← België

Arrest 253908 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 02/06/2022

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 02 juni 2022 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.253.908 Rolnummer: A. 232091/VII-40942 Zaak: Arrest 253908 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 02/06/2022 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2022-06-14 Raadplegingen: 73 - laatst gezien 2026-06-10 07:00 Fiche Arrest nr 253.908 van 2 juni 2022 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 253.908 van 2 juni 2022 in de zaak A. 232.091/VII-40.942 In zake :

  1. Gino VEREECKE
  2. Marc EECKHOUT bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Philippe Vande Casteele kantoor houdend te 2900 Schoten Klamperdreef 7 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Jürgen Vanpraet en Bram Van den Berghe kantoor houdend te 8820 Torhout Oostendestraat 306 bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partij : de NV ASPIRAVI bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Gregory Verhelst kantoor houdend te 2000 Antwerpen Bouwmeestersstraat 11 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
  3. Het cassatieberoep, ingesteld op 21 oktober 2020, strekt tot de nietigverklaring van arrest nr. RvVb-A-2021-0076 van de Raad voor Vergunningsbetwistingen (hierna: RvVb) van 24 september 2020 in de zaak 1819-RvVb-0954-A. VII-40.942-1/23 II. Verloop van de rechtspleging
  4. Het cassatieberoep is toelaatbaar verklaard bij beschikking van 23 december
  5. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekers hebben een memorie van wederantwoord ingediend. De nv Aspiravi heeft een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. De tussenkomst is toegestaan bij beschikking van 11 maart
  6. De tussenkomende partij heeft een memorie ingediend. Eerste auditeur-afdelingshoofd Peter Provoost heeft op 20 december 2021 een verslag opgesteld, op grond van artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State’. De verzoekers hebben een verzoek tot voortzetting van de procedure teneinde te worden gehoord ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 5 mei
  7. Staatsraad Pierre Lefranc heeft verslag uitgebracht. Advocaat Philippe Vande Casteele, die verschijnt voor de verzoekers, advocaat Paul Hurlebusch, die loco advocaten Jürgen Vanpraet en Bram Van den Berghe verschijnt voor de verwerende partij, en advocaat Gregory Verhelst, die verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Peter Provoost heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. VII-40.942-2/23 Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973 (hierna: RvS-wet). III. Feiten
  8. Op 28 maart 2019 verleent de deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen (hierna: deputatie) aan de nv Aspiravi een omgevingsvergunning “voor de bouw en exploitatie van een windturbine met bijhorende transformator en bronbemaling”.
  9. De gewestelijke omgevingsambtenaar verklaart op 28 maart 2019 het administratief beroep van onder meer Vereecke tegen de vergunningsbeslissing van de deputatie onvolledig en onontvankelijk.
  10. Het bestreden arrest: - verklaart de tussenkomst van Eeckhout en de nv Aspiravi ontvankelijk; - verwerpt het middel en bijgevolg de vordering van Vereecke tot vernietiging van de vergunningsbeslissing van de gewestelijke omgevingsambtenaar. IV. Regelmatigheid van de rechtspleging
  11. De gewestelijke omgevingsambtenaar heeft een memorie van antwoord ingediend.
  12. Het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, was de verwerende partij in de procedure voor de RvVb die geleid heeft tot het bestreden arrest. De gewestelijke omgevingsambtenaar was geen partij in de procedure voor de RvVb. VII-40.942-3/23
  13. De memorie van antwoord van de gewestelijke omgevingsambtenaar wordt uit het debat geweerd. V. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Standpunten van Vereecke en Eeckhout
  14. Vereecke en Eeckhout voeren de schending aan van: “- artikelen 10, 11, 13, 23, 149 en 161 van de Grondwet, - de artikelen 6, 13 en 14 van het Europees Verdrag voor de bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna : EVRM), - artikel 47 van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie (hierna : Handvest); - artikel 19 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (hierna : VEU) en artikel 191 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (hierna: VWEU); - de Richtlijn 2011/92/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten (hierna: Richtlijn 2011/92/EU), inzonderheid de artikelen 2 en 11; het Verdrag van 25 juni 1998 van Aarhus betreffende toegang tot informatie, inspraak in besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden (hierna : Verdrag van Aarhus), inzonderheid de artikelen 3 en 9; - het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning (hierna : OVD of Omgevingsvergunningdecreet), inzonderheid de artikelen 3, 24, 35, 54, 55, 56, 57, 58, 59 en 60, - het Besluit van de Vlaamse Regering van 27 november 2015 tot uitvoering van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning - hierna : Omgevingsvergunningsbesluit - , inzonderheid artikel 75”. In eerste middelonderdeel voeren zij de schending aan van de artikelen 56, 57 en 58 van het decreet van 25 april 2014 ‘betreffende de omgevingsvergunning’ (hierna: OVD) en artikel 75 van het besluit van de Vlaamse VII-40.942-4/23 regering van 27 november 2015 ‘tot uitvoering van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning’ (hierna: OVB): “De RvVb oordeelt aldus evenwel ten onrechte dat de GOA wel bevoegd was om, na ‘het verstrijken van de vervaltermijn, vermeld in artikel 58, eerste lid OVD’, nog te kunnen besluiten tot de onontvankelijkheid en onvolledigheid van het beroepschrift, met dien verstande dat ‘Nu is komen vast te staan dat de verzending, aan het college van burgemeester en schepenen, van een afschrift van het beroep in de gegrondheidsfase van het administratief beroep niet in de plaats gesteld kan worden van de vereiste van gelijktijdige verzending bij de indiening van het beroepschrift’. […] Na ‘het verstrijken van de vervaltermijn, vermeld in artikel 58, eerste lid OVD’, - en met andere woorden na de aanvang van de daaropvolgende ‘gegrondheidsfase’ - is de gewestelijke omgevingsambtenaar (GOA) immers niet meer bevoegd om te besluiten tot de onontvankelijkheid en onvolledigheid van het beroepschrift. De GOA heeft dienaangaande zijn bevoegdheid (inzake de beoordeling van de ontvankelijkheid en volledigheid) uitgeput; hij moet zich a.h.w. onverwijld wijden aan het ‘onderzoek van het project’, dit in de daarop volgende ‘gegrondheidsfase’ en zonder nog te mogen besluiten tot een eventuele onontvankelijkheid en onvolledigheid van het beroep”. In een tweede middelonderdeel voeren zij de schending