← België

Arrest 253915 - Luchtvaart - 02/06/2022

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 02 juni 2022 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.253.915 Rolnummer: A. 225946/IX-9356 Zaak: Arrest 253915 - Luchtvaart - 02/06/2022 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2022-06-09 Raadplegingen: 70 - laatst gezien 2026-06-10 07:00 Fiche Arrest nr 253.915 van 2 juni 2022 Economische zaken - Luchtvaart Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 253.915 van 2 juni 2022 in de zaak A. 225.946/IX-9356 In zake : Ann LECHAT woonplaats kiezend te 3140 Keerbergen Haachtsebaan 150 A bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Kristiaan Bernauw kantoor houdend te 9280 Lebbeke Nieuwstraat 20 tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Mobiliteit bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Bart Van Hyfte en Laurent Delmotte kantoor houdend te 1160 Brussel Herrmann-Debrouxlaan 40 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het beroep, ingesteld op 21 augustus 2018, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van de directeur-generaal ad interim van het directoraat-generaal Luchtvaart van de federale overheidsdienst Mobiliteit en Vervoer van 21 juni 2018 tot schorsing van het Aeromedical examiner (AME)-certificaat van Ann Lechat voor een periode van twee maanden, ingaande op 25 juni 2018 en lopende tot 24 augustus
  2. II. Verloop van de rechtspleging
  3. Bij arrest nr. 249.444 van 11 januari 2021 is het debat heropend. IX-9356-1/9 Eerste auditeur Dries Van Eeckhoutte heeft een aanvullend verslag opgesteld. De verzoekende partij en de verwerende partij hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 23 mei
  4. Staatsraad Bruno Seutin heeft verslag uitgebracht. Advocaat Kristiaan Bernauw, die verschijnt voor de verzoekende partij, en advocaat Bart Van Hyfte, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Werner Weymeersch heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  5. III. Feiten
  6. De feitelijke gegevens van de zaak zijn uiteengezet in tussenarrest nr. 249.444 van 11 januari
  7. IV. Tussenarrest nr. 249.444 van 11 januari 2021
  8. Uit de bestreden beslissing blijkt dat verzoekster twee feiten ten laste worden gelegd. In tussenarrest nr. 249.444 van 11 januari 2021 heeft de Raad van State vastgesteld dat de aan verzoekster opgelegde sanctie steunt op deze twee IX-9356-2/9 feiten en dat nergens uit de bestreden beslissing blijkt dat zonder het bestaan van het tweede ten laste gelegde feit, namelijk het verlenen van een medisch certificaat klasse 2 met kenmerk BE1P9294 zonder dat er verdere kleurwaarnemingstesten werden gedaan om vast te stellen of de aanvrager kleurveilig is, de verwerende partij toch eenzelfde sanctie zou hebben opgelegd, zodat bijgevolg verzoekster afzonderlijke middelen mocht aanvoeren tegen het tweede ten laste gelegde feit. In voormeld tussenarrest heeft de Raad van State het derde tot het zevende middel afgewezen, de exceptie wegens gebrek aan belang wat het eerste en het tweede middel betreft verworpen en het debat heropend voor een nader onderzoek van het eerste en het tweede middel. Thans worden alleen nog het eerste en het tweede middel onderzocht die enkel betrekking hebben op het tweede ten laste gelegde feit. V. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel 5.
  9. In het eerste middel voert verzoekster de schending aan van “art. 6.
  10. van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden […] en [van] het beginsel van behoorlijk bestuur [inzake de redelijke termijn]”. Volgens verzoekster dateert het verleende medisch certificaat nr. BE1P9294 van de betrokken piloot zonder zijn kleurenblindheid te detecteren van 31 juli
  11. Doordat de bestreden beslissing is genomen op 21 juni 2018, hetzij meer dan drie jaar later, overschrijdt deze dan ook de redelijke termijn. 5.
  12. In haar memorie van wederantwoord verduidelijkt verzoekster dat de haar verweten tekortkoming die aanleiding gaf tot het tweede ten laste gelegde feit dateert van 17 december
  13. Het is immers op die datum dat zij de IX-9356-3/9 vergissing en de voor verkeerde lezing vatbare vermelding in het oogheelkundig onderzoeksrapport (of verslag van de oftalmoloog) van 7 december 2015 niet heeft opgemerkt. Beoordeling 6.
  14. Luidens artikel 6, lid 1, van het Europees Verdrag over de Rechten van de Mens (hierna: EVRM) heeft eenieder bij het vaststellen van zijn burgerlijke rechten en verplichtingen of bij het bepalen van de gegrondheid van een tegen hem ingestelde strafvervolging recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak, binnen een redelijke termijn, door een onafhankelijke en onpartijdige rechterlijke instantie welke bij de wet is ingesteld. De door artikel 6, lid 1, EVRM voorziene waarborg inzake de behandeling van zijn zaak binnen een redelijke termijn door een onafhankelijke en onpartijdige “rechterlijke instantie” kan niet worden betrokken op een beslissing van een administratieve overheid die optreedt als orgaan van actief bestuur. 6.
