← België

Arrest 253913 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 02/06/2022

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 02 juni 2022 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.253.913 Rolnummer: A. 233650/VII-41112 Zaak: Arrest 253913 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 02/06/2022 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2022-06-14 Raadplegingen: 74 - laatst gezien 2026-06-10 07:00 Fiche Arrest nr 253.913 van 2 juni 2022 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 253.913 van 2 juni 2022 in de zaak A. é.650/VII-41.112 In zake :

  1. Christian DECLERCK
  2. Laurette ZWAENEPOEL bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Johan Vynckier kantoor houdend te 8500 Kortrijk Engelse Wandeling 74 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de PROVINCIE WEST-VLAANDEREN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Steve Ronse en Deborah Smets kantoor houdend te 8500 Kortrijk Beneluxpark 27B bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partij : Jan DEGEZELLE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Arne Vandaele kantoor houdend te 1540 Herne Kwatemstraat 7 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
  3. Het cassatieberoep, ingesteld op 12 mei 2021, strekt tot de nietigverklaring van arrest nr. RvVb-A-2021-0852 van de Raad voor Vergunningsbetwistingen (hierna: RvVb) van 1 april 2021 in de zaak 1920-RvVb-0512-SA. VII-41.112-1/7 II. Verloop van de rechtspleging
  4. Het cassatieberoep is toelaatbaar verklaard bij beschikking van 22 juni
  5. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partijen hebben een memorie van wederantwoord ingediend. Jan Degezelle heeft een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. De tussenkomst is toegestaan bij beschikking van 30 september
  6. De tussenkomende partij heeft een memorie ingediend. Eerste auditeur Tom De Waele heeft op 14 januari 2022 een verslag opgesteld, op grond van artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State’. De verzoekende partijen hebben een verzoek tot voortzetting van de procedure teneinde te worden gehoord ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 28 april
  7. Staatsraad Pierre Lefranc heeft verslag uitgebracht. Advocaat Johan Vynckier, die verschijnt voor de verzoekende partijen, advocaat Isabelle Verhelle, die loco advocaten Steve Ronse en Deborah Smets verschijnt voor de verwerende partij en advocaat Arne Vandaele, die verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Tom De Waele heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. VII-41.112-2/7 Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  8. III. Feiten
  9. De deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen (hierna: de provincie) verleent op 27 februari 2020 aan Jan Degezelle een omgevingsvergunning “voor het herbouwen van een opslagloods, aanleg erfverharding en dichtmaken opening loods”.
  10. Het bestreden arrest verklaart het “ambtshalve middel” van de verzoekende partijen onontvankelijk, verwerpt de drie middelen en bijgevolg de vordering van de verzoekende partijen tot vernietiging van voormelde vergunningsbeslissing. IV. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Standpunt van de verzoekende partijen
  11. De verzoekende partijen voeren de schending aan van artikel 4.3.3 van het besluit van de Vlaamse regering van 17 februari 2012 ‘tot vaststelling van het Vlaams reglement betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen’ (hierna: Vlarema), en van artikel 89 van het besluit van de Vlaamse regering van 16 mei 2014 ‘houdende de rechtspleging voor sommige Vlaamse bestuursrechtscolleges’ (hierna: procedurereglement RvVb). Zij zetten uiteen dat hoewel vaststaat dat bij de door Jan Degezelle ingediende omgevingsvergunningsaanvraag geen sloopopvolgingsplan was gevoegd terwijl dit vereist is ingevolge artikel 4.3.3, § 3, VII-41.112-3/7 Vlarema, zodat de aanvraag ten onrechte ontvankelijk en volledig werd verklaard, de RvVb foutief oordeelde dat hij deze bewezen inbreuk niet ambtshalve kon sanctioneren omdat deze geen schending inhoudt van een regel van openbare orde. De wetgeving inzake ruimtelijke ordening is immers evenzeer als de milieuwetgeving, van openbare orde omdat “die de bescherming beoogt van algemene belangen die het particuliere belang overstijgen, en waarvan de naleving in het kader van de aanvraag van een omgevingsvergunning door de overheid geverifieerd moet worden”. In het bijzonder strekt het sloopopvolgingsplan er toe “de gevaarlijke afvalstoffen te identificeren die zullen vrijkomen tijdens de sloopwerken (zoals in het bijzonder asbest, wat in casu het geval is […]), én de wijze waarop deze selectief zullen worden ingezameld, opgeslagen en afgevoerd”. Eén en ander wordt overigens ook strafrechtelijk beteugeld. De weigering van de RvVb om dit argument ambtshalve in te roepen is dan ook “niet naar recht verantwoord”, dit zeker nu artikel 89 van het procedurereglement RvVb toelaat middelen in te roepen die niet in het inleidend verzoekschrift zijn opgeworpen maar de openbare orde raken. Beoordeling