aan van de artikelen 3 en 9 van het Verdrag van 25 juni 1998 betreffende toegang tot informatie, inspraak in besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden (hierna: Verdrag van Aarhus) en artikel 11 van richtlijn 2011/92/EU: “Door te oordelen dat de GOA wel bevoegd was om, na ‘het verstrijken van de vervaltermijn, vermeld in artikel 58, eerste lid OVD’, nog te kunnen besluiten tot de onontvankelijkheid en onvolledigheid van het beroepschrift, met dien verstande dat ‘Nu is komen vast te staan dat de verzending, aan het college van burgemeester en schepenen, van een afschrift van het beroep in de gegrondheidsfase van het administratief beroep niet in de plaats gesteld kan worden van de vereiste van gelijktijdige verzending bij de indiening van het beroepschrift’, schendt de RvVb (en de GOA) bijgevolg eveneens de artikelen 3 en 9 van het Verdrag van Aarhus en artikel 11 van de Richtlijn 2011/92/EU. Het thans betwiste RvVb-arrest schendt zo inzonderheid het dwingend verdragsrechtelijk voorschrift dat de nationaalrechtelijke procedures ‘eerlijk en billijk’ moeten zijn”. VII-40.942-5/23 In een derde middelonderdeel voeren zij de schending aan van artikel 149 van de Grondwet en artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM): “Het RvVb-arrest bevat ook een tegenstrijdigheid in de motieven. Het is immers tegenstrijdig te oordelen dat inzake de volledigheid en ontvankelijkheid een regelmatige GOA-beslissing werd genomen op een ogenblik dat de overheid inderdaad reeds vertoefde in de ‘gegrondheidsfase’, met andere woorden in de fase die wel degelijk volgt op de fase ‘onderzoek ontvankelijkheid en volledigheid’, afgesloten binnen de vervaltermijn van 30 dagen”. Beoordeling
  15. Het middel dat de schending aanvoert van de artikelen 10, 11, 13, 23 en 161 van de Grondwet, de artikelen 13 en 14 EVRM, artikel 47 van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie, artikel 19 van het verdrag van 7 februari 1992 betreffende de Europese Unie (hierna: VEU), artikel 191 van het verdrag van 25 maart 1957 betreffende de werking van de Europese Unie (hierna: VWEU), artikel 2 van richtlijn 2011/92/EU en de artikelen 3, 24, 35, 54, 55, 59 en 60 OVD, zonder uiteen te zetten op welke wijze het bestreden arrest deze bepalingen schendt, is niet ontvankelijk.
  16. Het eerste middelonderdeel dat de schending aanvoert van de artikelen 56, 57 en 58 OVD en artikel 75 OVB, is bij gebrek aan nauwkeurigheid onontvankelijk.
  17. Het tweede middelonderdeel dat de schending aanvoert van de artikelen 3 en 9 van het Verdrag van Aarhus, artikel 11 van richtlijn 2011/92/EU en “het dwingend verdragsrechtelijk voorschrift dat de nationaalrechtelijke procedures ‘eerlijk en billijk’ moeten zijn”, is bij gebrek aan nauwkeurigheid onontvankelijk. VII-40.942-6/23
  18. Het derde middelonderdeel dat de schending aanvoert van artikel 149 van de Grondwet en artikel 6 EVRM, is bij gebrek aan nauwkeurigheid onontvankelijk.
  19. Het eerste middel wordt verworpen. B. Tweede middel Standpunten van Vereecke en Eeckhout
  20. Vereecke en Eeckhout voeren de schending aan van: - de in het eerste middel aangevoerde bepalingen en, - artikel 35 van het decreet van 4 april 2014 ‘betreffende de organisatie en rechtspleging van sommige Vlaamse bestuursrechtcolleges’ (hierna: DBRC) en “de beginselen van redelijkheid en evenredigheid en het standstill-beginsel in leefmilieu-zaken”: “[…] Wat er ook van zij, onregelmatig is dus nu het RvVb-betoog ‘dat het college van burgemeester en schepenen in haar belangen geschaad is nu het meer dan een maand minder lang de tijd heeft gehad om haar eventueel advies in de latere procedure ten gronde voor te bereiden. Aangenomen dat het normdoel van artikel 56 Omgevingsvergunningsdecreet verband houdt met de proceseconomie, wordt niet aangetoond of concreet aannemelijk gemaakt dat dit in dit geval werd behaald’. Tenslotte beschikt het college van burgemeester en schepenen (CBS) over een algemene advies-termijn van 50 dagen, in acht genomen dat het dossier reeds bekend is aan het college van burgemeester en schepenen, zoals afdoende blijkt uit het destijds reeds verleend ongunstig advies van het CBS. […] De RvVb schendt derhalve de artikelen 24, 57, 58 en 60 van het Omgevingsvergunning-decreet en artikel 75 van het Omgevingsvergunnings-besluit door te bepalen ‘dat het college van burgemeester en schepenen in haar belangen geschaad is nu het meer dan een maand minder lang de tijd heeft gehad om haar eventueel advies in de latere procedure ten gronde voor te bereiden. Aangenomen dat het normdoel van artikel 56 (OVD) verband houdt met de proceseconomie, wordt niet aangetoond of concreet aannemelijk gemaakt dat dit in dit geval werd behaald’. Dit doel is immers al behaald met deze 50 dagen-advies-termijn, m.a.w. dé gemeenrechtelijke advies-termijn voor allen. Het is ook kennelijk onredelijk om, ondanks de ruime 50 dagen-advies-termijn, verzoekers toegang tot de rechter te ontzeggen bij VII-40.942-7/23 gebrek aan kennisgeving van het beroepschrift aan CBS alvorens deze termijn is ingegaan. Het RvVb-arrest schendt zo ook het beginsel van redelijkheid en evenredigheid. […] De RvVb schendt aansluitend zo ook de artikelen 3 en 9 van het Verdrag van Aarhus en artikel 11 van de Richtlijn 2011/92/EU, dit nl. door te bepalen en oordelen ‘dat het college van burgemeester en schepenen in haar belangen geschaad is nu het meer dan een maand minder lang de tijd heeft gehad om haar eventueel advies in de latere procedure ten gronde voor te bereiden. Aangenomen dat het normdoel van artikel 56 Omgevingsvergunningsdecreet verband houdt met de proceseconomie, wordt niet aangetoond of concreet aannemelijk gemaakt dat dit in dit geval werd behaald’. […] De toegepaste OVD-procedure was in casu noch ‘eerlijk’ noch ‘billijk’ (in de zin van het Verdrag van Aarhus en de Richtlijn 2011/92/EU) doordat aangenomen werd dat de toegang tot een rechter wel kon ontzegd worden ‘omdat het college van burgemeester en schepenen in haar belangen geschaad is nu het meer dan een maand minder lang de tijd heeft gehad om haar eventueel advies in de latere procedure ten gronde voor te bereiden’. Dit ging niet op omdat het schepencollege dan nog over een termijn van 50 dagen beschikte en het dossier hem reeds was gekend ingevolge het ongunstig advies”. Beoordeling
  21. Het middel dat de schending aanvoert van de artikelen 10, 11, 13, 23, 149 en 161 van de Grondwet, de artikelen 6, 13 en 14 EVRM, artikel 47 van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie, artikel 19 VEU, artikel 191 VWEU, artikel 2 van richtlijn 2011/92/EU, de artikelen 3, 35, 54, 55, 56, en 59 OVD, artikel 35 DBRC en “het standstill-beginsel in leefmilieu-zaken”, zonder uiteen te zetten op welke wijze het bestreden arrest deze bepalingen schendt, is niet ontvankelijk.