  15. In zoverre het middel van een andere rechtsopvatting uitgaat, faalt het naar recht. 7.
  16. De redelijketermijneis als beginsel van behoorlijk bestuur is van toepassing wanneer in de regelgeving geen specifieke termijn is bepaald waarbinnen door het bestuur moet worden gehandeld. De bestreden beslissing is genomen met toepassing van artikel 25, § 1, van het koninklijk besluit van 12 juli 2013 ‘tot regeling van de organisatie van de controle van de voorwaarden inzake lichamelijke en geestelijke geschiktheid van de leden van het stuurpersoneel van burgerlijke luchtvaartuigen, van cabinebemanning en van luchtverkeersleiders’ (hierna: het koninklijk besluit van 12 juli 2013), gelezen in samenhang met ARA.MED.250, a), 1) en 2), van de Uitvoeringsverordening, bijlage VI, deel-ARA, subdeel MED. IX-9356-4/9 Noch in het koninklijk besluit van 12 juli 2013, noch in de Uitvoeringsverordening wordt in specifieke termijnen voorzien waarbinnen een controle volgens het voortdurend toezicht moet gebeuren of een procedure van schorsing moet plaatsvinden. Bij afwezigheid van een normatief bepaalde verjaringstermijn geldt het voornoemde beginsel van behoorlijk bestuur. 7.
  17. Zoals de Raad van State reeds in tussenarrest nr. 249.444 van 11 januari 2021 heeft vastgesteld, moeten overeenkomstig artikel 10, lid 1, van de op het tijdstip van de bestreden beslissing geldende Verordening (EG) nr. 216/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 20 februari 2008 ‘tot vaststelling van gemeenschappelijke regels op het gebied van burgerluchtvaart en tot oprichting van een Europees Agentschap voor de veiligheid van de luchtvaart, houdende intrekking van Richtlijn 91/670/EEG, Verordening (EG) nr. 1592/2002 en Richtlijn 2004/36/EG’ (hierna: de Basisverordening) de lidstaten, de Commissie en het Agentschap samenwerken om naleving van deze verordening en de uitvoeringsbepalingen daarvan te garanderen, waarbij overeenkomstig lid 2 ter uitvoering hiervan de lidstaten, naast het toezicht op de door hen afgegeven certificaten, onderzoek moeten doen en maatregelen moeten nemen om te voorkomen dat een overtreding wordt voortgezet. Het voortdurend toezicht waaraan het AME-certificaat is onderworpen, wordt in artikel 3, a), van de Basisverordening gedefinieerd als: “de taken die moeten worden verricht om te verifiëren dat te allen tijde gedurende de geldigheidsperiode van het certificaat wordt voldaan aan de voorwaarden waaronder het certificaat is afgegeven, alsmede het nemen van veiligheidsmaatregelen”. Deze regeling is ingegeven door het feit dat “[d]e belangrijkste doelstelling van deze verordening is de totstandbrenging en instandhouding van een hoog uniform veiligheidsniveau in de burgerluchtvaart in Europa” (artikel 2, lid 1, van de Basisverordening). Ter uitvoering hiervan wordt in onder meer ARA.GEN.305 en ARA.MED.245 van bijlage VI van de Uitvoeringsverordening aan de bevoegde autoriteit – in casu het directoraat-generaal Luchtvaart van de verwerende partij – opgedragen een programma inzake voortdurend toezicht uit te werken, waarbij rekening wordt gehouden met het aantal AME’s en huisartsen dat hun rechten uitoefent op het IX-9356-5/9 grondgebied waar de bevoegde autoriteit toezicht uitoefent. Indien tijdens dit toezicht of anderszins bewijzen worden gevonden dat een luchtvaartmedische keuringsarts de vereisten niet naleeft, dient de vergunningsverlenende autoriteit volgens ARA.MED.255 van bijlage VI van de Uitvoeringsverordening te beschikken over een procedure om de door die luchtvaartmedische keuringsarts afgegeven medische verklaringen opnieuw te bekijken en mag zij deze eventueel nietigverklaren in zoverre dat nodig is om de vliegveiligheid te waarborgen. De verwerende partij mocht dan ook een onderzoek doen naar de rechtmatigheid van het medisch certificaat klasse 2 van 11 januari 2018 met kenmerk BE1P9294, aangezien dit onderzoek vereist was ter uitvoering van de voormelde bepalingen van Europees recht. Een uitgebreide controle heeft plaatsgevonden overeenkomstig ARA.MED.255 van bijlage VI van de Uitvoeringsverordening, naar aanleiding van een e-mail die verzoekster op 20 maart 2018 aan de verwerende partij richtte. Met een aangetekende brief van 26 april 2018 werd verzoekster in kennis gesteld van het voornemen van de directeur-generaal Luchtvaart om haar erkenning als luchtvaartmedische keuringsarts te schorsen voor een periode van twee maanden, omwille onder meer van een tekortkoming in de interpretatie van een oogheelkundig onderzoeksrapport van 7 december 2015 en het verlenen van een medisch certificaat klasse 2 nr. BE1P9294 zonder de beperking ‘VCL’. Verzoekster is daarbij de mogelijkheid geboden om haar elementen ter verdediging mee te delen, wat verzoekster heeft gedaan op 2 en 14 mei
  18. Op 21 juni 2018 werd de bestreden beslissing genomen. Dit is drie maanden na de voormelde e-mail van verzoekster. Er kan dan ook niet worden aangenomen dat de redelijke termijn in casu werd overschreden.
