id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 19 mei 2022 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.253.815 Rolnummer: A. 233658/VII-41115 Zaak: Arrest 253815 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 19/05/2022 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2022-05-30 Raadplegingen: 73 - laatst gezien 2026-06-10 06:55 Fiche Arrest nr 253.815 van 19 mei 2022 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 253.815 van 19 mei 2022 in de zaak A. é.658/VII-41.115 In zake : het COLLEGE VAN BURGEMEESTER EN SCHEPENEN VAN DE STAD DEINZE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Paul Aerts kantoor houdend te 9000 Gent Coupure 5 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen :
- Hildegarde DE ROUCK
- de NV PIENS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Pieter Van Assche en Sander Kaïret kantoor houdend te 9000 Gent Koning Albertlaan 128 bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partij : de NV DE KORTRIJKSE TOREN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Steve Ronse en Isabelle Verhelle kantoor houdend te 8500 Kortrijk Beneluxpark 27B bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het cassatieberoep, ingesteld op 12 mei 2021, strekt tot de nietigverklaring van arrest nr. RvVb-A-2021-0853 van de Raad voor Vergunningsbetwistingen (hierna : RvVb) van 1 april 2021 in de zaak 1920-RvVb-0327-A. VII-41.115-1/16 VII-41.115-2/16 II. Verloop van de rechtspleging
- Het cassatieberoep is toelaatbaar verklaard bij beschikking van 22 juni
- De verwerende partijen hebben een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. De nv De Kortrijkse Toren heeft een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. De tussenkomst is toegestaan bij beschikking van 30 augustus
- De tussenkomende partij heeft een memorie ingediend. Eerste auditeur-afdelingshoofd Ann Van Mingeroet heeft op 18 januari 2022 een verslag opgesteld, op grond van artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State’. De verzoekende partij heeft een verzoek tot voortzetting van de procedure teneinde te worden gehoord ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 21 april
- Staatsraad Pierre Lefranc heeft verslag uitgebracht. Advocaat Anne-Sophie Claus, die loco advocaat Paul Aerts verschijnt voor de verzoekende partij, advocaat Sander Kaïret, die verschijnt voor de verwerende partijen en advocaat Dirk Van Heuven, die loco advocaten Steve Ronse en Isabelle Verhelle verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord. VII-41.115-3/16 Eerste auditeur-afdelingshoofd Ann Van Mingeroet heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973 (hierna: RvS-wet). III. Feiten
- Op 7 november 2019 verleent de deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen (hierna: deputatie) aan de nv De Kortrijkse Toren een omgevingsvergunning “voor het exploiteren van een nieuw winkelcentrum en de regularisatie en heraanvraag van het oprichten van een woon-winkelcomplex, handelsruimtes met appartementen en omgevingswerken na slopen van bestaande bedrijfsbebouwing”.