  22. Het middel dat de onregelmatigheid van “het RvVb-betoog”, de schending van de artikelen 24, 57, 58 en 60 OVD en artikel 75 OVB, de schending van het beginsel van redelijkheid en evenredigheid, de artikelen 3 en 9 van het Verdrag van Aarhus en artikel 11 van richtlijn 2011/92/EU aanvoert, is bij gebrek aan nauwkeurigheid onontvankelijk.
  23. Het tweede middel wordt verworpen. VII-40.942-8/23 C. Derde middel Standpunten van Vereecke en Eeckhout
  24. Vereecke en Eeckhout voeren de schending aan van: - de in het tweede middel aangevoerde bepalingen en - de artikelen 2, 860, 861 en 864 van het Gerechtelijk Wetboek. In een eerste middelonderdeel voeren zij de schending aan van het standstill-beginsel: “[…] Verzoeker heeft in het RvVb-beroep expliciet de schending van het standstill-beginsel opgeworpen. Hij heeft de RvVb ook verzocht om aan het Grondwettelijk Hof een prejudiciële vraag te stellen over de verenigbaarheid van artikel 56, 3de lid, 3° Omgevingsvergunningdecreet met de artikelen 10, 11, 13 en 23 Grondwet, afzonderlijk beschouwd en in samenhang genomen met het Verdrag van Aarhus. […] […] De Raad voor Vergunningsbetwistingen heeft het annulatie-beroep ongegrond verklaard, en wijst zo ook verzoekers grief van een aanzienlijke achteruitgang in de rechtsbescherming af. Aansluitend wijst de RvVb het verzoek tot het stellen van een prejudiciële vraag (aan het Grondwettelijk Hof) af met de volgende eind-beoordeling : ‘De verzoekende partij laat na om aannemelijk te maken dat er een onredelijk evenwicht bestaat tussen de mogelijkheid tot het instellen van een administratief beroep en de verplichtingen die voortvloeien uit de doelstellingen van proceseconomie en de noodzaak van de overheden om op geïnformeerde wijze hun taak naar behoren te kunnen uitoefenen. Ze toont evenmin aan dat de vereiste van de gelijktijdige, aangetekende verzending van een afschrift aan het college van burgemeester en schepenen in dit geval een beperking van haar rechtsbescherming inzake leefmilieu betekent. / Het verzoek tot het stellen van een prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof wordt verworpen.’ Aldus verliest de RvVb evenwel uit het oog dat verzoeker niet alleen de nieuwe ‘gelijktijdigheid’-eis, doch ook de nieuwe verplichting an sich (tot kennisgeving aan het schepencollege) heeft betwist. […] De artikelen 56-57-58 OVD schenden artikelen 10, 11 & 23 Grondwet juncto het Verdrag van Aarhus. De artikelen 56, 57 en 58 van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning - hierna : Omgevingsvergunningdecreet (OVD) - schenden inderdaad de artikelen 10, 11 en 23, derde lid, 4 van de Grondwet, afzonderlijk beschouwd en in samenhang beschouwd met de artikelen 3 en 9 VII-40.942-9/23 van het Verdrag van Aarhus van 25 juni 1998 betreffende toegang tot informatie, inspraak bij besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden - Verdrag van Aarhus -, en met het grondwettelijk standstill-beginsel, bepaald in artikel 23 van de Grondwet, en artikel 6 EVRM. Immers, in het geval dat een afschrift van het administratief beroep in tweede administratieve aanleg in de gewone procedure niet aangetekend is bezorgd aan het college van burgemeester en schepenen (hierna : CBS) binnen de in artikel 56 OVD voorziene termijn, impliceert dit ontbreken aan zulke kennisgeving voortaan dat het beroep onontvankelijk wordt verklaard en dat de beroeper ook niet in de mogelijkheid wordt voorzien om aan de tekortkoming van artikel 56 OVD te verhelpen. […] Er is des te meer een discriminatie omdat

(1)aan dergelijk ontbreken verhelpen daarentegen wel mogelijk is conform artikel 57 OVD voor ontbrekende gegevens of documenten binnen de in artikel 57 OVD voorziene termijn en
(2)een onontvankelijkheid-verklaring die wordt genomen nadat de vervaltermijn van 30 dagen van artikel 58 OVD is verstreken, impliceert dat het beroepschrift reeds is bezorgd of alvast onverwijld zal worden bezorgd aan het college van burgemeester en schepenen. Bovendien blijkt uit het OVD anderzijds niet dat de voornoemde voorwaarde van artikel 56, 3de lid, 3° OVD tot gelijktijdige en aangetekende verzending van het beroepschrift aan het CBS welke voortaan op straffe van ontvankelijkheid is voorgeschreven, een dermate zeer hoog algemeen belang en normdoel dient dat het ontnemen van de toegang tot een rechter kan verantwoorden en derhalve de nieuwe strenge sanctie van onontvankelijkheid en stopzetting van de procedure verantwoordt. De discriminatie en achteruitgang in de rechtsbescherming staan in casu des te meer vast omdat deze nieuwe sanctie ook van toepassing is als het college van burgemeester en schepenen in eerste aanleg een ongunstig advies heeft verleent en dus ontegensprekelijk is gediend met een weigering. […] Verzoeker vraagt (wederom) om volgende prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwetteliik Hof : ‘Schenden de artikelen 56, 57 en 58 van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning – hierna : Omgevingsvergunningdecreet (OVD) - niet de artikelen 10, 11 en 23, derde lid, 4 van de Grondwet, afzonderlijk beschouwd en in samenhang beschouwd met de artikelen 3 en 9 van het Verdrag van Aarhus van 25 juni 1998 betreffende toegang tot informatie, inspraak bij besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden - Verdrag van Aarhus -, en met het grondwettelijk standstillbeginsel, bepaald in artikel 23 van de Grondwet, en artikel 6 EVRM doordat in het geval dat een afschrift van het administratief beroep in tweede administratieve aanleg in de gewone procedure niet aangetekend is bezorgd aan het college van burgemeester en schepenen (hierna : CBS) binnen