← België

Arrest 253912 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 02/06/2022

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 02 juni 2022 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.253.912 Rolnummer: A. 234243/VII-41183 Zaak: Arrest 253912 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 02/06/2022 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2022-06-14 Raadplegingen: 72 - laatst gezien 2026-06-10 07:00 Fiche Arrest nr 253.912 van 2 juni 2022 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 253.912 van 2 juni 2022 in de zaak A. 234.243/VII-41.183 In zake : de DEPUTATIE VAN DE PROVINCIERAAD VAN WEST-VLAANDEREN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Steve Ronse en Isabelle Verhelle kantoor houdend te 8500 Kortrijk Beneluxpark 27B bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : Patrick VANHOUTEGHEM bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Gregory Vermaercke en Nick De Wint kantoor houdend te 8200 Brugge Dirk Martensstraat 23 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het cassatieberoep, ingesteld op 4 augustus 2021, strekt tot de nietigverklaring van arrest nr. RvVb-A-2021-1135 van de Raad voor Vergunningsbetwistingen (hierna: RvVb) van 24 juni 2021 in de zaak 1920-RvVb-0858-A. II. Verloop van de rechtspleging
  2. Het cassatieberoep is toelaatbaar verklaard bij beschikking van 31 augustus
  3. VII-41.183-1/10 De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur Tom De Waele heeft op 27 januari 2022 een verslag opgesteld, op grond van artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State’. De verzoekende partij heeft een verzoek tot voortzetting van de procedure teneinde te worden gehoord ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 28 april
  4. Staatsraad Pierre Lefranc heeft verslag uitgebracht. Advocaat Isabelle Verhelle, die verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Els De Rammelaere, die loco advocaten Gregory Vermaercke en Nick De Wint verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Tom De Waele heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  5. III. Feiten
  6. De deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen (hierna: deputatie) verleent op 11 juni 2020 aan Benoit-Van Eylen een VII-41.183-2/10 stedenbouwkundige vergunning “voor het verbouwen en uitbreiden van een bestaande woning”.
  7. Het bestreden arrest - verklaart het derde middel van Patrick Vanhouteghem gegrond na de conclusie “dat de motieven in de bestreden beslissing geen verantwoording bieden om, in tegenstelling met de weigeringsbeslissing van 21 maart 2013, het aangevraagde in overeenstemming te achten met het voorschrift A5 van het BPA nr. 2 ‘Gaverke’ (harmonieregel)” en vernietigt bijgevolg de bestreden vergunningsbeslissing, - concludeert dat de appreciatiebevoegdheid van de deputatie feitelijk volledig uitgehold is zodat ze de aanvraag in het licht van voormeld voorschrift A5 noodzakelijk moet weigeren en dat gezien de gebonden bevoegdheid van de deputatie er wordt overgegaan tot indeplaatsstelling en weigert de stedenbouwkundige vergunning voor het verbouwen en uitbreiden van een bestaande woning. IV. Onderzoek van het middel Standpunt van de deputatie
  8. De deputatie voert de schending aan van de artikelen 8.17 en 8.18 van het nieuwe Burgerlijk Wetboek “iuncto” het “voorschrift A5 van het BPA nr. 2 ‘Gaverke’ en de vergunning van 11 juni 2020”, “het gezag van gewijsde van de RvVb-arresten RvVb/A/1516/0388 van 22 december 2015 en RvVb/A/1718/0558 van 20 februari 2018”, artikel 32, tweede lid, van het decreet van 4 april 2014 ‘betreffende de organisatie en de rechtspleging van sommige Vlaamse bestuursrechtscolleges’ (hierna: DBRC) artikel 149 van de Grondwet, en van artikel 37, § 2, DBRC. Zij argumenteert in een eerste middelonderdeel: “[…] Vooreerst heeft de Raad voor Vergunningsbetwistingen in zijn arrest RvVb/A/1516/0388 van 22 december 2015 uitdrukkelijk geoordeeld: VII-41.183-3/10 ‘De Raad kan zijn beoordeling van het al dan niet voldaan zijn aan de harmonieregel zoals bepaald in artikel A5 van het BPA niet in de plaats stellen van die van de bevoegde overheid.’ Hetzelfde werd herhaald in het arrest van 20 februari 2018 met nummer RvVb/A/1718/
