← België

Arrest 253847 - Stedenbouw en ruimtelijke ordening - Reglementen - 23/05/2022

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 23 mei 2022 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.253.847 Rolnummer: A. 232045/X-17822 Zaak: Arrest 253847 - Stedenbouw en ruimtelijke ordening - Reglementen - 23/05/2022 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2022-06-03 Raadplegingen: 73 - laatst gezien 2026-06-10 06:56 Fiche Arrest nr 253.847 van 23 mei 2022 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Stedenbouw en ruimtelijke ordening - Reglementen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Xe KAMER nr. 253.847 van 23 mei 2022 in de zaak A. 232.045/X-17.822 In zake :

  1. Rik VANDEWOESTEYNE
  2. Inge GEVAERT bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat John Toury kantoor houdend te 1800 Vilvoorde Jean Baptiste Nowélei 13 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Veerle Tollenaere kantoor houdend te 9000 Gent Koning Albertlaan 128 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
  3. Het beroep, ingesteld op 19 oktober 2020, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van de Vlaamse regering van 3 juli 2020 ‘houdende de definitieve vaststelling van het gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan “Kustpolders tussen Oudenburg, Jabbeke en Stalhille”’. II. Verloop van de rechtspleging
  4. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partijen hebben een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur Tom De Waele heeft een verslag opgesteld. X-17.822-1/16 De verzoekende partijen hebben een laatste memorie ingediend. De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 13 mei
  5. Staatsraad Stephan De Taeye heeft verslag uitgebracht. Advocaat John Toury, die verschijnt voor de verzoekende partijen, en advocaat Veerle Tollenaere, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Tom De Waele heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  6. III. Feiten 3.
  7. Verzoekers zijn eigenaar van twee percelen grond, gelegen nabij de Watergangstraat te Klemskerke-De Haan (hierna: verzoekers’ percelen). Zij stellen dat het gaat om een blok grond met een gezamenlijke oppervlakte van iets meer dan 3 hectare, waarop silomaïs geteeld wordt. Verzoekers’ percelen zijn overeenkomstig het op 26 januari 1977 vastgestelde gewestplan Oostende-Middenkust in ‘landschappelijk waardevol agrarisch gebied’ gelegen. 3.
  8. In uitvoering van de opdracht van het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen (hierna: RSV) om de gebieden van de natuurlijke en agrarische structuur middels gewestelijke ruimtelijke uitvoeringsplannen af te bakenen, vat de verwerende partij de opmaak van het gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan X-17.822-2/16 ‘Kustpolders tussen Oudenburg, Jabbeke en Stalhille’ (hierna: het gewestelijk RUP) aan. Verzoekers’ percelen situeren zich binnen het beheersingsgebied van dit plan. 3.
  9. Er wordt een voorontwerp van het gewestelijk RUP opgemaakt, waarover op 8 juni 2016 een plenaire vergadering wordt georganiseerd. 3.
  10. De Strategische Adviesraad Ruimtelijke Ordening verleent op 31 augustus 2016 een advies over het voorontwerp van het gewestelijk RUP. 3.
  11. Op 24 juni 2016 stelt het agentschap voor Natuur en Bos van de Vlaamse overheid dat het voorgenomen plan geen passende beoordeling behoeft. 3.
  12. Op 4 november 2016 oordeelt de dienst Milieueffectrapportage van de Vlaamse overheid dat de opmaak van een planmilieueffectrapport niet is vereist. 3.
  13. Met haar besluit van 3 mei 2019 stelt de Vlaamse regering het ontwerp van het gewestelijk RUP voorlopig vast. 3.8.
  14. In de toelichtende nota bij het ontwerp van het gewestelijk RUP worden verzoekers’ percelen – die op de volgende figuur 6 uit de toelichtende nota benaderend worden aangegeven – aangeduid als onmiddellijk grenzend aan beschermd poldergrasland (rode arcering): X-17.822-3/16 Verzoekers’ percelen 3.8.
  15. Op kaart 3 met de weergave van de bestaande juridische toestand, die als bijlage bij de toelichtingsnota bij het ontwerp van het gewestelijk RUP is gevoegd, worden verzoekers’ percelen – hierna op kaart 3 benaderend aangegeven – gesitueerd onmiddellijk naast ‘poldergraslandschap’: Verzoekers’ percelen De legende bij deze kaart is de volgende: X-17.822-4/16 3.
