← België

Arrest 253931 - Varia (binnenlandse zaken en lokale besturen) - 07/06/2022

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 07 juni 2022 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.253.931 Rolnummer: A. 235812/X-18102 Zaak: Arrest 253931 - Varia (binnenlandse zaken en lokale besturen) - 07/06/2022 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2022-06-10 Raadplegingen: 70 - laatst gezien 2026-06-10 07:01 Fiche Arrest nr 253.931 van 7 juni 2022 Instellingen, Binnenlandse zaken en lokale besturen - Varia (binnenlandse zaken en lokale besturen) Beslissing : Vernietiging Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE Xe KAMER nr. 253.931 van 7 juni 2022 in de zaak A. 235.812/X-18.102 In zake: Francis YORM TAY bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Mattijs Vanmarcke kantoor houdend te 8500 Kortrijk Budastraat 23 bus 1 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de STAD KORTRIJK bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Dirk Van Heuven en Deborah Smets kantoor houdend te 8500 Kortrijk Beneluxpark 27B bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp

  1. Het verzoekschrift, ingediend op 4 maart 2022, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging en de nietigverklaring van de beslissing van de burgemeester van de stad Kortrijk van 24 september 2021 om de hond ‘Kruger’ niet terug te geven aan Francis Tay en de hond ter beschikking te stellen van het dierenasiel om hem ter adoptie aan te bieden aan een nieuwe eigenaar. II. Verloop van de rechtspleging
  2. De verwerende partij heeft een nota ingediend. Eerste auditeur Sofie De Doncker heeft een verslag opgesteld over het beroep tot nietigverklaring met toepassing van artikel 93, eerste lid, van X-18.102-1/8 het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, en over de vordering tot schorsing met toepassing van artikel 12 van het koninklijk besluit van 5 december 1991 tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 20 mei
  3. Kamervoorzitter Johan Lust heeft verslag uitgebracht. Advocaat Mattijs Vanmarcke, die verschijnt voor verzoeker, en advocaat Deborah Smets, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Sofie De Doncker heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  4. III. Feiten
  5. Verzoeker is de eigenaar van de hond Kruger (American Stafford, vrouwelijk). Omdat hij een paar maanden naar het buitenland (“van april tot juni 2021”) moet, zoekt hij opvang voor de hond bij de dienst ‘Poezewoef’ van het OCMW te Kortrijk – tevergeefs. De hond wordt uiteindelijk bij een vriend ondergebracht. Als die, een paar dagen nadat verzoeker uiteindelijk op reis is vertrokken, op 7 september 2021 met de hond een wandeling maakt, bijt zij een kat dood. X-18.102-2/8 Blijkens het bestuurlijk verslag van dezelfde dag, wil de vriend niet voort voor de hond zorgen omdat hij vreest dat er nog incidenten zullen volgen. De hond beet eerder ook al een andere kat dood. De hond wordt door de politie bestuurlijk in beslag genomen en naar het dierenasiel De Leiestreek overgebracht. Op 24 september 2021 beslist de burgemeester de hond niet aan verzoeker terug te geven, maar ter beschikking te stellen van het dierenasiel “om ter adoptie aan te bieden aan een nieuwe eigenaar”. Overwogen wordt onder meer dat verzoeker noch de vriend aan wie hij de hond tijdelijk toevertrouwde “over de capaciteiten beschikt om een American Stafford te geleiden als een goede huisvader; dat geen van beiden het dier onder controle heeft op het publiek domein, getuige de twee bijtincidenten die er eerder waren”, en dat “[d]e hond ontegensprekelijk een risico betekent voor de openbare veiligheid zolang hij in handen blijft van zowel [verzoeker] als de vriend aan wie die tijdelijk de zorg over de Stafford overliet”. IV. Beroep tot nietigverklaring: kortedebattenprocedure A. Ontvankelijkheid Exceptie
  6. Volgens de verwerende partij is verzoeker zonder het vereiste actueel belang: de hond is inmiddels al geadopteerd door een derde en een vernietiging of schorsing kan verzoeker geen enkel voordeel bijbrengen vermits ze geen enkel gevolg heeft voor de adoptieovereenkomst tussen het asiel en de derde. Ook zou verzoeker zich tevergeefs beroepen op een moreel belang “aangezien hij op grond van een gebeurlijk arrest nooit herenigd kan worden met zijn hond”. Beoordeling X-18.102-3/8
  7. De bestreden beslissing is afscheidbaar van de adoptieovereenkomst die erop gevolgd is. Terecht merkt de verwerende partij op dat een gebeurlijke vernietiging van de bestreden beslissing zonder gevolgen voor die overeenkomst blijft. Even terecht concludeert zij (daaruit) niét dat de bestreden beslissing niet voor vernietiging vatbaar zou zijn. Zoals het sluiten van de overeenkomst geen bezwaar vormt voor de aanvechtbaarheid van de administratieve rechtshandeling die ervan afscheidbaar is, vormt de omstandigheid dat de vernietiging van die rechtshandeling zonder gevolgen is voor de overeenkomst – waaromtrent alleen de rechtbanken van de rechterlijke orde bevoegd zijn – geen bezwaar wat het belang bij het bestrijden van de afscheidbare akte betreft. Een eerder theoretisch, ijl belang is nu eenmaal inherent aan het beroep tegen de van een contract afsplitsbare rechtshandeling. Anders dan de verwerende partij blijkbaar meent, volstaat dat echter niet om een verzoeker het vereiste belang te ontzeggen.
