← België

Arrest 253812 - Artsen, geneesheren-specialisten en dierenartsen - 19/05/2022

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 19 mei 2022 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.253.812 Rolnummer: Zaak: Arrest 253812 - Artsen, geneesheren-specialisten en dierenartsen - 19/05/2022 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2022-05-30 Raadplegingen: 78 - laatst gezien 2026-06-10 06:55 Fiche Arrest nr 253.812 van 19 mei 2022 Sociale zaken en volksgezondheid - Artsen, geneesheren-specialisten en dierenartsen Beslissing : Verwerping Samenvoeging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER nr. 253.812 van 19 mei 2022 in de zaken A. 230.553/VII-40.803 (I) A. 230.554/VII-40.804 (II) A. 230.772/VII-40.823 (III) In zake : I.

  1. de VZW VLAAMS ARTSENSYNDICAAT, AFDELING OOST- EN WEST-VLAANDEREN
  2. Patrick DHAENENS
  3. Piet MORTELÉ bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten An Vijverman en Christophe Lemmens kantoor houdend te 3000 Leuven Mechelsestraat 107-109 bij wie woonplaats wordt gekozen II.
  4. de BELGISCHE BEROEPSVERENIGING VAN KINDERARTSEN
  5. de VZW BELGISCHE VERENIGING VOOR KINDERGENEESKUNDE
  6. de VZW BELGISCHE ACADEMIE VOOR KINDERGENEESKUNDE
  7. de VZW DE VLAAMSE VERENIGING TOT BEVORDERING VAN DE KINDERGENEESKUNDE
  8. de VZW GROUPEMENT BELGE DES PÉDIATRES DE LANGUE FRANÇAISE
  9. Julie LEURIS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten An Vijverman en Christophe Lemmens kantoor houdend te 3000 Leuven Mechelsestraat 107-109 bij wie woonplaats wordt gekozen III.
  10. de BELGISCHE BEROEPSVERENIGING VAN ARTSEN-SPECIALISTEN IN ANESTHESIE EN REANIMATIE
  11. het BELGISCH GENOOTSCHAP VOOR VAATHEELKUNDE VII-40.803-40.804-40.823-1/10
  12. de BELGISCHE BEROEPSVERENIGING VAN GENEESHEREN-SPECIALISTEN IN DE INTENSIEVE ZORGEN
  13. de BEROEPSVERENIGING DER BELGISCHE SPECIALISTEN VOOR HARTZIEKTEN
  14. Stefaan CARLIER
  15. Herman SCHROË
  16. Margot VANDER LAENEN
  17. Mathias VROLIX
  18. de BEROEPSVERENIGING DER BELGISCHE CHIRURGEN
  19. Baudouin MANSVELT bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten An Vijverman en Christophe Lemmens kantoor houdend te 3000 Leuven Mechelsestraat 107-109 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : I+II+III het RIJKSINSTITUUT VOOR ZIEKTE- EN INVALIDITEITSVERZEKERING bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Pierre Slegers en Charlotte Poulussen kantoor houdend te 1050 Brussel Louizalaan 523 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de beroepen
  20. De beroepen, ingesteld op 13 maart 2020, strekken allen tot de nietigverklaring van: - de bekendmaking van 9 januari 2020 van het globaal prospectief bedrag per opname in een ziekenhuis voor het jaar 2020, zoals door het RIZIV gebeurd in het Belgisch Staatsblad van 16 januari 2020; - de eerste gedetailleerde verdeling tussen de verschillende geneeskundige verstrekkingen van het deel van het globaal prospectief bedrag per opname voor het jaar 2020 dat de tegemoetkoming voor de geneeskundige verstrekkingen vertegenwoordigt, op een ongekende datum door het RIZIV meegedeeld aan de ziekenhuizen en gepubliceerd op de website van het RIZIV in januari 2020; VII-40.803-40.804-40.823-2/10 - de tweede gedetailleerde verdeling tussen de verschillende geneeskundige verstrekkingen van het deel van het globaal prospectief bedrag per opname voor het jaar 2020 dat de tegemoetkoming voor de geneeskundige verstrekkingen vertegenwoordigt, op een ongekende datum door het RIZIV meegedeeld aan de ziekenhuizen en gepubliceerd op de website van het RIZIV in januari/begin februari 2020; II. Verloop van de rechtspleging
  21. De verwerende partij heeft telkens een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partijen hebben allen een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur Ines Martens heeft op 8 maart 2022 in alle zaken een verslag opgesteld overeenkomstig artikel 93, eerste lid, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 12 mei 2022 . Kamervoorzitter Eric Brewaeys heeft verslag uitgebracht. Advocaat Filip Van Der Mauten, die loco advocaten An Vijverman en Christophe Lemmens verschijnt voor de verzoekende partijen en advocaat Pierre Slegers, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Anja Somers heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. VII-40.803-40.804-40.823-3/10 Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  22. III. Samenhang
  23. Voorliggende beroepen tot nietigverklaring werden bij de Raad van State ingediend tegen dezelfde ‘beslissing’. De middelen die in deze zaken worden aangevoerd zijn identiek. Zij kunnen, met het oog op een vlotte en efficiënte geschillenbehandeling, in één arrest worden beoordeeld. IV. Feiten 4.
