id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 19 mei 2022 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.253.814 Rolnummer: A. 233562/VII-41099 Zaak: Arrest 253814 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 19/05/2022 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2022-05-30 Raadplegingen: 75 - laatst gezien 2026-06-10 06:55 Fiche Arrest nr 253.814 van 19 mei 2022 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 253.814 van 19 mei 2022 in de zaak A. é.562/VII-41.099 In zake : de NV DE KORTRIJKSE TOREN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Steve Ronse en Isabelle Verhelle kantoor houdend te 8500 Kortrijk Beneluxpark 27B bij wie woonplaats wordt gekozen tegen :
- Hildegarde DE ROUCK
- de NV PIENS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Pieter Van Assche en Sander Kaïret kantoor houdend te 9000 Gent Koning Albertlaan 128 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het cassatieberoep, ingesteld op 3 mei 2021, strekt tot de nietigverklaring van arrest nr. RvVb-A-2021-0853 van de Raad voor Vergunningsbetwistingen (hierna: RvVb) van 1 april 2021 in de zaak 1920-RvVb-0327-A. II. Verloop van de rechtspleging
- Het cassatieberoep is toelaatbaar verklaard bij beschikking van 22 juni
- VII-41.099-1/8 De verwerende partijen hebben een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur-afdelingshoofd Ann Van Mingeroet heeft op 18 januari 2022 een verslag opgesteld, op grond van artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State’. De verzoekende partij heeft een verzoek tot voortzetting van de procedure teneinde te worden gehoord ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 21 april
- Staatsraad Pierre Lefranc heeft verslag uitgebracht. Advocaat Dirk Van Heuven, die loco advocaten Steve Ronse en Isabelle Verhelle verschijnt voor de verzoekende partij, en advocaat Sander Kaïret, die verschijnt voor de verwerende partijen, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Ann Van Mingeroet heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973 (hierna: RvS-wet). III. Feiten
- Op 7 november 2019 verleent de deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen (hierna: deputatie) aan de nv De Kortrijkse Toren een omgevingsvergunning “voor het exploiteren van een nieuw winkelcentrum en de VII-41.099-2/8 regularisatie en heraanvraag van het oprichten van een woon-winkelcomplex, handelsruimtes met appartementen en omgevingswerken na slopen van bestaande bedrijfsbebouwing”.
- Het bestreden arrest vernietigt op vordering van De Rouck en de nv Piens de vergunningsbeslissing van de deputatie na: - verwerping van de excepties van de nv De Kortrijkse Toren van onontvankelijkheid van de vordering tot vernietiging van De Rouck en de nv Piens; - de gegrondverklaring van het vijfde middel van De Rouck en de nv Piens omdat “de beslissing tot MER-ontheffing (en de bijhorende MOBER) onvolledig en onzorgvuldig is opgesteld” en “blijkt dat niet wordt aangetoond dat het project, zoals ingediend, en gelet op de verweving met de in de toekomst aan te leggen ringweg, geen aanzienlijke milieueffecten zal/kan genereren, minstens […] niet [wordt] aangetoond dat een project-MER redelijkerwijze geen nieuwe of bijkomende gegevens over aanzienlijke milieueffecten kan bevatten”. Bij indeplaatsstelling weigert het bestreden arrest de vergunningsaanvraag van de nv De Kortrijkse Toren omdat “de milieueffectrapportage in het algemeen, en de MER-ontheffingsbeslissing in casu, de noodzakelijke basis vormt voor de vergunningsbeslissing, en [...] deel [dient] uit te maken van het aanvraagdossier”, “het vastgestelde gebrek niet meer [kan] hersteld worden in graad van administratief beroep, zodat zich, wat de huidige aanvraag betreft, een onoverkomelijke legaliteitsbelemmering voordoet”, en er bijgevolg “in hoofde van de [deputatie] een volstrekt gebonden bevoegdheid [bestaat] om de vergunning […] te weigeren”. IV. Onderzoek van het enige middel Standpunt nv De Kortrijkse Toren
