← België

Arrest 253907 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 02/06/2022

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 02 juni 2022 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.253.907 Rolnummer: A. 232379/VII-40969 Zaak: Arrest 253907 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 02/06/2022 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2022-06-14 Raadplegingen: 68 - laatst gezien 2026-06-10 07:00 Fiche Arrest nr 253.907 van 2 juni 2022 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 253.907 van 2 juni 2022 in de zaak A. 232.379/VII-40.969 In zake :

  1. de VZW GROEN
  2. Nancy VANHEE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Marleen Ryelandt kantoor houdend te 8200 Brugge Gistelse Steenweg 472 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Paul Aerts kantoor houdend te 9000 Gent Coupure 5 bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partijen : 1 de NV van publiek recht MAATSCHAPPIJ VAN DE BRUGSE ZEEHAVEN, bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Neil Braeckevelt en Magali Van Landegem kantoor houdend te 8000 Brugge Ezelstraat 25 bij wie woonplaats wordt gekozen
  3. de NV van publiek recht BEHEERSMAATSCHAPPIJ ANTWERPEN MOBIEL (BAM), bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Jan Bouckaert, Bastiaan Schelstraete en Maarten Christiaens kantoor houdend te 1000 Brussel Loksumstraat 25 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- VII-40.969-1/15 I. Voorwerp van het beroep
  4. Het cassatieberoep, ingesteld op 3 december 2020, strekt tot de nietigverklaring van arrest nr. RvVb-A-2021-0211 van de Raad voor Vergunningsbetwistingen van 29 oktober 2020 in de zaak 1819-RvVb-1028-SA. II. Verloop van de rechtspleging
  5. Het cassatieberoep is toelaatbaar verklaard bij beschikking van 8 februari
  6. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partijen hebben een memorie van wederantwoord ingediend. De nv van publiek recht Maatschappij van de Brugse Zeehaven en de nv van publiek recht Beheersmaatschappij Antwerpen Mobiel hebben elk een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. De tussenkomsten zijn toegestaan bij beschikking van 19 maart
  7. De tussenkomende partijen hebben memories ingediend. Eerste auditeur-afdelingshoofd Peter Provoost heeft op 15 februari 2022 een verslag opgesteld, op grond van artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State’. De verzoekende partijen hebben een verzoek tot voortzetting van de procedure teneinde te worden gehoord ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 5 mei
  8. Staatsraad Pierre Lefranc heeft verslag uitgebracht. VII-40.969-2/15 Advocaat Marleen Ryelandt, die verschijnt voor de verzoekende partijen, advocaat Anne-Sophie Claus, die loco advocaat Paul Aerts verschijnt voor de verwerende partij, advocaat Magali Van Landegem, die verschijnt voor de eerste tussenkomende partij en advocaat Bastiaan Schelstraete, die verschijnt voor de tweede tussenkomende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Peter Provoost heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973 (hierna: RvSt-wet). III. Feiten
  9. Het Vlaamse Gewest verleent op 4 juli 2019 aan de nv van publiek recht Maatschappij van de Brugse Zeehaven (MBZ) een omgevingsvergunning “voor de verbreding en verdieping van het Boudewijnkanaal met inbegrip van een tijdelijk bouwdok”.
