over de omzetting van de B-waarden, die echter geen enkele decretale of reglementaire basis heeft (zie supra nr. 40), toegepast, waarbij de B-waarde werd omgezet van B-waarde B5 naar B-waarde B
  23. De aldus nieuw vastgestelde budgetcategorie is op basis van de tabellen 1 en 2 in de bijlage bij het BVR van 27 november 2015 de volgende: budgetcategorie 14, die 62,16 zorggebonden punten of (actueel) 54.006,47 euro bedraagt (zie voor de gedetailleerde berekening de simulatie via de ‘rekentool’ van het VAPH, […]). Het bestreden besluit leidt bijgevolg ertoe dat het bij beslissing van het VAPH van 7 juni 2019 toegewezen persoonsvolgend budget van 70,9602 zorggebonden punten of 60.778,09 euro, na indexatie 61.652,32 euro, op het ogenblik dat het VAPH het persoonsvolgend budget ter beschikking kon stellen, werd geactualiseerd naar het lagere persoonsvolgend budget van 62,16 zorggebonden punten of (actueel) 54.006,47, waardoor thans en met ingang van 27 juli 2021 slechts dit lagere geactualiseerde persoonsvolgend budget ter beschikking wordt gesteld, en dus niet het persoonsvolgend budget van 70,9602 zorggebonden punten of 60.778,09 euro na indexatie 61.652,32 euro”. IV. Herinnering aan de schorsingsvoorwaarden
  24. Krachtens artikel 17, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan de schorsing van de tenuitvoerlegging slechts worden bevolen onder de dubbele voorwaarde dat de zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een beroep tot nietigverklaring en indien minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden. Er kan alleen rekening worden gehouden met hetgeen daarover in het verzoekschrift werd uiteengezet en gestaafd. De Raad van State kan geen acht slaan op hetgeen in later ingediende geschriften of ter terechtzitting nog door VII-41.227-5/21 de verzoekende partij wordt bijgebracht. De verwerende partij kan daarop immers niet meer schriftelijk repliceren en de auditeur kan daarover niet op een deugdelijke wijze advies verlenen in een procedure die op grond van artikel 22 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State essentieel schriftelijk is. V. Spoedeisendheid Standpunten van de partijen
  25. Verzoeker zet het volgende uiteen: “[…] Krachtens artikel 17, §2 van Raad van State-wet bevat het verzoekschrift tot schorsing een uiteenzetting van de feiten die de spoedeisendheid verantwoorden die ter ondersteuning van dit verzoekschrift wordt ingeroepen. […] De verzoekende partij heeft op 24 oktober 2021 een beroep tot nietigverklaring ingediend tegen het bestreden besluit, zonder hierbij ook een vordering tot schorsing van tenuitvoerlegging van het bestreden besluit in te dienen. In dat verband zal Uw Raad kunnen vaststellen dat er omstandigheden voorhanden zijn die de zaak thans voor verzoeker spoedeisend maken, terwijl ze dat voorheen niet was. Op het ogenblik van het indienen van het beroep tot nietigverklaring, had het VAPH immers nog geen beslissing tot terbeschikkingstelling van het persoonsvolgend budget aan Ann Van Gestel genomen; zij stond op dat ogenblik m.a.w. nog op de ‘wachtlijst’. De beslissing tot terbeschikkingstelling van het persoonsvolgend budget werd pas genomen en ter kennis gebracht van Ann Van Gestel op 26 oktober 2021 […]. Op het ogenblik van het indienen van het beroep tot nietigverklaring had de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit nog geen nadelige gevolgen voor Ann Van Gestel. Het bestaan van nadelige gevolgen van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit veronderstelt immers dat aan Ann Van Gestel reeds een persoonsvolgend budget ter beschikking wordt gesteld, daar deze nadelige gevolgen erin bestaan dat het ter beschikking gestelde persoonsvolgend budget lager ligt dan het bij beslissing van het VAPH van 7 juni 2019 toegewezen persoonsvolgend budget. Op het ogenblik van het indienen van het beroep tot nietigverklaring kon Ann Van Gestel dan ook zonder nadelige gevolgen de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit ondergaan, zodat niet tegelijk een vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit werd ingediend. Ten gevolge van de beslissing van het VAPH van 26 oktober 2021 ondervindt Ann Van Gestel thans wel de voormelde nadelige gevolgen van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit, zodat zij de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit niet langer kan ondergaan. […] Luidens vaste rechtspraak van Uw Raad, bestaat er spoedeisendheid wanneer verzoeker het resultaat van de procedure tot nietigverklaring niet VII-41.227-6/21 kan afwachten om zijn beslissing te verkrijgen, op straffe zich in een toestand te bevinden met onherroepelijke schadelijke gevolgen.[…] In hoofde van de verzoekende partij bestaat er onmiskenbaar spoedeisendheid, daar zij zich op het ogenblik van de uitspraak over het beroep tot nietigverklaring in een toestand zal bevinden met onherroepelijke schadelijke gevolgen. In afwachting van Uw uitspraak over de nietigverklaring van het bestreden besluit, zal aan Ann Van Gestel op grond van de beslissing van het VAPH van 26 oktober 2021 jaarlijks een persoonsvolgend budget van de nieuwe budgetcategorie 14 ter beschikking worden gesteld, i.e. van 62,16 zorggebonden punten, oftewel actueel 54.006,47 euro. Aan Ann Van Gestel zal dus niet het bij beslissing van het VAPH van 7 juni 2019 toegewezen persoonsvolgend budget van de oude budgetcategorie X ter beschikking worden gesteld, i.e. van 70,960164 zorggebonden punten, oftewel actueel 61.652,32 euro. Aan Ann Van