id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 24 mei 2022 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.253.855 Rolnummer: A. 233024/VII-41036 Zaak: Arrest 253855 - Bewakingsondernemingen - 24/05/2022 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2022-05-31 Raadplegingen: 74 - laatst gezien 2026-06-10 06:57 Fiche Arrest nr 253.855 van 24 mei 2022 Instellingen, Binnenlandse zaken en lokale besturen - Bewakingsondernemingen Beslissing : Vernietiging heropening debatten bekendmaking Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 253.855 van 24 mei 2022 in de zaak A. é.024/VII-41.036 In zake : XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Sofie De Pourcq kantoor houdend te 9830 Sint-Martens-Latem Kortrijksesteenweg 127, bus 2 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Stijn Butenaerts en Andy Hoedenaeken kantoor houdend te 1080 Brussel Leopold II-laan 180 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 1 april 2021, strekt tot de nietigverklaring van: - de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 4 februari 2021 waarbij aan verzoeker de hernieuwing van de identificatiekaart voor het uitoefenen van bewakingsactiviteiten wordt geweigerd, en - de beslissing van de directeur van de Algemene Directie Veiligheid & Preventie van de Federale Overheidsdienst Binnenlandse Zaken van 18 maart 2021 waarbij, na heroverweging ingevolge het bevel opgelegd bij arrest nr. 249.999 van 8 maart 2021, aan verzoeker de hernieuwing van de identificatiekaart voor het uitoefenen van bewakingsactiviteiten opnieuw wordt geweigerd. VII-41.036-1/9 II. Verloop van de rechtspleging
- Bij arrest nr. 249.999 van 8 maart 2021 is de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van de eerste bestreden beslissing ingewilligd, stelt de Raad van State twee prejudiciële vragen aan het Grondwettelijk Hof en beveelt hij de verwerende partij binnen 14 dagen een nieuwe beslissing te nemen over de aanvraag van verzoeker tot hernieuwing van de identificatiekaart. Bij arrest nr. 250.311 van 8 april 2021 is de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van de tweede bestreden beslissing ingewilligd en beveelt de Raad de verwerende partij uiterlijk op 19 april 2021 een identificatiekaart, waarvan de geldigheidstermijn minstens 24 maanden dient te bedragen, uit te reiken aan verzoeker. De verwerende partij heeft een verzoekschrift tot voortzetting van de rechtspleging ingediend. De verwerende partij heeft memories van antwoord ingediend en verzoeker heeft memories van wederantwoord ingediend. Verzoeker heeft een verzoek tot schadevergoeding tot herstel ingediend. Eerste auditeur Frederic Eggermont heeft op 31 januari 2022 een verslag opgesteld. De verwerende partij heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. Verzoeker heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 28 april
- VII-41.036-2/9 Staatsraad Peter Sourbron heeft verslag uitgebracht. Advocaat Sofie De Pourcq, die verschijnt voor verzoeker en advocaat Andy Hoedenaeken, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Frederic Eggermont heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- Verzoeker is sinds november 2000 tewerkgesteld als bewakingsagent. 3.
- Op 6 december 2018 veroorzaakt hij een verkeersongeval waarbij onopzettelijke slagen of verwondingen worden toegebracht aan een persoon. Voor onder meer die feiten wordt verzoeker bij vonnis van 17 januari 2020 van de Politierechtbank Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, veroordeeld tot een geldboete van 50 euro, voor de helft met uitstel, verhoogd met de opdeciemen. 3.
- Op 29 april 2020 vraagt zijn werkgever, de vergunde bewakingsonderneming nv […], de hernieuwing aan van zijn identificatiekaart om als uitvoerend personeelslid actief te mogen blijven in de sector van de private en bijzondere veiligheid. 3.
- Met een besluit van 4 februari 2021 weigert de minister van Binnenlandse Zaken de identificatiekaart van verzoeker te hernieuwen. Dit is de eerste bestreden beslissing. VII-41.036-3/9 3.