- Het bestreden arrest vernietigt op vordering van De Rouck en de nv Piens de vergunningsbeslissing van de deputatie na: - verwerping van de excepties van de nv De Kortrijkse Toren van onontvankelijkheid van de vordering tot vernietiging van De Rouck en de nv Piens; - de gegrondverklaring van het vijfde middel van De Rouck en de nv Piens omdat “de beslissing tot MER-ontheffing (en de bijhorende MOBER) onvolledig en onzorgvuldig is opgesteld” en “blijkt dat niet wordt aangetoond dat het project, zoals ingediend, en gelet op de verweving met de in de toekomst aan te leggen ringweg, geen aanzienlijke milieueffecten zal/kan genereren, minstens […] niet [wordt] aangetoond dat een project-MER redelijkerwijze geen nieuwe of bijkomende gegevens over aanzienlijke milieueffecten kan bevatten”. Bij indeplaatsstelling weigert het bestreden arrest de vergunningsaanvraag van de nv De Kortrijkse Toren omdat “de milieueffectrapportage in het algemeen, en de MER-ontheffingsbeslissing in casu, VII-41.115-4/16 de noodzakelijke basis vormt voor de vergunningsbeslissing, en [...] deel [dient] uit te maken van het aanvraagdossier”, “het vastgestelde gebrek niet meer [kan] hersteld worden in graad van administratief beroep, zodat zich, wat de huidige aanvraag betreft, een onoverkomelijke legaliteitsbelemmering voordoet”, en er bijgevolg “in hoofde van de [deputatie] een volstrekt gebonden bevoegdheid [bestaat] om de vergunning […] te weigeren”. IV. Onderzoek van de ontvankelijkheid Standpunt De Rouck en nv Piens
- De Rouck en de nv Piens betwisten het belang van het college van burgemeester en schepenen van de stad Deinze (hierna: college) omdat het nalaat zijn belang uiteen te zetten en “een bevoegd schepen als openbaar standpunt voor het college in een gemeenteraad verkondigt dat het bestreden arrest de ‘meest positieve zaak’ is, om vervolgens het tegenovergestelde standpunt in te nemen” voor de Raad van State. Beoordeling
- De finaliteit van een cassatieberoep bestaat erin om een onwettige uitspraak van een administratief rechtscollege teniet te doen, waarna de zaak voor een nieuwe beoordeling aan het anders samengesteld rechtscollege wordt voorgelegd zodat het college een nieuwe kans verwerft op een voor hem gunstiger uitspraak van dat rechtscollege.
- Het cassatieberoep van het college tegen het bestreden arrest is gericht tegen de gegrondverklaring van het vijfde middel van De Rouck en de nv Piens.
- Ingeval van cassatie dient de RvVb zich opnieuw uit te spreken over de gegrondverklaring van het vijfde middel van De Rouck en de nv Piens. VII-41.115-5/16
- Het college heeft belang bij het instellen van het cassatieberoep tegen het bestreden arrest. V. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Standpunten van het college
- Het college voert de schending aan van “het grondwettelijk rechtsbeginsel van de scheiding der machten”, artikel 4.3.1, 2°, a) van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening (hierna: VCRO), artikel 32 van het dDBRC) en artikel 149 van de Grondwet. Verwijzend naar het verzoek tot een MER-ontheffing, voert het college aan dat er absoluut geen sprake kan zijn van een ‘beslist beleid’ wat betreft de aanleg van de ringweg. Beslist beleid is een beleid dat een voldoende mate van concretisering met een verbindend en verordenend karakter kent, zodat het vatbaar is voor realisatie. Te dezen ligt geen verordenend uitvoeringsplan voor noch een omgevingsvergunning. Ook de vermelding van de ringweg in het mobiliteitsplan kan an sich niet doorslaggevend zijn voor het ‘beslissend’ karakter van het beleid. Desalniettemin bepaalt de RvVb dat de aanleg van de ringweg wel degelijk beslist beleid is. Bovendien zou de stad Deinze reeds een voorafname doen op haar toekomstig ‘beslist beleid’, door in het voorliggend project een reservatiestrook op te nemen die overeenstemt