id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 02 juni 2022 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.253.911 Rolnummer: A. 232901/VII-41019 Zaak: Arrest 253911 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 02/06/2022 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2022-06-14 Raadplegingen: 71 - laatst gezien 2026-06-10 07:00 Fiche Arrest nr 253.911 van 2 juni 2022 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 253.911 van 2 juni 2022 in de zaak A. 232.901/VII-41.019 In zake : Marck BEKERS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Emmanuel Plavsic kantoor houdend te 2000 Antwerpen Meir 22-24, bus 2 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : het COLLEGE VAN BURGEMEESTER EN SCHEPENEN VAN DE GEMEENTE KAPELLEN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Ciska Servais kantoor houdend te 2600 Antwerpen Posthofbrug 6, bus 1 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het cassatieberoep, ingesteld op 12 februari 2021, strekt tot de nietigverklaring van arrest nr. RvVb-A-2021-0494 van de Raad voor Vergunningsbetwistingen (hierna: RvVb) van 7 januari 2021 in de zaken 1920-RvVb-0203-A, 1920-RvVb-0204-A, 1920-RvVb-0205-A, 1920-RvVb-0206-A, 1920-RvVb-0207-A, 1920-RvVb-0208-A, 1920-RvVb-0209-A, 1920-RvVb-0210-A, 1920-RvVb-0212-A, 1920-RvVb-0219-A, 1920-RvVb-0220-A, 1920-RvVb-0221-A en 1920-RvVb-0222-A. II. Verloop van de rechtspleging VII-41.019-1/19
- Het cassatieberoep is toelaatbaar verklaard bij beschikking van 22 april
- De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur Wouter De Cock heeft op 6 oktober 2021 een verslag opgesteld, op grond van artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State’. Verzoeker heeft een verzoek tot voortzetting van de procedure teneinde te worden gehoord ingediend. De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 28 april
- Staatsraad Pierre Lefranc heeft verslag uitgebracht. Advocaat Christiaan Lesaffer, die loco advocaat Emmanuel Plavsic verschijnt voor verzoeker en advocaat Philippe Van Wesemael, die loco advocaat Ciska Servais verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Wouter De Cock heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- VII-41.019-2/19 III. Feiten
- De gemeentelijke omgevingsambtenaar beslist op 2 oktober 2019 tot de onvolledigverklaring van 13 omgevingsvergunningsaanvragen van verzoeker voor het oprichten van in totaal 16 vrijstaande eengezinswoningen.
- Het bestreden arrest verwerpt de drie middelen en bijgevolg de vorderingen van verzoeker tot vernietiging van de beslissingen van de gemeentelijke omgevingsambtenaar. IV. Regelmatigheid van de rechtspleging
- De laatste memorie van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Kapellen wordt uit het debat geweerd.
- In zoverre het verzoek tot voortzetting van verzoeker ook de neerslag vormt van zijn uiteenzetting ter terechtzitting, wordt het niet als een processtuk, maar als een loutere inlichting in aanmerking genomen. V. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Standpunt verzoeker
- Verzoeker voert de schending aan van artikelen 149 van de Grondwet “omdat de RvVb het eerste door verzoekende partij opgeworpen middel niet heeft beantwoord”. Hij zet uiteen dat het bestreden arrest ‘de MER-kwestie’ behandelt “in wat een globale beoordeling van het eerste, tweede middel en het eerste middelonderdeel van het derde middel lijkt te zijn. In de mate dat volstrekt onduidelijk is welke overweging uit het bestreden arrest op welk VII-41.019-3/19 middel(onderdeel) slaat, is er een motiveringsgebrek aangezien dergelijke handelswijze gelijk gesteld moet worden met een gemis aan motivering t.a.v. duidelijk afzonderlijke en als dusdanig door verzoekende partij in haar processtukken geïdentificeerde middelen of onderdelen ervan die inhoudelijk niet samenvallen. Het bestreden arrest bevat alleszins geen antwoord en dus geen motivering m.b.t. de in het eerste middel aangevoerde schending van het vertrouwens- en het rechtszekerheidsbeginsel, het zorgvuldigheidsbeginsel en de plicht tot afdoende materiële motiveren n.a.v. het bestuurlijk (voor)overleg tussen 2013 en 2017”. Verzoeker betoogt nog: “Volgende overweging in het bestreden arrest doet geen afbreuk aan deze vaststelling: ‘Uit de gevoegde overtuigingsstukken blijkt niet dat de verwerende partij zelf op de beoordeling van de project-m.e.r.