Gestel zal in afwachting van de gevorderde nietigverklaring bijgevolg jaarlijks een puntenaantal in min van 8,800164 zorggebonden punten ter beschikking worden gesteld, oftewel een bedrag in min van actueel 7.645,85 euro. […] Het kan niet worden betwist dat de terbeschikkingstelling van een jaarlijks puntenaantal in min van 8,800164 zorggebonden punten, oftewel een jaarlijks bedrag in min van actueel 7.645,85 euro voor de verzoekende partij schadelijke gevolgen heeft. Uit het ondersteuningsplan dat aan het VAPH werd bezorgd in het kader van de aanvraag tot herziening op 28 mei 2018, en op basis waarvan het VAPH bij beslissing van 7 juni 2019 een persoonsvolgend budget heeft toegewezen, blijkt dat Ann Van Gestel nood heeft aan de volgende zorg en ondersteuning […]: • zes dagen per week dagondersteuning[…]; • zes dagen per week woonondersteuning[…]; • zeven uur per week individuele praktische hulp[…]; • zeven uur per week globale individuele ondersteuning[…]; en • oproepbare permanentie[…]. Met het thans ter beschikking gestelde persoonsvolgend budget van de nieuwe budgetcategorie 14, i.e. van 62,16 zorggebonden punten, oftewel actueel 54.006,47 euro, kan de verzoekende partij op heden zes dagen per week dagondersteuning en zes dagen per week woonondersteuning financieren bij een door het VAPH vergunde zorgaanbieder, m.n. Begeleidingscentrum Sint-Elisabeth vzw. De overige benodigde zorg en ondersteuning, zijnde de zeven uur per week individuele praktische hulp, de zeven uur per week globale individuele ondersteuning en de oproepbare permanentie, kan de verzoekende partij slechts ten dele financieren met het thans ter beschikking gestelde persoonsvolgend budget. De verzoekende partij zou met de mislopen terbeschikkingstelling van 8,800164 zorggebonden punten deze noodzakelijke zorg en ondersteuning daarentegen wel geheel, minstens voor een groter deel, kunnen financieren. […] Ten gevolge van de terbeschikkingstelling van het puntenaantal in min van 8,800164 zorggebonden punten, heeft de verzoekende partij in wezen de keuze tussen twee opties, die elk schadelijke gevolgen met zich meebrengen. De eerste optie bestaat erin dat slechts een deel van de benodigde zorg en ondersteuning wordt ingekocht met het ter beschikking gestelde VII-41.227-7/21 persoonsvolgend budget. Concreet komt dit erop neer dat zes dagen per week dagondersteuning en zes dagen per week woonondersteuning bij het Begeleidingscentrum Sint-Elisabeth vzw kunnen worden ingekocht, en dat een deel van de overige benodigde zorg en ondersteuning, zijnde de zeven uur per week individuele praktische hulp, de zeven uur per week globale individuele ondersteuning en de oproepbare permanentie, eenvoudigweg niet kunnen worden ingekocht. De schadelijke gevolgen zijn derhalve onmiskenbaar: de verzoekende partij krijgt een deel van de objectief vastgestelde noodzakelijke zorg en ondersteuning niet. Het weze benadrukt dat deze overige benodigde zorg en ondersteuning moet toelaten dat Ann Van Gestel in het weekend één dag bij haar ouders kan doorbrengen. In zoverre een deel van deze overige benodigde zorg en ondersteuning niet zal kunnen worden ingekocht, zal Ann Van Gestel worden geconfronteerd met ernstige gezondheidsrisico’s en zal haar welbehagen op ernstige wijze verminderen. Uit het ondersteuningsplan blijkt op welke wijze de gezondheid en het welbehagen van Ann Van Gestel wordt aangetast, indien zij deze overige zorg en ondersteuning niet krijgt […]. Zo is Ann Van Gestel erg gevoelig voor externe prikkels en ondervindt zij ernstige moeilijkheden om zulke prikkels te verwerken. Deze moeilijkheden uiten zich in het bijzonder in zenuwachtig gedrag, dat bij gebrek aan tijdig ingrijpen en toezicht overgaat in automutilatie (het pulken aan en openkrabben van de huid) en onverwacht en gevaarlijk gedrag, zowel voor zichzelf als voor anderen (bv. gaan zitten in het midden van een parking, gooien met tuinstoelen). Verder blijkt uit het ondersteuningsplan dat Ann Van Gestel weliswaar zelfstandig het toilet kan gebruiken, maar niet in staat is om zichzelf te reinigen na stoelgang. Voorts blijkt uit het ondersteuningsplan dat Ann Van Gestel ondersteuning nodig heeft om zich te wassen. Ook blijkt uit het ondersteuningsplan dat Ann Van Gestel geen warme maaltijden kan bereiden of opwarmen en niet volledig zelfstandig kan eten, in die zin dat zij hulp nodig heeft bij het snijden van vlees en bij het bepalen van de gepaste portie. Het ondersteuningsplan toont ook aan dat Ann Van Gestel nooit alleen kan worden gelaten en niet in staat is om zelfstandig tot een dagbesteding te komen en activiteiten te bedenken. Het spreekt voor zich dat Ann Van Gestel hierdoor, zonder bijkomende hulp en bijstand, niet in staat is om deel te nemen aan sociale activiteiten en een sociaal leven uit te bouwen. Kortom, bij gebrek aan de overige benodigde zorg en ondersteuning, zal Ann Van Gestel op alle vlakken van haar leven, van voeding over persoonlijke hygiëne tot dagbesteding, ernstige problemen ondervinden, die zeer schadelijk zijn voor haar gezondheid, zowel fysiek als geestelijk. De tweede optie bestaat erin dat de verzoekende partij, ten bedrage van de terbeschikkingstelling van het puntenaantal in min van 8,800164 zorggebonden punten, d.w.z. voor een jaarlijks bedrag van actueel 7.645,85 euro, met eigen middelen de niet door het thans ter beschikking gestelde persoonsvolgend budget gedekte benodigde zorg en ondersteuning inkoopt. Een bedrag van 7.645,85 euro op jaarbasis vormt ontegensprekelijk