met het gewenste tracé van de toekomstige ringweg. Het komt de RvVb echter niet toe om in de plaats van de stad Deinze te oordelen wat haar beslist beleid is. Door in de discretionaire beoordelingsbevoegdheid van de (vergunningverlenende) overheid te treden, heeft de RvVb de autonomie van het bestuur geschonden en het beginsel van de scheiding der machten. Om in een arrest, dat behept is met gezag van gewijsde, voor recht te zeggen dat de aanleg van een ringweg (met bovengronds tracé) beslist beleid uitmaakt, is niet alleen foutief VII-41.115-6/16 maar tevens een radicale inmenging in het beleid van de stad Deinze. Van enige ‘voorafname op het toekomstig beslist beleid’ is bovendien ook geen sprake. De opgelegde last heeft louter als bedoeling om de eventuele toekomstige ontwikkelingen niet te hypothekeren. Dit is niet meer dan een voorzorg dat ieder decisief karakter ontbeert. Oordelen dat deze voorzorg alsnog ‘een voorafname op beslist beleid’ uitmaakt, is niet alleen foutief, maar wederom een radicale inmenging in het beleid van de stad Deinze. De RvVb oordeelt voorts dat de aanleg van de ringweg “minstens een beleidsmatig gewenste ontwikkeling uitmaakt”. Dit begrip speelt enkel een rol bij de toetsing van de aanvraag aan de goede ruimtelijke ordening conform artikel 4.3.1, § 2, VCRO. De RvVb hanteert deze term teneinde te staven dat de cumulatieve effecten van de aanvraag met de aanleg van de ringweg dienden te worden onderzocht. Een dergelijke juridische constructie strookt echter niet met de vigerende regelgeving. Minstens laat de RvVb na te motiveren waarom de term ‘beleidsmatig gewenste ontwikkeling’ in deze ter zake doet. Dan nog, komt het enkel het bestuur toe om een bepaalde beleidslijn als beleidsmatig gewenste ontwikkeling mee te betrekken in de beoordeling van een concrete vergunningsaanvraag en géénszins de RvVb. Het in rekening brengen van beleidsmatig gewenste ontwikkelingen bij de beoordeling van een vergunningsaanvraag, op grond van art. 4.3.1, § 2, VCRO, houdt slechts een mogelijkheid doch geenszins een verplichting voor het vergunningverlenend bestuur in. De RvVb is dan ook geenszins bevoegd om in de plaats van het bestuur te oordelen dat
(1)de aanleg van de ringweg een beleidsmatig gewenste ontwikkeling uitmaakt en
(2)deze beleidsmatig gewenste ontwikkeling in rekening wordt gebracht bij de beoordeling van voorliggende vergunningsaanvraag. Ook hier treedt de RvVb volledig in de plaats van het bestuur met een schending van het grondwettelijk rechtsbeginsel van de scheiding der machten tot gevolg. Bovendien is deze motivering, die aan de grondslag ligt van het bestreden arrest, behept met een grote tegenstrijdigheid. De aanleg van de ringweg VII-41.115-7/16 kan immers onmogelijk én beslist beleid uitmaken én “minstens” een beleidsmatig gewenste ontwikkeling vormen. Dit alles geldt te meer nu de uitspraak van de RvVb gepaard gaat met een bevel tot indeplaatsstelling. Deze bijzonder ingrijpende maatregel bevindt zich sowieso al op de snijlijn van de scheiding der machten, waarbij de RvVb zich de bevoegdheid van de vergunningverlenende overheid toe-eigent. Dit te dezen geheel onterecht. Beoordeling 11. Het middel gaat terug op de gegrondverklaring door de RvVb van het vijfde middel van De Rouck en de nv Piens waarin zij “in essentie” hebben aangevoerd “dat niet wordt gemotiveerd waarom de (nieuwe) MER-ontheffing rechtsgeldig kan gebruikt worden” terwijl zij “kritiek op de MER-ontheffing geformuleerd [hebben] wegens onvolledigheid bij gebrek aan
(1)een alternatievenonderzoek en