-screeningsnota is vooruitgelopen, wat ze in het licht van artikel 20 en 21 OVD en artikel 66 OVD ook niet mocht doen. […]’. De RvVb motiveert immers niet waarom de houding van de gemeente Kapellen in het voortraject geen rechtmatig vertrouwen opwekte bij verzoekende partij dat later geschonden werd, wat de essentie van haar eerste middel was. Het motief van de RvVb dat de gemeente Kapellen niet op de beoordeling van een screeningsnota zou zijn ‘vooruitgelopen’ (daargelaten of de RvVb daarmee niet de bewijskracht van de stukken miskende), is immers geen antwoord op het middelonderdeel dat aanvoerde dat de houding van de gemeente een bepaald vertrouwen opwekte bij verzoekende partij dat de weg van de screening voldoende was. Zelfs indien de gemeente niet was ‘vooruitgelopen’ en dat haar interne overtuiging was, is het mogelijk dat haar handelingen en houding bij verzoekende partij een bepaald vertrouwen opwekten, zoals zij aanvoerde. De RvVb motiveert niet in het licht van wat verzoekende partij daarover in haar processtukken aanvoerde, waarom dat vertrouwen niet de beslissingsmarge van de gemeente aantastte zoals aangevoerd. Zulks maakt een evidente schending uit van artikel 149 van de Grondwet”. VII-41.019-4/19 Beoordeling
- De bij artikel 149 van de Grondwet opgelegde verplichting aan de RvVb om zijn rechterlijke uitspraak te motiveren, heeft het karakter van een vormvereiste met beperkte draagwijdte. Een uitspraak is gemotiveerd wanneer de rechter duidelijk en ondubbelzinnig de redenen uiteenzet -al waren ze verkeerd of onwettig- die hem ertoe brengen zijn beslissing te nemen. Alleen een gemis aan motivering of daarmee gelijkgestelde gevallen, zoals tegenstrijdigheid in de motieven, maken een schending uit van artikel 149 van de Grondwet. De rechterlijke motiveringsverplichting houdt niet in dat de RvVb moet antwoorden op elk argument dat tot staving van een middel is aangevoerd, maar dat geen afzonderlijk middel vormt.
- Het bestreden arrest vat het eerste middel van verzoeker als volgt samen: “In het eerste middel verwijt de verzoekende partij de gemeente dat ze bij overlegmomenten nooit een opmerking heeft gemaakt over het gebruik van een project-m.e.r.-screeningsnota op basis waarvan de milieueffecten als niet aanzienlijk worden gekwalificeerd. De bestreden beslissingen zijn volgens de verzoekende partij gebaseerd op informatie die de verwerende partij werd overgemaakt op overlegmomenten die plaatsvonden tussen 2013 en 2016, en waarover ze in het kader van de behandeling van eerdere vergunningsaanvragen in de periode 2003-2013 al eerder beschikte. Dat er volgens de verwerende partij plots wel een volwaardig MER-rapport moet opgesteld worden, schendt het vertrouwens- rechtszekerheids- en zorgvuldigheidsbeginsel. De bestreden beslissingen zijn, wat het motief voor het ontbreken van een project-MER betreft, minstens niet afdoende gemotiveerd. De verwerende partij motiveert onder meer dat de omgevingsaanvragen samen genomen tot een ontbossing van 2,2 ha leiden, samen met het ‘gedeeltelijk verdwijnen van heidevegetatie’ op één perceel, zodat er mogelijks aanzienlijke effecten zijn voor het milieu. Over het verdwijnen van heidevegetatie bestaat kennelijk een substantieel misverstand. Met Natuurpunt werd reeds een volwaardig dossier heidecompensatie, bovenop boscompensatie, onderhandeld. De heidecompensatie heeft betrekking op een perceel dat buiten het kader van de vergunningsaanvragen valt en waarvoor binnenkort een vergunningsaanvraag zal worden ingediend. De verwerende partij wist al lang dat de vergunningsaanvragen samen enige mate van ontbossing teweeg gingen brengen, wat niet alsnog kon worden aangehaald om te oordelen dat een project-MER moest worden opgesteld. De verzoekende partij verwijst naar diverse overtuigingsstukken waaruit de intense samenwerking met de VII-41.019-5/19 verwerende partij moet blijken. De meeste recente stukken hebben onder meer betrekking op de bespreking van een testdossier dat op 30 mei 2016 heeft plaatsgevonden (stukken 17 tot en met 24 verzoekende partij). Uit stuk 21 blijkt volgens de verzoekende partij opnieuw dat er door de gemeente geen opmerkingen werden gemaakt over de noodzaak tot het opstellen van een volledig MER-rapport. De verzoekende partij voegt ook facturatie-overzichten toe (stukken 15 en 16) waaruit blijkt dat ‘de verschillende adviseurs, zowel intern als extern, naar aanleiding van de instructies van de gemeente volledig op het spoor van de MER-screening zaten’”. Bij de beoordeling van de drie middelen die verzoeker in de 13 samengevoegde zaken heeft aangevoerd, overweegt de RvVb dat - het eerste, tweede middel en eerste middelonderdeel van het derde middel “ervan uit[gaan] dat de verwerende partij niet rechtmatig beslist heeft dat nog een project-MER aan de omgevingsvergunningsaanvraag moet worden gevoegd” en dat aan “de oorsprong van die redenering […] de in 2013 genomen beslissing tot onvolledigheid over vergelijkbare vergunningsaanvragen voor dezelfde percelen en de bestuurlijke overlegmomenten die plaatsvonden [ligt], waarin of waarop het gebruik van een project-m.e.r.-screeningsnota en de concrete inhoud ervan volgens de verzoekende partij niet door de verwerende partij bekritiseerd werd”, - “de bestreden beslissingen door minstens twee draagkrachtige motieven, namelijk