de in artikel 56 OVD voorziene termijn dit voortaan impliceert dat het beroep onontvankelijk wordt verklaard en dat de Beroeper ook niet in de mogelijkheid wordt voorzien om aan de tekortkoming van artikel 56 OVD te VII-40.942-10/23 verhelpen, terwijl dit wel mogelijk is conform artikel 57 OVD voor ontbrekende gegevens of documenten binnen de in artikel 57 OVD voorziene termijn en terwijl een onontvankelijkheidsverklaring die wordt genomen nadat de termijn van orde van 30 dagen van artikel 58 OVD is verstreken impliceert dat het beroepschrift in beginsel is bezorgd aan het College van Burgemeester en Schepenen en uit het OVD anderzijds niet blijkt dat de voornoemde voorwaarde van artikel 56 OVD tot gelijktijdige en aangetekende verzending van het beroepschrift aan het CBS welke voortaan op straffe van ontvankelijkheid is voorgeschreven, dusdanig algemeen belang en normdoel dient dat het ontnemen van de toegang tot een rechter kan verantwoorden en derhalve de strenge sanctie van onontvankelijkheid en stopzetting van de procedure verantwoordt, in acht genomen dat deze nieuwe sanctie ook van toepassing is als het college van burgemeester en schepenen in eerste aanleg een ongunstig advies heeft verleent en gediend is met een weigering ?’. […] De RvVb schendt bovendien zo ook de artikelen 3 en 9 van het Verdrag van Aarhus door ten onrechte voorbij te gaan aan de standstill-verplichting van het Verdrag van Aarhus (en artikel 23 Grondwet). De RvVb oordeelt bovendien even ten onrechte dat artikel 56, 3de lid, 3° OVD het Verdrag van Aarhus niet schendt. Aldus schendt de RvVb eveneens de artikelen 3 en 9 van het Verdrag van Aarhus. De RvVb geeft, net als eerder de GOA, zo een onjuiste uitleg aan de artikelen 3 en 9 van het Verdrag van Aarhus, namelijk door hierbij ook voorbij te gaan aan de verdragsrechtelijke standstill-waarborg. Verzoekers vragen bijgevolg om de volgende prejudiciële vraag te stellen aan het Hof van Justitie: ‘Laten de artikelen 3 en 9 van het Verdrag van Aarhus van 25 juni 1998 (betreffende toegang tot informatie, inspraak in besluitvorming en toegang tot een rechter inzake milieuaangelegenheden), met inbegrip van het standstill-beginsel, beide bepalingen afzonderlijk beschouwd en tevens in samenhang gelezen met
(1)artikel 11 van de Richtlijn 2011/92/EU (van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 betreffende de milieueffect-beoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten) en
(3)artikel 19.1 het Verdrag betreffende de Europese Unie, toe dat respectievelijk een Verdragspartij of een Lidstaat inzake projecten in de werkingssfeer van de Richtlijn 2011/92/EU een nieuwe regeling instelt zoals bepaald in artikel 56, 3de lid, 3° van het decreet van 25 april 2014 van het Vlaamse Gewest betreffende de omgevingsvergunning (Belgisch Staatsblad 23 oktober 2014) - afgekort : Omgevingsvergunningdecreet of OVD -, meer bepaald de decretale OVD-bepaling krachtens dewelke voortaan het volgende geldt : ‘Degene die het beroep instelt, bezorgt op straffe van onontvankelijkheid gelijktijdig en per beveiligde zending een afschrift van het beroepschrift aan: 1° de vergunnings-aanvrager behalve als hij zelf het beroep instelt; 2° de deputatie als die in eerste administratieve aanleg de beslissing heeft genomen; 3° het college van burgemeester en schepenen behalve als het zelf het beroep instelt’, dit in het geval dat
(1)de beslissing in eerste aanleg werd genomen door de deputatie van de provincie na ontvangst van het ongunstig advies van het VII-40.942-11/23 college van burgemeester en schepenen en dat
(2)vervolgens het beroep is ingediend bij de gewestelijke omgevingsambtenaar, waarbij de beroepsindiener een afschrift van het beroep eveneens gelijktijdig ter kennis heeft gebracht van de vergunnings-aanvrager en de deputatie, doch zonder evenwel ook gelijktijdig een afschrift van het beroep te hebben bezorgd aan het college van burgemeester en schepenen van de plaats waar het project, onderworpen aan de werkingssfeer van de Richtlijn 2011/92/EU, is gelegen, waarbij de toepassing van deze nieuwe nationale decretale regeling inhoudt dat in de fase van het onderzoek van de ontvankelijkheid en volledigheid van het bestuurlijk beroep de gewestelijke omgevingsambtenaar zelf, als het ware ambtshalve, voortaan het ontbreken van de gelijktijdige kennisgeving van een afschrift van het beroepschrift aan het college van burgemeester en schepenen als een fout kan aanmerken die de toegang tot de beroepsinstantie en vervolgens tot de rechter ontzegt om de reden dat naar zijn oordeel het college van burgemeester en schepenen een belangenschade heeft ervaren, dit alles in een nieuwe afwijking van de regel dat inzake relatieve nietigheden de exceptie enkel kan worden voorgedragen door de partij die is beschermd, en dit tevens zonder dat het mogelijk normdoel van de nieuwe aanvullende procedurele formaliteit is bepaald in de decretale bepaling zelf of in de parlementaire memorie van toelichting die voorafging aan het aannemen van deze nieuwe decretale OVD-bepaling, en dit ook zonder dat de gewestelijke omgevingsambtenaar in acht moet nemen dat in eerste aanleg het college van burgemeester en schepenen
(1)een ongunstig advies heeft geformuleerd,
(2)de weigering van het project beoogt en
(3)bij gebrek aan een nieuw advies dergelijke weigering nog steeds beoogt?”. In een tweede middelonderdeel voeren zij de schending aan van de artikelen 3 en 9 van het Verdrag van Aarhus: “[…] De artikelen 3 en 9 van het Verdrag van Aarhus van 25 juni 1998, met inbegrip van het standstill-beginsel, beide bepalingen afzonderlijk beschouwd en in samenhang gelezen met