- De nv De Kortrijkse Toren voert in een eerste middelonderdeel de schending aan van de artikelen 4.1.1, § 1, 8°, 4.3.1 en 4.3.3 van het decreet van VII-41.099-3/8 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid (hierna: DABM), de artikelen 1, 2 en 5 van de richtlijn 2011/92/EU van 13 december 2011 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten (hierna: project-MER-richtlijn), artikel 2, § 1 en 2 van het besluit van de Vlaamse regering van 10 december 2004 houdende vaststelling van de categorieën van projecten onderworpen aan milieueffectrapportage, het gezag van gewijsde van arrest C-201/2 van 7 januari 2001 van het Hof van Justitie, artikel 8.17 van het (nieuw) Burgerlijk Wetboek, de artikelen 75 en 76 van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning en artikel 35, tweede lid van het decreet van 4 april 2014 betreffende de organisatie en de rechtspleging van sommige Vlaamse bestuursrechtscolleges (hierna: DBRC) “iuncto het vertrouwensbeginsel”. Zij betoogt, onder verwijzing naar het arrest van 7 januari 2004 van het Hof van Justitie van de Europese Unie in de zaak C-201/02, dat het bestreden arrest een verkeerde toepassing maakt van de project-MER-richtlijn en de Vlaamse regelgeving inzake project-MER(-ontheffing). Zij voert aan dat het bestreden arrest stelt “dat het mobiliteitsplan van Deinze anno 2018 als basisbesluit dient beschouwd te worden voor het aangevraagde handelscomplex in de zin van de MER-richtlijn, zodat de bepalingen inzake milieueffectrapportage erop dienden toegepast te worden”. Zij stelt dat de effecten van de ringweg evenwel uiterst hypothetisch zijn en dat het zogenaamde basisbesluit (= Mobiliteitsplan Deinze) geen parameters heeft vastgelegd waaraan huidig project dient te voldoen en met het bestreden arrest minstens de bewijskracht van het Mobiliteitsplan van Deinze van 2018 wordt miskend. De RvVb geeft aan het mobiliteitsplan Deinze een uitlegging die niet verenigbaar is met de bewoordingen ervan, waardoor een schending van artikel 8.17 van het (nieuw) Burgerlijk Wetboek voorligt. Onder verwijzing naar de aangehaalde bepalingen van het DABM en voormeld arrest van 7 januari 2004, voert zij aan “dat het aan de hand van het dossier voor het handelscomplex niet mogelijk was om de milieueffecten van de hypothetische ringweg te beoordelen. Immers staat op basis van het mobiliteitsplan Deinze geenszins vast of de ringweg wel degelijk zal gerealiseerd VII-41.099-4/8 worden. [...] Het is pas op het ogenblik van de omgevingsvergunningsaanvraag voor de effectieve ontwikkeling van de ringweg (inclusief plan-MER en RUP met inspraakmomenten) dat de milieueffecten kunnen onderzocht en beoordeeld worden. Het arrest dat uitgaat van het tegendeel is in strijd met de aangehaalde wetgeving en rechtspraak. Het mobiliteitsplan Deinze stelt tevens dat sowieso eerst een RUP dient opgemaakt te worden. […] Dat de reserveringszone voor de mogelijke toekomstige ringweg op plan staat aangeduid, neemt niet weg dat deze last (als afsplitsbaar deel van de vergunning) simpelweg niet hoefde te worden opgelegd”. Onder verwijzing naar artikel 35, tweede lid, DBRC stelt zij nog dat de RvVb heeft nagelaten “dit aspect te behandelen, waardoor verzoekende partij rechtmatig kon vertrouwen op het feit dat de nieuwe MER-ontheffing geen rekening hoefde te houden met de potentiële ringweg”. Zij voert in een tweede middelonderdeel de schending aan van artikel 37, § 2, DBRC “[g]ezien de effecten van de hypothetische ringweg voor huidig project niet dienen te worden onderzocht, zoals betoogd onder het eerste middelonderdeel”. Beoordeling
- Het eerste middelonderdeel gaat terug op de gegrondverklaring door de RvVb van het vijfde middel van De Rouck en de nv Piens waarin zij “in essentie” hebben aangevoerd “dat niet wordt gemotiveerd waarom de (nieuwe) MER-ontheffing rechtsgeldig kan gebruikt worden” terwijl zij “kritiek op de MER-ontheffing geformuleerd [hebben] wegens onvolledigheid bij gebrek aan
(1)een alternatievenonderzoek en
(2)een onderzoek naar de cumulatieve effecten met de mogelijks toekomstige ringweg die, via een reserveringszone, wel al op plan voorzien is”.