(1)het ontbreken van een project-MER of project-MER-ontheffing en
(2)het ontbreken van machtigingsbeslissing voor ontbossing, geschraagd worden”, - het betoog van verzoeker “dat de verwerende partij niet (alsnog) kon vragen om een project-MER bij te brengen, […] in het licht van de motieven van de bestreden beslissing(en), niet [kan] overtuigen, niet het minst omdat de bestreden beslissingen er ook de aandacht op vestigen dat een project-MER-ontheffingsbeslissing mogelijkerwijs ook kan volstaan”, - de “motieven van de bestreden beslissing waaruit volgt dat de verwerende partij ‘om deze gevolgen voor het milieu goed te kunnen inschatten’ wil kunnen buigen op een project-MER, minstens een goedgekeurd ontheffingsverzoek, […] niet kennelijk onredelijk, kennelijk onzorgvuldig, duidelijk foutief en/of onvoldoende gemotiveerd” zijn. VII-41.019-6/19
- Het middel dat de schending aanvoert van artikel 149 van de Grondwet omdat het bestreden arrest het eerste middel van verzoeker niet beantwoordt, mist feitelijke grondslag.
- Het middel wordt verworpen. B. Tweede middel Standpunt verzoeker
- Verzoeker voert de schending aan van artikel 149 van de Grondwet “omdat de RvVb het eerste middelonderdeel van het tweede door verzoekende partij opgeworpen middel niet heeft beantwoord”. Hij betoogt dat het bestreden arrest “geen enkele motivering [bevat] om het eerste middelonderdeel van het tweede middel te weerleggen. Alleszins is volstrekt onduidelijk welke paragrafen van de doorlopende tekst zonder enige indeling per middel(onderdeel) in het bestreden arrest […] betrekking hebben op welk middel(onderdeel) uit het eerste en tweede middel en het eerste onderdeel van het derde middel”. Beoordeling
- Het bestreden arrest vat het eerste onderdeel van het tweede middel van verzoeker als volgt samen: “In het eerste middelonderdeel van het tweede middel verwijst de verzoekende partij naar haar betoog in het eerste middel en benadrukt ze dat het vreemd is dat de gemeente de conclusie van de MER-screening betwist zonder dat er sprake is van nieuwe gegevens of er wetswijzigingen zijn doorgevoerd. Ze legt expliciet de nadruk op de e-mail van de MER-deskundige, gericht aan de raadsman van de verzoekende partij, waarin duidelijk te lezen staat dat de gemeente nooit enig voorbehoud over het gebruik van een project-m.e.r.-screeningsnota heeft gemaakt. Ze meent dat de huidige beslissing dat ook het toonvoorbeeld is van ‘het in de bijdrage van H. SCHOUKENS aangehaalde risico dat een gemeente de beslissing VII-41.019-7/19 over de MER-screening ook kan ‘misbruiken’ teneinde bepaalde projecten die zij niet genegen is, in de kiem te smoren’”. Bij de beoordeling van de drie middelen die verzoeker in de 13 samengevoegde zaken heeft aangevoerd, overweegt de RvVb dat - het eerste, tweede middel en eerste middelonderdeel van het derde middel “ervan uit[gaan] dat de verwerende partij niet rechtmatig beslist heeft dat nog een project-MER aan de omgevingsvergunningsaanvraag moet worden gevoegd” en dat aan “de oorsprong van die redenering […] de in 2013 genomen beslissing tot onvolledigheid over vergelijkbare vergunningsaanvragen voor dezelfde percelen en de bestuurlijke overlegmomenten die plaatsvonden [ligt], waarin of waarop het gebruik van een project-m.e.r.-screeningsnota en de concrete inhoud ervan volgens de verzoekende partij niet door de verwerende partij bekritiseerd werd”, - “de bestreden beslissingen door minstens twee draagkrachtige motieven, namelijk
(1)het ontbreken van een project-MER of project-MER-ontheffing en
(2)het ontbreken van machtigingsbeslissing voor ontbossing, geschraagd worden”, - het betoog van verzoeker “dat de verwerende partij niet (alsnog) kon vragen om een project-MER bij te brengen, […] in het licht van de motieven van de bestreden beslissing(en), niet [kan] overtuigen, niet het minst omdat de bestreden beslissingen er ook de aandacht op vestigen dat een project-MER-ontheffingsbeslissing mogelijkerwijs ook kan volstaan”, -de “motieven van de bestreden beslissing waaruit volgt dat de verwerende partij ‘om deze gevolgen voor het milieu goed te kunnen inschatten’ wil kunnen buigen op een project-MER, minstens een goedgekeurd ontheffingsverzoek, [...] niet kennelijk onredelijk, kennelijk onzorgvuldig, duidelijk foutief en/of onvoldoende gemotiveerd” zijn.