(1)artikel 11 van de Richtlijn 2011/92/EU (van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 betreffende de milieueffect-beoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten) en
(2)artikel 19.1 het Verdrag betreffende de Europese Unie, zijn in casu dus wel geschonden door het RvVb-arrest. Deze EU-bepalingen, overigens van openbare orde, laten immers niet toe dat een Verdragspartij of een Lidstaat inzake projecten in de werkingssfeer van de Richtlijn 2011/92/EU de nieuwe regeling instelt die ondertussen desalniettemin wel formeel is bepaald in artikel 56, 3de lid, 3° van het decreet van 25 april 2014 van het Vlaamse Gewest betreffende de omgevingsvergunning. Deze, door de RvVb toegepaste, nieuwe OVD-regeling schendt dit EU-recht om twee redenen : VII-40.942-12/23
(1)de beslissing in eerste aanleg werd genomen door de deputatie na ontvangst van het ongunstig advies van het college van burgemeester en schepenen en
(2)vervolgens is het beroep ingediend bij de gewestelijke omgevingsambtenaar, waarbij de beroepsindiener een afschrift van het beroep eveneens gelijktijdig ter kennis heeft gebracht van de vergunnings-aanvrager en de deputatie zonder evenwel ook gelijktijdig een afschrift van het beroep te hebben bezorgd aan het college van burgemeester en schepenen van de plaats waar het project, onderworpen aan de Richtlijn 2011/92/ EU, is gelegen. Hierbij houdt de toepassing van deze nieuwe decretale OVD-regeling dus ook in dat in de fase van het onderzoek van de ontvankelijkheid en volledigheid van het bestuurlijk beroep de gewestelijke omgevingsambtenaar zelf, als het ware ambtshalve, voortaan het ontbreken van de gelijktijdige kennisgeving van een afschrift van het beroepschrift aan het college van burgemeester en schepenen als een fout kan aanmerken die de toegang tot de beroepsinstantie en vervolgens tot de rechter ontzegt om de reden dat, naar zijn oordeel, het college van burgemeester en schepenen een belangenschade heeft ervaren, dit alles in een nieuwe afwijking van dé basis-regel dat inzake relatieve nietigheden de exceptie enkel kan worden voorgedragen door de partij die is beschermd. Deze OVD-regeling schendt ook voormeld Unierecht om twee andere onderscheiden redenen : (a) het mogelijk normdoel van de nieuwe aanvullende procedurele formaliteit niet is bepaald in het OVD of de memorie van toelichting, en (b) de gewestelijke omgevingsambtenaar niet in acht moet nemen dat in eerste aanleg het college van burgemeester en schepenen :
(1)een ongunstig advies heeft geformuleerd,
(2)de weigering van het project beoogt en
(3)bij gebrek aan een nieuw advies zulke weigering nog steeds beoogt. Artikel 56, 3de lid 3° OVD schendt bijgevolg het Verdrag van Aarhus. Even ten onrechte schendt de RvVb in casu het Verdrag van Aarhus door verzoekers middel-onderdeel op grond van het, met het Unierecht strijdig, artikel 56, 3de lid, 3° OVD to[c]h af te wijzen als ongegrond”. In een derde middelonderdeel voeren zij “onverenigbaarheid met Unierecht en Grondwet” aan: ‘[…] Het bestreden RvVB-arrest past artikel 56, 3de lid, 3° OVD toe op een wijze die het Unierecht, het EVRM en de Grondwet - inzonderheid de bepalingen inzake toegang tot de rechter en daadwerkelijke rechtsbescherming in de aangelegenheden van het leefmilieu en de bescherming van de gezondheid van de mens - schendt. De RvVb bepaalt aldus ten onrechte dat de gewestelijke omgevingsambtenaar (= GOA) wel terecht heeft besloten tot de onontvankelijkheid van het bestuurlijk beroep ingevolge het ontbreken van (het bewijs van) een gelijktijdige zending van een afschrift van het beroepschrift aan het college van burgemeester en VII-40.942-13/23 schepenen (ovk. artikel 56, 3de lid, 3° OVD). De RvVb oordeelt eveneens ten onrechte dat de GOA terecht zelf heeft aangenomen dat het college van burgemeester en schepenen een belangenschade zou hebben geleden in weerwil van volgende gegevens :
(1)het ongunstig advies van het college van burgemeester en schepenen,
(2)de vergunning, verleend door de Deputatie, was alvast niet uitvoerbaar gedurende 35 dagen na de kennisgeving en aanplakking van de vergunning, verleend in 1ste aanleg, en
(3)enkel het college van burgemeester en schepenen kon zelf een belangenschade inroepen. […] […] Het thans bestreden arrest van de RvVb berust aldus evenwel ten onrechte op een (
  1. te)ruime toepassing van artikel 56, 3de lid, 3° van het Omgevingsvergunningdecreet. Deze (
  2. te)ruime toepassing, door de RvVB en eerder de GOA, van artikel 56, 3de lid, 3° OVD is niet verenigbaar noch met het Unierecht noch met het Verdrag van Aarhus noch met de Grondwet. De RvVb schendt bijgevolg (door zo artikel 56, 3de lid, 3° OVD toe te passen) artikel 9 van het Verdrag van Aarhus, artikel 11 van de richtlijn 2011/92/EU en de artikelen 10, 11 en 23 van de Grondwet. […] De, aan 1ste verzoeker verweten, procedurefout bestaat in casu enkel in het ontbreken van (het bewijs van) een gelijktijdige zending van een afschrift van het beroepschrift aan het college van burgemeester en schepenen (overeenkomstig artikel 56, 3de lid, 3° Omgevingsvergunningsdecreet). Met dien verstande dat de gewestelijke omgevingsambtenaar ook zelf bepaalt dat het college van burgemeester en schepenen een belangenschade heeft geleden, in weerwil van volgende gegevens :
(1)het ongunstig advies van het college van burgemeester en schepenen,
(2)de vergunning, verleend door de Deputatie, was alvast niet uitvoerbaar gedurende 35 dagen na de kennisgeving en de aanplakking van deze vergunning, verleend in eerste aanleg,
(3)enkel het college van burgemeester en schepenen zelf kon een belangenschade inroepen.