  9. Deze RvVb-arresten hebben gezag van gewijsde dat zich uitstrekt tot de onverbrekelijk met het dictum verbonden motieven waarover betwistingen bestonden en de partijen tegenspraak hebben gevoerd. In huidig bestreden arrest is de RvVb gehouden door het gezag van gewijsde van deze voorgaande beoordeling omtrent het beroep van de verwerende partij[…]. Door in huidig bestreden arrest te concluderen dat ‘de motieven in de bestreden beslissing geen verantwoording bieden om, in tegenstelling met de weigeringsbeslissing van 21 maart 2013, het aangevraagde in overeenstemming te achten met het voorschrift A5 van het BPA nr. 2 ‘Gaverke’ (harmonieregel), stelt de RvVb zijn beoordeling van het al dan niet voldaan zijn aan de harmonieregel van het BPA wél in de plaats van de bevoegde overheid. Het bestreden arrest schendt hiermede het gezag van gewijsde van zijn voorgaande arresten in dezelfde zaak. […] Dit klemt des te meer doordat de verzoekende partij terdege rekening heeft gehouden met de voorgaande RvVb-arresten, waardoor evenzeer een inbreuk wordt gepleegd op de bewijskracht van de deputatievergunning van 11 juni 2020 in het bestreden arrest. Deze vergunning poneert immers: […] […] Daarbij werd door de verzoekende partij benadrukt dat ten opzichte van de beslissing van 21 maart 2013 - waarvan deze laatste betrekking had op een andere en grotere aanvraag in omvang - een afwijkend standpunt werd ingenomen. Inmiddels werd omtrent deze aanvraag reeds tot drie keer toe hetzelfde afwijkend standpunt ingenomen door de verzoekende partij. In de deputatievergunning van 11 juni 2020 wordt dit standpunt - met inachtname van alle stukken - uitvoerig verantwoord: […] Een groot deel van deze gemarkeerde motivering in de deputatiebeslissing van 11 juni 2020 wordt niet meegenomen in het bestreden arrest. Het betreft aldus een gemis aan motivering in het bestreden arrest. Het bestreden arrest stelt enkel dat ‘de motieven in de thans bestreden beslissing weinig verschillen van de vorige beslissing’ en dat voornamelijk de woning van de verwerende partij als anomalie in het straatbeeld wordt beschouwd. Ook de schaduwstudie wordt in het bestreden arrest besproken, doch de overige motieven […] worden in het bestreden arrest achterwege gelaten. Bovendien betreft het ook een tegenstrijdigheid in de motieven van het bestreden arrest doordat de deputatiebeslissing wel grotendeels wordt geciteerd doch de wettigheidstoets in het bestreden RvVb-arrest ten aanzien van alle motieven niet wordt doorgevoerd. Hiermede wordt opnieuw de bewijskracht van de deputatiebeslissing van 11 juni 2020 miskend. VII-41.183-4/10 De motieven in de deputatiebeslissing kunnen evenmin als een stijlformule worden beschouwd, zoals het bestreden RvVb-arrest summier voorhoudt. Immers wordt in de deputatiebeslissing van 11 juni 2020 de link met de ramen van de verwerende partij ten aanzien van de Broekstraat betrokken, wordt het uitzicht op de witte muur getoetst, etc. Wederom wordt in huidig bestreden arrest de bewijskracht van de deputatiebeslissing miskend. […] Alwaar de verwerende partij slechts de motieven van het bestreden arrest citeert - waaronder de nieuwe schaduwstudie waarbij de RvVb in de discretionaire beoordeling van de vergunningverlenende overheid zelf treedt- kan dit niets aan de bovenstaande vaststellingen wijzigen. […] Tenslotte heeft het bestreden arrest van de RvVb met geen woord gerept over het voorstel van bemiddeling in toepassing van artikel 42 DBRC-decreet, dat verzoekende partij had aangehaald in haar antwoordnota. Dit betreft duidelijk een gemis aan motivering alsook het miskennen van de bewijskracht van het procedurestuk van de antwoordnota van verzoekende partij bij de RvVb”. Zij argumenteert in een tweede middelonderdeel: “[…] De RvVb heeft zelf in zijn voorgaande arresten erkend dat hij de toets met de harmonieregel uit het BPA niet kan maken. Er ligt zodoende geen gebonden bevoegdheid van de deputatie voor. Alwaar de finaliteit van de twee vorige vernietigingsarresten door de RvVb wordt opgelijst onder de indeplaatsstelling in het bestreden arrest, dient vastgesteld dat de deputatiebeslissing van 11 juni 2020 niet langer het voorschrift B5[…] van het BPA heeft aangehaald om de verenigbaarheid met de goede ruimtelijke ordening te verantwoorden én dat er bijkomende motieven werden opgenomen. Verwerende partij voert weinig tot geen weerwerk op dit punt. Met uitdrukkelijke verwijzing naar de argumentatie onder het eerste middelonderdeel, ligt tevens een schending van artikel 37 §2 DBRC-decreet voor in het bestreden arrest”. Beoordeling
  10. Het middelonderdeel dat aanvoert dat de RvVb “het gezag van gewijsde van zijn voorgaande arresten in dezelfde zaak” schendt door “te concluderen dat ‘de motieven in de bestreden beslissing geen verantwoording bieden om, in tegenstelling met de weigeringsbeslissing van 21 maart 2013, het aangevraagde in overeenstemming te achten met het voorschrift A5 van het BPA nr. 2 ‘Gaverke’ (harmonieregel)” en bijgevolg “zijn beoordeling van het al dan niet voldaan zijn aan de harmonieregel van het BPA wél in de plaats van de bevoegde VII-41.183-5/10 overheid” te stellen, dwingt de Raad van State tot het overdoen in tweede instantie van de feitelijke beoordeling van de RvVb. De Raad van State is daartoe niet bevoegd. Luidens artikel 14, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, treedt de Raad van State immers “niet in de beoordeling van de zaken zelf”. De Raad van State mag als cassatierechter enkel nagaan of het bestreden arrest overeenkomstig de wet is genomen.