- Het bestreden arrest steunt de gegrondverklaring van het middel op volgende overwegingen: - de vaststelling “dat de mogelijke effecten van een toekomstige ringweg, die het vergunde complex volledig zal dwarsen, niet werd onderzocht”; VII-41.099-5/8 - uit de principiële beslissing en het voorgenomen traject in het mobiliteitsplan vastgesteld in maart 2018 van de stad Deinze “blijkt dat gekozen is voor een bovengronds tracé dwars door het vergunde complex”; - het gaat minstens om een beleidsmatig gewenste ontwikkeling in de zin van artikel 4.3.1, § 2, 2°, a), van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening; - het gaat over “beslist beleid”; - door in het voorliggend project een reservatiestrook op te nemen die overeenstemt met het gewenste tracé, zoals opgenomen in het mobiliteitsplan van de stad Deinze, dient de vergunningverlenende overheid de mogelijke effecten van de ringweg, minstens van het ingetekend traject, binnen de vergunde site op het voorliggend winkelcomplex te onderzoeken, en in de mate dat ze op heden reeds kunnen worden nagegaan, mede te beoordelen; - dat is des te meer het geval omdat de reservatiestrook in de aanvraag is voorzien en dwars door de voorziene parkeerstroken loopt; - door de bestreden beslissing wordt deze overgedragen aan de stad Deinze, en verkrijgt ze dus een openbaar, minstens actueel reeds een semi-openbaar karakter; van zodra de ringweg zal worden aangelegd zullen een belangrijk aantal parkeerfaciliteiten noodgedwongen verdwijnen; - hoe deze kunnen opgevangen worden, en of er dan nog voldoende parkeermogelijkheden overblijven, blijkt noch uit de ontheffingsbeslissing, noch uit de bestreden vergunningsbeslissing; de effecten hiervan op de nog overblijvende - en dus beperktere parkeerfaciliteiten, en op de leefbaarheid van het hele complex, zijn niet onderzocht door de dienst MER en zijn zelfs expliciet uit het onderzoek geweerd terwijl in de ontheffingsaanvraag is vastgesteld dat het actueel aantal parkeerplaatsen nauwelijks voldoende is om aan de parkeerbehoeften te voldoen; - de nv Piens geeft niet onterecht aan dat haar omgevingsvergunningsaanvraag voor haar aanpalend pand werd geweigerd op basis van een ongunstig advies van het Agentschap Wegen en Verkeer, verwijzend naar de toekomstige aan te leggen ringweg die deels over haar perceel zal lopen; - de stelling van de nv De Kortrijkse Toren dat ze niet de aanvrager van de last is, mist relevantie omdat de last is ingetekend op de ingediende plannen, is door haar aanvaard en maakt deel uit van de vergunningsaanvraag en vergunningsbeslissing. VII-41.099-6/8 Het bestreden arrest concludeert “dat de beslissing tot MER-ontheffing (en de bijhorende MOBER) onvolledig en onzorgvuldig is opgesteld” en dat “blijkt dat niet wordt aangetoond dat het project, zoals ingediend, en gelet op de verweving met de in de toekomst aan te leggen ringweg, geen aanzienlijke milieueffecten zullen genereren, minstens wordt niet aangetoond dat een project-MER redelijkerwijze geen nieuwe of bijkomende gegevens over aanzienlijke milieueffecten kan bevatten”.
- Het middelonderdeel dat stelt dat het bestreden arrest stelt “dat het mobiliteitsplan van Deinze anno 2018 als basisbesluit dient beschouwd te worden voor het aangevraagde handelscomplex in de zin van de MER-richtlijn, zodat de bepalingen inzake milieueffectrapportage erop dienden toegepast te worden”, mist feitelijke grondslag.
- Het middelonderdeel dat stelt dat het feit dat de reserveringszone voor de mogelijke toekomstige ringweg op plan staat aangeduid, niet wegneemt “dat deze last (als afsplitsbaar deel van de vergunning) simpelweg niet hoefde te worden opgelegd”, noopt de Raad van State tot de beoordeling van de zaak zelf waartoe hij als cassatierechter luidens artikel 14, § 2, RvS-wet niet bevoegd is.
- Het middelonderdeel dat stelt dat de RvVb in een eerder arrest heeft nagelaten een aspect te behandelen “waardoor verzoekende partij rechtmatig kon vertrouwen op het feit dat de nieuwe MER-ontheffing geen rekening hoefde te houden met de potentiële ringweg”, is niet gericht tegen het bestreden arrest en is derhalve onontvankelijk.
- De verwerping van het eerste middelonderdeel, leidt tot de verwerping van het tweede middelonderdeel dat gericht is tegen de indeplaatsstelling van het bestreden arrest. Het enige middel is niet gegrond. VII-41.099-7/8 BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het cassatieberoep.
- De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 20 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partijen. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van negentien mei tweeduizend tweeëntwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Carlo Adams, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Peter Sourbron, staatsraad, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier. De griffier De voorzitter Bart Tettelin Carlo Adams VII-41.099-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.253.814 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div