een substantieel bedrag voor Ann Van Gestel als natuurlijke persoon, die ten gevolge van haar handicap sowieso niet in staat is om beroepsmatig inkomsten te verwerven. Dat geldt des te meer, nu het bedrag van het persoonsvolgend budget ter vergoeding van de VII-41.227-8/21 beheerskosten nog wordt verhoogd met 10,35% van het gedeelte ervan dat wordt besteed in de vorm van een cashbudget bij een niet-vergunde zorgaanbieder (artikel 3, §2 van het Besluit van de Vlaamse Regering van 24 juni 2016 ‘over de besteding van het budget voor niet-rechtstreeks toegankelijke zorg en ondersteuning voor meerderjarige personen met een handicap en over organisatiegebonden kosten voor vergunde zorgaanbieders’[…] (hierna: ‘BVR van 24 juni 2016’)). Het jaarlijks bedrag van de terbeschikkingstelling in min kan dan ook oplopen tot 8.437,2 euro.[…] […] De hierboven geschetste schadelijke gevolgen van de opties die voor de verzoekende partij bestaan ten gevolge van de terbeschikkingstelling van het puntenaantal in min van 8,800164 zorggebonden punten, zijn voorts onherroepelijk, in die zin dat deze niet kunnen worden hersteld na de nietigverklaring van het bestreden besluit. […] De schadelijke gevolgen bij de eerste optie kunnen, gelet op hun aard, onmogelijk worden hersteld. Het deel van de objectief vastgestelde noodzakelijke zorg en ondersteuning dat Ann Van Gestel in afwachting van de nietigverklaring van het bestreden besluit niet heeft gekregen, heeft zij op definitieve wijze niet gekregen; het betreft werkelijk een voldongen feit. De gezondheidsrisico’s en het verminderd welbehagen zullen zich aldus, door het tijdsverloop, definitief en onherstelbaar hebben voltrokken op het ogenblik van de nietigverklaring van het bestreden besluit. […] Ook de schadelijke gevolgen bij de tweede optie kunnen onmogelijk worden hersteld na de nietigverklaring van het bestreden besluit. Daarbij moet ten eerste worden opgemerkt dat deze schadelijke gevolgen niet kunnen worden beschouwd als een louter financieel nadeel. De financiering met eigen middelen van een deel van de benodigde zorg en ondersteuning ten bedrage van de terbeschikkingstelling van het puntenaantal in min van 8,800164 zorggebonden punten, d.w.z. voor een jaarlijks bedrag van actueel 7.645,85 euro, maakt dat Ann Van Gestel in afwachting van de nietigverklaring van het bestreden besluit een aanzienlijk deel van haar eigen middelen niet op een andere wijze zal kunnen besteden. Ann Van Gestel zal m.a.w. gedurende de procedure tot nietigverklaring de mogelijkheid worden ontnomen om naar eigen inzicht haar leven te leiden en in dat verband naar eigen inzicht te bepalen welk deel van haar eigen middelen ze besteedt aan welke uitgaven. Deze beperking van de vrijheid van Ann Van Gestel om naar eigen inzicht haar eigen middelen te besteden, zal zich, door het tijdsverloop, definitief en onherstelbaar hebben voltrokken op het ogenblik van de nietigverklaring van het bestreden besluit. […] Voorts houdt de tweede optie ook niet in dat Ann Van Gestel een deel van de benodigde zorg en ondersteuning ten bedrage van de terbeschikkingstelling van het puntenaantal in min van 8,800164 zorggebonden punten, d.w.z. voor een jaarlijks bedrag van actueel 7.645,85 euro, louter met eigen middelen zou ‘prefinancieren’, waarbij de geprefinancierde bedragen na de nietigverklaring alsnog zouden kunnen worden vergoed door het VAPH. Dat blijkt uit de regels betreffende de besteding van het persoonsvolgend budget, die hierna worden uiteengezet. VII-41.227-9/21 In artikel 10 van het Decreet Persoonsvolgende Financiering is bepaald dat de persoon met een handicap een keuze maakt tussen een cashbudget of een voucher, of een combinatie van beide gebruikt. In artikel 2, 3° van het Decreet Persoonsvolgende Financiering wordt het cashbudget omschreven als volgt: ‘een vorm van financiering van niet-rechtstreeks toegankelijke zorg en ondersteuning, waarbij de persoon met een handicap beslist om de financiering van deze zorg en ondersteuning in liquide middelen op de eigen bankrekening te ontvangen, met een maximumbudget per kalenderjaar, en waarbij de persoon met een handicap daarmee zelf instaat voor het bekostigen van deze zorg en ondersteuning;’ In artikel 2, 11° van het Decreet Persoonsvolgende Financiering wordt de voucher omschreven als volgt: ‘de vorm van financiering waarbij de persoon met een handicap beslist om de financiering van de niet-rechtstreeks toegankelijke zorg en ondersteuning of de bijstand bij de organisatie daarvan rechtstreeks tussen het agentschap en de vergunninghouder, gekozen door de persoon met een handicap, te laten verlopen;’ In artikel 11 van het Decreet Persoonsvolgende Financiering is bepaald dat het cashbudget wordt vastgesteld op basis van een kalenderjaar, waarbij de persoon met een handicap op een bankrekening op eigen naam een voorschot op dat jaarbudget ontvangt, en aanvullende voorschotten naar rato van de bewezen en aanvaarde kosten. Voorts is hierin bepaald dat de Vlaamse Regering de regels bepaalt voor de terbeschikkingstelling en de terugbetaling van de voorschotten. In artikel 12 van het Decreet Persoonsvolgende Financiering is bepaald dat de voucher alleen kan worden besteed aan de financiering van zorg en ondersteuning die verleend wordt door een door het VAPH vergunde aanbieder van niet-rechtstreeks toegankelijke zorg en ondersteuning, of aan de bijstand die verleend wordt door een door het VAPH vergunde bijstandsorganisatie[…]. In het BVR van 24 juni 2016 zijn de