  12. Het middel gaat terug op de verwerping door de RvVb van het middel dat de verzoekende partijen in een aangetekende brief van 30 juni 2020 hebben uiteengezet en in hun wederantwoordnota hebben herhaald, meer bepaald “dat er bij de aanvraag een sloopopvolgingsplan ontbreekt”, “dat de aanvraag onvolledig en onontvankelijk is” en dat zij de RvVb verzoeken “de volledigheid van de aanvraag ambtshalve te onderzoeken”. Het bestreden arrest verklaart het middel van de verzoekende partijen op volgende gronden onontvankelijk: “Artikel 4.3.3, §2 VLAREMA regelt de inhoud van het sloopopvolgingsplan. Het plan omvat de identificatie van de werf en de lijst van de afvalstoffen die bij de afbraak vrijkomen. Het vermeldt per afvalstof de benaming, de bijbehorende EURAL-code, de vermoedelijke hoeveelheid (in m³ of in ton), de plaats in het gebouw waar de afvalstof vrijkomt en de verschijningsvorm, en de wijze waarop de afvalstof in VII-41.112-4/7 overeenstemming met artikel 4.3.2 van het besluit tijdens de sloop selectief ingezameld, opgeslagen en afgevoerd wordt. Zoals bepaald in artikel 4.3.3, §3 VLAREMA, maakt het sloopopvolgingsplan deel uit van het dossier van de vergunningsaanvraag. De verzoekende partijen tonen echter niet aan dat het ontbreken van het sloopopvolgingsplan, dat een instrument is om de selectieve sloop en de selectieve inzameling van de vrijgekomen afvalstoffen op de werf te stimuleren, een mogelijke schending van de openbare orde kan inhouden. Evenmin geven ze een verantwoording waarom dit middel niet in het verzoekschrift uiteengezet kon worden”.
  13. Het middel dat aanvoert dat het bestreden arrest heeft geoordeeld dat de RvVb deze bewezen inbreuk niet ambtshalve kon sanctioneren omdat deze geen schending inhoudt van een regel van openbare orde, berust op een onjuiste lezing van het bestreden arrest.
  14. Het middel mist feitelijke grondslag. B. Tweede middel Standpunt van de verzoekende partijen
  15. De verzoekende partijen voeren de schending aan van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’, de materiëlemotiveringsplicht en het redelijkheids- en het zorgvuldigheidsbeginsel. Zij argumenteren dat de RvVb oordeelt dat zij zich niet kunnen beroepen op de tegenstrijdigheid tussen wat in een vergunning van 4 november 2008 was voorgeschreven wat het gebruik van materialen betreft, en wat daaromtrent in de bestreden vergunningsbeslissing wordt voorgeschreven. Het zorgvuldigheidsbeginsel vereist dat “een andere beoordeling” van de overheid “duidelijk en afdoende” wordt gemotiveerd. “De eis van consistentie houdt, als aspect van de materiële motiveringsplicht, ook in dat een bestuur niet zomaar, zonder redelijke verantwoording zijn beleid mag wijzigen”. De RvVb neemt aan dat er afdoende motieven zijn voor het voorgestelde materiaalgebruik. De VII-41.112-5/7 verzoekende partijen vinden die motieven “kennelijk onredelijk” nu ze geenszins kunnen verklaren waarom in 2020 een materiaalgebruik werd toegestaan dat manifest in strijd is met de voorwaarde opgelegd in de vergunning van 2008 met het oog op de optimale integratie in de omgeving. De verzoekende partijen argumenteren nog dat “er geen enkele gewijzigde omstandigheid gebaseerd op werkelijk bestaande feiten [is] die in redelijkheid kan verklaren waarom in 2020 grijze silex betonpanelen met ‘industriële look’ toegestaan worden, terwijl in 2008 een rode baksteentint vereist werd om te voldoen aan het bindende voorschrift van het BPA nr. 61”, dat zij integendeel hebben aangetoond dat er sedert 2008 tot 400 woongelegenheden (ook in baksteen) in de onmiddellijke omgeving bijkwamen, en dat een “bijzondere motivering van de gewijzigde beoordeling op het vlak van materiaalgebruik […] des te meer [was] vereist bij de vaststelling dat […] Jan Degezelle precies dit voorschrift manifest had miskend bij het bouwen van de in 2008 vergunde loods, en zijn nieuwe aanvraag er op gericht was om dit vaststaande bouwmisdrijf toe te dekken”. De RvVb kon derhalve niet tot het besluit komen dat de provincie een beslissing nam op grond van correcte feitelijke gegevens binnen de grenzen van de redelijkheid in de uitoefening van haar discretionaire beoordelingsbevoegdheid. Beoordeling
  16. Het middel dat op basis van de aangevoerde argumenten concludeert dat het bestreden arrest “niet tot het besluit [kon] komen dat de [provincie] een beslissing nam op grond van correcte feitelijke gegevens binnen de grenzen van de redelijkheid in de uitoefening van haar discretionaire beoordelingsbevoegdheid”, dwingt de Raad van State tot het overdoen in tweede instantie van de feitelijke beoordeling van de RvVb. De Raad van State is daartoe niet bevoegd. Luidens artikel 14, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, treedt de Raad van State immers “niet in de beoordeling van de zaken zelf”. De Raad van State mag als cassatierechter enkel nagaan of het bestreden arrest overeenkomstig de wet is genomen. VII-41.112-6/7
  17. Het middel is niet ontvankelijk. BESLISSING
  18. De Raad van State verwerpt het cassatieberoep.
  19. De verzoekende partijen worden verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 400 euro, elk voor de helft, een bijdrage van 20 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 150 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van twee juni tweeduizend tweeëntwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Carlo Adams, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Peter Sourbron, staatsraad, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier. De griffier De voorzitter Elisabeth Impens Carlo Adams VII-41.112-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.253.913 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.