  11. De bewijskracht van een akte bestaat in de vereiste eerbiediging van hetgeen daarin schriftelijk is vastgelegd. De RvVb miskent de bewijskracht van een akte indien hij aan een geschrift, waarnaar hij uitdrukkelijk verwijst, een verklaring toeschrijft die dit geschrift niet bevat dan wel ontkent dat dit geschrift een verklaring bevat die er wel in voorkomt. Het middelonderdeel dat aanvoert dat de RvVb de bewijskracht van “de deputatievergunning van 11 juni 2020” schendt omdat de deputatie “terdege rekening heeft gehouden met de voorgaande RvVb-arresten”, omdat “de deputatiebeslissing wel grotendeels wordt geciteerd doch de wettigheidstoets in het bestreden RvVb-arrest ten aanzien van alle motieven niet wordt doorgevoerd” en omdat het bestreden arrest “met geen woord gerept [heeft] over het voorstel van bemiddeling” in de antwoordnota van de deputatie, is bij gebrek aan precisering niet ontvankelijk. Het middelonderdeel laat na te verduidelijken welke verklaring het bestreden arrest aan voormelde akten toeschrijft die dit geschrift niet bevat dan wel dat het bestreden arrest ontkent dat dit geschrift een verklaring bevat die er wel in voorkomt.
  12. De bij artikel 149 van de Grondwet en artikel 32, tweede lid, DBRC opgelegde verplichting aan de RvVb om zijn rechterlijke uitspraak te motiveren, heeft het karakter van een vormvereiste met beperkte draagwijdte. Een uitspraak is gemotiveerd wanneer de rechter duidelijk en ondubbelzinnig de redenen uiteenzet -al waren ze verkeerd of onwettig- die hem ertoe brengen zijn beslissing te nemen. Bij de beoordeling of artikel 149 van de Grondwet werd VII-41.183-6/10 nageleefd, is bijgevolg niet de vraag aan de orde of in de beslissing een verkeerde beoordeling van de feitelijke gegevens is uitgedrukt. Het gaat er dan ook niet om of de motivering omstandig of juist is. Alleen een gemis aan motivering of daarmee gelijkgestelde gevallen, zoals tegenstrijdigheid in de motieven, maken een schending uit van artikel 149 van de Grondwet. Het middelonderdeel dat de schending aanvoert van de rechterlijke motiveringsverplichting omdat het bestreden arrest “enkel [stelt] dat ‘de motieven in de thans bestreden beslissing weinig verschillen van de vorige beslissing’ en dat voornamelijk de woning van de verwerende partij als anomalie in het straatbeeld wordt beschouwd” en omdat het bestreden arrest “summier voorhoudt” dat de “motieven in de deputatiebeslissing […] evenmin als een stijlformule [kunnen] worden beschouwd”, gaat uit van een andere rechtsopvatting en faalt bijgevolg naar recht. Het middelonderdeel dat aanvoert dat in het bestreden arrest “de deputatiebeslissing wel grotendeels wordt geciteerd doch de wettigheidstoets in het bestreden RvVb-arrest ten aanzien van alle motieven niet wordt doorgevoerd”, gaat niet over tegenstrijdige redenen van het bestreden arrest en verzuimt bijgevolg te preciseren hoe en waarom de redenen van het bestreden arrest tegenstrijdig zijn. Het middelonderdeel is niet ontvankelijk. De deputatie voert niet het bestaan aan van een gezamenlijk verzoek of akkoord van de partijen voor de RvVb als bedoeld in artikel 42 DBRC. Het middelonderdeel dat aanvoert dat het bestreden arrest “met geen woord [heeft] gerept over het voorstel van bemiddeling” van de deputatie, heeft gelet op de vereiste van een gezamenlijk verzoek of akkoord van de partijen in artikel 42 DBRC, geen belang.