nadere regels betreffende de besteding van het persoonsvolgend budget bepaald. In artikel 19 van het BVR van 24 juni 2016 is als uitgangspunt bepaald dat de budgethouder de besteding van het budget dient te verantwoorden. De nadere regels worden hierna verder toegelicht. […] Wat betreft de besteding van het persoonsvolgend budget in de vorm van een voucher, dient de vergunde zorgaanbieder met wie een overeenkomst over het verlenen van zorg en ondersteuning is gesloten of de bijstandsorganisatie, een aantal gegevens, waaronder het aantal zorggebonden punten of het bedrag dat op jaarbasis nodig is om de overeenkomst uit te voeren, te registreren in de webapplicatie die het VAPH hiervoor ter beschikking stelt (artikelen 13 tot 15 van het BVR van 24 juni 2016). Het VAPH controleert of het aantal zorggebonden punten of bedrag, vermeld in de overeenkomst, niet groter is dan het resterend gedeelte van het jaarlijks budget na aftrek van het deel dat de budgethouder op jaarbasis al heeft vastgelegd in de vorm van een voucher of dat al werd besteed als cashbudget. Als het saldo van het budget voldoende groot is, aanvaardt het VAPH de overeenkomst en wordt het aantal zorggebonden punten vastgelegd als voucher. Als het saldo van het budget niet groot VII-41.227-10/21 genoeg is, aanvaardt het VAPH de overeenkomst niet en brengt de budgethouder en de vergunde zorgaanbieder daarvan op de hoogte (artikelen 14 en 15 Van het BVR van 24 juni 2016). Voor het budget of het deel van het budget dat als voucher wordt gebruikt bij een vergunde zorgaanbieder of bijstandsorganisatie, geldt deze mededeling van gegevens als een voldoende verantwoording (artikel 21 van het BVR van 24 juni 2016). Uit bovenstaande blijkt dat de besteding van het persoonsvolgend budget in de vorm van een voucher erin bestaat dat de budgethouder een overeenkomst sluit met een door het vergunde zorgaanbieder of bijstandsorganisatie. De budgethouder vergoedt niet zelf de vergunde zorgaanbieder of bijstandsorganisatie. Deze ontvangt de vergoeding rechtstreeks van het VAPH. De vergunde zorgaanbieder of bijstandsorganisatie moet de overeenkomst registreren bij het VAPH en aldus zorgen voor de administratieve afhandeling bij het VAPH. Het VAPH dient de overeenkomst goed te keuren alvorens de vergunde zorgaanbieder of bijstandsorganisatie vergoedingen kan ontvangen. Indien de verzoekende partij, in afwachting van de nietigverklaring van het bestreden besluit, ten bedrage van (een deel van) de terbeschikkingstelling van het puntenaantal in min van 8,800164 zorggebonden punten, één of meerdere ‘voucherovereenkomsten’ zou sluiten met een vergunde zorgaanbieder of bijstandsorganisatie, dient zij deze ‘voucherovereenkomsten’ bijgevolg met eigen middelen te financieren. De vergunde zorgaanbieder of bijstandsorganisatie kan voor deze ‘voucherovereenkomsten’ immers geen financiering verkrijgen van het VAPH, daar zij deze niet kan registreren bij het VAPH bij gebrek aan beschikbare zorggebonden punten. Er bestaat voor de verzoekende partij volstrekt geen zekerheid dat de bedragen voor de ‘voucherovereenkomsten’ die zij zelf heeft gefinancierd in afwachting van de nietigverklaring van het bestreden besluit, alsnog door het VAPH zullen worden vergoed. Ten eerste kan het VAPH deze ‘voucherovereenkomsten’maar vergoeden als het deze heeft kunnen goedkeuren. De verzoekende partij zal bijgevolg pas nadat de ‘voucherovereenkomsten’ reeds volledig zijn uitgevoerd of wanneer deze al lopende zijn, met zekerheid weten of deze ‘voucherovereenkomsten’ door het VAPH worden goedgekeurd en om die reden voor vergoeding in aanmerking komen. Het is derhalve niet ondenkbaar dat de verzoekende partij, in afwachting van de nietigverklaring van het bestreden besluit, ‘voucherovereenkomsten’ aangaat en met eigen middelen financiert, in de veronderstelling dat deze in aanmerking komen voor vergoeding door het VAPH, maar dat deze na de nietigverklaring niet worden goedgekeurd en dus definitief ten laste vallen van de eigen middelen van de verzoekende partij. Nochtans is bepaald dat indien het VAPH de ‘voucherovereenkomst’ niet aanvaardt, het de budgethouder en de vergunde zorgaanbieder daarvan op de hoogte brengt, hetgeen de budgethouder moet toelaten om reeds bij aanvang van de ‘voucherovereenkomst’ te weten dat deze niet zal worden vergoed door het VAPH en met eigen middelen zal moeten worden bekostigd. Ten tweede kan het VAPH deze ‘voucherovereenkomsten’ maar vergoeden als de vergunde zorgaanbieder of bijstandsorganisatie deze conform de VII-41.227-11/21 voorschriften heeft geregistreerd bij het VAPH. De vergunde zorgaanbieder of bijstandsorganisatie zal bijgevolg pas nadat de ‘voucherovereenkomsten’ reeds volledig zijn uitgevoerd of wanneer deze al lopende zijn, deze ‘voucherovereenkomsten’ kunnen registreren bij het VAPH, gelet op de door de nietigverklaring van het bestreden besluit bijkomende terbeschikkingstelling van de 8,800164 zorggebonden punten. Door het tijdsverloop is het niet ondenkbaar dat de vergunde zorgaanbieders of bijstandsorganisaties met wie de verzoekende partij ‘voucherovereenkomsten’ heeft gesloten, na de nietigverklaring van het bestreden besluit niet (meer) in staat zullen zijn de benodigde gegeven te registreren in de webapplicatie van het VAPH, bijvoorbeeld omdat deze gegevens niet (meer) volledig zijn bewaard of omdat de betrokken vergunde zorgaanbieders of bijstandsorganisaties niet meer bestaan. Hiermee wordt meteen ook de derde reden duidelijk waarom er voor de verzoekende