  16. Verzoekers’ percelen worden door het ontwerpplan bestemd als ‘agrarisch gebied’ (artikel 1 van de stedenbouwkundige voorschriften) met de overdruk ‘natuurverwevingsgebied’ (artikel 1.5 van de stedenbouwkundige voorschriften), waarbinnen volgens de stedenbouwkundige voorschriften “de functies natuurbehoud en landbouw nevengeschikt zijn”. Artikel 1 ‘agrarisch gebied’ van de stedenbouwkundige voorschriften luidt: “Artikel 1.1 Het gebied is bestemd voor de beroepslandbouw. Alle handelingen die nodig of nuttig zijn voor de landbouwbedrijfsvoering van landbouwbedrijven zijn toegelaten. Een landbouwbedrijfszetel mag alleen de noodzakelijke bedrijfsgebouwen en de woning van de exploitanten bevatten, alsook verblijfsgelegenheid, verwerkende en dienstverlenende activiteiten voor zover die een integrerend deel van het bedrijf uitmaken. Het oprichten van serres is niet toegelaten. Artikel 1.2 In het gebied zijn ook aan de landbouw verwante bedrijven toegelaten voor zover hun aanwezigheid in het agrarisch gebied nuttig of nodig is voor het goed functioneren van de landbouwbedrijven in de omgeving én ze gevestigd worden in bestaande hoofdzakelijk vergunde constructies. Die bedrijven moeten een directe en uitsluitende relatie hebben met de aanwezige landbouwbedrijven door afname of toelevering van diensten of producten. Primaire bewerking of opslag van producten is toegelaten. Verwerking van producten is uitgesloten, met uitzondering van mestbehandeling en mestvergisting. Artikel 1.3 Voor zover ze door hun beperkte impact de realisatie van de algemene bestemming niet in het gedrang brengen is het aanbrengen van X-17.822-5/16 windturbines en windturbineparken toegelaten, alsook andere installaties voor de productie van (hernieuwbare) energie of energierecuperatie. De mogelijke effecten van de inplanting ten aanzien van efficiënt bodemgebruik, eventuele verstoring van de uitbating(smogelijkheden) en landschappelijke kwaliteiten dienen in een lokalisatienota te worden beschreven en geëvalueerd. Artikel 1.4 Handelingen die nodig of nuttig zijn voor: - het behoud en herstel van het waterbergend vermogen van de polderwaterlopen, - het behoud en herstel van de structuurkenmerken van de polderwaterlopen, de waterkwaliteit en de verbindingsfunctie, - het behoud, het herstel en de ontwikkeling van overstromingsgebieden, het beheersen van overstromingen of het voorkomen van wateroverlast in voor bebouwing bestemde gebieden en het voorkomen van droogte, - het beveiligen van vergunde of vergund geachte bebouwing en infrastructuren tegen overstromingen, zijn toegelaten voor zover daarbij gebruik wordt gemaakt van de technieken van natuurtechnische milieubouw. De in artikel 1.1 tot 1.3 genoemde handelingen kunnen slechts toegelaten worden voor zover ze verenigbaar zijn met de waterbeheerfunctie van het gebied en het waterbergend vermogen van de polderwaterlopen niet doen afnemen.” Artikel 1.5 ‘natuurverwevingsgebied’ van de stedenbouwkundige voorschriften luidt: “Het in overdruk aangeduide gebied is een natuurverwevingsgebied waarbij de functies natuurbehoud en landbouw nevengeschikt zijn. In het als natuurverwevingsgebied aangeduide gebied gelden ten aanzien van de artikels 1.1 tot 1.4 volgende bijkomende bepalingen: - De vermelde handelingen zijn toegelaten voor zover de natuurwaarden van het gebied in stand gehouden worden. - Alle handelingen voor de instandhouding, de ontwikkeling en het herstel van de natuur, het natuurlijk milieu en de landschapswaarden zijn toegelaten. - Het oprichten van gebouwen en vergelijkbare constructies is niet toegelaten.” 3.
  17. Tijdens het openbaar onderzoek dat van 16 juli tot 13 september 2019 over het ontwerp van het gewestelijk RUP wordt gehouden, dienen verzoekers geen bezwaarschrift in. 3.
  18. Op 6 maart 2020 besluit de Vlaamse regering om de termijn voor het definitief vaststellen van het gewestelijk RUP te verlengen. X-17.822-6/16 3.