- Bij arrest nr. 249.999 van 8 maart 2021 beveelt de Raad van State bij uiterst dringende noodzakelijkheid de schorsing van de tenuitvoerlegging van de voormelde weigeringsbeslissing. Aan het Grondwettelijk Hof worden de volgende prejudiciële vragen gesteld: “Schendt artikel 61, 1°, van de wet van 2 oktober 2017 ‘tot regeling van de private en bijzondere veiligheid’ het in de artikelen 10 en 11 van de Grondwet neergelegde gelijkheidsbeginsel doordat, enerzijds, die bepaling wel een uitzondering maakt voor veroordelingen wegens inbreuken op de wegverkeerswet maar niet voor veroordelingen wegens andere, vergelijkbare inbreuken, zoals de inbreuk op de strafwet wegens onopzettelijke slagen en verwondingen in het kader van een verkeersongeval en, anderzijds, die bepaling geen onderscheid maakt tussen de veroordelingen wegens alle andere inbreuken dan de inbreuken op de wegverkeerswet en dus een veroordeling wegens een inbreuk op de strafwet wegens onopzettelijke slagen en verwondingen in het kader van een verkeersongeval op exact dezelfde manier wordt behandeld als veroordelingen wegens andere inbreuken op de strafwet?” “Schendt artikel 61, 1°, van de wet van 2 oktober 2017 ‘tot regeling van de private en bijzondere veiligheid’ het recht op arbeid en in het bijzonder het recht op vrije keuze van de beroepsarbeid zoals gewaarborgd door de artikelen 22 en 23 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, doordat het iedereen die veroordeeld is geweest tot enige correctionele of criminele straf, zoals bedoeld in artikel 7 van het Strafwetboek of tot een gelijkaardige straf in het buitenland, met uitzondering van de inbreuken op de wegverkeerswet, automatisch de toegang ontzegt tot de beroepen bedoeld in artikel 60 van de voormelde wet van 2 oktober 2017 en in het bijzonder tot het beroep van bewakingsagent, zonder dat er ook maar enige beoordeling gebeurt van de aard en de ernst van de strafrechtelijke feiten, de context waarin ze plaatsvonden, de ouderdom, de herhaling, de impact van de strafrechtelijke feiten op het vereiste profiel voor de desbetreffende functie en de persoonlijkheid van de aanvrager van de identificatiekaart?”. Tegelijk wordt de verwerende partij bevolen om uiterlijk 14 dagen na de kennisgeving van het arrest, ter heroverweging van de weigeringsbeslissing van 4 februari 2021, een nieuwe beslissing te nemen over de aanvraag van verzoeker tot hernieuwing van zijn identificatiekaart. VII-41.036-4/9 3.
- Tot nakoming van dit rechterlijk bevel neemt de directeur van de Algemene Directie Veiligheid & Preventie van de Federale Overheidsdienst Binnenlandse Zaken op 18 maart 2021 een beslissing waarbij, na heroverweging ingevolge het bevel opgelegd bij arrest nr. 249.999 van 8 maart 2021, aan verzoeker de hernieuwing van de identificatiekaart voor het uitoefenen van bewakingsactiviteiten opnieuw wordt geweigerd. Dit is de tweede bestreden beslissing. 3.
- Vervolgens heeft de Raad van State bij arrest nr. 250.311 van 8 april 2021 bij uiterst dringende noodzakelijkheid de tenuitvoerlegging bevolen van de voornoemde beslissing van 18 maart 2021 en als voorlopige maatregel aan de verwerende partij opgelegd “uiterlijk op 19 april 2021 een identificatiekaart -als bedoeld in afdeling 4 van hoofdstuk 4 van de wet van 2 oktober 2017 ‘tot regeling van de private en bijzondere veiligheid’- uit te reiken aan verzoeker en hem daarvan op dezelfde dag in kennis te stellen”. Volgens dit arrest dient de “geldigheidstermijn van de identificatiekaart […] minstens 24 maanden te bedragen”. 3.
- Op 13 april 2021 heeft de verwerende partij aan verzoeker meegedeeld dat hem een identificatiekaart voor een geldigheidstermijn van 24 maanden wordt verleend. IV. Intrekking van de eerste bestreden beslissing
- De eerste bestreden beslissing werd op 17 maart 2021 ingetrokken.
- Hoewel het beroep tot nietigverklaring tegen de eerste bestreden beslissing actueel zonder voorwerp is aangezien de verwerende partij die beslissing heeft ingetrokken en daarmee definitief uit de rechtsorde heeft verwijderd, blijft nog wel het aangevoerde tweede middel tot nietigverklaring tegen die beslissing te beoordelen en de eventuele onwettigheid ervan vast te VII-41.036-5/9 stellen in zoverre deze beoordeling en vaststelling noodzakelijk zijn om over de gevorderde schadevergoeding tot herstel uitspraak te kunnen doen. V. Onderzoek van het tweede middel tegen de beslissing van 4 februari 2021 en van het enige middel tegen de beslissing van 18 maart 2021 Standpunt van verzoeker