(4)conform artikel 5.1.4 VCRO moesten alvast de Deputatie en de GOA de Gemeente inlichten. […] Welnu, het weerhouden van deze procedurefout (namelijk geen kennisgeving van een afschrift aan het college van burgemeester en schepenen) vertoont niet een dermate ernst - noch in abstracto noch in concreto - om te kunnen verantwoorden dat het betrokken publiek, in casu verzoeker, ten gevolge van dergelijke fout een van de waarborgen werd ontnomen die in het leven zijn geroepen om overeenkomstig de doelstellingen van de Richtlijn 2011/92/EU, het Verdrag van Aarhus, artikel 19 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, artikel 47 van het Handvest van de Grondrechten toegang tot de rechter en daadwerkelijke rechtsbescherming te geven. Bijgevolg schendt de RvVb artikel 11 Richtlijn 2011/92/EU, de artikelen 3 en 9 Verdrag van Aarhus, artikel 19 Verdrag betreffende de Europese Unie en artikel 47 van het Handvest van de Grondrechten en de waarborgen inzake toegang tot de rechter en daadwerkelijke rechtsbescherming. VII-40.942-14/23 […] […] De decreetgever heeft inderdaad noch in artikel 56, 3de lid OVD noch in de memorie van toelichting een normdoel voor de omstreden nieuwe aanvullende procedurele voorwaarde (van de kennisgeving van een afschrift van het beroepschrift aan het college van burgemeester en schepenen) bepaald. Bijgevolg mocht artikel 56, 3de lid, 3° OVD in casu geen geldige toepassing krijgen (door de RvVb). De RvVb schendt dus in casu artikel 9 Aarhus-Verdrag, artikel 11 Richtlijn 2011/92/EU, artikel 19 VEU en de artikelen 13 en 23 van de Grondwet (door zo artikel 56, 3de lid, 3° OVD wel toe te passen). Noch het bestuur zelf noch de rechter zelf mochten immers zelf voor deze nieuwe aanvullende procedurele formaliteit een proceseconomische doelstelling voorstellen of opgeven om zo zelf het gebrek aan toegang tot een rechter en aan daadwerkelijke rechtsbescherming vlot goed te keuren. De vaststelling van het ontbreken van het opgeven, door de decreetgever, van een normdoel leidt tot het besluit, naar Unierecht (inclusief het Verdrag van Aarhus), dat de vooropgestelde procedurele fout dermate ernst noch kon verantwoorden noch verantwoordde dat het betrokken publiek, in casu verzoeker, ten gevolge van dergelijke fout een van de waarborgen mocht worden ontnomen die in het leven zijn geroepen om overeenkomstig de doelstellingen van Richtlijn 2011/92/EU, het Verdrag van Aarhus, artikel 19 van het Verdrag betreffende de Europese Unie en artikel 47 van het Handvest van de Grondrechten toegang tot de rechter en daadwerkelijke rechtsbescherming te geven. […] Niet alleen was de beweerde procedurefout niet dermate ernstig dat dit verantwoordde dat in casu aan verzoeker de waarborgen mochten worden ontnomen die precies in het leven zijn geroepen om overeenkomstig de doelstellingen van de Richtlijn 2011/92/EU toegang tot de rechter te geven. Bovendien, en a.h.w. erger, stelt de Raad voor Vergunningsbetwistingen ook niet (vast) dat, gelet op de omstandigheden van het geval, het niet denkbaar was dat het bestreden GOA-besluit zonder de aangevoerde procedurefout niet of, beter gezegd, nooit anders had geluid. Integendeel, in dat geval volgt immers een onderzoek ten gronde dan kon leiden tot verwerping van de vergunning-aanvraag. Door desalniettemin te besluiten tot de ongegrondheid van verzoekers middel-onderdeel, dit op grond van de verweten procedurefout en van de gehele en te ruime toepassing van artikel 56, 3de lid, 3° van het Omgevingsvergunningdecreet, schendt de RvVb artikel 9 van het Verdrag van Aarhus, artikel 11 van de Richtlijn 2011/92/EU, artikel 19 VEU en de artikelen 13 en 23 van de Grondwet”. In een vierde middelonderdeel voeren zij aan: “[…] Door desalniettemin verzoekers middel-onderdeel als ongegrond af te wijzen, dit op grond van de verweten procedurefout en de gehele en te ruime VII-40.942-15/23 toepassing van artikel 56, 3de lid, 3° van het Omgevingsvergunningdecreet, schendt de RyVb wel artikel 9 van het Verdrag van Aarhus, artikel 11 van de Richtlijn 2011/92/EU, artikel 19 VEU en de artikelen 13 en 23 van de Grondwet”. In een vijfde middelonderdeel voeren zij aan: “[…] De RvVb heeft vastgesteld dat de aanvrager geldig op de hoogte gebracht van administratief beroep. Er was dus geen geldige reden om aan te nemen dat de aanvrager werken zou aanvangen, dit omdat bij het indienen van het beroepschrift verzoeker aan de aanvrager tegelijk een afschrift van het beroepschrift had bezorgd en de aanvrager kennis had van het verbod tot gebruik van de vergunning. Verder kon dus ook geen gebruik van de vergunning worden gemaakt binnen de termijn van 35 dagen die inging na de eerste dag van de aanplakking m.b.t. de omgevingsvergunning. Dit ongeacht of het college van burgemeester en schepenen ook al op de hoogte was van een bestuurlijk beroep. Het bestreden RvVb-arrest dd. 24 september 2020 schendt bijgevolg ook daarom artikel 9 Aarhus-Verdrag, artikel 11 Richtlijn 2011/92/EU, artikel 19 VEU en de artikelen 10, 13 en 23 Grondwet”. In een zesde middelonderdeel voeren zij aan dat de ruime interpretatie van artikel 56, derde lid, 3°, OVD het Unierecht schendt en verzoeken zij volgende prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie te stellen: “Verzoeker vraagt bijgevolg om de volgende prejudiciële vraag te stellen aan het Hof van Justitie : ‘Laten
(1)de artikelen 3 en 9 van het Verdrag van Aarhus van 25 juni 1998 (betreffende toegang tot informatie, inspraak in besluitvorming en toegang tot een rechter inzake milieuaangelegenheden),
(2)artikel 11 van de Richtlijn 2011/92/EU (van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 betreffende de milieueffect-beoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten) en
(3)artikel 19.1 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU), allen telkenmale afzonderlijk beschouwd en in samenhang genomen, en allen tevens samengelezen met enerzijds de artikelen 6, 13 en 14 van het Europees Verdrag voor de bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en anderzijds de artikelen 20 en 47 van het Handvest van de Grondrechten, toe dat respectievelijk een Verdragspartij of een Lidstaat inzake projecten in de werkingssfeer van de Richtlijn 2011/92/EU een nieuwe regeling instelt zoals bepaald in artikel 56, 3de lid, 3° van het decreet van 25 april 2014 van het Vlaamse Gewest betreffende de omgevingsvergunning (Belgisch VII-40.942-16/23 Staatsblad 23 oktober 2014) - afgekort : Omgevingsvergunningdecreet of OVD -, meer bepaald de decretale OVD-bepaling krachtens dewelke voortaan ‘Degene die het beroep instelt, bezorgt op straffe van onontvankelijkheid gelijktijdig en per beveiligde zending een afschrift van het beroepschrift aan: 1° de vergunnings-aanvrager behalve als hij zelf het beroep instelt; 2° de deputatie als die in eerste administratieve aanleg de beslissing heeft genomen; 3° het college van burgemeester en schepenen behalve als het zelf het beroep instelt’, dit in het geval dat