  19. Op 1 juli 2020 verleent de afdeling Wetgeving van de Raad van State advies nr. 67.520/1 over het ontwerp van het gewestelijk RUP. 3.
  20. Met het bestreden besluit van 3 juli 2020 stelt de Vlaamse regering het gewestelijk RUP definitief vast. Het plan blijft voor verzoekers’ percelen ongewijzigd. Ter verduidelijking volgt hierna een weergave van het grafische plan van het gewestelijk RUP, met een benaderende aanduiding van verzoekers’ percelen. Verzoekers’ percelen X-17.822-7/16 IV. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel 4.
  21. Verzoekers voeren in een eerste middel de schending aan van “artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens […], artikel 544 BW en [artikel] 16 Grondwet alsook de artikelen 10 en 11 Grondwet, artikel 2.2.6 VCRO, het beginsel van de gelijkheid voor openbare lasten en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, in het bijzonder het motiveringsbeginsel, het proportionaliteitsbeginsel, het rechtszekerheidsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel”. Zij betogen dat de overdruk ‘natuurverwevingsgebied’ voor hun percelen een economisch rendabele landbouwactiviteit in de weg staat, zonder daarvoor in een “billijke schadevergoeding” te voorzien. Verschillende bezwaarindieners hebben daarop gewezen, waarop de verwerende partij dat in het bestreden besluit ook heeft erkend. De kwestieuze overdruk houdt daarnaast in dat nog meer beperkende voorwaarden aan de overdruk ‘natuurverwevingsgebied’ kunnen toegekend worden via de natuurwetgeving, wat een normale bedrijfsvoering grondig zal verstoren. Het eigendomsrecht van verzoekers wordt zodoende op een onevenredige wijze beperkt, waarbij in het bestreden besluit onterecht wordt gesteld dat het ontbreken van een vergoedingsmogelijkheid via de planschaderegeling “de scoop van het voorliggende plan overstijgt”. Verzoekers moeten kennelijk verstoken blijven van de mogelijkheid om “een planschadevergoeding, kapitaalschade en/of gebruikerscompensatie” te verkrijgen. Hun percelen zijn immers niet opgenomen op het grafische plan bij het gewestelijk RUP, waarop is aangegeven wie aanspraak kan maken op “plancompensaties”. 4.
  22. In hun memorie van wederantwoord stellen verzoekers dat zij zich ter ondersteuning van het middel niet op hun “subjectieve rechten” beroepen. X-17.822-8/16 Zij verkeren volkomen in onzekerheid over de financiële weerslag van de voorschriften van het gewestelijk RUP. 4.
  23. Verzoekers doen in hun laatste memorie nog gelden dat op hun gronden geen enkele natuurwaarde aanwezig is. Het gehele agrarische gebied wordt door de kwestieuze overdruk versnipperd. Een vergoeding voor de negatieve invloed wordt in het gewestelijk RUP evenwel niet voorzien. Beoordeling 5.
  24. Verzoekers beklagen er zich in hun middel over dat het vergoedingsbeleid in het Belgisch rechtssysteem “bijzonder diffuus” is, dat het gewestelijk RUP niet in “een billijke schadevergoeding” voorziet, dat niet wordt voorzien in “een compensatie” voor het “waardeverlies” van hun percelen, en nog, dat het onmogelijk worden van een normale bedrijfsvoering door het gewestelijk RUP “niet vergoed wordt alsook niet in een mogelijkheid tot vergoeding wordt voorzien”. Zij wijzen erop dat “[d]e compensatie voor kapitaalschade […] 80% van de waardevermindering [bedraagt]” en beklagen zich erover dat hun eigendommen niet werden ingekleurd “als zijnde eigendommen die mogelijks kapitaalschade/gebruikerscompensatie kunnen genieten”. Anders dan zij in hun latere procedurestukken voorhouden, willen verzoekers met het middel zoals uiteengezet in het verzoekschrift in wezen een uitspraak verkrijgen over hun recht op schadevergoeding. De Raad van State is onbevoegd waar verzoekers hem willen doen vaststellen dat zij recht hebben op een vergoeding omdat hun eigendom een waardevermindering zou ondergaan. Een geschil over dergelijk burgerlijk recht behoort immers krachtens artikel 144, eerste lid, van de Grondwet uitsluitend tot de bevoegdheid van de justitiële rechter. Het middel is in zoverre onontvankelijk. X-17.822-9/16 5.
