← België

Arrest 253909 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 02/06/2022

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 02 juni 2022 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.253.909 Rolnummer: A. 234070/VII-41165 Zaak: Arrest 253909 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 02/06/2022 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2022-06-14 Raadplegingen: 70 - laatst gezien 2026-06-10 07:00 Fiche Arrest nr 253.909 van 2 juni 2022 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : heropening debatten Aanvullend verslag Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 253.909 van 2 juni 2022 in de zaak A. 234.070/VII-41.165 In zake : Johan DE MOL bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bram Vandromme kantoor houdend te 8500 Kortrijk Nelson Mandelaplein 2 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de DEPUTATIE VAN DE PROVINCIERAAD VAN OOST-VLAANDEREN Tussenkomende partijen :

  1. Wim HENKENS
  2. Erika VAN DEN BERGHE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Erika Rentmeesters kantoor houdend te 9100 Sint-Niklaas Vijfstraten 57 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
  3. Het cassatieberoep, ingesteld op 9 juli 2021, strekt tot de nietigverklaring van arrest nr. RvVb-A-2021-1039 van de Raad voor Vergunningsbetwistingen van 27 mei 2021 in de zaak 1920-RvVb-0457-A. II. Verloop van de rechtspleging
  4. Het cassatieberoep is toelaatbaar verklaard bij beschikking van 17 augustus
  5. VII-41.165-1/6 De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Wim Henkens en Erika Van Den Berghe hebben een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. De tussenkomst is toegestaan bij beschikking van 7 oktober
  6. De tussenkomende partijen hebben een memorie ingediend. Eerste auditeur-afdelingshoofd Ann Van Mingeroet heeft op 24 maart 2022 een verslag opgesteld, op grond van artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State’. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 5 mei
  7. Staatsraad Pierre Lefranc heeft verslag uitgebracht. Advocaat Bram Vandromme, die verschijnt voor verzoeker en advocaat Laura Vandervoort, die loco advocaat Erika Rentmeesters verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Ann Van Mingeroet heeft advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973 (hierna: RvS-wet). VII-41.165-2/6 III. Feiten
  8. De deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen (hierna: deputatie) verleent op 12 december 2019 aan Van Den Berghe en Henkens een stedenbouwkundige vergunning “voor de bouw van een open eengezinswoning”.
  9. Het bestreden arrest verwerpt het middel en bijgevolg het beroep van de verzoeker tot vernietiging van voormelde vergunningsbeslissing. IV. Onderzoek van het eerste middel Standpunt van verzoeker
  10. Verzoeker voert de schending aan van artikel 4.7.23, § 1 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening (hierna: VCRO), artikel 149 van de Grondwet en artikel 32 van het decreet van 4 april 2014 ‘betreffende de organisatie en de rechtspleging van sommige Vlaamse bestuursrechtscolleges’ (hierna DBRC). Hij zet omtrent het oordeel van de RvVb “dat i.c. de hoorplicht [niet] zou zijn geschonden” uiteen wat volgt: “
  11. Verzoeker betwist dit standpunt van de RvVb en vindt dat de hoorplicht, zowel voorzien in het hierbij toepasselijk artikel 4.7.23 §1 VCRO, als de waarborgen daartoe in het beginsel van behoorlijk bestuur van de hoorplicht, wel degelijk geschonden zijn, en dus de beoordeling van de RvVb voor vernietiging vatbaar is. Eerst en vooral blijkt uit de bestreden vergunningsbeslissing helemaal niet dat er sprake zou zijn van een derde verslag van de PSA. In de beslissing van de Deputatie staat enkel dit, wat de verslaggeving van de PSA betreft: ‘Gelet op het eensluidend verslag van de provinciale stedenbouwkundige ambtenaar van 8 juli 2019’ (pagina 2 van de vergunningsbeslissing). Ook blijkt uit de beslissing wél, verderop op pagina 10 dat ‘een nieuw uittreksel van het origineel gewestplan’ ‘op 24 oktober 2019 Van Omgeving Vlaanderen’ werd ‘ontvangen’. Van een derde verslag van 15 november VII-41.165-3/6 2019, waarop de RvVb alludeert, is in de bestreden beslissing met geen woord sprake. Ten tweede is manifest duidelijk dat, als er dan al een zgn. derde verslag van de PSA beschikbaar zou zijn geweest, vooraf aan de beslissing, dat noch dit verslag van 15 november 2019, noch de bijkomende stukken van 24 oktober 2019, die net het aanhoudend debat onder partijen vormen, aan de beroepsindiener (Verzoeker dus) werden overgemaakt om er standpunt over in te nemen, laat staan dat een poging werd genomen om een nieuwe hoorzitting hierover te organiseren. Niemand betwist dit ook trouwens. In die zin is het bevreemdend dat de RvVb meent dat Verzoeker op een afdoend nuttige wijze voor zijn belangen kon opkomen alvorens de Deputatie over het dossier een beslissing nam. Immers, het staat toch vast dat deze nieuwe documenten doorslaggevend waren voor de beslissing van de