(2)een onderzoek naar de cumulatieve effecten met de mogelijks toekomstige ringweg die, via een reserveringszone, wel al op plan voorzien is”. 12. Het bestreden arrest steunt de gegrondverklaring van het middel op volgende overwegingen: - de vaststelling “dat de mogelijke effecten van een toekomstige ringweg, die het vergunde complex volledig zal dwarsen, niet werd onderzocht”; - uit de principiële beslissing en het voorgenomen traject in het mobiliteitsplan vastgesteld in maart 2018 van de stad Deinze “blijkt dat gekozen is voor een bovengronds tracé dwars door het vergunde complex”; - daaruit blijkt dat het minstens om een beleidsmatig gewenste ontwikkeling in de zin van artikel 4.3.1, § 2, 2°,
- a)VCRO gaat; - het gaat over “beslist beleid”; - door in het voorliggend project een reservatiestrook op te nemen die overeenstemt met het gewenste tracé, zoals opgenomen in het mobiliteitsplan van VII-41.115-8/16 de stad Deinze, dient de vergunningverlenende overheid de mogelijke effecten van de ringweg, minstens van het ingetekend traject, binnen de vergunde site op het voorliggend winkelcomplex te onderzoeken, en in de mate dat ze op heden reeds kunnen worden nagegaan, mede te beoordelen; - dat is des te meer het geval omdat de reservatiestrook in de aanvraag is voorzien en dwars door de voorziene parkeerstroken loopt; - door de bestreden beslissing wordt deze overgedragen aan de stad Deinze, en verkrijgt ze dus een openbaar, minstens actueel reeds een semi-openbaar karakter; van zodra de ringweg zal worden aangelegd zullen een belangrijk aantal parkeerfaciliteiten noodgedwongen verdwijnen; - hoe deze kunnen opgevangen worden, en of er dan nog voldoende parkeermogelijkheden overblijven, blijkt noch uit de ontheffingsbeslissing, noch uit de bestreden vergunningsbeslissing; de effecten hiervan op de nog overblijvende – en dus beperktere parkeerfaciliteiten, en op de leefbaarheid van het hele complex, zijn niet onderzocht door de dienst MER en zijn zelfs expliciet uit het onderzoek geweerd terwijl in de ontheffingsaanvraag is vastgesteld dat het actueel aantal parkeerplaatsen nauwelijks voldoende is om aan de parkeerbehoeften te voldoen; - de nv Piens geeft niet onterecht aan dat haar omgevingsvergunningsaanvraag voor haar aanpalend pand werd geweigerd op basis van een ongunstig advies van Wegen en Verkeer, verwijzend naar de toekomstige aan te leggen ringweg die deels over haar perceel zal lopen; - de stelling van de nv De Kortrijkse Toren dat ze niet de aanvrager van de last is, mist relevantie omdat de last is ingetekend op de ingediende plannen, de last door haar is aanvaard en deel uitmaakt van de vergunningsaanvraag en vergunningsbeslissing. Het bestreden arrest concludeert “dat de beslissing tot MER-ontheffing (en de bijhorende MOBER) onvolledig en onzorgvuldig is opgesteld” en dat “blijkt dat niet wordt aangetoond dat het project, zoals ingediend, en gelet op de verweving met de in de toekomst aan te leggen ringweg, geen aanzienlijke milieueffecten zullen genereren, minstens wordt niet aangetoond dat VII-41.115-9/16 een project-MER redelijkerwijze geen nieuwe of bijkomende gegevens over aanzienlijke milieueffecten kan bevatten”. 13. Het middel dat niet uiteenzet op welke wijze het bestreden arrest artikel 4.3.1, 2°,
- a)VCRO schendt, is niet ontvankelijk. 14. Het middel dat aanvoert “dat er absoluut geen sprake kan zijn van een ‘beslist beleid’ wat betreft de aanleg van de ringweg”, dwingt de Raad van State tot een beoordeling van de zaak zelf waarvoor hij als cassatierechter luidens artikel 14, § 2 van de RvS-wet niet bevoegd is. 15. Het bestreden arrest overweegt dat: - niet alleen de principiële beslissing is genomen maar dat ook het voorgenomen traject is ingetekend in het mobiliteitsplan van de stad Deinze waaruit blijkt dat gekozen is voor een bovengronds tracé dwars door het vergunde complex zodat het minstens gaat over een beleidsmatig gewenste ontwikkeling in de zin van artikel 4.3.1, § 2, 2°,