  10. Het bestreden arrest verwerpt de vijf middelen en bijgevolg de vordering van de verzoekende partijen tot vernietiging van de vergunningsbeslissing van het Vlaamse Gewest. IV. Regelmatigheid van de rechtspleging
  11. De verzoekende partijen hebben een verzoek tot voortzetting ingediend waarin zij hun middelen hernemen. Het cassatieprocedurebesluit voorziet na de kennisgeving van het auditoraatsverslag niet in de mogelijkheid om een laatste memorie neer te leggen. Wanneer de auditeur concludeert tot de verwerping van het cassatieberoep moet de verzoeker luidens artikel 18, § 1, van het cassatieprocedurebesluit, op straffe van de toewijzing van de afstand van VII-40.969-3/15 geding, “vragen dat de procedure wordt voortgezet teneinde te worden gehoord”. Het auditoraatsverslag concludeert tot de verwerping van het beroep van de verzoekende partijen. Dit procedurestuk wordt alleen als zodanig in aanmerking genomen in zoverre daarin wordt gevraagd de procedure voort te zetten en te worden gehoord. V. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Standpunt van de verzoekende partijen
  12. De verzoekende partijen voeren de schending aan van artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM), “de rechten van verdediging” en artikel 149 van de Grondwet. Zij betogen dat het bestreden arrest “onjuist stelt” dat hun kritiek “over de orchideeënsoorten […] voor het eerst ontwikkeld [wordt] in de antwoordnota”, en “De Raad voor Vergunningsbetwistingen heeft de uiteenzetting van het middel wel degelijk in de zin van de door verzoekers aangevoerde argumenten begrepen, want er wordt door de Raad op geantwoord, doch op onvoldoende wijze. De Raad stelde tevens; ‘Er blijkt derhalve dat de verwerende partij geen toepassing maakt van artikel 20 van het Soortenbesluit. In zoverre de verzoekende partijen uitgaan van een andere stelling steunen ze hun middel op verkeerde veronderstellingen.’ De stelling dat ‘in de beslissing van de Vlaamse Regering, die betrekking heeft op dwingende redenen van groot algemeen belang, had moeten aandacht besteed worden aan de oeverzwaluw, zou steunen op een foutieve aanname’, is totaal irrelevant. Feit is dat het in casu niet ging over mitigerende maatregelen, maar wel om compenserende maatregelen, omwille van de translocaties, zowel voor de oeverzwaluwen, als de orchideeënsoorten. Er had moeten een afwijking gevraagd worden op basis van art. 20 van het Soortenbesluit, wat niet gebeurd is Dit is geen verkeerde veronderstelling. VII-40.969-4/15 De Raad antwoordt in het bestreden arrest niet op de uiteenzetting van verzoekers dat er in het advies van ANB gesproken wordt over een ontheffing, enkel voor de orchideeënsoorten, daar waar er sprake diende te zijn van een afwijking van het Soortenbesluit, aangezien het niet gaat, zelfs in de voorwaarden die worden opgelegd, om mitigerende maatregelen, maar om translocaties, zijnde compenserende maatregelen, waarbij een afwijking van het soortenbesluit dient te worden gevraagd. In hoofde van verzoekers is er geen sprake van een ‘verkeerde veronderstelling’. Wanneer er sprake is in het advies van ANB van 11 maart 2019 dat er een ontheffing werd verleend op het Soortenbesluit voor de translocatie van de beschermde orchideeënsoorten, dan impliceert dit geen ontheffing (dan wel afwijking in de zin van art. 20 van het Soortenbesluit) voor de oeverzwaluwen.) De motivering van de Raad in het bestreden arrest, is derhalve zowel feitelijk als juridisch onjuist , minstens is de motivatie onvoldoende, dus een inbreuk op art. 149 van de Grondwet. Niet alleen met betrekking tot het eerste middel, maar blijkbaar ook met betrekking tot andere middelen, stelt de Raad in het bestreden arrest; ‘Er dient tenslotte, zoals reeds opgemerkt bij de bespreking van verschillende voorgaande middelen, nog op gewezen te worden, dat de stellingen van de verzoekende partijen in de wederantwoordnota die hetzij een andere wending geven aan het middel, hetzij een verdere ontwikkeling ervan niet ontvankelijk kunnen worden bevonden.’ Dit is een onduidelijke motivering, en derhalve een inbreuk op art. 149 van de Grondwet, minstens is dit tevens een schending van de rechten van verdediging, voorzien door artikel 6 EVRM. Ofwel stelt de Raad dat er nieuwe middelen worden ingeroepen en dat deze als onontvankelijk dienen te worden beschouwd, ofwel is er sprake van een toegelaten verdere uiteenzetting van het middel in een wederantwoordnota, dewelke uiteraard wel toegelaten is. Verzoekers begrijpen niet wat bedoeld wordt met ‘een andere wending geven aan het middel’. Hierdoor worden de rechten van verdediging geschonden, wat een inbreuk is op art. 6 EVRM; De Raad specifieert bovendien niet in het bestreden arrest, welk middel dan wel nieuw zou zijn, hetwelk als onontvankelijk dient te worden beschouwd. Als de Raad in het bestreden arrest dan ook stelt, dat het middel dient te worden verworpen, dan is het niet duidelijk of de Raad het middel als onontvankelijk, dan wel als ongegrond afwijst. Een verdere ontwikkeling van een middel, reeds ingeroepen in het verzoekschrift, dient wel als ontvankelijk te worden beschouwd. Ofwel wordt een middel gegrond verklaard, dan wel ongegrond en om die reden ‘verworpen’, ofwel is een middel ontvankelijk of niet ontvankelijk. In geval van niet-ontvankelijkheid, dient de Raad duidelijk te stellen waarom het als niet ontvankelijk dient te worden afgewezen. Doet zij dit niet, dan is dit een schending van art 149 van de Grondwet. Uit het geheel van de motieven ingeroepen door de Raad in het bestreden arrest, kunnen verzoekers niet afleiden waarom het middel wordt ‘verworpen’. VII-40.969-5/15 Als er zou verwezen worden naar de ADC toets, dan heeft deze betrekking op de instandhoudingsdoelstellingen van een speciale beschermingszone, dus niet relevant, aangezien verzoekers duidelijk hebben gesteld dat het om oeverzwaluwen en orchideeën gaat, die wel vallen onder het Soortenbesluit, maar niet onder de soorten vallende onder de bescherming van een speciale beschermingszone. In antwoord op de memories van de tussenkomende partijen en de memorie van antwoord van de verwerende partij”. Beoordeling
  13. De bij artikel 149 van de Grondwet opgelegde verplichting aan de RvVb om zijn rechterlijke uitspraak te motiveren, heeft het karakter van een vormvereiste met beperkte draagwijdte. Een uitspraak is gemotiveerd wanneer de rechter duidelijk en ondubbelzinnig de redenen uiteenzet -al waren ze verkeerd of onwettig- die hem ertoe brengen zijn beslissing te nemen. Bij de beoordeling of artikel 149 van de Grondwet werd nageleefd, is bijgevolg niet de vraag aan de orde of in de beslissing een verkeerde beoordeling van de feitelijke gegevens is uitgedrukt. Het gaat er dan ook niet om of de motivering omstandig of juist is. Alleen een gemis aan motivering of daarmee gelijkgestelde gevallen, zoals tegenstrijdigheid in de motieven, maken een schending uit van artikel 149 van de Grondwet. Wanneer de motivering een verkeerde gevolgtrekking in rechte maakt, kan dit een schending van de wet uitmaken, maar is er nog geen sprake van een motiveringsgebrek. De rechterlijke motiveringsverplichting houdt niet in dat de RvVb moet antwoorden op elk argument dat tot staving of weerlegging van een middel is aangevoerd, maar dat geen afzonderlijk middel of afzonderlijke weerlegging vormt.
  14. Het middel dat stelt dat de motieven van het bestreden arrest “onjuist”, “zowel feitelijk als juridisch onjuist”, en “onvoldoende” zijn, gaat uit van een andere rechtsopvatting. Het middel faalt naar recht. VII-40.969-6/15
  15. Het bestreden arrest overweegt bij de beoordeling van het tweede middel onder meer: “De stellingen die de verzoekende partijen innemen in de wederantwoordnota kunnen niet (steeds) gerelateerd worden aan de uiteenzetting in het eerste middel. Het betoog is een veelvoud van argumenten en verwijzingen die voor het eerst worden aangevoerd en hetzij een andere wending geven aan het middel, hetzij een verdere ontwikkeling ervan. Dergelijke aanvullende argumentatie kan niet ontvankelijk worden bevonden”. In het bestreden arrest wordt duidelijk en ondubbelzinnig uiteengezet waarom de “stellingen van de verzoekende partijen” niet ontvankelijk kunnen worden bevonden, door, met verwijzing naar voorgaande overweging, erop te wijzen bij de beoordeling van het eerste middel van de verzoekende partijen na verwerping van de overige vier middelen, “dat de stellingen van de verzoekende partijen in de wederantwoordnota die hetzij een andere wending geven aan het middel, hetzij een verdere ontwikkeling ervan niet ontvankelijk kunnen worden bevonden” omdat het “niet enkel afbreuk [doet] aan de vereiste dat de middelen dienen uiteengezet worden in het verzoekschrift, maar tevens aan de wapengelijkheid van de partijen”. Het middel dat de schending aanvoert van artikel 149 van de Grondwet wordt verworpen.