  24. Voor wat betreft het juridisch kader met betrekking tot de ‘bestreden beslissing’ kan worden verwezen naar de uiteenzetting die hieromtrent werd opgenomen in arresten nrs. 251.690, 251.691 en 251.692 van 30 september
  25. 4.
  26. De te dezen bestreden beslissing geeft uitvoering aan de wet van 19 juli 2018 betreffende de gebundelde financiering van de laagvariabele ziekenhuiszorg en het koninklijk besluit van 2 december 2018 tot uitvoering van de wet van 19 juli 2018 betreffende de gebundelde financiering van de laagvariabele ziekenhuiszorg. Artikel 7 van de voormelde wet bepaalt: “Het Instituut berekent periodiek het globaal prospectief bedrag per opname voor elk van de in artikel 6 bedoelde patiëntengroepen op basis van de MZG-AZV-gegevens die worden bezorgd door de Technische cel en deelt dit mee aan de ziekenhuizen. VII-40.803-40.804-40.823-4/10 De Koning stelt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad en na advies van het Verzekeringscomité, de nadere regels vast betreffende de berekening en de facturatie van het globaal prospectief bedrag per opname. De Koning bepaalt, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de nadere regels voor de indexering van het globaal prospectief bedrag per opname. Het Instituut deelt aan de ziekenhuizen het deel van het globaal prospectief bedrag per opname mee dat de tegemoetkoming voor de geneeskundige verstrekkingen bedoeld in artikel 34 van de gecoördineerde wet van 14 juli 1994 vertegenwoordigt, het deel dat de bedragen die zijn vastgesteld in de overeenkomsten bedoeld in artikel 46 van dezelfde wet vertegenwoordigt en het deel dat het budget financiële middelen vertegenwoordigt. Het Instituut deelt aan de ziekenhuizen ook de gedetailleerde verdeling tussen de verschillende geneeskundige verstrekkingen mee van het deel van het globaal prospectief bedrag per opname dat de tegemoetkoming voor de geneeskundige verstrekkingen vertegenwoordigt. De honoraria begrepen in het globaal prospectief bedrag worden aan de artsen en andere zorgverleners overgemaakt overeenkomstig de verdeling meegedeeld door het Instituut en onverminderd de toepassing van artikel 144 van de gecoördineerde wet van 10 juli
  27. Het globaal prospectief bedrag per opname berekend voor het jaar T is van toepassing voor alle opnames die een aanvang nemen na 31 december van het jaar T-1 en vóór 1 januari van het jaar T+1 en wordt vóór 1 december van het jaar T-1 bekendgemaakt via een bericht in het Belgisch Staatsblad en door het Instituut meegedeeld aan de ziekenhuizen.” Artikel 4 van het voormelde koninklijk besluit bepaalt: “Het instituut berekent elk jaar de globale prospectief bedragen van elke patiëntengroep op basis van de meest recente beschikbare gekoppelde gegevens.” 4.