  19. Het eerste middel is niet gegrond. IX-9356-6/9 B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel 9.
  20. In het tweede middel voert verzoekster de schending aan van het gelijkheidsbeginsel vervat in de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. Volgens verzoekster is zij wat het tweede haar ten laste gelegde feit betreft, ongelijk behandeld, omdat de twee andere keuringsartsen die eerder evenmin de kleurenblindheid detecteerden van de betrokken piloot aan wie verzoekster een medisch certificaat klasse 2 met kenmerk BE1P9294 heeft verleend, niet met een schorsing van hun AME-certificaat werden gestraft. 9.
  21. In haar memorie van wederantwoord preciseert verzoekster nog dat “de oftalmoloog die aan de oorsprong ligt van de verkeerde interpretatie van het oogheelkundig verslag” en “de medical assessor die bij het nazicht van het eerste medische attest dit euvel had dienen op te merken” niet zouden zijn gestraft. Beoordeling
  22. Het gelijkheids- en non-discriminatiebeginsel kan slechts geschonden worden bevonden indien in rechte en in feite gelijke situaties zonder objectieve en redelijke verantwoording ongelijk worden behandeld of indien in rechte en in feite ongelijke situaties zonder objectieve en redelijke verantwoording gelijk worden behandeld. Een verzoekende partij die een dergelijke schending aanvoert, moet deze met concrete en precieze gegevens in haar verzoekschrift aantonen. Het komt met andere woorden aan de verzoekende partij voor de Raad van State toe om voldoende concrete elementen aan te brengen die het mogelijk maken te onderzoeken en vast te stellen of zij ongelijk behandeld is ten aanzien van anderen die in een gelijke of minstens gelijkaardige situatie verkeren. Zij moet daarbij, in de eerste plaats, de vergelijkbaarheid aantonen van haar eigen situatie met die van anderen en vervolgens aantonen waarom de verschillende behandeling daarvan een discriminatie uitmaakt. IX-9356-7/9 Verzoekster toont niet aan dat zijzelf enerzijds en de oftalmoloog en de medical assessor die het nazicht van het eerste medische attest heeft gedaan anderzijds zich in een vergelijkbare situatie zouden bevinden. Deze twee laatste personen hebben trouwens een volledig ander statuut en andere taak dan verzoekster en waren niet betrokken bij het tweede ten laste gelegde feit, namelijk het verlenen van het medisch certificaat klasse 2 nr. BE1P9294 van 11 januari
  23. Het tweede middel is niet gegrond. C. Zevende middel
  24. In haar laatste memorie na het aanvullend auditoraatsverslag komt verzoekster terug op het zevende middel, waarin zij de schending van de rechten van verdediging heeft aangevoerd. Zij herhaalt wat zij hierover vóór het tussenarrest heeft gesteld met de toevoeging dat dit middel de openbare orde raakt en dus in elke stand van het geding kan worden aangevoerd. In voormeld tussenarrest heeft de Raad van State echter het zevende middel afgewezen en geoordeeld dat verzoekster dit middel reeds in haar memorie van wederantwoord had kunnen aanvoeren en dat voor het eerst aangevoerd in haar laatste memorie dit middel laattijdig is en dienvolgens onontvankelijk. Het tussenarrest nr. 249.444 van 11 januari 2021 heeft gezag van gewijsde. De omstandigheid dat verzoekster thans beweert dat dit middel de openbare orde raakt, doet hieraan geen afbreuk. BESLISSING
  25. De Raad van State verwerpt het beroep. IX-9356-8/9
  26. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 20 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van twee juni tweeduizend tweeëntwintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, Bruno Seutin, staatsraad, Bert Thys, staatsraad, bijgestaan door Vera Wauters, griffier. De griffier De voorzitter Vera Wauters Geert Van Haegendoren IX-9356-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.253.915 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.249.444 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.