Deputatie, het verslag van 15 november 2019 eigenlijk pas de eerste keer een beoordeling/evaluatie vormen van zowel die aangeleverde stukken van 24 oktober 2019 als de stukken die Verzoeker zelf in het debat heeft gebracht. Een en onder klemt eens te meer nu de kwestieuze stukken al op 24 oktober 2019 bij de Deputatie werden ontvangen en toch pas twee maand later een beslissing werd genomen. Het is dus ook niét zo dat tijdsdruk enig zinvol argument zou kunnen zijn om de partijen niet meer te horen over deze stukken, beoordeling en interpretatie die voor het dossier doorslaggevende elementen vormen. Verzoeker kreeg geen enkele kans, vooraf aan de beslissing, om die documenten te consulteren, of erop te reageren. Het hierbij in cassatie bestreden arrest doet Verzoeker de wenkbrauwen fronsen, zeker als eerdere rechtspraak van de RVVB over de hoorplicht wordt op nagelezen.
  12. Verzoeker is het oneens met tegenpartijen Tussenkomende partijen werpen een exceptie van onontvankelijkheid op m.b.t artikel 4.6.23 §1 VCRO omdat Verzoeker dit artikel niet zou hebben opgeworpen in het verzoekschrift bij de RvVb. Dat is onterecht, want zoals zij zelf toegeeft, heeft de RvVb dit artikel wel (terecht) aangewend in het beoordelen van het verzoek tot vernietiging, en heeft het middel dus wel degelijk betrekking op een motief van het bestreden arrest. De aangehaalde rechtspraak, door tussenkomende partijen, is relevant, maar zorgt niet voor een onontvankelijkheid ter zake. Verder zou het volgens tussenkomende partijen duidelijk zijn dat Verzoeker Uw Raad zou willen dwingen tot een beoordeling van de zaak zelf, waartoe Uw Raad niet bevoegd zou zijn. Maar ook dat klopt natuurlijk niet. Uit het middel valt volgens Verzoeker nochtans duidelijk af te leiden dat de RvVb artikel 4.7.23, § l, lid l VCRO niet correct heeft toegepast. Daarover kon Uw Raad zich als cassatierechter wel degelijk buigen.”. VII-41.165-4/6 Beoordeling
  13. Het middel dat om de aangehaalde redenen aanvoert dat de hoorplicht in artikel 4.7.23, § 1 VCRO en de waarborgen in het beginsel van behoorlijk bestuur van de hoorplicht geschonden zijn en “dus de beoordeling van de RvVb voor vernietiging vatbaar is”, dwingt de Raad van State tot het overdoen in tweede instantie van de feitelijke beoordeling van de RvVb. De Raad van State is daartoe niet bevoegd. Luidens artikel 14, § 2, van de RvS-wet, treedt de Raad van State immers “niet in de beoordeling van de zaken zelf”. De Raad van State mag als cassatierechter enkel nagaan of het bestreden arrest overeenkomstig de wet is genomen.
  14. Het middel dat aanvoert dat de RvVb in de beoordeling “van het procedureel verloop bij de deputatie artikel 4.7.23, § 1, lid 1 VCRO en de hoorplicht [...] schendt, is bij gebrek aan nauwkeurigheid niet ontvankelijk.
  15. De bij artikel 149 van de Grondwet en artikel 32 DBRC opgelegde verplichting aan de RvVb om zijn rechterlijke uitspraak te motiveren, heeft het karakter van een vormvereiste met beperkte draagwijdte. Een uitspraak is gemotiveerd wanneer de rechter duidelijk en ondubbelzinnig de redenen uiteenzet -al waren ze verkeerd of onwettig- die hem ertoe brengen zijn beslissing te nemen. Bij de beoordeling of artikel 149 van de Grondwet werd nageleefd, is bijgevolg niet de vraag aan de orde of in de beslissing een verkeerde beoordeling van de feitelijke gegevens is uitgedrukt. Het gaat er dan ook niet om of de motivering omstandig of juist is. Alleen een gemis aan motivering of daarmee gelijkgestelde gevallen, zoals tegenstrijdigheid in de motieven, maken een schending uit van artikel 149 van de Grondwet.
  16. Het middel dat de schending van de rechterlijke motiveringsverplichting wegens “foutieve […] motivering” aanvoert, gaat uit van een andere rechtsopvatting en faalt bijgevolg naar recht. VII-41.165-5/6
  17. Het middel dat de schending van de rechterlijke motiveringsverplichting wegens “tegenstrijdige motivering” tussen het bestreden arrest en een eerder in een andere zaak uitgesproken arrest van de RvVb aanvoert, gaat eveneens uit van een andere rechtsopvatting en faalt bijgevolg naar recht.
  18. Het middel wordt verworpen. V. Heropening van het debat
  19. Het verslag van de auditeur is beperkt tot het onderzoek van het eerste middel. Er is bijgevolg grond om een aanvullend onderzoek te bevelen. BESLISSING
  20. De Raad van State heropent het debat.
  21. De Raad van State gelast het door de auditeur-generaal aan te stellen lid van het auditoraat met een aanvullend onderzoek van de zaak. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van twee juni tweeduizend tweeëntwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Carlo Adams, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Stephan De Taeye, staatsraad, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier. De griffier De voorzitter Bart Tettelin Carlo Adams VII-41.165-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.253.909 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.255.671 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.