(1)de beslissing in eerste aanleg werd genomen door de deputatie van de provincie na ontvangst van het ongunstig advies van het college van burgemeester en schepenen en dat
(2)vervolgens het beroep is ingediend bij de gewestelijke omgevingsambtenaar, waarbij de beroepsindiener een afschrift van het beroep eveneens gelijktijdig ter kennis heeft gebracht van de vergunnings-aanvrager en de deputatie zonder evenwel ook gelijktijdig een afschrift van het beroep te hebben bezorgd aan het college van burgemeester en schepenen van de plaats waar het project, onderworpen aan de werkingssfeer van de Richtlijn 2011/92/EU, is gelegen, waarbij de toepassing van deze nieuwe nationale decretale regeling inhoudt dat in de fase van het onderzoek van de ontvankelijkheid en volledigheid van het bestuurlijk beroep de gewestelijke omgevingsambtenaar zelf, als het ware ambtshalve, voortaan het ontbreken van de gelijktijdige kennisgeving van een afschrift van het beroepschrift aan het college van burgemeester en schepenen als een fout kan aanmerken die de toegang tot de beroepsinstantie en vervolgens tot de rechter ontzegt cm de reden dat naar zijn oordeel het college van burgemeester en schepenen een belangenschade heeft ervaren, dit alles eveneens in afwijking van de regel dat inzake relatieve nietigheden de exceptie tot nu to[e] enkel kon worden voorgedragen door de partij die is beschermd, en dit tevens zonder dat het mogelijk normdoel van de nieuwe aanvullende procedurele formaliteit is bepaald in de decretale bepaling zelf of in de parlementaire memorie van toelichting die voorafgaat aan het aannemen van deze nieuwe decretale OVD-bepaling, en dit ook zonder dat de gewestelijke omgevingsambtenaar in acht moet nemen dat in eerste aanleg het college van burgemeester en schepenen
(1)een ongunstig advies heeft geformuleerd,
(2)de weigering van het project beoogt en
(3)bij gebrek aan een nieuw advies dergelijke weigering nog steeds beoogt?”. Beoordeling
  1. Het eerste middelonderdeel dat aanvoert dat de artikelen 56, 57 en 58 OVD de artikelen 10, 11 en 23 van de Grondwet “juncto het Verdrag van Aarhus” schenden, is niet gericht tegen het bestreden arrest en bijgevolg niet ontvankelijk. Er is dan ook geen aanleiding tot het stellen van de voorgestelde prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof en aan het Hof van Justitie. VII-40.942-17/23
  2. Het tweede middelonderdeel dat de schending aanvoert van de artikelen 3 en 9 van het Verdrag van Aarhus “met inbegrip van het standstill-beginsel […] afzonderlijk beschouwd en in samenhang gelezen met
(1)artikel 11 van de Richtlijn 2011/92/EU […] en
(2)artikel 19.1 [VEU]”, is bij gebrek aan nauwkeurigheid onontvankelijk. Het tweede middelonderdeel dat aanvoert dat de “door de RvVb toegepaste, nieuwe OVD-regeling” het “EU-recht” schendt en dat artikel 56, derde lid, 3°, OVD het Verdrag van Aarhus schendt, is niet gericht tegen het bestreden arrest en bijgevolg niet ontvankelijk. 22. Het derde middelonderdeel dat aanvoert dat het bestreden arrest “op een (
  1. te)ruime toepassing van artikel 56, 3de lid, 3° van het Omgevingsvergunningsdecreet” berust, dat de aan Vereecke “verweten procedurefout” enkel bestaat “in het ontbreken van (het bewijs van) een gelijktijdige zending van een afschrift van het beroepschrift aan het college van burgemeester en schepenen” en “niet een dermate ernst” vertoont “om te kunnen verantwoorden dat […] verzoeker […] de waarborgen werd ontnomen” van “toegang tot de rechter en daadwerkelijke rechtsbescherming”, en dat artikel 56, derde lid, 3°, OVD “geen geldige toepassing [mocht] krijgen”, dwingt de Raad van State tot een beoordeling van de zaak zelf hetgeen aan de Raad van State als cassatierechter overeenkomstig artikel 14, § 2 van de RvS-wet niet toekomt. 23. Het vierde middelonderdeel dat aanvoert dat het bestreden arrest artikel 9 van het Verdrag van Aarhus, artikel 11 van de richtlijn 2011/92/EU, artikel 19 VEU en de artikelen 13 en 23 van de Grondwet schendt door het middelonderdeel van Vereecke ongegrond te verklaren “op grond van de verweten procedurefout en de gehele en te ruime toepassing van artikel 56, 3de lid, 3° van het Omgevingsdecreet”, dwingt de Raad van State tot een beoordeling van de zaak zelf hetgeen aan de Raad van State als cassatierechter overeenkomstig artikel 14, § 2 van de RvS-wet niet toekomt. VII-40.942-18/23 24. Het vijfde middelonderdeel dat aanvoert dat het bestreden arrest artikel 9 van het Verdrag van Aarhus, artikel 11 van richtlijn 2011/92/EU, artikel 19 VEU en de artikelen 10, 13 en 23 van de Grondwet schendt omdat er “geen geldige reden [was] om aan te nemen dat de aanvrager werken zou aanvangen” en “geen gebruik van de vergunning [kon] worden gemaakt”, dwingt de Raad van State tot een beoordeling van de zaak zelf hetgeen aan de Raad van State als cassatierechter overeenkomstig artikel 14, § 2 van de RvS-wet niet toekomt. 25. Het zesde middelonderdeel dat uitgaat van “de (
  2. te)ruim opgevatte nieuwe regeling van artikel 56, 3de lid, 3° van het Omgevingsvergunningsdecreet”, dwingt de Raad van State tot een beoordeling van de zaak zelf hetgeen aan de Raad van State als cassatierechter overeenkomstig artikel 14, § 2 van de RvS-wet niet toekomt. Er is dan ook geen aanleiding tot het stellen van de voorgestelde prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie. 26. Het derde middel wordt verworpen. D. Vierde middel Standpunten van Vereecke en Eeckhout 27. Vereecke en Eeckhout voeren de schending aan van de in het derde middel aangevoerde bepalingen en beginselen: “[…] Krachtens artikel 56, 3de lid, 3° OVD, de artikelen 2, 860, 861 en 864 Gerechtelijk Wetboek, artikel 35 DBRC en het gelijkheidsbeginsel kan enkel de partij die zich op het vormgebrek beroept, dit inroepen. De RvVb schendt in casu deze referentie-bepalingen door te oordelen dat de omgevingsambtenaar toch zelf het vermeend belangenschade van het college van burgemeester en schepen wel geldig mocht inroepen en tevens aannemen, en dit tevens in weerwil van nochtans de volgende gegevens :