- Het middel dat de schending aanvoert van artikel 149 van de Grondwet omdat het bestreden arrest het eerste onderdeel van het tweede middel van verzoeker niet beantwoordt, mist feitelijke grondslag.
- Het middel wordt verworpen. VII-41.019-8/19 C. Derde middel Standpunt verzoeker
- Verzoeker voert de schending aan van - artikel 149 van de Grondwet “omdat de RvVb het tweede middelonderdeel van het tweede door verzoekende partij opgeworpen middel niet heeft beantwoord”, en - de “artikelen 1319, 1320 en 1322 van het [oud] Burgerlijk Wetboek door aan de gemeentelijke beslissingen een lezing te geven die ermee strijdig is”. Hij betoogt: “De voor de RvVb bestreden gemeentelijke beslissing bevat geen motieven waar uit blijkt dat zij meent dat de voorgestelde milderende maatregelen in realiteit compenserende maatregelen zouden zijn. De gemeente Kapellen wees enkel op de aanwezigheid van die milderende maatregelen in de MER-screening om te stellen dat dit een aanwijzing was voor mogelijk aanzienlijke milieu-gevolgen. De gemeente stelde het milderend karakter als dusdanig niet in vraag: […] De RvVb komt aldus tot een conclusie (‘het blijkt niet zonder meer dat het geen compenserende maatregel betreft...’) die de gemeente Kapellen zelf niet trok zodat het bestreden arrest aan stuk 2 een uitlegging geeft die met de letter ervan onverenigbaar is zodat ook in rechte een verkeerde conclusie wordt getrokken, wat dan weer een motiveringsgebrek is. […] Alleszins is de motivering van het bestreden arrest op dit punt geen antwoord op de essentie van het middelonderdeel, nl. dat de gemeente Kapellen niet afdoende motiveerde waarom milderende maatregelen als motief kunnen dienen om te stellen dat er mogelijk aanzienlijke milieugevolgen kunnen zijn, terwijl verzoekende partij in processtukken uitvoerig had geargumenteerd dat milderende maatregelen daarvoor in principe juist niet voor kunnen worden ingeroepen […]”. Beoordeling
- Het bestreden arrest vat het tweede onderdeel van het tweede middel van verzoeker als volgt samen: VII-41.019-9/19 “In het tweede middelonderdeel van het tweede middel bekritiseert de verzoekende partij dat de milderende maatregelen die de verzoekende partij in haar project-m.e.r.-screeningsnota liet opnemen en in haar aanvraag heeft verwerkt, in de bestreden beslissing worden gebruikt om te stellen dat het project toch aanzienlijke milieugevolgen heeft. Die maatregelen maken integraal deel uit van het project. De verwerende partij haalt het doel van een project-m.e.r.-screening onderuit, aangezien de studie naar de milieueffecten van een project net als doel heeft om na te gaan of een project milieumatig met de onmiddellijke omgeving verenigbaar is, dan wel onder welke voorwaarden deze verenigbaarheid kan worden gegarandeerd. Ze verwijst naar artikel 4, vierde lid van Richtlijn 2011/92/EU, die volgens haar afdoende duidelijk is om rechtstreekse werking te hebben. De verwerende partij is verplicht rekening te houden met informatie over milderende maatregelen. Dat wordt ook zo in Belgische rechtsleer geïnterpreteerd. De verzoekende partij benadrukt opnieuw dat ook de MER-deskundige de mening toegedaan is dat de gemeente de zaken ‘omdraait’ […] en onder meer stelt dat ‘in de project-mer-screening [...] enkel aanbevelingen [staan], dit om beperkt negatieve (dus geen aanzienlijke negatieve) effecten te reduceren. [...] Er wordt echter besloten dat deze voorwaarden zullen opgenomen worden in de lasten gekoppeld aan het verkavelingsakkoord, waardoor deze aandachtspunten/voorwaarden in principe deel uitmaken van het projectvoornemen en bijgevolg niet als milderende maatregel worden opgelegd’. De verzoekende partij somt de maatregelen op die voorgesteld worden in de project-m.e.r.-screeningsnota en die door de verwerende partij op geen enkele wijze in de motieven van de bestreden beslissing betrokken zijn geweest (p. 37-38 verzoekschrift). Ze onderlijnt onder meer dat de achterliggende tuinen gevrijwaard blijven van ontbossing waardoor een 40 tot 80 meter brede corridor blijft bestaan waarlangs de bestaande dier- en plantensoorten kunnen migreren. Ze benadrukt dat uit de voortoets passende beoordeling blijkt dat het voorgenomen project geen enkele significante impact heeft. Door niet in te gaan op de verschillende maatregelen die de initiatiefnemer in de project-m.e.r.