id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 24 mei 2022 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.253.858 Rolnummer: A. 232147/X-17828 Zaak: Arrest 253858 - Varia (binnenlandse zaken en lokale besturen) - 24/05/2022 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2022-06-03 Raadplegingen: 70 - laatst gezien 2026-06-10 06:57 Fiche Arrest nr 253.858 van 24 mei 2022 Instellingen, Binnenlandse zaken en lokale besturen - Varia (binnenlandse zaken en lokale besturen) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Xe KAMER nr. 253.858 van 24 mei 2022 in de zaak A. 232.147/X-17.828 In zake : Ronny APS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Maarten Wante kantoor houdend te 9100 Sint-Niklaas Vijfstraten 57 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken, Institutionele hervormingen en Democratische Vernieuwing -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 30 oktober 2020, strekt tot de nietigverklaring van “de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken dd. 1 juli 2020 houdende uitspraak over het beroep aangetekend tegen de beslissing van de gemeente Blankenberge van 3 september 2019 houdende de weigering tot inschrijving van verzoeker op het adres Willem Van Heckehelling nr. 6, bus 9 te 8370 Blankenberge”. II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur Iris Verheven heeft een verslag opgesteld. Verzoeker heeft een laatste memorie ingediend. X-17.828-1/10 De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 25 maart
- Kamervoorzitter Johan Lust heeft verslag uitgebracht. Advocaat Maarten Wante, die verschijnt voor verzoeker en attaché Joris Pasgang, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Iris Verheven heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten
- Verzoeker huurt een appartement te 8370 Blankenberge, Willem Van Heckehelling 6, 9de verdieping, op welk adres hij in het bevolkingsregister van de stad Blankenberge wil ingeschreven worden. Omdat de stad dit bij herhaling weigert, doet verzoeker op 15 september 2019 een beroep op de verwerende partij. In haar verslag van 16 januari 2020 meent bevolkingsinspecteur V. V. dat verzoeker “in geen geval” zijn hoofdverblijf gevestigd heeft te Blankenberge, Willem Van Heckehelling 6/VER
- Het dossier wordt bezorgd aan de bevolkingsinspectiedienst van Oost-Vlaanderen voor verder onderzoek te Sint-Niklaas. In een aanvullend verslag van 18 mei 2020 over verzoekers verblijftoestand concludeert bevolkingsinspecteur K. D. dat verzoeker correct is afgevoerd van het adres te Sint-Niklaas, De Gravestraat 14/B001, en dat er geen elementen zijn die erop wijzen dat hij zijn hoofdverblijfplaats zou hebben X-17.828-2/10 gevestigd bij een vriend, D. V., aan de Leopold II-laan 43/0001 te Sint-Niklaas of op het adres van zijn overleden broer, Dalstraat 71/B005 te Sint-Niklaas. Met een brief van 19 mei 2020 deelt de verwerende partij mee dat het in de bedoeling ligt verzoekers ambtshalve afvoering uit het bevolkingsregister van de stad Sint-Niklaas aan De Gravestraat te behouden en ook zijn niet-inschrijvingen door de stad Blankenberge aan de Willem Van Heckehelling 6/VER9, als rechtmatig te beschouwen. Meegedeeld wordt dat opmerkingen of nieuwe gegevens binnen vijftien dagen mogen worden bezorgd. Verzoeker reageert daarop met een brief van 3 juni 2020, met bijgevoegde stukken. De gemachtigde ambtenaar beslist op 1 juli 2020 namens de minister bevoegd voor binnenlandse zaken dat de ambtshalve afvoering van verzoeker van 7 oktober 2019 van het bevolkingsregister van Sint-Niklaas, De Gravestraat 14/B001, als alleenstaande, dient te worden behouden en dat zijn niet-inschrijvingen van 20 juli 2019, 2 september 2019, 12 september 2019 en 21 december 2019 door de stad Blankenberge aan het adres Willem Van Heckehelling 6/VER9 te Blankenberge eveneens moeten worden behouden en als rechtmatig beschouwd. IV. Onderzoek van het enige middel Uiteenzetting van het middel