  16. Het middel dat de schending aanvoert “van de rechten van verdediging, voorzien door artikel 6 EVRM” wegens “onduidelijke motivering”, mist feitelijke grondslag.
  17. Het eerste middel wordt verworpen. VII-40.969-7/15 B. Tweede middel Standpunt van de verzoekende partijen
  18. De verzoekende partijen voeren de schending aan van artikel 6 EVRM, “de rechten van verdediging”, artikel 149 van de Grondwet en artikel 36ter van het decreet van 21 oktober 1997 ‘betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu’ (hierna: natuurbehouddecreet): “Volkomen ten onrechte, en derhalve zowel feitelijk als juridisch onjuist, stelde de Raad in het bestreden arrest dat; ‘Uit het voorgaande blijkt dat in het project-Mer en in de bijlage XX ‘passende beoordeling’ uitvoerig is ingegaan op het onderzoek naar beleids- en locatiealternatieven, waarbij onder meer vastgesteld wordt dat de keuze van het bestreden project reeds is verankerd in het GRUP ‘Afbakening Zeehavengebied Zeebrugge’, dat in het kader van dit GRUP reeds een alternatievenonderzoek en passende beoordeling is gemaakt, dat dit onderzoek nog steeds actueel is, en dat er voor de verbreding en verdieping van een bestaand kanaal omwille van geografische redenen geen locatiealternatieven zijn. Op pg. 23 van het bestreden arrest wordt er gesteld dat het planMER nav het GRUP, ‘na enige aanpassingen’ op 7 april 2008 werd goedgekeurd, waaruit dient afgeleid te worden dat derhalve niet zomaar kan beweerd worden dat het plan-MER dateert van
  19. Het is niet omdat er mogelijks een aantal ‘aanpassingen aan het planMER van 2004’ zijn gebeurd, dat de bevindingen in de Toelichtingsnota van het GRUP nopens de alternatieven, zowel beleids, locatie en uitvoeringsalternatieven , nog steeds actueel zijn, temeer er in het plan MER bij het Strategisch Plan van de haven en in het GRUP uitdrukkelijk voorbehoud werd gemaakt voor leemten in de kennis, latere noodzaak van het opstellen van gedetailleerde project MER’s, passende beoordelingen en ook alternatievenonderzoek. Op geen enkele wijze blijkt uit de motieven van de Raad dat in de ‘aangepaste versie van het planMER bij het GRUP’ van 7 april 2008, deze voorbehouden werden weggewerkt, de leemten in de kennis werden weggewerkt en er een geactualiseerd alternatievenonderzoek is gebeurd/uitgevoerd. Tevens stelt de Raad in het bestreden arrest; ‘Tenslotte kan de Raad enkel vaststellen dat de stelling van de verzoekende partijen in de wederantwoordnota dat de keuze voor het bestreden project niet verankerd ligt in het GRUP ‘Afbakening Zeehavengebied Zeebrugge’, afwijkt van de stellingname in het projectMER, zonder dat de verzoekende partijen op enige manier aannemelijk maken dat deze stelling foutief is’. Vooreerst is het niet duidelijk wat de Raad bedoelt onder ‘afwijkt van de stellingname in het project MER’. Wordt hiermee bedoelt het project MER VII-40.969-8/15 nav het bestreden project, waarin begrepen de passende beoordeling, dan wel een ander project MER? Deze motivering van het bestreden arrest is onduidelijk en onjuist. Als dan zou verwezen worden naar een project MER, Belconsulting 2007, conformverklaring dd. 23 april 2008 en een passende beoordeling, alwaar beweerdelijk ‘locatiealternatieven voor de uitbouw van de zuidelijke achterhaven van Zeebrugge’ werden opgenomen, die blijkbaar worden geciteerd op pg. 59 van het projectMER nav het voorliggend project, dan dient opgemerkt te worden dat het gaat om locatie-alternatieven voor de geplande havenuitbreiding , doch niet zozeer over de verdieping en verbreding van het Boudewijnkanaal, minstens zijn de rechten van verdediging geschonden, vervat in art. 6 EVRM, aangezien verzoekers op geen enkele manier kennis hebben kunnen nemen van dit project MER van 2007 en derhalve geen kennis hebben kunnen nemen van het alsdan voorliggend project (aangezien het een project MER betrof, diende het in principe te gaan over een concreet voorliggend project) Zelfs wanneer zou worden aangenomen dat dit project MER door verzoekers kon gekend zijn-quod non, dan nog werd niet of onjuist geantwoord op het door verzoekers aangevoerde verweer dat de keuze van het bestreden project niet is verankerd in het GRUP ‘Afbakening Zeehavengebied Zeebrugge.’ De argumentatie in het bestreden arrest, nopens de Noordelijke strook van de Dudzeelse Polder, is nopens het alternatievenonderzoek niet relevant, aangezien de Raad zelfs stelt in haar motivatie dat de ‘Dudzeelse Polder geen deel uitmaakt van het projectgebied’. In antwoord op de antwoordmemories van de verwerende en de tussenkomende partijen.” Beoordeling
  20. Het middel dat de schending van artikel 6 EVRM aanvoert en niet uiteenzet waarom het bestreden arrest deze bepaling schendt, is niet ontvankelijk.