  8. De exceptie wordt verworpen. B. Tweede middel Standpunt van de partijen
  9. Verzoeker leidt een tweede middel af uit de schending, onder meer, van de hoorplicht. Hij licht toe dat de verwerende partij op geen enkel moment een poging heeft ondernomen om verzoeker voorafgaand aan de bestreden beslissing te horen. Het is volgens hem manifest onwaar dat dit niet mogelijk zou zijn geweest omdat hij in het buitenland vertoefde: de door verzoeker aangeduide derden hadden een uitnodiging aan zijn adres kunnen lezen en hem kunnen bereiken; ook wist de verwerende partij dat de dienst ‘Poezewoef’ over verzoekers contactgegevens beschikte en kon zij die dienst met een eenvoudige e-mail hebben X-18.102-4/8 aangeschreven om hem, langs daar, uit te nodigen “virtueel, dan wel fysiek in België” zijn verweermiddelen in te dienen.
  10. De verwerende partij repliceert in de (eerste) nota dat de situatie bij het nemen van de bestreden beslissing “zonder meer helder was, nl. een hond die niet onder controle kon gehouden worden en die ontegensprekelijk een gevaar voor de openbare veiligheid [inhield]”. Verzoeker moest in die omstandigheden niet voorafgaandelijk gehoord worden, temeer nu hij zich in het buitenland bevond, op een ongekende locatie, waardoor hij “hoe dan ook” niet kon gehoord worden. Bovendien betwist verzoeker niet dat de feiten voor eenvoudige constatatie vatbaar waren, brengt hij geen elementen aan die tegenspreken dat de houding van de hond de openbare veiligheid in het gedrang bracht, en toont hij niet aan dat het horen meer klaarheid had kunnen brengen over de feitelijke vaststellingen.
  11. In een tweede nota voegt de verwerende partij daar nog aan toe dat de bestreden beslissing en het bestuurlijk verslag naar voldoening bewijzen dat er een acuut gevaar was voor de veiligheid “en dit op een ogenblik dat de hond Kruger in handen was van de begeleider [D.] en dat verzoeker voor lange tijd in het buitenland afwezig was”. In die omstandigheden is het “eigenlijk irrelevant” of de hond al dan niet gevaarlijk was wanneer zij onder het toezicht van verzoeker staat: zij stond immers niet onder diens toezicht en zou nog lange tijd niet onder zijn toezicht staan. Voorts wordt het eerdere bijtincident, toen de hond onder verzoekers toezicht stond, niet betwist en heeft verzoeker zich onverantwoord gedragen door zijn vriend verkeerd in te lichten over de duurtijd van zijn afwezigheid. Ten slotte is het juist, zegt de verwerende partij, dat zij kennis had van het adres van verzoeker, maar zij had begrepen dat verzoeker voor lange tijd afwezig was en “[w]at voor zin had dergelijke brief [met een uitnodiging tot horen] dan?”. Beoordeling X-18.102-5/8
  12. Nadat de hond op 7 september 2021 door de politie in beslag was genomen en in het dierenasiel De Leiestreek was ondergebracht, beslist de burgemeester op 24 september 2021 om het dier niet aan verzoeker terug te geven, maar het vrij te geven voor verkoop door het dierenasiel aan derden. In de formele motivering wordt daartoe in de eerste plaats overwogen dat verzoeker, evenmin als de vriend aan wie hij de hond tijdelijk toevertrouwde, “over de capaciteiten beschikt om een American Stafford te geleiden als een goede huisvader”. Dat wordt afgeleid uit een eerder bijtincident. In de tweede plaats wordt overwogen dat de hond, ofschoon zij “in se geen problematisch gedrag vertoont”, ontegensprekelijk een risico betekent voor de openbare veiligheid zolang zij in de handen blijft van, onder anderen, verzoeker. Aangezien de burgemeester moet voorkomen “dat de publieke veiligheid verder wordt verstoord”, heeft hij “geen andere optie” dan de bestreden beslissing te nemen.