- a)VCRO; - in zoverre de vergunningverlenende overheid een voorafname doet op het toekomstig beleid door in het voorliggend project een reservatiestrook op te nemen die overeenstemt met het gewenste tracé van de toekomstige ringweg zoals opgenomen in het mobiliteitsplan van de stad Deinze, ze de mogelijke effecten van de ringweg, minstens van het ingetekend tracé, binnen de vergunde site op het voorliggend winkelcomplex dient te onderzoeken en, in de mate dat ze heden reeds kunnen worden nagegaan, mede te beoordelen. Het is “[a]ls zodanig” dat de RvVb “oordeelt […] dat het wel degelijk gaat over ‘beslist beleid’”. Het middel dat aanvoert dat het bestreden arrest het algemeen rechtsbeginsel van de scheiding der machten schendt omdat het: - bepaalt dat de aanleg van de ringweg wel degelijk beslist beleid is, berust op een onvolledige en bijgevolg verkeerde lezing van het bestreden arrest en mist derhalve feitelijke grondslag; VII-41.115-10/16 - oordeelt dat de aanleg van de ringweg minstens een beleidsmatig gewenste ontwikkeling uitmaakt, berust eveneens op een onvolledige en bijgevolg verkeerde lezing van het bestreden arrest en mist derhalve feitelijke grondslag. 16. De bij artikel 149 van de Grondwet en artikel 32 DBRC-decreet opgelegde verplichting aan de RvVb om zijn rechterlijke uitspraak te motiveren, heeft het karakter van een vormvereiste met beperkte draagwijdte. Een uitspraak is gemotiveerd wanneer de rechter duidelijk en ondubbelzinnig de redenen uiteenzet -al waren ze verkeerd of onwettig- die hem ertoe brengen zijn beslissing te nemen. Bij de beoordeling of artikel 149 van de Grondwet werd nageleefd, is bijgevolg niet de vraag aan de orde of in de beslissing een verkeerde beoordeling van de feitelijke gegevens is uitgedrukt. Het gaat er dan ook niet om of de motivering omstandig of juist is. Alleen een gemis aan motivering of daarmee gelijkgestelde gevallen, zoals tegenstrijdigheid in de motieven, maken een schending uit van artikel 149 van de Grondwet. Wanneer de motivering een verkeerde gevolgtrekking in rechte maakt, kan dit een schending van de wet uitmaken, maar is er nog geen sprake van een motiveringsgebrek. De rechterlijke motiveringsverplichting houdt niet in dat de RvVb moet antwoorden op elk argument dat tot staving of weerlegging van een middel is aangevoerd, maar dat geen afzonderlijk middel of afzonderlijke weerlegging vormt. 17. Het middel dat aanvoert dat: - de RvVb nalaat te motiveren waarom de term ‘beleidsmatig gewenste ontwikkeling’ in deze ter zake doet, berust op een onvolledige en bijgevolg verkeerde lezing van het bestreden arrest en mist derhalve feitelijke grondslag; - het bestreden arrest behept is met een grote tegenstrijdigheid omdat de aanleg van de ringweg onmogelijk en beslist beleid uitmaken en minstens een beleidsmatig gewenste ontwikkeling vormen, berust eveneens op een onvolledige en bijgevolg verkeerde lezing van het bestreden arrest en mist derhalve feitelijke grondslag. Het eerste middel is niet gegrond. VII-41.115-11/16 B. Tweede middel Standpunt van het college 18. Het college voert de schending aan van artikel 4.3.7, § 1, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid (hierna: DABM), Bijlage 2bis, 50,
- e)bij het DABM, artikel 32 DBRC en artikel 149 van de Grondwet. De redenering van de RvVb dat de beslissing tot MER-ontheffing (en het bijhorende MOBER) onvolledig en onzorgvuldig is opgesteld omdat de mogelijke effecten van een toekomstige ringweg, die het vergunde complex volledig zal dwarsen, niet werden onderzocht, is in strijd met artikel 4.3.7, §1, DABM en bijlage IIbis, DABM. Volgens deze artikelen dienen slechts de cumulatieve effecten met andere bestaande of goedgekeurde projecten te worden onderzocht. Bestaande of goedgekeurde projecten zijn in de eerste plaats uitgevoerde projecten, minstens gelijktijdig aangevraagde projecten waarvan de kenmerken reeds vastliggen. Er is in ieder geval reeds sprake van een ‘geconcretiseerd project’. Dit