  21. Het middel dat de schending aanvoert van artikel 36ter van het natuurbehouddecreet en voor het eerst in de memorie van wederantwoord uiteenzet waarom het bestreden arrest deze bepaling schendt, is niet ontvankelijk.
  22. Het middel dat stelt dat de overweging in het bestreden arrest “dat in het project-Mer en in de bijlage XX ‘passende beoordeling’ uitvoerig is ingegaan op het onderzoek naar beleids- en locatiealternatieven, waarbij onder meer vastgesteld wordt dat de keuze van het bestreden project reeds is verankerd in VII-40.969-9/15 het GRUP ‘Afbakening Zeehavengebied Zeebrugge’, dat in het kader van dit GRUP reeds een alternatievenonderzoek en passende beoordeling is gemaakt, dat dit onderzoek nog steeds actueel is, en dat er voor de verbreding en verdieping van een bestaand kanaal omwille van geografische redenen geen locatiealternatieven zijn”, “feitelijk onjuist” is, dwingt de Raad van State tot een beoordeling van de zaak zelf. De Raad van State is daartoe als cassatierechter overeenkomstig artikel 14, § 2 RvSt-wet niet bevoegd.
  23. Het middel dat stelt dat de aangehaalde overweging in het bestreden arrest “juridisch onjuist” is zonder aan te geven welke van de aangevoerde geschonden bepalingen daardoor geschonden wordt, is bij gebrek aan nauwkeurigheid onontvankelijk.
  24. Het middel dat aanvoert dat de overweging in het bestreden arrest dat de RvVb “enkel [kan] vaststellen dat de stelling van de verzoekende partijen in de wederantwoordnota dat de keuze voor het bestreden project niet verankerd ligt in het GRUP ‘Afbakening Zeehavengebied Zeebrugge’ afwijkt van de stellingname in het project-MER, zonder dat de verzoekende partijen op enige manier aannemelijk maken dat deze stelling foutief is”, onjuist is, faalt naar recht om de reden vermeld in randnummer
  25. Het middel dat aanvoert dat de “argumentatie in het bestreden arrest, nopens de Noordelijke strook van de Dudzeelse Polder […] nopens het alternatievenonderzoek niet relevant” is, faalt om dezelfde reden naar recht.
  26. Het middel dat stelt dat de voormelde aangehaalde overweging “onduidelijk” is, mist feitelijke grondslag.
  27. Het middel dat aanvoert dat het bestreden arrest niet antwoordt “op het door verzoekers aangevoerde verweer dat de keuze van het bestreden VII-40.969-10/15 project niet is verankerd in het GRUP ‘Afbakening Zeehavengebied Zeebrugge’”, mist feitelijke grondslag.
  28. Het middel dat voor het eerst in de memorie van wederantwoord “tegenstrijdige motivering” aanvoert, is niet ontvankelijk.