- Verzoeker voert onder meer aan dat artikel 61, 1°, van de wet van 2 oktober 2017 ‘tot regeling van de private en bijzondere veiligheid’ (hierna: de wet van 2 oktober 2017), dat als rechtsgrond dient voor de bestreden beslissingen, niet verenigbaar is met het gelijkheidsbeginsel, zoals gewaarborgd door de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. Hij zet uiteen dat artikel 61, 1°, van de wet van 2 oktober 2017 voorziet in een verschillende behandeling “tussen veroordelingen wegens een inbreuk op de wegverkeerswet enerzijds en veroordelingen wegens andere inbreuken anderzijds” en het verschil in behandeling niet berust op een objectief criterium en niet redelijk verantwoord is in het licht van de doelstelling van de wetgever om “veroordelingen die doorgaans geen maatschappelijk risico vormen voor het uitoefenen van [...] activiteiten in de private veiligheidssector” niet in aanmerking te nemen om personen de toegang tot tewerkstelling in de private bewakingssector te ontzeggen. Voorts wijst hij erop dat voor een gelijke behandeling van alle veroordelingen, met uitzondering van veroordelingen wegens inbreuken op de wetgeving betreffende de politie over het wegverkeer, geen redelijke verantwoording bestaat. Bepaalde veroordelingen, zoals bijvoorbeeld wegens het toebrengen van onopzettelijke slagen of verwondingen naar aanleiding van een verkeersongeval, hebben immers “geen enkele invloed op de betrouwbaarheid van de betrokken bewakingsagent of zijn professionele kwaliteiten”. VII-41.036-6/9 Beoordeling
- De beide bestreden beslissingen steunen op de vaststelling dat verzoeker door de veroordeling bij vonnis van 17 januari 2020 van de Politierechtbank Oost-Vlaanderen wegens het toebrengen van onopzettelijke slagen en verwondingen in het kader van een verkeersongeval, niet voldoet aan de voorwaarde van artikel 61, 1°, van de wet van 2 oktober 2017 waarin wordt gesteld dat de persoon in kwestie “niet veroordeeld [mag] geweest zijn, zelfs niet met uitstel, tot enige correctionele of criminele straf, zoals bedoeld in artikel 7 van het Strafwetboek of tot een gelijkaardige straf in het buitenland behoudens veroordelingen wegens inbreuken op de wetgeving betreffende de politie over het wegverkeer”.
- Bij arrest nr. 190/2021 van 23 december 2021 heeft het Grondwettelijk Hof de eerste in randnummer 3.5 weergegeven prejudiciële vraag beantwoord en voor recht gezegd dat artikel 61, 1°, van de wet van 2 oktober 2017 de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt, in zoverre het van toepassing is op veroordelingen wegens onopzettelijke slagen en verwondingen toegebracht in het kader van een verkeersongeval.
- Op grond van artikel 28, eerste lid, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 ‘op het Grondwettelijk Hof’ dient de Raad van State zich voor de oplossing van het geschil te voegen naar het arrest van het Grondwettelijk Hof.
- De middelen zijn in de aangegeven mate gegrond. VI. Verzoek tot toepassing van artikel 36, § 1, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State
- Verzoeker acht het aangewezen dat de verwerende partij “ertoe wordt veroordeeld om binnen 14 dagen na het arrest […] een besluit te nemen waarbij de identificatiekaart […] opnieuw voor de normale wettelijke termijn van 5 jaar wordt verlengd”. VII-41.036-7/9
- Er bestaan thans geen redenen om aan te nemen dat de verwerende partij, mede in het licht van het arrest nr. 190/2021 van het Grondwettelijk Hof van 23 december 2021, de plicht tot rechtsherstel die voortvloeit uit voorliggend arrest niet of onvolkomen zou uitvoeren.
- Het verzoek tot toepassing van artikel 36, § 1, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State wordt afgewezen. VII. Schadevergoeding tot herstel
- Verzoeker heeft tijdens de procedure tot nietigverklaring een verzoek tot schadevergoeding tot herstel ingediend. Luidens artikel 25/3, § 2, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’ wordt het onderzoek van het verzoek tot schadevergoeding tot herstel dat is ingediend tijdens de procedure tot nietigverklaring, uitgesteld tot aan het arrest dat een definitieve uitspraak doet over het beroep tot nietigverklaring.
- Aangezien de onwettigheid van de bestreden beslissingen werd vastgesteld, is er reden om het debat te heropenen voor het onderzoek van het verzoek tot schadevergoeding tot herstel. BESLISSING
- De Raad van State vernietigt de beslissing van de directeur van de Algemene Directie Veiligheid & Preventie van de Federale Overheidsdienst Binnenlandse Zaken van 18 maart 2021 waarbij, na heroverweging ingevolge het bevel opgelegd bij arrest nr. 249.999 van 8 maart 2021, aan verzoeker de hernieuwing van de identificatiekaart voor het uitoefenen van bewakingsactiviteiten opnieuw wordt geweigerd. De Raad van State verwerpt het beroep voor het overige. VII-41.036-8/9
- Dit arrest dient bij uittreksel te worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als de vernietigde beslissing.
- Het debat wordt heropend voor het onderzoek van het verzoek tot schadevergoeding tot herstel.
- Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van verzoeker niet bekendgemaakt. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van vierentwintig mei tweeduizend tweeëntwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Carlo Adams, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Peter Sourbron, staatsraad, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier. De griffier De voorzitter Elisabeth Impens Carlo Adams VII-41.036-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.253.855 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.249.999 ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.250.311 gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.256.653 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div