  28. Op 16 januari 2020 wordt in het Belgisch Staatsblad het globaal prospectief bedrag per opname in een ziekenhuis voor het jaar 2020 bekendgemaakt: “Bekendmaking van het globaal prospectief bedrag per opname in een ziekenhuis voor het jaar 2020 Overeenkomstig artikel 7 van de Wet van 19 juli 2018 betreffende de gebundelde financiering van de laagvariabele ziekenhuiszorg wordt het globaal prospectief bedrag per opname in een ziekenhuis berekend voor het jaar T bekendgemaakt via een bericht in het Belgisch Staatsblad en door het RIZIV meegedeeld aan de ziekenhuizen. VII-40.803-40.804-40.823-5/10 De volgende tabel geeft per patiëntengroep een overzicht van het globaal prospectief bedrag per opname in een ziekenhuis voor het jaar
  29. Deze bedragen zijn van toepassing voor alle opnames die een aanvang nemen na 31 december 2019 en vóór 1 januari 2021”. Dit betreft het eerste onderdeel van de bestreden beslissing. 4.
  30. Volgens de gegevens opgenomen in het verzoekschrift, werd in januari/februari 2020 op de website van het RIZIV eveneens de tabel met een overzicht per patiëntengroep van de prospectieve bedragen per opname in een ziekenhuis bekendgemaakt alsook een tabel met een gedetailleerde verdeling van het globaal prospectief bedrag over de verschillende geneeskundige verstrekkingen alsook een identieke tabel met de toevoeging van de kwalificatie van de zorgverlener, wat volgens de vermelding op de website uitsluitend ter informatie wordt meegedeeld. Deze tabel zou ook rechtstreeks aan de ziekenhuizen zijn meegedeeld. Op de website van het RIZIV werd hieromtrent vermeld: “De verdeling van het gedeelte honorarium van het globaal bedrag gebeurt, zoals wettelijk vastgelegd, aan de hand van een door ons berekende verdeelsleutel berekend door het RIZIV. Voor 2020 kan men deze verdeling hier terugvinden. Uitsluitend ter informatie, leveren wij een identiek bestand door toevoeging van de kwalificatie van de zorgverlener.” 4.
  31. Deze verdeling aan de hand van de geneeskundige verstrekkingen betreft het tweede onderdeel van de bestreden beslissing en het identieke bestand met toevoeging van de kwalificatie van de zorgverlener betreft het derde onderdeel van de bestreden beslissing. VII-40.803-40.804-40.823-6/10 V. Ontvankelijkheid
  32. Met betrekking tot een identiek beroep van de verzoekende partijen gericht tegen de bekendmaking van de prospectieve bedragen en de verdeelsleutel voor het jaar 2019 oordeelde de Raad van State reeds in zijn arresten nr. 251.690, 251.691 en 251.692 van 30 september 2021: “
  33. Een beroep tot nietigverklaring dient krachtens artikel 14 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State onder meer een akte of een reglement van een administratieve overheid tot voorwerp te hebben. Onder akte of reglement in de zin van de voormelde bepaling dient te worden verstaan een individuele of verordenende handeling die ertoe strekt rechtsgevolgen in het leven te roepen of te beletten dat ze tot stand komen, en die onmiddellijk en rechtstreeks nadeel berokkent aan de verzoeker.