  29. Het middel dat de schending van de rechten van verdediging aanvoert en voor het eerst in de memorie van wederantwoord uiteenzet waarom het bestreden arrest de rechten van verdediging schendt, is niet ontvankelijk. C Derde middel Standpunt van de verzoekende partijen
  30. De verzoekende partijen voeren de schending aan van artikel 149 van de Grondwet, artikel 6 EVRM en de rechten van verdediging: “De Raad stelt in het bestreden arrest dat: De verwerende partij verwijst in de hiervoor aangehaalde passus niet enkel naar ‘het MER voor de uitbouw van de zuidelijke achterhaven Zeebrugge

(2007)’, maar tevens naar het project-MER dat deel uitmaakt van de aanvraag die heeft geleid tot de bestreden beslissing. In dat project-MER wordt voor de discipline ‘geluid en trillingen’ een onderzoek besteed aan de nabestemming als haventerrein. Er wordt daarin aangegeven dat voor de uitbouw van de volledige zuidelijke Achterhaven van Zeebrugge reeds in 2007 een project-MER werd opgemaakt (Belconsulting, december 2007), dat in dit project-MER een indicatieve geluidsmodellering van het havengebied werd uitgevoerd op basis van kengetallen (uitgedrukt in dB(A)/m2, voor typische havenactiviteiten dat voor het deel van de Achterhaven gelegen binnen het projectgebied van onderhavig project (en het grootste deel van de Achterhaven) als kengetal 65 dB(A)/m2werd toegepast, kenmerkend voor overslag van zowel stukgoed, vast bulkgoed als containers, dat het hanteren van dit kengetal een logische aanname lijkt, aangezien niet bekend is welke inrichtingen zich er zullen vestigen en het kengetal van deze categorie het hoogst is, dat er kan vanuit worden gegaan dat dit kengetal op heden nog steeds representatief is, en dat de resultaten van de geluidsmodellering van 2007 dus nog steeds valabel zijn, waarna in figuur 5-33 de ‘Situering van de in het model voor het MER
(2007)gehanteerde kengetallen’ wordt weergegeven en in figuur 5-34 de ‘Resultaten geluidsmodellering (LAeq) (MER Achterhaven Zeebrugge,2007)’. VII-40.969-11/15 Dit motief is feitelijk onjuist. lmmers, verzoekers hebben in hun verzoekschrift duidelijk gesteld dat zij geen kennis hebben kunnen nemen van het project MER, uitbouw van de Zuidelijke achterhaven van Zeebrugge
(2007). De Raad heeft het over een figuur 5-33 en een figuur 5-34 Resultaten van geluidsmodellering, Achterhaven Zeebrugge, 2007 doch bij het voorliggende project wordt er onder de niet-technische samenvatting van het project MER niet verwezen naar dergelijke figuren, gevoegd onder de bijlagen. Dit is een schending van de rechten van verdediging en derhalve een schending van art. 6 EVRM. De motivatie van de Raad in het bestreden arrest is nopens het vijfde middel ook tegenstrijdig. Verzoekers hebben in hun middel duidelijk gesteld verwijzende naar artikel 37 en 16 tot 18 OVD, dat de stedenbouwkundige handelingen tesamen met de exploitatie dient aangevraagd te worden. Het gaat immers om een geïntegreerde omgevingsvergunningsaanvraag, waarbij in het bestreden besluit van de Minister dd.4 juli 2019, verwijzende naar de aanvraag wordt gesteld: ‘Overwegende dat de aanvraag de volgende ingedeelde inrichting of activiteit omvat; -het verbreden en verdiepen van het Boudewijnkanaal -het exploiteren van een kaaimuur over een lengte van circa 900 m -het exploiteren van een tijdelijk bouwdok Overwegende dat de aanvraag de volgende rubrieken omvat; 48.2: kaaimuur Boudewijnkanaal (900
  1. m)voor schepen tot 42.000 ton; 42.000 ton, klasse 1’ Derhalve is het zo dat de exploitatie van de kaaimuur (900
  2. m)wél werd aangevraagd, en zelfs de rubriek werd vermeld. Derhalve is het motief van het bestreden arrest onjuist, wanneer wordt gesteld dat ‘het gegeven dat de verdere ontwikkeling van de Achterhaven geen deel uitmaakt van de aanvraag, die heeft geleid tot de bestreden beslissing, betekent niet dat er geen aandacht kan aan besteed worden door de verwerende partij. Het gaat in casu niet om de ‘verdere ontwikkeling van de Achterhaven’, maar om de zeer specifieke exploitatie van de kaaimuur (900