partij geen zekerheid bestaat dat de bedragen voor de ‘voucherovereenkomsten’ die zij zelf heeft gefinancierd in afwachting van de nietigverklaring van het bestreden besluit, alsnog door het VAPH zullen worden vergoed. Het VAPH kan deze ‘voucherovereenkomsten’ maar vergoeden door rechtstreekse betalingen aan de vergunde zorgaanbieder of bijstandsorganisatie; de verzoekende partij zelf zal na de nietigverklaring bijgevolg van het VAPH geen enkele vergoeding ontvangen voor de ‘voucherovereenkomsten’ die zij met eigen middelen heeft geprefinancierd. De verzoekende partij zal daarentegen haar prefinanciering moeten recupereren bij de vergunde zorgaanbieder of bijstandsorganisatie. Het spreekt voor zich dat de verzoekende partij hierdoor het risico loopt finaal niet te worden vergoed, in het bijzonder wanneer de vergunde zorgaanbieder of bijstandsorganisatie onvermogend blijkt. Ook bestaat de kans dat de vergunde zorgaanbieder of bijstandsorganisatie weigert om de van het VAPH ontvangen vergoeding aan de verzoekende partij over te maken, in welk geval de verzoekende partij de kosten en ongemakken van een procedure in rechte zal moeten dragen. Bovenstaande geldt des te meer, daar de vergunde zorgaanbieder recht heeft op ‘organisatiegebonden personeelspunten’ als een budgethouder ervoor kiest om zijn budget volledig of gedeeltelijk te gebruiken als een voucher (artikel 3, §3 van het BVR van 24 juni 2016). Het betreft punten, met een waarde van 864 euro per punt, die dienen ter dekking van de personeelskosten die ingezet worden voor het management en het beleid binnen de voorziening, en alle andere personeelsfuncties die niet gelieerd zijn aan de zorg en ondersteuning van de persoon met een handicap, maar tot doel hebben de globale werking van de organisatie te faciliteren (artikel 3, §1 van het BVR van 24 juni 2016). Ook deze organisatiegebonden personeelspunten dient de verzoekende partij met eigen middelen te prefinancieren. Het is voor de verzoekende partij echter onmogelijk om bij de sluiting en tijdens de looptijd van de ‘voucherovereenkomst’ te weten wat het bedrag aan organisatiegebonden personeelspunten is dat de vergunde zorgaanbieder zou ontvangen indien het een geregistreerde ‘voucherovereenkomst’ zou zijn. Het VAPH dient immers eerst voor de betrokken vergunde zorgaanbieder jaarlijks het aantal organisatiegebonden personeelspunten te bepalen en hiervoor het VII-41.227-12/21 gemiddelde te berekenen van het totale aantal zorggebonden punten die de vergunde zorgaanbieder voor de twee voorafgaande kalenderjaren heeft geregistreerd bij het VAPH (artikel 3, §3, tweede lid van het BVR van 24 juni 2016). Het weze overigens nog benadrukt dat het totale aantal zorggebonden punten die de vergunde zorgaanbieder voor de twee voorafgaande kalenderjaren heeft geregistreerd bij het VAPH, in afwachting van de nietigverklaring onjuist zal zijn, in zoverre de ‘voucherovereenkomsten’ die de verzoekende partij zelf financiert, niet zullen zijn geregistreerd door de vergunde zorgaanbieder, zodat ook het bedrag aan organisatiegebonden personeelspunten onjuist zal zijn. Om al deze redenen kunnen de schadelijke gevolgen van de prefinanciering van de besteding van het persoonsvolgend budget in de vorm van een voucher, onmogelijk worden hersteld na de nietigverklaring van het bestreden besluit. […] Wat betreft de besteding van het persoonsvolgend budget in de vorm van een cashbudget, kan dit alleen besteed worden aan zorg en ondersteuning die wordt verleend op basis van de in artikel 7 van het BVR van 24 juni 2016 opgesomde overeenkomsten die worden gesloten door de budgethouder. De budgethouder sluit voor de besteding van het deel van het budget dat hij als cashbudget wil gebruiken overeenkomsten als vermeld in artikel 7 van het BVR van 24 juni 2016, en deelt aan het VAPH de benodigde gegevens over die overeenkomsten mee. Het VAPH beoordeelt op basis van de meegedeelde gegevens of het om een overeenkomst gaat als vermeld in artikel
  26. Als het VAPH vaststelt dat het gaat om een overeenkomst als vermeld in artikel 7, deelt het aan de budgethouder mee dat het akkoord gaat met de besteding van het budget als cashbudget op basis van de meegedeelde overeenkomsten. Als het VAPH vaststelt dat het niet gaat om een overeenkomst als vermeld in artikel 7, deelt het aan de budgethouder mee niet akkoord te gaan met de besteding van het budget als cashbudget op basis van de meegedeelde overeenkomst (artikel 17, §1 van het BVR van 24 juni 2016). De budgethouder deelt de kosten voor zorg en ondersteuning die hij vergoedt met het cashbudget mee aan het VAPH met kostenstaten, waarop de uitgaven worden gelinkt aan de overeenkomst(en). Het VAPH betaalt de bedragen op de kostenstaten aan de budgethouder als de kosten verband houden met overeenkomsten waarover het VAPH heeft geoordeeld dat het gaat om een overeenkomst als vermeld in artikel