  25. Met hun grief met betrekking tot “artikel 9 van het Natuurdecreet”, “waarin staat dat de instandhoudingsmaatregelen, voor zover deze expliciet zijn opgenomen in een goedgekeurd natuurrichtplan” beperkingen, verbods- en gebodsbepalingen kunnen opleggen, wat “een normale bedrijfsvoering grondig kan verstoren”, bekritiseren verzoekers de wettigheid van dit decreet. De Raad van State is ter zake niet bevoegd. 5.
  26. Evenmin kan verzoekers betoog dat “[h]et [algemeen] beginsel van de gelijkheid van de burgers voor de openbare lasten” geschonden is tot vernietiging van het gewestelijk RUP leiden, nu dit beginsel een vergoedend en geen verbiedend karakter heeft. 5.
  27. Het middel wordt verworpen. B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel 6.
  28. Verzoekers voeren in een tweede middel de schending aan van “artikel 1.1.4 [van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening (hierna: VCRO)], artikel 8 van het decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid, artikel 13 van het decreet betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, meer bepaald het motiverings- en zorgvuldigheidsbeginsel”. Zij zetten uiteen dat het gewestelijk RUP is gebaseerd op een afwegingskader waartegen zij zich verzetten en waartegen ook een aantal bezwaren gericht waren. Bovendien is het gewestelijk RUP gebaseerd op data met betrekking tot de waterhuishouding die “verouderd en onjuist” zijn. De verwerende partij heeft een watertoetskaart van 2014 gebruikt, die echter voor verzoekers’ percelen anders is ingekleurd dan de watertoetskaart van
  29. Volgens die laatste kaart zijn hun percelen niet langer overstromingsgevoelig, waardoor ze ook minder natuurwaarde hebben als habitat voor vogels en andere dieren. Daarnaast werd ook een voorbijgestreefde biologische waarderingskaart X-17.822-10/16 gebruikt, en dat zelfs zonder bronvermelding, wat onverenigbaar is met het zorgvuldigheidsbeginsel. Volgens de meer actuele biologische waarderingskaart zijn verzoekers’ percelen biologisch minder waardevol, gegeven waarmee geen rekening is gehouden bij de vaststelling van het gewestelijk RUP. In algemeen opzicht heeft de planprocedure ook zodanig lang geduurd dat het plan finaal steunt op een verouderde uitgangssituatie. Ten slotte is de Vlaamse overheid volgens verzoekers inconsequent geweest door aan hun percelen een overdruk voor natuurverweving toe te kennen, terwijl andere percelen in de nabijheid met eenzelfde natuurwaarde deze overdruk niet krijgen. In dergelijke omstandigheden noemen zij het ondenkbaar dat men tot een besluit komt dat de goede ruimtelijke ordening respecteert. 6.
  30. In hun memorie van wederantwoord stellen verzoekers dat zij wel degelijk en terecht kunnen vaststellen dat de verwerende partij niet heeft geantwoord op de bezwaren die wél werden ingediend. Het gewestelijk RUP is gebaseerd op niet-actuele data en het speelt geen rol dat de verwerende partij ook andere elementen bij haar beoordeling heeft betrokken. In de memorie van antwoord wordt volgens hen geen repliek gegeven op hun argumenten. 6.
  31. Verzoekers doen in hun laatste memorie nog gelden dat de watertoetskaarten en biologische waarderingskaarten wel degelijk determinerend waren voor de keuze van de planopties. Zij benadrukken dat hun grond geen enkele natuurwaarde heeft. Beoordeling 7.