  3. m)‘ In de wederantwoordnota, hebben verzoekers ook nog het volgende gesteld; ‘Verzoekende partijen roepen de schending is van art. 4.3.1. DABM, art. 16-18 Omgevingsvergunningsdecreet, art. 37 en 117 van het Omgevingsvergunningdecreet en Codextrein, de Formele Motiveringswet en het zorgvuldigheidsbeginsel als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur. Verzoekende partijen herhalen hierbij dat de milieueffecten van de exploitatiefase van de kaai niet werden onderzocht. Een ‘doorkijk’ in het project MER is onvoldoende. In het kader van het Omgevingsvergunningsdecreet diende de exploitatie van de kaai tesamen met de stedenbouwkundige handelingen tot aanleg en bouw van de kaai tesamen te worden bekeken en onderzocht. VII-40.969-12/15 Beweren dat er door verwerende partij werd ‘geanticipeerd’ door het opleggen van specifieke vergunningsvoorwaarden impliceert zelfs een tegenstrijdigheid in de motivatie van het bestreden besluit. Niet alleen diende er rekening te worden gehouden met de geluidsemissies in het project MER, ook in de passende beoordeling, had de impact van de exploitatie van het kaai, dienen onderzocht geweest. In het project MER van 2007 (Belconsulting) gebeurde slechts trouwens een indicatieve geluidsmodellering, op basis van ‘typische’ havenactiviteiten, dewelke trouwens niet werden gespecifieerd. Er dient trouwens een duidelijk onderscheid, zeker inzake geluid te worden gemaakt, tussen overslagactiviteiten en het aanmeren en lossen van grote autoboten. Bij de geluidsmodellering wordt enkel uitgegaan van aannames en hypotheses. De Raad heeft in het bestreden arrest hierop niet geantwoord. De Raad heeft zich beperkt tot de verwijzing naar de indicatieve geluidsmodellering van 2007, waaromtrent verzoekers duidelijk hebben gesteld dat zij hiervan geen kennis hebben kunnen en nemen en dan nog, dat de geluidsmodellering niet representatief is. Dit is een schending van art. 149 van de Grondwet. In antwoord op de antwoordmemories van de tussenkomende en de verwerende partijen”. Beoordeling 23. Het middel dat de schending aanvoert van artikel 6 EVRM en de rechten van verdediging zonder uiteen te zetten op welke wijze het bestreden arrest deze bepaling en rechten van verdediging schendt, is niet ontvankelijk. 24. Het middel dat aanvoert dat de aangehaalde overweging in het bestreden arrest “feitelijk onjuist” is, faalt naar recht om de reden vermeld in randnummer 8. 25. Het middel dat aanvoert dat de “motivatie van de [RvVb] in het bestreden arrest […] nopens het vijfde middel ook tegenstrijdig” is zonder aan te geven welke motieven in het bestreden arrest tegenstrijdig zijn, is niet ontvankelijk. 26. Het middel dat aanvoert dat de overweging in het bestreden arrest dat het “gegeven dat de verdere ontwikkeling van de Achterhaven geen deel VII-40.969-13/15 uitmaakt van de aanvraag die heeft geleid tot de bestreden beslissing […] niet [betekent] dat er geen aandacht kan aan besteed worden door de verwerende partij”, “onjuist” is, faalt naar recht om de reden vermeld in randnummer 8. 27. Het middel dat aanvoert dat het bestreden arrest “niet [heeft] geantwoord” op het voor de RvVb niet aangevoerde argument van de verzoekende partijen dat “[b]ij de geluidsmodellering […] enkel [wordt] uitgegaan van aannames en hypotheses”, is niet ontvankelijk. 28. Het derde middel wordt verworpen. BESLISSING 1. De Raad van State verwerpt het cassatieberoep. 2. De verzoekende partijen worden verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 400 euro, elk voor de helft, een bijdrage van 20 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. De tussenkomende partijen worden verwezen in de kosten van de tussenkomsten, begroot op 300 euro, elk voor de helft. VII-40.969-14/15 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van twee juni tweeduizend tweeëntwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Carlo Adams, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Stephan De Taeye, staatsraad, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier. De griffier De voorzitter Bart Tettelin Carlo Adams VII-40.969-15/15 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.253.907 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.