- Verzoeker leidt een enig middel af uit “de schending van art. 1, 3 en 8 §2 van de Wet van 19 juli 1991 betreffende de bevolkingsregisters, de identiteitskaarten, de vreemdelingenkaarten [hierna: de wet van 19 juli 1991], van artikel 16, §1 van het Koninklijk besluit van 16 juli 1992 betreffende de bevolkingsregisters en het vreemdelingenregister, van art. 15 en 19 van het Decreet van 10 juli 2008 houdende een kader voor het Vlaamse gelijkekansen- en gelijkebehandelingsbeleid en van artikel 2 en 3 van de Wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motiveringsplicht, schending van de materiële X-17.828-3/10 motiveringsplicht, schending van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, met name het zorgvuldigheids- en redelijkheidsbeginsel”. Volgens een eerste van drie middelonderdelen heeft de verwerende partij niet afdoende nagegaan of verzoeker effectief woonachtig is op het bewuste adres te Blankenberge, zelfs nadat hij er attent op maakte dat het gevoerde onderzoek allesbehalve coherent en redelijk was. Concreet argumenteert verzoeker in het verzoekschrift dat in het geheel geen rekening werd gehouden met zijn slechthorendheid hoewel hij zelf had aangegeven dat er bij controles naar zijn gsm moest worden gebeld omdat hij het geluid van de deurbel niet kan waarnemen. De politie-inspecteur heeft er zich evenwel toe beperkt om aan de deur te bellen en vervolgens vast te stellen dat niet werd opengedaan. Voorts is er in het geheel geen rekening gehouden met het feit dat er geen aanwijzing is gevonden dat verzoeker zijn hoofdverblijfplaats heeft bij een vriend in Sint-Niklaas, noch met het feit dat hij enige tijd in Sint-Niklaas heeft verbleven “voor zijn zieke broer”. Ook is het gebruik van de verklaring van een anonieme bewoner niet redelijk en niet zorgvuldig. Bevolkingsinspecteur V. V. heeft haar onderzoek niet in alle objectiviteit gevoerd, zoals blijkt “uit het veelvuldige gebruik van beletseltekens […] in de passages die gaan over de verklaringen van verzoeker”. Doordat de politie-inspecteur blijft hameren op de beweerde homoseksuele aard van verzoeker, is duidelijk dat de negatieve beslissing door homofobie is ingegeven. Ten slotte is het voor verzoeker een raadsel waarom er geen bijkomend onderzoek meer is gevoerd naar aanleiding van zijn schrijven van 3 juni
- De verwerende partij heeft evenwel met de opmerkingen op geen enkele manier rekening gehouden. In een tweede middelonderdeel voert verzoeker aan dat de verwerende partij tijdens het onderzoek op geen enkele manier heeft rekening gehouden met zijn handicap. Nadat hij expliciet vroeg om met het oog op zijn handicap redelijke aanpassingen te doen in het onderzoek, hebben de bevoegde overheden die vraag wetens en willens naast zich neergelegd. Hierdoor heeft de verwerende partij niet correct kunnen onderzoeken of verzoeker op het bewuste adres verbleef. X-17.828-4/10 Ten slotte betoogt verzoeker, in een derde middelonderdeel, dat de verwerende partij heeft nagelaten de opmerkingen die hij per schrijven van 3 juni 2020 bezorgde bij haar beslissing te betrekken, minstens is de verwerende partij tekortgekomen aan de formelemotiveringsplicht. Beoordeling
- Overeenkomstig artikel 1, § 1, eerste lid, 1°, van de wet van 19 juli 1991 worden in elke gemeente bevolkingsregisters gehouden waarin, onder anderen, de Belgen worden ingeschreven op de plaats waar zij hun hoofdverblijfplaats gevestigd hebben, ongeacht of zij er aanwezig dan wel tijdelijk afwezig zijn. Luidens artikel 3, eerste lid, van de wet van 19 juli 1991 is de hoofdverblijfplaats de plaats waar de leden van een huishouden dat uit verscheidene personen is samengesteld gewoonlijk leven, ongeacht of die personen al dan niet door verwantschap verbonden zijn, of de plaats waar een alleenstaande gewoonlijk leeft. Artikel 3, tweede lid, van de wet van 19 juli 1991 schrijft voor dat de Koning de aanvullende regels vaststelt voor het bepalen van onder meer het hoofdverblijf. Artikel 16, § 1, van het koninklijk besluit van 16 juli 1992 ‘betreffende de bevolkingsregisters en het vreemdelingenregister’ stelt dat het bepalen van de hoofdverblijfplaats steunt op een feitelijke situatie, dit wil zeggen het vaststellen van een effectief verblijf in een gemeente gedurende het grootste deel van het jaar. Vervolgens worden op niet-limitatieve wijze een aantal elementen opgesomd op grond waarvan de feitelijke situatie kan worden vastgesteld: de plaats waarheen betrokkene gaat na zijn beroepsbezigheden, de plaats waar de kinderen naar school gaan, de arbeidsplaats, het energieverbruik en de telefoonkosten, het gewone verblijf van de echtgenoot of van andere leden van het huishouden. Het vaststellen van de hoofdverblijfplaats is dus een feitenkwestie.