  13. Het eerste middelonderdeel wordt verworpen.
  14. Het bestreden arrest besluit tot de indeplaatsstelling op grond van volgende overwegingen: VII-41.183-7/10 “Uit de feitenuiteenzetting en de bespreking onder de vorige titel blijkt dat de verwerende partij in de bestreden beslissing voor de derde maal en na twee eerdere vernietigingsarresten van de Raad beslist om het aangevraagde te vergunnen. Uit de bespreking onder de voorgaande titel blijkt dat in de vorige twee vernietigingsarresten is beschikt: • dat de verwerende partij bij het beoordelen van de betrokken aanvraag niet kan steunen op het motief dat de woning van de verzoekende partij een anomalie vormt in het straatbeeld en evenmin op het motief dat het voorschrift B5 van het BPA de aanvrager geen keuzevrijheid laat om anders te bouwen dan op de linker zijkavelgrens van de verzoekende partij; • dat een beoordeling over subjectieve rechten of over het al dan niet voldoen aan de vroegere voorwaarde van een ‘moeilijk te herstellen ernstig nadeel’ niet kan gelijkgesteld worden met een beoordeling van de verenigbaarheid van een aanvraag met een goede ruimtelijke ordening of met de harmonieregel zoals bepaald in voorschrift B5; • dat de beoordeling dat de gewijzigde aanvraag over een breedte van 3,17 meter voorziet in een plat dak en daardoor ‘een positieve impact heeft op het gevoel van ingeslotenheid’, samen met het effect van de witte gevelafwerking en het feit dat de verzoekende partij niet alle zicht op de straat verliest en niet rechtstreeks kijkt op een blinde muur, niet te rijmen valt met de beslissing van de verwerende partij van 21 maart 2013, waarin uitdrukkelijk wordt gewezen op het feit dat het BPA niet verplicht tot het realiseren van twee bouwlagen; • dat de vaststelling dat de gewijzigde aanvraag beter/minder erg is dan de vorige aanvraag niet afdoende is om te beslissen dat de gewijzigde aanvraag aanvaardbaar is, evenmin als de vaststelling dat een beroeper niet kan worden bijgetreden in zijn bewering van de ernst van de nadelen. Bij de bespreking van het derde middel is vastgesteld dat de motieven in de bestreden beslissing hoofdzakelijk gelijk of gelijkaardig zijn aan de vorige vernietigde beslissing van de verwerende partij en dat de bijkomende en nieuwe motieven geen verantwoording kunnen bieden om het aangevraagde in overeenstemming te achten met het voorschrift A5 van het BPA nr. 2 ‘Gaverke’ (harmonieregel). Een stedenbouwkundige vergunning moet in beginsel worden geweigerd als de aanvraag onverenigbaar is met de stedenbouwkundige voorschriften (artikel 4.3.1, §1, lid 1, 1° VCRO). De Raad kan zijn beoordeling daarover ‘in beginsel’ niet in de plaats stellen van die van verwerende partij, en kan bij zijn wettigheidstoezicht enkel nagaan of ze haar appreciatiebevoegdheid naar behoren heeft uitgeoefend. Gelet op de achtereenvolgende vernietigingsarresten, blijkt dat verwerende partij geen aanvaardbare verantwoording kan geven voor het verlenen van de gevraagde vergunning. Na twee eerdere vernietigingen van een gunstige vergunningsbeslissing voor het aangevraagde, slaagt de verwerende partij er klaarblijkelijk nog steeds niet in om op basis van het dossier deugdelijke motieven te vinden waaruit blijkt dat de aanvraag verenigbaar is met het voorschrift A5 van het BPA nr. 2 ‘Gaverke’ (harmonieregel). De bestreden beslissing is grotendeels een herhaling van haar eerdere beoordeling, zonder toevoeging van een bijkomende pertinente en draagkrachtige VII-41.183-8/10 motivering, waaruit noodzakelijk moet worden afgeleid dat er materieel gezien geen motieven bestaan die een vergunning kunnen verantwoorden. Hierdoor is de appreciatiebevoegdheid van de verwerende partij feitelijk volledig uitgehold, zodat ze de aanvraag in het licht van het voorschrift A5 van het BPA nr. 2 ‘Gaverke’ (harmonieregel) noodzakelijk moet weigeren. Gelet op deze vaststelling bestaat er in hoofde van verwerende partij een gebonden bevoegdheid, en wordt er overgegaan tot indeplaatsstelling overeenkomstig artikel 37, §2 DBRC-decreet”.
  15. Het tweede middelonderdeel is niet gericht tegen de motieven in het bestreden arrest voor de indeplaatsstelling.
  16. Het tweede middelonderdeel is niet ontvankelijk.
  17. Het middel wordt verworpen. BESLISSING
  18. De Raad van State verwerpt het cassatieberoep.
  19. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 20 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. VII-41.183-9/10 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van twee juni tweeduizend tweeëntwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Carlo Adams, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Peter Sourbron, staatsraad, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier. De griffier De voorzitter Elisabeth Impens Carlo Adams VII-41.183-10/10 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.253.912 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.