-screening heeft uitgewerkt, noch de redenen op te geven waarom deze maatregelen onvoldoende zijn, heeft de verwerende partij de op haar rustende motiveringsplicht geschonden. Die onwettigheid wordt nog versterkt door het feit dat zowel Natuurpunt als het Agentschap voor Natuur en Bos op basis van de uitgewerkte screening bereid waren om hun medewerking te verlenen”. Bij de beoordeling van de drie middelen die verzoeker in de 13 samengevoegde zaken heeft aangevoerd, overweegt de RvVb dat - het eerste, tweede middel en eerste middelonderdeel van het derde middel “ervan uit[gaan] dat de verwerende partij niet rechtmatig beslist heeft dat nog een project-MER aan de omgevingsvergunningsaanvraag moet worden gevoegd” en dat aan “de oorsprong van die redenering […] de in 2013 genomen beslissing tot onvolledigheid over vergelijkbare vergunningsaanvragen voor dezelfde percelen VII-41.019-10/19 en de bestuurlijke overlegmomenten die plaatsvonden [ligt], waarin of waarop het gebruik van een project-m.e.r.-screeningsnota en de concrete inhoud ervan volgens de verzoekende partij niet door de verwerende partij bekritiseerd werd”, - “de bestreden beslissingen door minstens twee draagkrachtige motieven, namelijk
(1)het ontbreken van een project-MER of project-MER-ontheffing en
(2)het ontbreken van machtigingsbeslissing voor ontbossing, geschraagd worden”, - het betoog van verzoeker “dat de verwerende partij niet (alsnog) kon vragen om een project-MER bij te brengen, […] in het licht van de motieven van de bestreden beslissing(en), niet [kan] overtuigen, niet het minst omdat de bestreden beslissingen er ook de aandacht op vestigen dat een project-MER-ontheffingsbeslissing mogelijkerwijs ook kan volstaan”, - de “motieven van de bestreden beslissing waaruit volgt dat de verwerende partij ‘om deze gevolgen voor het milieu goed te kunnen inschatten’ wil kunnen buigen op een project-MER, minstens een goedgekeurd ontheffingsverzoek, [...] niet kennelijk onredelijk, kennelijk onzorgvuldig, duidelijk foutief en/of onvoldoende gemotiveerd” zijn. 18. Het middel dat de schending aanvoert van artikel 149 van de Grondwet omdat het bestreden arrest het tweede onderdeel van het tweede middel van verzoeker, niet beantwoordt, mist feitelijke grondslag. Het middel dat dezelfde schending aanvoert omdat in het bestreden arrest “een verkeerde conclusie wordt getrokken”, gaat uit van een verkeerde rechtsopvatting van de rechterlijke motiveringsverplichting bedoeld in randnummer 8. Het middel faalt in zoverre naar recht. 19. Het middel dat de schending van de bewijskracht van een akte aanvoert, is onontvankelijk wegens gebrek aan precisie. Verzoeker preciseert niet hoe en waarom het bestreden arrest “aan stuk 2 een uitlegging geeft die met de letter ervan onverenigbaar is” en dus de bewijskracht van dat stuk schendt, door louter te stellen dat de RvVb tot de conclusie komt dat niet zonder meer blijkt dat VII-41.019-11/19 het geen compenserende maatregelen betreft “die de gemeente Kapellen zelf niet trok”. D. Vierde middel Standpunt verzoeker 20. Verzoeker voert de schending aan van artikel 149 van de Grondwet “doordat het een intern tegenstrijdige motivering bevat m.b.t. het derde onderdeel van het tweede middel van verzoekende partij”. Hij betoogt dat de RvVb “niet, zonder intern met zich zelf in tegenspraak te zijn, tegelijk [kan] oordelen dat (
- i)de impact van het verdwijnen van heidevegetatie op een perceel dat niet het voorwerp was van een aanvraag door verzoekende partij wél voor de gemeente een gegronde reden was om een project-MER (of ontheffing) te vragen omdat dit perceel en die van verzoekende partij een geheel vormen en (