- Het komt in dit verband de Raad van State niet toe om zijn oordeel in de plaats te stellen van dat van de overheid. X-17.828-5/10 Als wettigheidsrechter mag de Raad van State enkel oordelen of de verwerende partij binnen de grenzen van het recht, inbegrepen de grenzen van de redelijkheid, tot haar besluit is kunnen komen dat verzoeker niet zijn hoofdverblijfplaats heeft gevestigd te Blankenberge, Willem Van Heckehelling 6/VER
- Wat het eerste middelonderdeel betreft, is het onjuist dat er geen rekening mee werd gehouden dat verzoeker niet zijn hoofdverblijfplaats vestigde bij D. V., Leopold II-laan 43/0001 te Sint-Niklaas. Het tegendeel is het geval, zoals mag blijken uit pagina 16 van de bestreden beslissing. Dat in de bestreden beslissing daarentegen geen aandacht wordt besteed aan de omstandigheid dat verzoeker even te Sint-Niklaas verbleef op het adres van zijn broer, toen die in het ziekenhuis was opgenomen, mag niet verwonderen. De brief van verzoeker van 3 juni 2020, evenals zijn eerdere e-mail van 21 februari 2020, wijzen genoegzaam uit dat hij niet in die omstandigheid een uitleg of verantwoording ervoor zoekt dat hij maar weinig in Blankenberge kon worden aangetroffen.
- Met verzoeker wordt aangenomen dat hij bij de talrijke controles van de lokale politie aan het appartement te Blankenberge, Willem Van Heckehelling 6/VER9, nooit op zijn gsm is opgebeld geworden. Het kan nochtans niet worden betwijfeld dat hij had meegedeeld slechthorend te zijn en niet de bel te horen, en dat hij daarom gevraagd had dat de agent hem op zijn gsm zou bellen als hij voor de deur stond. Blijkens stuk 4 van het administratief dossier is daar door de politie van de stad Blankenberge goed nota van genomen. Waarom dan door de politie-inspecteur mordicus is achterwege is gelaten verzoeker op zijn gsm op te bellen, laat zich niet spontaan verstaan en wordt voor de Raad van State evenmin begrijpelijk gemaakt. Nog met verzoeker wordt vastgesteld dat de wijkinspecteur op geen enkel moment nalaat de vriend van verzoeker ter sprake te brengen. Dit is op X-17.828-6/10 zich evenwel niet van aard de onregelmatigheid van de vaststellingen van de wijkinspecteur aan te tonen.
- Wat er van het voorgaande ook zij, de controles door de lokale politie zijn slechts één bron van informatie voor de bestreden beslissing geweest. Zo waren er ook de persoonlijke vaststellingen van de bevolkingsinspecteur, de nutsverbruiken, verklaringen van verzoeker en van een buur.
- Bevolkingsinspecteur V. V. belde verzoeker op 18 december 2019 wel op zijn gsm op; hij bleek in Sint-Niklaas te zijn. Op 13 december 2019, om 21.05 u, kreeg zij geen reactie op haar aanbellen én zag zij geen licht in verzoekers appartement branden. Zij klopte op 16 december 2019, ’s morgens, verschillende keren op de negende verdieping aan de deur van verzoekers appartement aan; zij hoorde “totaal geen lawaai in het desbetreffende appartement”. Ook na de middag klopte zij tevergeefs meerdere keren aan verzoekers appartementsdeur aan. Op een contactnamekaartje dat zij onder die appartementsdeur achterliet, reageerde verzoeker pas twee dagen later. Op 13 februari 2020 ging de bevolkingsinspecteur om 20.05 u en 21.10 u langs: zij belde zonder resultaat aan en stelde vast dat er geen licht brandde op de negende verdieping; de brievenbus, met reclame en verschillende stukken briefwisseling, was niet geledigd. In tegenstelling tot verzoeker ontwaart de Raad van State in het verslag van de bevolkingsinspecteur geen gebruik van het beletselteken dat als tendentieus of een gebrek aan objectiviteit kan worden bestempeld.
