id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 23 mei 2022 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.253.842 Rolnummer: A. 235325/X-18059 Zaak: Arrest 253842 - Varia (binnenlandse zaken en lokale besturen) - 23/05/2022 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2022-05-23 Raadplegingen: 67 - laatst gezien 2026-06-10 06:57 Fiche Arrest nr 253.842 van 23 mei 2022 Instellingen, Binnenlandse zaken en lokale besturen - Varia (binnenlandse zaken en lokale besturen) Beslissing : Afstand Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE Xe KAMER nr. 253.842 van 23 mei 2022 in de zaak A. 235.325/X-18.059 In zake: Johan DELRUE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Stijn Catrysse kantoor houdend te 8420 De Haan Kievitenlaan 33 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de GEMEENTE ANZEGEM bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bart Staelens kantoor houdend te 8000 Brugge Gerard Davidstraat 46, bus 1 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 28 december 2021, strekt tot de nietigverklaring van : “- de individuele constructieve motie van wantrouwen van 3 december 2021 […] - de beslissing tot ontvankelijkheid van de ingediende motie van 3 december 2021 […] - de aktename van ontvankelijkheid van de ingediende motie van 3 december 2021 op 14 december 2021 […] - de aanname van de individuele constructieve motie van wantrouwen op 14 december 2021 […] - de aktename van de ontvankelijkheid van de voordrachtsakte van de nieuwe schepen van 14 december 2021 […] - de beslissing tot installatie en eedaflegging van een nieuwe schepen, met inbegrip van onderzoek van de geloofsbrieven, de eedaflegging [en] de bepaling van de rangorde […].” X-18.059-1/4 II. Verloop van de rechtspleging
- Bij arrest nr. 252.581 van 6 januari 2022 is de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de bestreden beslissing verworpen. Het genoemde arrest is op 24 januari 2022 aan verzoeker ter kennis gebracht. Op 4 maart 2022 heeft de hoofdgriffier, op verzoek van het aangewezen lid van het auditoraat, aan verzoeker de mededeling ter kennis gebracht, bedoeld in artikel 11/3, § 1, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’. Verzoeker heeft niet gevraagd om te worden gehoord. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, ge- coördineerd op 12 januari 1973 (hierna: Raad van State-wet. III. Beoordeling
- Voornaamste voorwerp van het beroep is klaarblijkelijk de vierde bestreden beslissing. Ze is verzoeker aangezegd met een brief van 21 december 2021, waarin wordt meegedeeld dat er een beroep tot nietigverklaring, met eventueel een vordering tot schorsing, bij de Raad van State tegen openstaat. Dit is, zoals in het arrest nr. 252.581 van 6 januari 2022 geoordeeld, onterecht. X-18.059-2/4
- Naar luid van artikel 17, § 7, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, geldt ten aanzien van de verzoekende partij een vermoeden van afstand van geding wanneer zij, nadat de vordering tot schorsing van een akte of een reglement is afgewezen, geen verzoek tot voortzetting van de rechtspleging indient binnen een termijn van dertig dagen die ingaat met de kennisgeving van het arrest. Verzoeker, die kennelijk instemt met de zienswijze in het arrest nr. 252.581 van 6 januari 2022, heeft geen verzoek tot voortzetting van de rechtspleging ingediend. Het vermoeden van afstand van geding is te dezen dan ook van toepassing.
- Gelet op het vermelde sub 3 is er reden om de kosten van de vordering tot schorsing ten laste te leggen van de verwerende partij. Anders dan de verwerende partij meent is het daarvoor geen beletsel dat verzoeker niet de voortzetting van het geding heeft gevraagd. Wel kan verzoeker niet worden beschouwd als een in het gelijk gestelde partij, zoals bedoeld in artikel 30/1 van de Raad van State-wet. Er komt hem bijgevolg geen rechtsplegingsvergoeding toe. BESLISSING
- De Raad van State spreekt de afstand van geding uit.
- De verwerende partij wordt verwezen in de betaling van het rolrecht voor de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, begroot op 200 euro, en een bijdrage van 22 euro. X-18.059-3/4 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van drieëntwintig mei tweeduizend tweeëntwintig, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Johan Lust, kamervoorzitter, bijgestaan door Silvan De Clercq, griffier. De griffier De voorzitter Silvan De Clercq Johan Lust X-18.059-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.253.842 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.252.581 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div