- ii)oordelen dat het beroep m.b.t. het perceel waar die heidevegetatie zal verdwijnen niét samen gevoegd moet worden met die van verzoekende partijen omdat het een ander verkavelingsakkoord betreft”. Beoordeling 21. Het middel gaat terug op - enerzijds de beslissing van de RvVb dat er “geen grond [bestaat] om over te gaan tot samenvoeging met het dossier dat bij de [RvVb] gekend is onder nummer 1920-RvVb-0773-A” onder meer omdat “het om de uitvoering van een ander (weliswaar dichtbij te situeren) verkavelingsakkoord”gaat, en - anderzijds de beoordeling door de RvVb van de middelen van verzoeker, meer bepaald het derde onderdeel van het tweede middel van verzoeker, dat in het bestreden arrest als volgt wordt samengevat: “In het derde middelonderdeel van het tweede middel betoogt de verzoekende partij dat de motivering in verband met heidevegetatie evenmin draagkrachtig is. Het motief stemt niet overeen met het feitelijk voorwerp VII-41.019-12/19 van de vergunningsaanvragen (het betreft het dossier ‘Herkens’) en betreft ‘slechts’ 1 van de 17 percelen. Minstens wordt niet gemotiveerd waarom de voor dit perceel voorziene natuurcompensatieplan niet voldoet. De verzoekende partij verwijst opnieuw naar de e-mail van de MER-deskundige […]”. Bij de beoordeling van de drie middelen die verzoeker in de 13 samengevoegde zaken heeft aangevoerd, overweegt de RvVb dat - het eerste, tweede middel en eerste middelonderdeel van het derde middel “ervan uit[gaan] dat de verwerende partij niet rechtmatig beslist heeft dat nog een project-MER aan de omgevingsvergunningsaanvraag moet worden gevoegd” en dat aan “de oorsprong van die redenering […] de in 2013 genomen beslissing tot onvolledigheid over vergelijkbare vergunningsaanvragen voor dezelfde percelen en de bestuurlijke overlegmomenten die plaatsvonden [ligt], waarin of waarop het gebruik van een project-m.e.r.-screeningsnota en de concrete inhoud ervan volgens de verzoekende partij niet door de verwerende partij bekritiseerd werd”, - “de bestreden beslissingen door minstens twee draagkrachtige motieven, namelijk
(1)het ontbreken van een project-MER of project-MER-ontheffing en
(2)het ontbreken van machtigingsbeslissing voor ontbossing, geschraagd worden”, en verder: “De project-m.e.r.-screeningsnota die bij de vergunningsaanvragen gevoegd is, onderkent de noodzaak ‘om de milieueffecten van enerzijds het afzonderlijke project te beschrijven (de stedenbouwkundige aanvraag van 1 perceel), maar anderzijds ook de cumulatieve effecten van alle 17 bouwaanvragen samen’. De screeningsnota onderzoekt uitdrukkelijk de potentiële milieueffecten van de omgevingsvergunningsaanvragen die ‘in uitvoering’ van het verkavelingsakkoord ‘Extensa’ worden ingediend en de omgevingsvergunningsaanvraag die (later) ‘in uitvoering’ van het verkavelingsakkoord ‘Mahieu’ zal worden ingediend. […] De project-m.e.r.-screeningsnota vermeldt dat op het perceel gelegen binnen het verkavelingsakkoord Mahieu een droge heidevegetatie aanwezig is, die vernietigd zal worden en ‘de vernietiging toch als negatief beoordeeld [dient] te worden, gezien dit habitattype specifiek werd aangemeld voor het nabijgelegen habitatrichtlijngebied. Voor dit perceel werd een compensatiedossier opgemaakt’ (p. 36 project-m.e.r.-screeningsnota). Het kan de verzoekende partij niet verweten worden dat ze verwijst naar de gevolgen van het verdwijnen van heidevegetatie op een perceel dat op zich niet het voorwerp van de bestreden beslissingen uitmaakt, als de project-m.e.r.-screeningsnota daaraan refereert. Dat project werd bovendien VII-41.019-13/19 niet gelijktijdig met de in het vizier zijnde omgevingsvergunningsaanvragen ingediend, wat ook maakt dat de verwerende partij over het lot van de heidevegetatie geen zekerheid had op het ogenblik van de beoordeling van de bestreden beslissingen. […] Het spreekt voor zich dat het de verwerende partij toegelaten moet zijn om, als het haar voorkomt dat een project aanzienlijke milieueffecten kan genereren en de project-m.e.r.-screeningsnota haar niet (volledig) kan overtuigen dat dit niet het geval zou zijn, daarover aan de hand van een project-MER of ontheffingsbeslissing (zo goed als mogelijk) uitsluitsel te vragen. […]”.