- Blijkens het gevoerde onderzoek is verzoekers elektriciteitsverbruik “laag tot zeer laag (!)”, “zeker rekening houdend met het feit dat het appartement elektrisch verwarmd wordt”. Verzoeker heeft “nauwelijks de helft van het gemiddelde verbruik”. Het verbruik in de weekends of ’s nachts ligt acht keer hoger dan het verbruik overdag, dat “te verwaarlozen” wordt genoemd.
- Op 21 februari 2020 bezorgde verzoeker de verwerende partij rekeninguittreksels waaruit in de periode van 1 augustus 2019 tot 1 februari 2020 X-17.828-7/10 een aanwezigheid te Blankenberge kon worden opgemaakt van maar 13 dagen op 185 dagen, waarbij de aanwezigheid zich “voornamelijk in het weekend (of dagen errond)” voordeed en verzoeker op twee van die 13 dagen niet alleen in Blankenberge maar ook in Sint-Niklaas was.
- Ook is er de verklaring die een bewoner van het appartementsgebouw aan de Willem Van Heckehelling 6 te Blankenberge op 16 december 2019 omstreeks 10.30 u tegenover bevolkingsinspecteur V. V. aflegde en waarin hij meedeelde dat verzoeker er niet woont, maar soms langskomt “in de week kort op en af”, vermoedelijk om de post op te halen, of in het weekend. Anders dan verzoeker, komt het de Raad van State niet onredelijk en onzorgvuldig voor om met die verklaring rekening te houden.
- Er zijn in deze omstandigheden, aldus het auditoraatsverslag, meerdere elementen – los van de vaststellingen van de lokale politie van Blankenberge en los van verzoekers seksuele geaardheid – “die allen in de richting wijzen dat verzoeker zijn hoofdverblijfplaats niet heeft te Blankenberge” en die doen aannemen dat “de verwerende partij binnen de grenzen van de redelijkheid tot het besluit is gekomen dat verzoeker zijn hoofdverblijf niet houdt aan het adres Willem Van Heckehelling 6/VER9”. Verzoeker laat die zienswijze in zijn laatste memorie zonder enige tegenspraak en ook de Raad van State ziet geen reden om ze tegen te spreken.
- In zoverre, ten slotte, verzoeker in het eerste middel nog laat gelden dat de verwerende partij “op geen enkele wijze’ rekening heeft gehouden met de opmerkingen die hij uitte in de brief van 3 juni 2020, gaat hij kennelijk voorbij aan het antwoord op die opmerkingen, op pagina 16 van de bestreden beslissing.
- In het tweede middelonderdeel klaagt verzoeker aan dat de politie-inspecteur van Blankenberge “zich ertoe [beperkte] louter aan de deur aan te bellen om vervolgens vast te stellen dat er niet wordt opengedaan”, terwijl in zijn X-17.828-8/10 verslag uitdrukkelijk vermeld staat dat verzoeker om reden van gehoorverlies had gevraagd op zijn gsm te worden opgebeld. Het middelonderdeel kan niet tot nietigverklaring leiden. Uit de bespreking van het eerste middelonderdeel volgt immers dat de bestreden beslissing voldoende geschraagd wordt door andere vaststellingen dan de vaststellingen van de betrokken wijkinspecteur.
- In het derde middelonderdeel bekritiseert verzoeker “het totaal afwezig zijn van ook maar enige motivering” met betrekking tot zijn argumentatie in de brief van 3 juni
- Verzoeker vergist zich. Dat er “[o]p geen enkele plaats op geen enkel moment […] op enige wijze” op ingegaan wordt, mist feitelijke grond. In de brief van 3 juni 2020 bekritiseert hij hoofdzakelijk het optreden van de wijkpolitie. De bestreden beslissing wijst, op pagina 16, zijn opmerkingen en de stukken die hij overlegt van de hand onder verwijzing naar de gelijklopendheid van de vaststellingen van de wijkpolitie en die van de bevolkingsinspecteur.
- Samengevat, doet verzoeker niet aannemen dat de verwerende partij bij het nemen van de bestreden beslissing de rechtsregels die in het middel worden aangevoerd, heeft geschonden. Het middel wordt in zijn geheel verworpen. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het beroep.
- Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het beroep, begroot op het rolrecht van 200 euro. X-17.828-9/10 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van vierentwintig mei tweeduizend tweeëntwintig, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Johan Lust, kamervoorzitter, Jan Clement, staatsraad, Stephan De Taeye, staatsraad, bijgestaan door Frank Bontinck, griffier. De griffier De voorzitter Frank Bontinck Johan Lust X-17.828-10/10 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.253.858 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div