is voor de thans nog geheel hypothetisch toekomstig aan te leggen ringweg, geenszins het geval. Noch de procedure tot opmaak van een ruimtelijk uitvoeringsplan, laat staan de procedure tot aanvraag van een omgevingsvergunning werd opgestart. Van enig concreet bestaand of goedgekeurd project is dan ook onmogelijk sprake. De kenmerken van het project zijn nog geenszins vaststaand, waardoor de effecten ervan ook nog niet kunnen worden meegenomen in het verzoek tot MER-ontheffing betreffende de aanvraag van de nv De Kortrijkse Toren. Anders oordelen is in strijd met de vigerende regelgeving van het DABM. Niet alleen is de beoordeling van de (cumulatieve) milieueffecten van de ringweg onmogelijk, maar bovendien ook geheel onwerkbaar. Noch het karakter van de weg, noch het specifiek tracé van de weg, noch de concrete uitvoering van de weg zijn onderzocht, laat staan gekend. De aanleg van de ringweg moet bovendien zélf nog onderworpen worden aan een MER, alvorens de effecten ervan mee in rekening kunnen worden gebracht. Eén van de kernaspecten VII-41.115-12/16 van een MER is immers het alternatievenonderzoek. Niet alleen weet men niet welk alternatief men uiteindelijk zal realiseren, bovendien kan uit het (toekomstig) plan-MER en project-MER evengoed blijken dat het voorgenomen project niet kan worden gerealiseerd. Het meenemen van één van de mogelijke alternatieven in het verzoek tot MER-ontheffing zou overigens neerkomen op een voorafname van dit alternatievenonderzoek. Bovendien beschikt het bestuur nog steeds over de nodige discretionaire marge in haar uiteindelijke keuze, onder andere ook wat het uiteindelijke concrete tracé en ligging van de weg betreft. Een marge waarover de rechter slechts met schroom uitspraak mag doen. Daarnaast kan het voorgenomen project tijdens de milieueffectbeoordeling nog aanzienlijk worden bijgestuurd doordat bepaalde milderende maatregelen worden voorgesteld om eventuele negatieve milieueffecten te verminderen of te voorkomen. Ook om die reden zou men kunnen stellen dat er op dat ogenblik nog geen sprake is van een voldoende geconcretiseerd project. Minstens duidt de RvVb niet op basis van welke (rechts)grond de effecten van de realisatie van een nu nog hypothetisch toekomstig project in rekening moeten worden gebracht. Beoordeling 19. Het bestreden arrest besluit dat “de beslissing tot MER-ontheffing (en de bijhorende MOBER) onvolledig en onzorgvuldig is opgesteld” omdat “niet wordt aangetoond dat het project, zoals ingediend, en gelet op de verweving met de in de toekomst aan te leggen ringweg, geen aanzienlijke milieueffecten zal/kan genereren” of minstens niet wordt “aangetoond dat een project-MER redelijkerwijze geen nieuwe of bijkomende gegevens over aanzienlijke milieueffecten kan bevatten”. Het middel dat aanvoert dat artikel 4.3.7, §1, DABM en bijlage IIbis, DABM door het bestreden arrest worden geschonden omdat volgens deze artikelen slechts de cumulatieve effecten met andere bestaande of goedgekeurde projecten dienen te worden onderzocht, berust op een onvolledige en bijgevolg verkeerde lezing van het bestreden arrest en mist derhalve feitelijke grondslag. VII-41.115-13/16 Het tweede middel is niet gegrond. C. Derde middel Standpunt van het college 20. Het college voert de schending aan van artikel 4.3.1, 4.3.3, § 3, 4.3.6, 4.3.7 en 4.1.1, 13°,