  32. In de toelichtingsnota bij het gewestelijk RUP (toelichtingsnota, p. 14 e.v.) wordt een uiteenzetting gegeven over het belang van de aanwezigheid van een aantal historisch permanente graslanden in het plangebied. Op figuur 6 van de toelichtingsnota worden verzoekers’ percelen aangeduid als onmiddellijk grenzend aan beschermde poldergraslanden (zie hoger randnummer 3.8.1). Op kaart 3, gevoegd als bijlage bij de toelichtingsnota, met de weergave van de bestaande juridische toestand, wordt bevestigd dat verzoekers’ percelen onmiddellijk grenzen aan ‘poldergraslandschap’ (zie hoger randnummer 3.8.2). X-17.822-11/16 Uit de toelichtingsnota blijkt dat de plannende overheid streeft naar “gave polderlandschappen en markante terreinovergangen” in het gebied “tussen Stalhille, Klemskerke, Vlissegem en De Haan”. In het bestreden besluit wordt, in antwoord op een aantal bezwaren, onder meer uiteengezet dat de overdruk als ‘natuurverwevingsgebied’ dient “om de landschappelijke waarde van het poldergebied te behouden en te versterken”, “dat het de voorkeur geniet om het open en onbebouwd karakter van deze gebieden in agrarisch gebruik te behouden, veeleer dan bijkomende bebouwing toe te staan”, dat ook de aaneengesloten samenhangende landbouwgebieden “zoveel mogelijk [worden] vrijgehouden van bebouwing, dit in eerste instantie ten behoeve van het in stand houden van een kwalitatieve en weinig versnipperde landbouw”, dat de “poldergebieden […] zoveel mogelijk [worden] gevrijwaard van nieuwe bebouwing, onder meer via de afbakening van het natuurverwevingsgebied”, dat enkel “[r]ond de actieve landbouwbedrijven […] een uitbreidingsperimeter [is] behouden zonder overdruk”, en dat de “landschappelijke kwaliteiten […] zoveel mogelijk [moeten] gevrijwaard blijven, onder meer door deze gebieden bouwvrij te houden”, wat wordt “toegepast op het Poldergebied Klemskerke”. 7.
  33. Verzoekers gaan aan de voormelde uitgedrukte motieven voorbij. Zij maken aldus niet aannemelijk dat de bestemming van hun percelen zou strijden met de onderbouwing en visievorming voor het plan die terug te vinden zijn in de toelichtingsnota bij het gewestelijk RUP en die het afwegingskader vormen voor het plan. De verwerende partij merkt in dat verband terecht op dat verzoekers hun standpunt niet kenbaar maakten tijdens het openbaar onderzoek over het ontwerp van het gewestelijk RUP, en dat zij zich er dan ook bezwaarlijk kunnen over beklagen dat hun standpunt door de plannende overheid niet werd beantwoord. Verzoekers doen voorts niet blijken van het rechtens vereiste belang bij hun kritiek dat bezwaren die door anderen werden ingediend niet, of niet afdoende, zouden beantwoord zijn geworden. 7.
  34. Dat in de toelichtingsnota bij het gewestelijk RUP wordt verwezen naar vroegere gegevens met betrekking tot de waterhuishouding van het gebied en naar een oudere watertoetskaart, alsook naar een eerdere versie van de X-17.822-12/16 biologische waarderingskaart, blijkt geen determinerend element te zijn geweest bij het bestemmen van verzoekers’ percelen, minstens tonen verzoekers het tegendeel niet aan. Evenmin verduidelijken zij concreet in welk opzicht de omstandigheid dat de planprocedure een bepaalde tijd in beslag heeft genomen enige inhoudelijke weerslag op de bestemming van hun percelen zou hebben gehad. 7.
  35. Waar verzoekers ten slotte de overdruk ‘natuurverwevingsgebied’ voor hun percelen bekritiseren met de opwerping dat “andere percelen in de nabijheid met eenzelfde natuurwaarde deze overdruk niet krijgen”, zodat het “ondenkbaar” en “uitgesloten” zou zijn “dat men op zulke manier tot een besluit komt dat de goede ruimtelijke ordening respecteert”, betreft een loutere bedenking die de onwettigheid van het gewestelijk RUP niet aantoont. 7.