  27. Het VAPH betaalt de bedragen, op de kostenstaten, die de budgethouder heeft ingediend tot het jaarlijks budget is opgebruikt. De kostenstaten voor een kalenderjaar moeten uiterlijk op 1 april van het volgende kalenderjaar aan het VAPH worden meegedeeld. De kosten, op de kostenstaten, die na die datum worden ingediend, worden niet betaald. Enkel in uitzonderlijke gevallen en na akkoord van het VAPH kan de budgethouder tot maximaal twee jaar na voormelde datum van 1 april, kostenstaten indienen voor bijkomende kosten (artikelen 17, §2 en 22 van het BVR van 24 juni 2016). Uit bovenstaande blijkt dat de besteding van het persoonsvolgend budget in de vorm van een cashbudget erin bestaat dat de budgethouder een overeenkomst sluit met een (al dan niet vergunde) zorgaanbieder en zelf rechtstreeks de zorgaanbieder vergoedt. De budgethouder moet de overeenkomst registreren bij het VAPH. Het VAPH dient de overeenkomst VII-41.227-13/21 goed te keuren, waarna de budgethouder de gemaakte kosten moet meedelen aan het VAPH d.m.v. kostenstaten, en dit uiterlijk op 1 april van het volgende kalenderjaar. Het VAPH controleert de gemaakte kosten en betaalt de rechtmatige kosten terug op de bankrekening van de budgethouder. Indien de verzoekende partij, in afwachting van de nietigverklaring van het bestreden besluit, ten bedrage van (een deel van) de terbeschikkingstelling van het puntenaantal in min van 8,800164 zorggebonden punten, één of meerdere ‘cashovereenkomsten’ zou sluiten met een (al dan niet vergunde zorgaanbieder), dient zij deze ‘cashovereenkomsten’ bijgevolg met eigen middelen te financieren. De verzoekende partij kan voor deze ‘cashovereenkomsten’ immers geen financiering verkrijgen van het VAPH, daar zij hiervoor geen beschikbare zorggebonden punten heeft. Er bestaat voor de verzoekende partij volstrekt geen zekerheid dat de bedragen voor de ‘cashovereenkomsten’ die zij zelf heeft gefinancierd in afwachting van de nietigverklaring van het bestreden besluit, alsnog door het VAPH zullen worden vergoed. Ook hier, het VAPH kan deze ‘cashovereenkomsten’ maar vergoeden als het deze heeft kunnen goedkeuren. De verzoekende partij zal bijgevolg pas nadat de ‘cashovereenkomsten’ reeds volledig zijn uitgevoerd of wanneer deze al lopende zijn, met zekerheid weten of deze ‘cashovereenkomsten’ door het VAPH worden goedgekeurd en om die reden voor vergoeding in aanmerking komen. Het is derhalve niet ondenkbaar dat de verzoekende partij, in afwachting van de nietigverklaring van het bestreden besluit, ‘cashovereenkomsten’ aangaat en met eigen middelen financiert, in de veronderstelling dat deze in aanmerking komen voor vergoeding door het VAPH, maar dat deze na de nietigverklaring niet worden goedgekeurd en dus definitief ten laste vallen van de eigen middelen van de verzoekende partij. Nochtans is bepaald dat indien het VAPH de ‘cashovereenkomst’ niet aanvaardt, het VAPH aan de budgethouder meedeelt niet akkoord te gaan met de besteding van het budget als cashbudget op basis van de meegedeelde overeenkomst, hetgeen de budgethouder moet toelaten om reeds bij aanvang van de ‘cashovereenkomst’ te weten dat deze niet zal worden vergoed door het VAPH en met eigen middelen zal moeten worden bekostigd. Ten tweede kan het VAPH deze ‘cashovereenkomsten’ maar vergoeden in zoverre de budgethouder uiterlijk op 1 april van het kalenderjaar volgend op het kalenderjaar waarin de kosten zijn gemaakt, kostenstaten indient bij het VAPH. De kosten vermeld op laattijdige kostenstaten kunnen niet worden vergoed. Gelet op de te verwachten duur van de procedure tot nietigverklaring, zal de verzoekende partij een belangrijk deel van de kosten die zij in afwachting van de nietigverklaring heeft geprefinancierd met eigen middelen, niet meer via kostenstaten kunnen meedelen aan het VAPH en door het VAPH terugbetaald zien, daar deze kostenstaten laattijdig zullen zijn. In zoverre is bepaald dat tot maximaal twee jaar na voormelde datum van 1 april kostenstaten kunnen worden ingediend voor bijkomende kosten, moet worden vastgesteld dat dit geen recht is van de budgethouder, maar afhankelijk is van het akkoord van het VAPH en dan nog enkel in ‘uitzonderlijke gevallen’ en voor ‘bijkomende kosten’. Bovendien, als een budgethouder ervoor kiest om zijn budget volledig of gedeeltelijk als cashbudget te gebruiken bij een vergunde zorgaanbieder, VII-41.227-14/21 heeft de vergunde zorgaanbieder recht op een vergoeding voor ‘organisatiegebonden kosten’ (artikel 3, §4 van het BVR van 24 juni 2016). Het betreft de hierboven vermelde ‘organisatiegebonden personeelskosten’ (zie supra nr. 62), alsook ‘organisatiegebonden werkingsmiddelen’, i.e. de middelen die niet direct ingezet worden voor de zorg en ondersteuning van de persoon met een handicap, maar die tot doel hebben het functioneren van de organisatie als dusdanig mogelijk te maken (artikel 3, §1 van het BVR van 24 juni 2016). Ook deze organisatiegebonden kosten dient de verzoekende partij met eigen middelen te prefinancieren. Het is voor de verzoekende partij echter onmogelijk om bij de sluiting en tijdens de looptijd van de ‘cashovereenkomst’ te weten wat het bedrag aan organisatiegebonden kosten is dat de vergunde zorgaanbieder zou ontvangen indien het een geregistreerde ‘cashovereenkomst’ zou zijn. Het VAPH dient immers eerst voor de betrokken vergunde zorgaanbieder jaarlijks het bedrag van de vergoeding voor de organisatiegebonden kosten te bepalen en hiervoor het gemiddelde van de totale bedragen aan cashovereenkomsten met de betrokken vergunde zorgaanbieder die voor de twee voorafgaande kalenderjaren door budgethouder zijn geregistreerd bij het VAPH (artikel 3, §4, tweede lid van het BVR van 24 juni 2016). Het weze overigens nog benadrukt dat de totale bedragen aan cashovereenkomsten met de betrokken vergunde zorgaanbieder die voor de twee voorafgaande kalenderjaren door budgethouder zijn geregistreerd bij het VAPH, in afwachting van de nietigverklaring onjuist zullen zijn, in zoverre de ‘cashovereenkomsten’ die de verzoekende partij zelf financiert, niet zullen zijn geregistreerd, zodat ook het bedrag aan