  34. Het eerste onderdeel van de bestreden beslissing betreft de bekendmaking door het RIZIV van het globaal prospectief bedrag per opname in een ziekenhuis voor het jaar 2019 in het Belgisch Staatsblad van 31 december
  35. De berekening van het GPBO door het RIZIV betreft een louter materiële handeling waarbij uitvoering word t gegeven aan de opdracht vervat in het hoger geciteerde artikel 4 van het koninklijk besluit van 2 december
  36. Het RIZIV blijft hierbij volledig binnen de grenzen van de berekeningsmethode die werd bepaald in voormeld artikel 3 van dat koninklijk besluit. Het RIZIV beperkt zich ertoe de nodige gegevens te verzamelen en de berekening uit te voeren zoals bepaald in het voormelde koninklijk besluit, zonder dat nieuwe regels worden toegevoegd. Tegen dergelijke uitvoeringsbeslissing kan geen afzonderlijk annulatieberoep ingesteld worden, zelfs niet indien de uitvoering onvolkomen zou zijn verlopen, laat staan dat de loutere bekendmaking van het resultaat van deze berekening aanvechtbaar zou zijn. De bekendmaking van het GPBO brengt geen rechtsgevolgen teweeg voor de verzoekende partijen. De rechtsgevolgen dat de verzoekende partijen voor de verstrekkingen uitgevoerd binnen de laagvariabele zorg vergoed worden middels de toekenning van het GPBO en de omvang van deze vergoeding, volgen uit de toepassing van de wet van 19 juli 2018 en het koninklijk besluit van 2 december 2018 die beide in werking zijn getreden op 1 januari 2019, ongeacht de bekendmaking van het GPBO. Het beroep is onontvankelijk voor zover het is gericht tegen het eerste onderdeel van de bestreden beslissing.
  37. Het tweede en derde onderdeel van de bestreden beslissing betreffen de eerste en de tweede gedetailleerde verdeling tussen de verschillende geneeskundige verstrekkingen van het deel van het globaal prospectief bedrag per opname dat de tegemoetkoming voor de geneeskundige verstrekkingen vertegenwoordigt, zoals door het RIZIV meegedeeld aan de ziekenhuizen en gepubliceerd op de website van het RIZIV. VII-40.803-40.804-40.823-7/10 Zoals de verzoekende partijen in hun inleidende akte uiteenzetten, worden de artsen vergoed voor de prestaties die ze hebben verricht op basis van de gedetailleerde verdeling, opgesteld door het RIZIV. In toepassing van het hoger geciteerde artikel 7, vierde lid, van de wet van 19 juli 2018, deelt de verwerende partij aan de ziekenhuizen ook de gedetailleerde verdeling tussen de verschillende geneeskundige verstrekkingen mee van het deel van het GPBO dat de tegemoetkoming voor de geneeskundige verstrekkingen vertegenwoordigt. De honoraria begrepen in het GPBO worden aan de artsen en andere zorgverleners overgemaakt overeenkomstig de verdeling meegedeeld door de verwerende partij en onverminderd de toepassing van artikel 144 van de gecoördineerde wet van 10 juli
  38. Uit deze bepaling blijkt dat de verwerende partij slechts de verdeling van het GPBO tussen de verschillende geneeskundige verstrekkingen dient mee te delen aan de ziekenhuizen. De N-groepen die bij de eerste verdeling werden meegedeeld of de kwalificaties van de zorgverlener die bij de tweede verdeling werden meegedeeld, werden enkel en alleen ten informatieve titel overgemaakt. Uit genoemd artikel 7, vierde lid, blijkt weliswaar dat de ziekenhuizen bij de verdeling van het GPBO de verdeling tussen de geneeskundige verstrekkingen dienen te volgen zoals meegedeeld door de verwerende partij, maar zij zijn er niet toe verplicht de honoraria per verstrekking verder te verdelen tussen de verschillende zorgverleners overeenkomstig de informatief meegedeelde verdeling. Het is niet meer dan een praktische handleiding waarbij een mogelijke wijze wordt meegedeeld hoe de ziekenhuizen de honoraria aan de verschillende artsen zouden kunnen overmaken. Dit blijkt ook uit de bewoordingen van de bekendmaking van deze gedetailleerde verdeling waar uitdrukkelijk wordt vermeld: ‘Uitsluitend ter informatie, leveren wij een identiek bestand door toevoeging van de kwalificatie van de zorgverlener.’ Dit voorstel van meer gedetailleerde verdeling is niet bindend voor de ziekenhuizen, zodat dit ook geen rechtsgevolgen teweeg brengt voor de verzoekende partijen. In de mate aldus eind januari - begin februari 2019 een tweede gedetailleerde verdeling werd gepubliceerd op de website van de verwerende partij, waarbij geen wijziging werd aangebracht aan de verdeling van het GPBO tussen de verschillende geneeskundige verstrekkingen maar enkel een wijziging van de informatief meegedeelde verdeling van het bedrag per geneeskundige verstrekking tussen de verschillende specialismen, betreft dit geen administratieve rechtshandeling die rechts gevolgen teweeg brengt in hoofde van de verzoekende partijen. Het beroep is onontvankelijk voor zover het is gericht tegen het derde onderdeel van de bestreden beslissing.