- Het bestreden arrest dat beslist om de aangehaalde reden een zaak niet samen te voegen met de 13 samengevoegde zaken en om de aangehaalde reden de drie middelen van verzoeker in de 13 samengevoegde zaken verwerpt, is niet tegenstrijdig gemotiveerd. E. Vijfde middel Standpunt verzoeker
- Verzoeker voert de schending aan van artikel 149 van de Grondwet “omdat de RvVb het vierde middelonderdeel van het tweede door verzoekende partij opgeworpen middel niet heeft beantwoord”. Beoordeling
- Het bestreden arrest vat het vierde onderdeel van het tweede middel van verzoeker als volgt samen: “In het vierde middelonderdeel van het tweede middel stelt de verzoekende partij tenslotte dat de ontbossing van 2,2 ha niet automatisch ‘aanzienlijke’ milieueffecten genereert. Ze wijst erop dat voor een ontbossing groter dan 3 ha nog altijd een project-MER-ontheffing kan worden verkregen (bijlage II Project-MER-besluit, handleiding ontbossing van het Departement Omgeving). De verwerende partij motiveert volgens haar niet waarom de milieueffecten in kwestie wel als aanzienlijk kunnen worden gekwalificeerd”. VII-41.019-14/19
- Bij de beoordeling van de drie middelen die verzoeker in de 13 samengevoegde zaken heeft aangevoerd, overweegt de RvVb dat - het eerste, tweede middel en eerste middelonderdeel van het derde middel “ervan uit[gaan] dat de verwerende partij niet rechtmatig beslist heeft dat nog een project-MER aan de omgevingsvergunningsaanvraag moet worden gevoegd” en dat aan “de oorsprong van die redenering […] de in 2013 genomen beslissing tot onvolledigheid over vergelijkbare vergunningsaanvragen voor dezelfde percelen en de bestuurlijke overlegmomenten die plaatsvonden [ligt], waarin of waarop het gebruik van een project-m.e.r.-screeningsnota en de concrete inhoud ervan volgens de verzoekende partij niet door de verwerende partij bekritiseerd werd”, - “de bestreden beslissingen door minstens twee draagkrachtige motieven, namelijk
(1)het ontbreken van een project-MER of project-MER-ontheffing en
(2)het ontbreken van machtigingsbeslissing voor ontbossing, geschraagd worden”, en verder: “De project-m.e.r.-screeningsnota gewaagt qua biotoopverlies (p. 26) dat ‘verlies van bos […] echter algemeen aanzien [wordt] als een negatieve evolutie in het kader van het standstill-principe. Er dient echter opgemerkt te worden dat dit type van bos gemakkelijk te compenseren is en er voor de soorten die er momenteel voorkomen veel uitwijkmogelijkheden zijn in de omgeving. Door de initiatiefnemers wordt er ook voor gekozen om voor de ontbossing een compensatie te voorzien in natura. Hiervoor zijn reeds de nodige stappen ondernomen.’ De screeningsnota vermeldt nog dat ‘algemeen kan besloten worden dat de beperkte ‘ontbossing’ en de verwijdering van heidevegetatie beperkt negatief tot negatief kan beoordeeld worden. Aanzienlijk negatieve effecten omwille van rechtstreeks biotoopverlies worden er echter niet verwacht’. (p. 27, […]). Of er aanzienlijke negatieve effecten omwille van onrechtstreeks biotoopverlies te verwachten zijn, wordt niet vermeld. Anders dan de verzoekende partij dat ziet, blijkt niet dat het compenseren van bos louter uitvoering geeft aan regelgeving omtrent ontbossing. Het blijkt niet zonder meer dat het geen compenserende maatregel betreft die ertoe strekt de (mogelijk aanzienlijke) milieueffecten die de projecten hebben, te compenseren (compenserende maatregel), eerder dan ze te voorkomen en verminderen (milderende maatregel). De vergunningverlenende overheid kan enkel beslissen dat er geen milieueffectrapport over het aangevraagd project moet worden opgesteld indien een toetsing aan de criteria van bijlage II DABM uitwijst dat het project geen aanzienlijke gevolgen kan hebben voor het milieu. Van elke voorgestelde milderende maatregel moet dus blijken dat die in wezen geen VII-41.019-15/19 (verdoken) compenserende maatregel betreft. De compensatie van zowel heidevegetatie als het bos vindt niet plaats op de percelen van de omgevingsvergunningsaanvragen zelf. […] Het spreekt voor zich dat het de verwerende partij toegelaten moet zijn om, als het haar voorkomt dat een project aanzienlijke milieueffecten kan genereren en de project-m.e.r.-screeningsnota haar niet (volledig) kan overtuigen dat dit niet het geval zou zijn, daarover aan de hand van een project-MER of ontheffingsbeslissing (zo goed als mogelijk) uitsluitsel te vragen”.