organisatiegebonden kosten onjuist zal zijn. Daarenboven moet worden vastgesteld dat in zoverre de verzoekende partij de organisatiegebonden kosten al zou kunnen prefinancieren, hetgeen onmogelijk is door de onvoorspelbaarheid ervan, zij na de nietigverklaring deze prefinanciering zal moeten recupereren bij de vergunde zorgaanbieder, daar het VAPH de vergoeding voor de organisatiegebonden kosten rechtstreeks zal betalen aan de vergunde zorgaanbieder. Het spreekt voor zich dat de verzoekende partij hierdoor het risico loopt finaal niet te worden vergoed, in het bijzonder wanneer de vergunde zorgaanbieder of bijstandsorganisatie onvermogend blijkt. Ook bestaat de kans dat de vergunde zorgaanbieder of bijstandsorganisatie weigert om de van het VAPH ontvangen vergoeding aan de verzoekende partij over te maken, in welk geval de verzoekende partij de kosten en ongemakken van een procedure in rechte zal moeten dragen. Om al deze redenen kunnen de schadelijke gevolgen van de prefinanciering van de besteding van het persoonsvolgend budget in de vorm van een cashbudget, onmogelijk worden hersteld na de nietigverklaring van het bestreden besluit. […] Ten overvloede, de budgethouder heeft het recht om naar eigen inzicht de bestedingswijze van het persoonsvolgend budget te bepalen (via een voucher, een cashbudget of een combinatie van beide). In zoverre de verzoekende partij, in afwachting van de nietigverklaring van het bestreden besluit, zorg en ondersteuning zou prefinancieren met eigen middelen en in het kader van deze prefinanciering gedwongen zou zijn een welbepaalde bestedingswijze te kiezen teneinde na de nietigverklaring te kunnen worden VII-41.227-15/21 vergoed door het VAPH, per impossibile, wordt aldus afbreuk gedaan aan haar recht om naar eigen inzicht de bestedingswijze van het persoonsvolgend budget te kiezen. Ook hier betreft het schadelijke gevolgen die na de nietigverklaring niet kunnen worden hersteld: aan de verzoekende partij zal, door het tijdsverloop, op definitieve en onomkeerbare wijze het recht zijn ontnomen om naar eigen inzicht haar persoonsvolgend budget te besteden om de benodigde zorg en ondersteuning in te kopen. […] Besluit. de verzoekende partij zal zich op het ogenblik van de nietigverklaring in een toestand bevinden met onherroepelijke schadelijke gevolgen De zaak is derhalve te spoedeisend voor een behandeling ervan in een beroep tot nietigverklaring, zodat is voldaan aan de voorwaarde van spoedeisendheid gesteld in artikel 17, §1 van Raad van State-wet”.
  28. De verwerende partij repliceert dat er een gemis aan spoedeisendheid is. Zij stelt dat verzoeker meer dan zes maanden heeft gewacht om een vordering tot schorsing in te dienen. Vervolgens zet de verwerende partij uiteen dat verzoeker betwist dat er een budgetactualisatie zou mogen doorgaan bij de effectieve terbeschikkingstelling van het persoonsvolgend budget terwijl hij zelf de spoedeisendheid situeert op het ogenblik van de terbeschikkingstelling en dit zelf beschouwt als het relevante moment. Voorts begrijpt de verwerende partij niet dat de vordering voor verzoeker spoedeisend werd op het ogenblik dat hij een paar duizend euro minder verkrijgt maar niet op het ogenblik dat hij niets krijgt. De verwerende partij merkt op dat het besluit van 26 oktober 2021 waarop verzoeker zich beroept werd vervangen door het besluit van 16 december
  29. Zij meent eveneens dat snel een arrest willen niet volstaat om aan de voorwaarde van de spoedeisendheid te voldoen. Verzoeker vergist zich volgens de verwerende partij bij de interpretatie van de uitvoering van een arrest van de Raad van State. Wanneer een besluit wordt vernietigd, impliceert dit dat dit vernietigingsbesluit het bestuur confronteert met het probleem van het rechtsherstel. Dan zal het arrest van de Raad fungeren als motor om de termijnen waarbij één en ander diende te gebeuren opnieuw in werking te stellen. De complexe uiteenzettingen wat er waar niet meer zou kunnen en waar er termijnen zouden zijn verstreken, waardoor de verwerende VII-41.227-16/21 partij er blijkbaar van beschuldigd wordt dat ze via het IVA (Inkomensvoorziening Volledig Arbeidsongeschikten) elke uitvoering van een arrest zou saboteren, mist elke grondslag. Met betrekking tot de angst voor prefinanciering toont verzoeker niet aan dat hij dit niet zelf zou aankunnen. Het is niet correct dat de prefinanciering niet ongedaan kan worden gemaakt door een annulatiearrest. Verzoeker laat na om het financiële nadeel aan te tonen. De verwerende partij zet verder uiteen dat er een overeenkomst werd gesloten met het begeleidingscentrum Sint-Elisabeth voor veel grotere bedragen dan bij om het even welke berekening is gemaakt, zodat niet valt in te zien welk prefinancieringsprobleem er hier in de visie van verzoeker zou kunnen rijzen. De beweringen in verband met het niet meer bestaan van de zorgaanbieder of het onvermogend zijn van de zorgaanbieder zijn puur hypothetisch en volstaan niet om de spoedeisendheid aan te tonen. Beoordeling
  30. De omvang van een financieel en economisch nadeel moet, om een gebeurlijke schorsing te verantwoorden, dermate zijn dat verzoeker de duur die een annulatieprocedure in beslag neemt, niet zal kunnen overbruggen. Een verzoekende partij kan er zich niet toe beperken, wat dat betreft, te stellen dat zij dit nadeel lijdt, zonder enig gegeven te verstrekken omtrent het bestaan en de omvang ervan. Om de spoedeisendheid aan te tonen moeten de financiële gevolgen in beginsel onomkeerbaar zijn.