  36. Het middel wordt verworpen. C. Derde middel Uiteenzetting van het middel
  37. Verzoekers voeren in een derde middel de schending aan van “het algemeen beginsel van verbod van discriminatie zoals vervat in artikel 14 van het EVRM, de artikelen 10 en 11 Grondwet alsook de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, meer bepaald het gelijkheids- en zorgvuldigheidsbeginsel”. Zij bekritiseren dat het gewestelijk RUP voor hun percelen in een overdruk ‘natuurverwevingsgebied’ voorziet, “[t]erwijl meerdere soortgelijke percelen met eenzelfde of hogere natuurwaarde en gelegen in dezelfde zone als [hun] percelen” die overdruk niet krijgen. Verzoekers wijzen erop dat in de nabije omgeving andere percelen, zoals onder andere de kadastrale percelen 445C, 462A, 463A, 464C, 594A, 589A en 587A, ondanks een significant hogere natuurwaarde, volledig overdrukvrij zijn. Uit de kaarten met betrekking tot het verordenend grafisch plan, de watertoets en de biologische waardering van deze percelen blijkt volgens verzoekers dat: X-17.822-13/16 “- deze andere percelen allemaal volledig overdrukvrij blijven - deze andere percelen volgens de watertoetskaart van 2017, net zoals de percelen van de verzoekende partij, niet in overstromingsgevoelig gebied liggen. - voor de kadastrale percelen 445C, 462A, 463A en 464C geldt volgens de oude watertoetskaart van 2014, die gehanteerd werd bij het GRUP, dat grote delen ervan in effectief overstromingsgevoelig gebied lagen en dat in veel meer uitgesproken mate dan het geval was voor de percelen van de verzoekende partij (bv. voor kadastraal perceel 463A ligt meer dan de helft van de perceelsoppervlakte in effectief overstromingsgevoelig gebied). Hierdoor is de natuurwaarde voor de percelen 445C, 462A, 463A en 464C als habitat voor vogels ontegensprekelijk hoger dan deze op de percelen van de verzoekende partij. - percelen 445C, 594A, 587A en 589A volgens de actuele biologische waarderingskaart (versie 2) van Geopunt een kartering hebben die op een zekere biologische waarde wijst, terwijl de percelen van de verzoekende partij geen enkele vorm van zulke kartering op de kaart vertonen. - percelen 594A, 587A en 589A volledig aangeduid staan als faunistisch belangrijke gebieden, terwijl de percelen van de verzoekende partij geen enkele vorm van faunistische waarde vertonen. Zelfs al zou men er foutievelijk vanuit gaan dat men met de verouderde biologische waarderingskaart van 2010, die gebruikt werd in het GRUP, dient te werken, dan nog komt men tot de vaststelling dat het van overdruk natuurverweving voorziene perceel 449/02 van de verzoekende partij een lagere biologische waardering toegekend krijgt dan de percelen 445C, 594A, 587A en 589A, dewelke van de overdruk natuurverweving gespaard blijven […].” Voorts bekritiseren verzoekers dat bij de planopmaak gebruik zou zijn gemaakt van “onjuiste gegevens” en “verouderde data”. Beoordeling 9.
  38. Het gelijkheidsbeginsel is geschonden wanneer in rechte en in feite gelijke situaties zonder objectieve en redelijke verantwoording ongelijk worden behandeld. De verzoekende partij die de schending van het gelijkheidsbeginsel aanvoert, moet dit in haar verzoekschrift met concrete en precieze gegevens aantonen. 9.
  39. Om aan te tonen dat zij ten onrechte worden geconfronteerd met de overdruk ‘natuurverwevingsgebied’ op hun eigendom, verwijzen verzoekers in hun verzoekschrift naar een aantal andere “vergelijkbare” percelen en percelen met X-17.822-14/16 een hogere natuurwaarde die dezelfde overdruk niet hebben gekregen (hierna: de in het middel geviseerde percelen). 9.
  40. Uit de gegevens van de zaak blijkt dat de in het middel geviseerde percelen geen historisch permanent poldergrasland zijn en evenmin – anders dan verzoekers’ eigendom – rechtstreeks aan dergelijk poldergrasland palen. Op grond daarvan wordt verzoekers’ eigendom geacht tot een poldergraslandcluster te behoren. De verwerende partij wijst in haar memorie van antwoord op deze verantwoording. Verzoekers gaan op deze verantwoording in hun memorie van wederantwoord en laatste memorie niet in. Zij tonen in die omstandigheden niet aan dat de percelen waarnaar zij verwijzen met hun situatie vergelijkbaar zouden zijn. Zij doen aldus geen schending van de aangevoerde rechtsregels aannemen. Hetzelfde geldt voor hun loutere bewering dat bij de planopmaak gebruik zou zijn gemaakt van “onjuiste gegevens” en “verouderde data”. 9.
  41. Het middel wordt verworpen. BESLISSING
  42. De Raad van State verwerpt het beroep.
  43. De verzoekende partijen worden, elk voor de helft, verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 400 euro, een bijdrage van 20 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. X-17.822-15/16 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van drieëntwintig mei tweeduizend tweeëntwintig, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Johan Lust, kamervoorzitter, Jan Clement, staatsraad, Stephan De Taeye, staatsraad, bijgestaan door Silvan De Clercq, griffier. De griffier De voorzitter Silvan De Clercq Johan Lust X-17.822-16/16 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.253.847 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.