- Het middel mist feitelijke grondslag. F. Zesde middel Standpunt verzoeker
- Verzoeker voert de schending aan van - (eerste onderdeel) artikel 149 van de Grondwet en artikel 20 van het decreet van 25 april 2014 ‘betreffende de omgevingsvergunning’ (hierna: omgevingsvergunningsdecreet) “doordat het bestreden arrest een verkeerde conclusie in rechte trekt door te oordelen dat omdat het omgevingsvergunningsdecreet geen verplichting bevat om ontbrekende informatie op te vragen, om die reden dat niet doen niet onzorgvuldig is”; - (tweede onderdeel) de artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek “door aan punt 4 van de voor de RvVb bestreden gemeentelijke beslissingen een lezing te geven die ermee strijdig is en alzo een rechtspunt te beslechten dat geen voorwerp was van het beroep door verzoekende partij”, en artikel 6 EVRM “doordat partijen hierover geen tegenspraak hebben kunnen voeren”. Hij betoogt in het eerste middelonderdeel dat het oordeel van de RvVb “dat het niet onzorgvuldig is om ontbrekende informatie niet op te vragen omdat artikel 20 van het omgevingsvergunningdecreet daar enkel een mogelijkheid toe bevat, [...] onjuist [is] in rechte en gebrekkig gemotiveerd in het licht van de wil van de decreetgever die van de vergunningverlenende overheid een pragmatische houding verwacht”. Dat is “een nietszeggende motivering en dus een VII-41.019-16/19 verkeerde conclusie in rechte die gelijk staat met de afwezigheid van een motivering in antwoord op het middelonderdeel opgeworpen voor de RvVb”. Verzoeker argumenteert in het tweede middelonderdeel dat de RvVb aan punt 4 van de bij hem bestreden beslissing van de gemeentelijke omgevingsambtenaar een draagwijdte en inhoud aan de gemeentelijke beslissing geeft “die deze niet heeft. [...] Anders dan wat de RvVb meent, stelt de gemeentelijke beslissing niet dat in casu een ontheffingsbeslissing nodig is en [dat] die ontbreekt. De letterlijke tekst van het motief van de gemeente is eigenlijk net tegenovergesteld […]. Anders dan de RvVb stelt […] is de afwezigheid in het aanvraagdossier van een ontheffingsbeslissing dus geen (deel)motief voor onvolledigheid of onontvankelijkheid. […] Het middelonderdeel dat verzoekende partij hiertegen opwierp, was dat het onzorgvuldig was om hierover geen verduidelijking en de gewenste stukken te vragen. De RvVb ontwikkelde dus ook een motivering op een rechtspunt dat niet het voorwerp was van het debat tussen partijen voor de RvVb en die geen steun vindt in de bewoordingen van de gemeentelijke beslissing. De RvVb voegt eigenlijk een motief toe aan de gemeentelijke beslissingen. Een motivering naast de kwestie en ultra petita dient gelijkgesteld te worden met een gemis aan motivering. […] Partijen hebben hier ook geen tegenspraak over kunnen voeren zodat het bestreden arrest de wet schendt, met artikel 6 EVRM”. Beoordeling
- Het middel dat de onjuistheid in rechte, het gebrekkig en het nietszeggend karakter van de motivering van het bestreden arrest aanvoert, gaat uit van een verkeerde rechtsopvatting van de rechterlijke motiveringsverplichting bedoeld in randnummer
- Het middel faalt in zoverre naar recht.
- Het middel dat de schending aanvoert van artikel 20 van het omgevingsvergunningsdecreet zonder uiteen te zetten op welke wijze het bestreden arrest deze bepaling schendt, is niet ontvankelijk. VII-41.019-17/19
- Het eerste middelonderdeel wordt verworpen.
- Het bestreden arrest overweegt: “De verzoekende partij maakt minstens niet aannemelijk dat de verwerende partij wat ‘punt 4’ betreft, met name dat voor een ontbossing binnen bosgebied in beginsel een ontheffingsbeslissing nodig is met toepassing van artikel 90bis van het Bosdecreet, een duidelijk foutief standpunt heeft ingenomen”. Het bestreden arrest citeert uit het voormelde “punt 4” van de voor de RvVb bestreden beslissingen dat door verzoeker luidens het bestreden arrest “op zich” niet wordt tegengesproken, onder meer: “Het dossier behelst een ontbossing binnen bosgebied op het gewestplan. In beginsel is daartoe een ontheffing van het verbod op ontbossing vereist. […]”.
- Het tweede middelonderdeel dat de miskenning van de bewijskracht van de kwestieuze akte aanvoert, is niet gegrond. Bijgevolg moet ook het aan dit middelonderdeel gekoppelde tweede middelonderdeel dat de schending van artikel 6 EVRM aanvoert, worden verworpen.
- Het middel wordt verworpen. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het cassatieberoep.
- Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 20 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. VII-41.019-18/19 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van twee juni tweeduizend tweeëntwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Carlo Adams, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Peter Sourbron, staatsraad, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier. De griffier De voorzitter Elisabeth Impens Carlo Adams VII-41.019-19/19 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.253.911 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div