  39. De verdeling van het deel van het GPBO dat de tegemoetkoming voor de geneeskundige verstrekkingen vertegenwoordigt volgt uit de berekeningsmethode van het GPBO zoals di e is vastgelegd in artikel 3 van het voormelde koninklijk besluit van 2 december
  40. In de wet wordt enkel voorzien dat de verwerende partij deze verdeling meedeelt, niet dat zij hieromtrent over enige beslissingsmacht beschikt. Uit de tabellen die werden bekendgemaakt op de website van de verwerende partij en zoals die door de VII-40.803-40.804-40.823-8/10 verzoekende partijen in hun stukkenbundel werden neergelegd blijkt ook dat door de verwerende partij enkel geïdentificeerd werd wat het aandeel was van elke geneeskundige verstrekking (met uitzondering van de uitgesloten vers trekkingen - artikel 2 van het koninklijk besluit van 2 december 2018) binnen het totale honorarium voor een bepaalde patiëntengroep op grond waarvan het GPBO werd berekend. Vervolgens werd dat zelfde percentage toegepast op het GPBO om het aandeel van elke geneeskundige verstrekking binnen het GPBO aan te duiden. Bij de parlementaire voorbereiding van de voormelde wet van 19 juli 2018 werd hieromtrent gesteld: ‘De uitsplitsing zal aan de artsen en ziekenhuizen worden bezorgd per artikel of subartikel van de nomenclatuur. De beroepsbeoefenaars zullen in de nationale cijfers dus kunnen zien welk deel van het mediaan bedrag naar elke zorgverstrekker gaat (chirurg, anesthesist enzovoort). Vervolgens is het de bedoeling dezelfde verdeling toe te passen binnen elk ziekenhuis. De verdere verdeling tussen artsen zal nog steeds gebeuren volgens de eigen overeenkomsten binnen elk ziekenhuis. Evenzo is het niet de taak van de minister om te beslissen over het respectieve gewicht van elk van de ziekenhuisdiensten.’ Ook hier gaat het bijgevolg om een zuiver materiële uitvoerende handeling door de verwerende partij die niet kan worden beschouwd als een administratieve rechtshandeling die rechtsgevolgen zou teweeg brengen. Het beroep is onontvankelijk voor zover het is gericht tegen het tweede onderdeel van de bestreden beslissing.”
  41. Er is te dezen geen reden om anders te oordelen. De beroepen gericht tegen het eerste, tweede en derde onderdeel van de bestreden beslissing zijn onontvankelijk. VI. Korte debattenprocedure
  42. Vermits korte debatten volstaan om te komen tot de bovenvermelde conclusie, kunnen de zaken op grond van artikel 93 van het algemeen procedurereglement definitief worden beslecht. BESLISSING
  43. De zaken A. 230.553/VII-40.803, A. 230.554/VII-40.804 en A. 230.772/VII-40.823 worden gevoegd. VII-40.803-40.804-40.823-9/10
  44. De Raad van State verwerpt de beroepen.
  45. De verzoekende partijen in de zaak sub I worden verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 600 euro, elk voor een derde, een bijdrage van 20 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. De verzoekende partijen in de zaak sub II worden verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 1.200 euro, elk voor een zesde, een bijdrage van 20 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. De verzoekende partijen in de zaak sub III worden verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 2.000 euro, elk voor een tiende, een bijdrage van 20 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van negentien mei tweeduizend tweeëntwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Eric Brewaeys, kamervoorzitter bijgestaan door Bart Tettelin, griffier. De griffier De voorzitter Bart Tettelin Eric Brewaeys VII-40.803-40.804-40.823-10/10 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.253.812 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.