  13. Krachtens een beginsel van behoorlijk bestuur kan een beslissing zoals de bestredene – waarbij de burgemeester een hond voorgoed aan zijn eigenaar onttrekt, dan nog om reden van de inschatting dat de betrokkene niet over de nodige capaciteiten beschikt om de hond te geleiden en ervoor te zorgen dat deze geen risico voor de openbare veiligheid vormt – in principe alleen rechtmatig worden genomen als de eigenaar voorafgaandelijk in de gelegenheid is gesteld nuttig voor zijn of haar belangen op te komen.
  14. Om te dezen niettemin van dit horen af te zien, wordt in de bestreden beslissing geargumenteerd dat de beslissing “hoogdringend is waar de hond heden ontegensprekelijk een risico betekent voor de openbare veiligheid”. Wegens die hoogdringendheid kan niet worden gewacht tot verzoeker, die op een maandenlange reis in het buitenland blijkt te zijn, waarbij het onduidelijk is of en wanneer hij terugkeert, weer terug is. X-18.102-6/8
  15. Deze argumentatie overtuigt niet. Het risico dat de hond voor de openbare veiligheid betekende, werd op 7 september 2021 door de politie gecounterd, door hem in beslag te nemen en in een dierenasiel onder te brengen. Dat het dan niettemin op 24 september 2021 ten behoeve van de openbare veiligheid zodanig dringend was om de bestreden vervolgbeslissing te nemen dat een uitstel met het oog op het horen van verzoeker redelijkerwijze uitgesloten was, blijkt uit niets. Voorts kende de verwerende partij verzoekers adres en is het een misvatting dat verzoeker slechts gehoord kon worden als hij uit het buitenland terug was. Het recht om gehoord te worden en zijn standpunt naar voor te brengen kan ook schriftelijk worden uitgeoefend, bijvoorbeeld per brief of per e-mail.
  16. In de gegeven omstandigheden doet de burgemeester niet blijken van een deugdelijke reden om verzoeker niet uit te nodigen minstens schriftelijk zijn zienswijze mee te delen over het voornemen zijn hond vrij te geven voor verkoop aan een derde om reden dat hij onvoldoende stabiel en verantwoordelijk is opdat de hond geen risico voor de openbare veiligheid zou vormen. Het middel is gegrond. V. Vordering tot schorsing
  17. De hierna uit te spreken vernietiging van de bestreden beslissing brengt de verwerping van de vordering tot schorsing mee, bij gebrek aan een voorwerp. BESLISSING
  18. De Raad van State vernietigt de beslissing van de burgemeester van de stad Kortrijk van 24 september 2021 om de hond ‘Kruger’ niet terug te geven aan X-18.102-7/8 Francis Tay en de hond ter beschikking te stellen van het dierenasiel om hem ter adoptie aan te bieden aan een nieuwe eigenaar.
  19. De vordering tot schorsing wordt verworpen.
  20. De Raad van State verwijst de verwerende partij in de kosten van de vordering tot schorsing, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 22 euro, en een aan verzoeker verschuldigde rechtsplegingsvergoeding van 700 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van zeven juni tweeduizend tweeëntwintig, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Johan Lust, kamervoorzitter, bijgestaan door Frank Bontinck, griffier. De griffier De voorzitter Frank Bontinck Johan Lust X-18.102-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.253.931 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.