- c)DABM. Het betoogt dat overeenkomstig de aangehaalde regelgeving de initiatiefnemer, zijnde de aanvrager van de omgevingsvergunning, het project-MER of gemotiveerd verzoek tot MER-ontheffing opstelt. De initiatiefnemer doet dit naar best vermogen, rekening houdend met de kenmerken van het project en diens omgeving. Van de initiatiefnemer kan echter niet worden verwacht dat deze bij het opstellen van het project-MER of verzoek tot ontheffing van project-MER rekening houdt met nog hypothetisch toekomstige beleidslijnen van de vergunningverlenende overheid, welke nog niet concreet zijn uitgewerkt in verordenende plannen en voorschriften of in concrete uitvoering (omgevingsvergunning). Laat staan dat van de initiatiefnemer kan worden verwacht dat deze, in de plaats van het bestuur, oordeelt dat deze beleidslijnen beslist beleid betreffen en deel dienen uit te maken van de milieueffectrapportage. Dit is zélfs het geval, wanneer de vergunningverlenende overheid een last (kosteloze grondafstand van de reservatiestrook) oplegt op het ogenblik van het nemen van de vergunningsbeslissing, teneinde toekomstige ontwikkelingen niet te hypothekeren. Omwille van het feit dat de last ook in alle voorgaande omgevingsvergunningen werd opgelegd, was de aanvrager voor het verkrijgen van de omgevingsvergunning reeds op de hoogte van die last. Hierdoor was de reservatiestrook reeds ingetekend in de plannen. Dit beduidt echter niet dat de reservatiestrook deel zou uitmaken van de aanvraag, integendeel. De kosteloze grondafstand van de reservatiezone is en blijft een last, dewelke de vergunningverlenende overheid pas bij het nemen van de definitieve beslissing VII-41.115-14/16 oplegt en aan de omgevingsvergunning verbindt. Met andere woorden: een last wordt pas na het opstellen én goedkeuren van het project-MER of verzoek tot opheffing van de project-MER door de vergunningverlenende overheid aan een omgevingsvergunning verbonden. In weerwil van hetgeen de RvVb oordeelt, behoort het dan ook absoluut niet tot de verantwoordelijkheid van de initiatiefnemer om de effecten van deze last reeds (vooraf) te onderzoeken in een project-MER of project-MER-screening of het verzoek tot MER-ontheffing. Dit nog afgezien van het gegeven dat zij geenszins in de mogelijkheid is om dit te doen. De concrete kenmerken van de eventuele aanleg van de ringweg zijn immers nog niet gekend. Beoordeling 21. Het bestreden arrest: - overweegt dat de stelling van het college dat het niet de aanvrager van de last is, relevantie mist omdat “[d]e last is ingetekend op de plannen zoals ingediend”, de last “duidelijk door [het college is] aanvaard” en “deel uit[maakt] van de vergunningsaanvraag en vergunningsbeslissing”; - besluit dat “de beslissing tot MER-ontheffing (en de bijhorende MOBER) onvolledig en onzorgvuldig is opgesteld” omdat “niet wordt aangetoond dat het project, zoals ingediend, en gelet op de verweving met de in de toekomst aan te leggen ringweg, geen aanzienlijke milieueffecten zal/kan genereren” of minstens niet wordt “aangetoond dat een project-MER redelijkerwijze geen nieuwe of bijkomende gegevens over aanzienlijke milieueffecten kan bevatten”. Het middel dat aanvoert dat het bestreden arrest oordeelt dat het tot de verantwoordelijkheid behoort van de initiatiefnemer om de effecten van de last, te dezen kosteloze grondafstand van de reservatiezone, te onderzoeken in een project-MER of project-MER-screening of het verzoek tot ontheffing, berust op een verkeerde lezing van het bestreden arrest en mist derhalve feitelijke grondslag. Het derde middel is niet gegrond. VII-41.115-15/16 BESLISSING 1. De Raad van State verwerpt het cassatieberoep. 2. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 20 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partijen. De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 150 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van negentien mei tweeduizend tweeëntwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Carlo Adams, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Peter Sourbron, staatsraad, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier. De griffier De voorzitter Bart Tettelin Carlo Adams VII-41.115-16/16 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.253.815 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div