(1)het ongunstig advies van het college van burgemeester en schepenen,
(2)de vergunning, verleend door de Deputatie, was alvast niet uitvoerbaar gedurende 35 dagen na de kennisgeving en de aanplakking van deze vergunning, verleend in eerste aanleg, en VII-40.942-19/23
(3)enkel het college van burgemeester en schepenen (CBS) kon zelf een belangenschade inroepen. Gelet op de geoorloofde CBS-doelstelling - namelijk de weigering van het project, aansluitend op verzoekers bezwaarschrift -, was er in casu geen geldige reden om zelf in de plaats van het college van burgemeester en schepenen te bepalen dat het college van burgemeester en schepenen een belangenschade had die moest ingeroepen worden om aldus toegang tot de rechter te ontzeggen. Er is een discriminatie. De gehele toepassing van deze nieuwe decretale regeling - namelijk artikel 56, 3de lid, 3° OVD - houdt immers in dat in de fase van het onderzoek van de ontvankelijkheid en volledigheid van het bestuurlijk beroep de gewestelijke omgevingsambtenaar zelf, als het ware ambtshalve, voortaan het ontbreken van de gelijktijdige kennisgeving van een afschrift van het beroepschrift aan het college van burgemeester en schepenen als een fout kan aanmerken die de toegang tot de beroepsinstantie en vervolgens tot de rechter ontzegt om de reden dat naar zijn oordeel het college van burgemeester en schepenen een belangenschade heeft ervaren. Dit alles geldt ten onrechte in afwijking van dé basis-regel dat inzake relatieve nietigheden de exceptie enkel kan worden voorgedragen door de partij die is beschermd. Daarom is er precies een discriminatie. […] Verzoeker vraagt derhalve om de volgende preiudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof : ‘Schendt artikel 56, 3de lid, 3° van het decreet van 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning niet de artikelen 10, 11,13 en 23 van de Grondwet, afzonderlijk genomen en in samenhang beschouwd met
(1)de artikelen 3 en 9 van het Verdrag van Aarhus van 25 juni 1998 (betreffende toegang tot informatie, inspraak in besluitvorming en toegang tot een rechter inzake milieuaangelegenheden),
(2)artikel 11 van de Richtlijn 2011/92/EU (van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 betreffende de milieueffect-beoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten) en
(3)artikel 19.1 Verdrag betreffende de Europese Unie, doordat de gehele toepassing van deze nieuwe decretale regeling inhoudt dat in de fase van het onderzoek van de ontvankelijkheid en volledigheid van het bestuurlijk beroep de gewestelijke omgevingsambtenaar zelf, als het ware ambtshalve, voortaan het ontbreken van de gelijktijdige kennisgeving van een afschrift van het beroepschrift aan het college van burgemeester en schepenen ais een fout kan aanmerken die de toegang tot de beroepsinstantie en vervolgens tot de rechter ontzegt om de reden dat naar zijn oordeel het college van burgemeester en schepenen een belangenschade heeft ervaren, dit alles ook in afwijking van de algemene regel dat inzake relatieve nietigheden de exceptie enkel kan worden voorgedragen door de partij die is beschermd, en dit tevens zonder dat het mogelijk normdoel van de nieuwe aanvullende procedurele formaliteit is bepaald in de decretale bepaling zelf of in de memorie van toelichting die voorafgaat, en dit ook zonder dat de gewestelijke omgevingsambtenaar in acht moet nemen dat in eerste aanleg het college van burgemeester en schepenen
(1)wel een ongunstig advies heeft geformuleerd,
(2)aldus de weigering van het VII-40.942-20/23 project beoogt en
(3)bij gebrek aan een nieuw advies dergelijke weigering nog steeds beoogt?”. Beoordeling
  1. Het middel dat de schending aanvoert van de artikelen 13, 23, 149 en 161 van de Grondwet, de artikelen 6, 13 en 14 EVRM, artikel 47 van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie, artikel 19 VEU, artikel 191 VWEU, de artikelen 2 en 11 van richtlijn 2011/92/EU, de artikelen 3 en 9 van het Verdrag van Aarhus, de artikelen 3, 24, 35, 54, 55, 57, 58, 59 en 60 OVD, artikel 75 OVB, “de beginselen van redelijkheid en evenredigheid en het standstill-beginsel in leefmilieu-zaken”, zonder uiteen te zetten op welke wijze het bestreden arrest deze bepalingen en beginselen schendt, is niet ontvankelijk.
  2. Het middel dat aanvoert dat het bestreden arrest artikel 56, derde lid, 3°, OVD, de artikelen 2, 860, 861 en 864 Gerechtelijk Wetboek, artikel 35 DBRC en het gelijkheidsbeginsel schendt “door te oordelen dat de omgevingsambtenaar toch zelf het vermeend belangenschade van het college van burgemeester en schepenen wel geldig mocht inroepen en tevens aannemen” in weerwil van de aangevoerde gegevens, dwingt de Raad van State tot een beoordeling van de zaak zelf hetgeen aan de Raad van State als cassatierechter overeenkomstig artikel 14, § 2 van de RvS-wet niet toekomt. Er is dan ook geen aanleiding tot het stellen van de voorgestelde prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof.
  3. Het vierde middel wordt verworpen. VII-40.942-21/23 E. Vijfde middel Standpunten van Vereecke en Eeckhout
  4. Vereecke en Eeckhout voeren aan dat het “betoog en de beoordeling van de RvVb en van de GOA over de kennisgevingsplicht […] het gelijkheidsbeginsel” schenden. Beoordeling
  5. Door gebrek aan nauwkeurigheid is het middel onontvankelijk. Er is dan ook geen aanleiding tot het stellen van de voorgestelde prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof.
  6. Het vijfde middel wordt verworpen. BESLISSING
  7. De Raad van State verwerpt het cassatieberoep.
  8. De verzoekers worden verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 400 euro, elk voor de helft, een bijdrage van 20 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 150 euro. VII-40.942-22/23 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van twee juni tweeduizend tweeëntwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Carlo Adams, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Stephan De Taeye, staatsraad, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier. De griffier De voorzitter Bart Tettelin Carlo Adams VII-40.942-23/23 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.253.908 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.