id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 02 juni 2022 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.253.906 Rolnummer: A. 233346/VII-41076 Zaak: Arrest 253906 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 02/06/2022 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2022-06-14 Raadplegingen: 73 - laatst gezien 2026-06-10 07:00 Fiche Arrest nr 253.906 van 2 juni 2022 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 253.906 van 2 juni 2022 in de zaak A. é.346/VII-41.076 In zake : Guy FOLKNER bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Dirk Van Heuven en Leandra Decuyper kantoor houdend te 2600 Antwerpen Cogels Osylei 61 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de DEPUTATIE VAN DE PROVINCIERAAD VAN OOST-VLAANDEREN Tussenkomende partij : RENVEST Comm. V. bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Frank Vanden Berghe en Arne Devriese kantoor houdend te 8500 Kortrijk Beneluxpark 15 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het cassatieberoep, ingesteld op 6 april 2021, strekt tot de nietigverklaring van arrest nr. RvVb-A-2021-0704 van de Raad voor Vergunningsbetwistingen (hierna : RvVb) van 25 februari 2021 in de zaak 1920-RvVb-0888-A. II. Verloop van de rechtspleging 2. Het cassatieberoep is toelaatbaar verklaard bij beschikking van 10 mei 2021. VII-41.076-1/10 De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. De commanditaire vennootschap Renvest heeft een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. De tussenkomst is toegestaan bij beschikking van 25 augustus 2021. De tussenkomende partij heeft een memorie ingediend. Eerste auditeur-afdelingshoofd Ann Van Mingeroet heeft op 28 februari 2022 een verslag opgesteld, op grond van artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State’. Verzoeker heeft een verzoek tot voortzetting van de procedure teneinde te worden gehoord ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 5 mei 2022. Staatsraad Pierre Lefranc heeft verslag uitgebracht. Advocaat Dirk Van Heuven, die verschijnt voor verzoeker en advocaat Frank Vanden Berghe, die verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Ann Van Mingeroet heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973 (hierna: RvSt-wet). VII-41.076-2/10 III. Feiten 3. De provinciale omgevingsambtenaar van de provincie Oost-Vlaanderen verklaart bij besluit van 14 juli 2020 het administratief beroep van Folkner tegen de vergunningsbeslissing van 15 mei 2020 van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Sint-Martens-Latem, onontvankelijk. 4. Bij beschikking van 2 december 2020 stelt de voorzitter van de RvVb “dat het beroep op het eerste gezicht alleen korte debatten vereist” na de vaststelling dat “een behandeling in korte debatten van het in het verzoekschrift aangevoerde eerste en enige middel op het eerste gezicht kan volstaan”. 5. De procespartijen voor de RvVb: – zijn opgeroepen voor de behandeling van het dossier met korte debatten op de zitting van 9 februari 2021 van de RvVb; – hebben ingestemd met het schriftelijk behandelen en in beraad nemen van de vordering van Folkner met toepassing van artikel 85, § 3 van het besluit van de Vlaamse regering van 16 mei 2014 ‘houdende de rechtspleging voor sommige Vlaamse bestuursrechtscolleges’ (hierna: Procedurereglement RvVb). 6. Het bestreden arrest: – beslist dat de zaak in korte debatten kan worden behandeld; – verwerpt de exceptie van de Comm.V. Renvest wegens gebrek aan belang van Folkner; – verwerpt het middel en bijgevolg de vordering van Folkner tot vernietiging van de vergunningsbeslissing van de provinciale omgevingsambtenaar. IV. Onderzoek van het enige middel Standpunt Folkner 7. Folkner voert de schending aan van de artikelen 59 en 59/1 van het Procedurereglement RvVb, artikel 159 van de Grondwet “juncto artikel 6 VII-41.076-3/10 EVRM en het daarin besloten beginsel van de wapengelijkheid” en artikel 159 “juncto de artikelen 10 en 11” van de Grondwet. In een eerste middelonderdeel voert Folkner aan dat hij niet op voorhand wist waarom er werd gekozen voor de procedure met korte debatten, hij dus niet weet of deze procedure een positief of een negatief gegeven is voor zijn beroep, hij geen kennis heeft van het standpunt van de verwerende en de belanghebbende partij, wat anders is voor die partijen die wel degelijk het standpunt uit het verzoekschrift van de verzoekende partij kennen, en hij zich dus in zijn nota niet zinvol kan verdedigen ten opzichte van de beschikking van de RvVb van 2 december 2020. Het feit dat hij niet weet om welke inhoudelijke reden de procedure met korte debatten zal verlopen en zich daarover niet kan verdedigen maakt een schending uit van art. 6.1. van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM). Dit geldt des te meer nu de voorzitter van de RvVb te dezen evengoed had kunnen opteren voor de vereenvoudigde procedure nu hij schijnbaar de mening toegedaan was dat het enige middel kennelijk ongegrond was. Het recht op een eerlijk proces is fundamenteel in een rechtsstaat. Het beginsel van de wapengelijkheid, alsook het contradictoir karakter van de procedure zijn fundamentele elementen van het recht op een eerlijk proces. Het recht op tegenspraak houdt in dat alle partijen de mogelijkheid moeten hebben kennis te nemen van en te antwoorden op de opmerkingen en bewijselementen van de andere partij. Artikel 59 en 59/1 Procedurereglement RvVb verbieden geenszins dat de voorzitter van de RvVb ook in de beschikking waarbij de toepassing van de procedure met korte debatten wordt toegepast toelicht waarom deze procedure wordt toegepast. Door dit niet te doen werd door de RvVb geen wetsconforme interpretatie gegeven aan deze bepalingen zodat deze bepalingen geschonden zijn, noch aan artikel 19 van het decreet van 4 april 2014 ‘betreffende de organisatie en de rechtspleging van sommige Vlaamse bestuursrechtscolleges’ (hierna: DBRC). Minstens moet in het bijzonder art. 59/2 Procedurereglement RvVb overeenkomstig artikel 159 van de Grondwet buiten toepassing worden gelaten, wegens schending van artikel 6.1. EVRM en het beginsel van wapengelijkheid. Door dit niet te doen heeft de RvVb deze bepalingen miskend. VII-41.076-4/10 In een tweede middelonderdeel voert Folkner aan dat hem de mogelijkheid werd ontzegd om schriftelijk te reageren op de nota’s van de verwerende en de tussenkomende partij. Hij heeft hierdoor niet langer het laatste geschreven woord zoals in de gewone en vereenvoudigde procedure. De overweging in het bestreden arrest dat de mogelijkheid bestond om mondeling te reageren op de nota’s van de wederpartijen, miskent het feit dat door de coronacrisis de RvVb erop aangedrongen heeft om niet in te gaan op deze mogelijkheid. In het derde middelonderdeel voert hij de schending aan van het gelijkheids- en niet discriminatiebeginsel in de artikelen 10 en 11 van de Grondwet door de artikelen 59 en 59/1 van het Procedurereglement RvVb. Hij voert een discriminatie aan ten opzichte van de vereenvoudigde procedure waarin hij wel met kennis van zaken een nota kan opmaken. Hij voert tevens een discriminatie aan ten opzichte van de gewone procedure waarin het laatste woord toekomt aan de verzoekende partij. Hij vraagt de buitentoepassinglating van de artikelen 59 en 59/2 van het Procedurereglement RvVb. Artikel 19 DBRC is immers geheel inhoudsloos, zodat zich geen prejudiciële vraag voor het Grondwettelijk Hof lijkt op te dringen. Indien de Raad van State dat anders ziet, verzoekt hij de vraag te stellen of artikel 19 DBRC strijdt met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in die mate dat (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.