  31. Verzoeker meent dat de vordering spoedeisend werd op het ogenblik dat de beslissing om zijn persoonsvolgend budget ter beschikking te stellen werd genomen, omdat het bestreden besluit pas nadelige gevolgen heeft wanneer er een persoonsvolgend budget ter beschikking wordt gesteld dat lager VII-41.227-17/21 ligt dan het bij beslissing van het VAPH van 7 juni 2019 toegewezen persoonsvolgend budget. Zoals de verwerende partij uiteenzet is het niet helemaal duidelijk waarom de vordering spoedeisend wordt vanaf wanneer men een budget wordt toegekend wat een paar duizend euro lager ligt dan verhoopt maar dat de vordering niet spoedeisend is wanneer er nog geen budget ter beschikking is gesteld maar de bestreden bepalingen al wel van toepassing zijn.
  32. Verzoeker probeert aan te tonen dat hij zich in een toestand met onherroepelijke schadelijke gevolgen zal bevinden indien het bestreden besluit niet wordt geschorst en dat hij de eventuele tussen te komen nietigverklaring niet kan afwachten. Het aangevoerde nadeel is voornamelijk een financieel nadeel. Hoewel verzoeker per jaar 7645,85 euro minder ontvangt dan voorzien in de beslissing van 7 juni 2019 volstaat die vaststelling evenwel op zich niet om de schorsing van de bestreden beslissing te verantwoorden. Verzoeker moet immers aan de hand van precieze en concrete gegevens aannemelijk maken dat de nietigverklaring van de bestreden beslissing onherroepelijk te laat zou komen om het nadeel op te vangen of zijn belangen veilig te stellen. Hij voert in wezen aan dat een jaarlijks bedrag in min van actueel 7.645,85 euro voor hem schadelijke gevolgen heeft. Hij voert evenwel niet aan dat het voor hem onmogelijk is om dit financieel nadeel te dragen gedurende de periode voor de behandeling van het beroep tot nietigverklaring. Er worden geen stukken overgelegd die een globaal inzicht in de financiële situatie van verzoeker geven op basis waarvan de Raad van State met kennis van zaken kan oordelen of er sprake is van een onherstelbaar financieel nadeel. Noch uit de uiteenzetting, noch uit de stukken blijkt op enigerlei wijze dat verzoeker door de bestreden beslissing in dermate precaire financiële situatie terechtkomt dat een menswaardig bestaan in het gedrang komt of dat de omvang van het door hem ingeroepen nadeel een VII-41.227-18/21 zodanige impact heeft op zijn levenstandaard dat hij de duur die het beroep tot nietigverklaring in beslag neemt niet zal kunnen dragen. Verzoeker zet weliswaar uiteen dat hij met het thans ter beschikking gestelde budget zes dagen per week dagondersteuning en woonondersteuning kan financieren bij het begeleidingscentrum Sint-Elisabeth maar dat de overige benodigde zorg en ondersteuning, zijnde zeven uur per week globale individuele ondersteuning en oproepbare permanentie slechts ten dele kan worden gefinancierd. Hiervan worden echter geen stukken of concrete cijfergegevens voorgelegd zodat het niet mogelijk lijkt om dit ingeroepen financiële nadeel te beoordelen. De bewering dat slechts een deel van de benodigde zorg en ondersteuning kan worden ingekocht met het ter beschikking gestelde persoonsvolgend budget en dat verzoeker een deel van de objectief vastgestelde zorg en ondersteuning niet krijgt, blijkt opnieuw niet uit stukken of concrete gegevens zodat het niet mogelijk is om het ingeroepen nadeel te beoordelen. De tweede optie lijkt in wezen neer te komen op het ingeroepen financiële nadeel waarvan hoger werd vastgesteld dat dit de spoedeisendheid niet kan verantwoorden. De nadelen die verzoeker aanvoert in verband met de voucherovereenkomsten zijn opnieuw niet gestaafd door enig stuk of enig cijfergegeven. Voorts zijn de beweringen dat na de eventuele nietigverklaring de benodigde gegevens niet meer zullen kunnen worden geregistreerd in de webapplicatie van het VAPH omdat deze gegevens niet meer bewaard zijn of de betrokken vergunde zorgaanbieders of bijstandsorganisaties niet meer bestaan hypothetisch.
  33. De uiteenzetting van verzoeker waaruit moet blijken dat de schadelijke gevolgen van de prefinanciering van de besteding van het persoonsvolgend budget in de vorm van een cashbudget onmogelijk kan worden hersteld na de nietigverklaring van het bestreden besluit lijkt de gevolgen van een vernietigingsarrest uit het oog te verliezen. VII-41.227-19/21 De Raad van State is in de regel niet bevoegd om in geval van vernietiging van een onwettig bevonden bestuurshandeling de gevolgen van die vernietiging te regelen. Dit is zaak van de overheid. Zij moet zelf uitmaken welke de gevolgen van de vernietiging zijn en in het bijzonder wat zij bijkomend nog zal moeten doen om de vernietiging haar volle uitwerking te geven en volledig rechtsherstel te bieden aan verzoeker. Zij zal de nodige handelingen moeten stellen om het onrecht ongedaan te maken, desnoods door het verlenen van een pecuniaire vergoeding als of in de mate dat haar optreden geen volledig rechtsherstel kan bieden. Op het eerste gezicht toont verzoeker niet aan dat hij geen volledig rechtsherstel zou verkrijgen door middel van een eventueel tussen te komen vernietigingsarrest en dat zijn financieel nadeel niet zou worden hersteld. Verzoeker toont niet aan dat aan de voorwaarde van de spoedeisendheid is voldaan. VI. Het verzoek tot voorlopige maatregelen
  34. Het verzoek tot het bevelen van voorlopige maatregelen veronderstelt dat de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing wordt ingewilligd. Alleen al om die reden moet het verzoek tot het bevelen van voorlopige maatregelen worden verworpen. BESLISSING De Raad van State verwerpt de vordering. VII-41.227-20/21 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van negentien mei tweeduizend tweeëntwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Eric Brewaeys, kamervoorzitter, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier. De griffier De voorzitter Bart Tettelin Eric Brewaeys VII-41.227-21/21 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.253.809 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.