id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 09 juni 2022 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.253.947 Rolnummer: A. 236540/VII-41448 Zaak: Arrest 253947 - Dierenwelzijn - 09/06/2022 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2022-06-14 Raadplegingen: 67 - laatst gezien 2026-06-10 07:01 Fiche Arrest nr 253.947 van 9 juni 2022 Sociale zaken en volksgezondheid - Dierenwelzijn Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER nr. 253.947 van 9 juni 2022 in de zaak A. 236.540/VII-41.448 In zake: Annick DE DEYNE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Annelies Uytterhaegen kantoor houdend te 9550 Hillegem Provincieweg 477 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Jean-François De Bock en Valérie De Schepper kantoor houdend te 1180 Brussel Bosveldweg 70 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering
- De vordering, ingesteld op 2 juni 2022, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van “de bestemmingsbeslissing dd. 13 mei 2022 en getekend dd. 17 mei 2022, genomen door de Vlaamse Overheid, afdeling Dierenwelzijn, in toepassing van artikel 42, § 2 van de Wet van 14/08/1986 betreffende de bescherming en het welzijn der dieren, waarbij zes honden in volle eigendom werden gegeven aan het asiel dat daarmee instemt”. II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een nota ingediend. VII-41.448-1/7 De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 7 juni
- Staatsraad Pierre Lefranc heeft verslag uitgebracht. Advocaat Bo Denie, die loco advocaat Annelies Uytterhaegen verschijnt voor verzoekster en advocaat Valérie De Schepper, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Anja Somers heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten
- Op 8 april 2022 stelt de inspectiedienst dierenwelzijn op het adres Windekouter 18 in Oosterzele overtredingen op de dierenwelzijns-wetgeving vast, neemt onder meer zes geïdentificeerde honden in administratief beslag en brengt de honden in afwachting van de bestemmingsbeslissing over naar een erkend dierenasiel. Op basis van het dierenartsenverslag en na verhoren van onder meer verzoekster, neemt het afdelingshoofd van de afdeling Dierenwelzijn van het departement Omgeving de bestreden bestemmingsbeslissing waarbij in toepassing van artikel 42, § 1, van de wet van 14 augustus 1986 betreffende de bescherming en het welzijn der dieren de honden “in volle eigendom [worden] gegeven aan het asiel dat daarmee instemt”. VII-41.448-2/7 IV. Ontvankelijkheid van de vordering
- De verwerende partij betwist de ontvankelijkheid van de vordering. Verzoekster beschikt volgens de verwerende partij niet over het rechtens vereiste belang. Een onderzoek van en een uitspraak over de ontvankelijkheid zouden zich alleen opdringen indien mocht blijken dat aan de grondvoorwaarden voor een schorsing voldaan is, wat, zoals hierna zal blijken, niet het geval is. V. Uiterst dringende noodzakelijkheid
- Krachtens artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid slechts worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden en dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is die onverenigbaar is met de behandelingstermijn van de gewone vordering tot schorsing.
- Verzoekster stelt in het “relaas der feiten” van haar inleidend verzoekschrift enkel wat volgt: “De vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid is ingegeven door het spoedeisend karakter van onderhavig dossier, dewelke onverenigbaar is met de behandelingstermijn van de gewone vordering tot schorsing. Dit blijkt namelijk uit het gegeven dat de honden, dewelke in volle eigendom werden meegegeven aan het asiel op heden worden aangeboden ter adoptie. Indien de honden daadwerkelijk worden geadopteerd zal er een burgerrechtelijke eigendomsoverdracht plaatsvinden. Het staat dan ook buiten kijf dat onderhavige zaak zeer spoedeisend is. Bovendien wordt in het onderstaande minstens één ernstig middel aangevoerd dat de nietigverklaring van de bestreden bestuurshandeling prima facie verantwoordt”. VII-41.448-3/7
- De verwerende partij “stelt vast dat het verzoekschrift van verzoekster geen begin van uiteenzetting bevat omtrent het bestaan van een uiterst dringende noodzakelijkheid, laat staan dat zij op duidelijke en onomstootbare wijze aantoont dat er sprake zou zijn van uiterst dringende noodzakelijkheid. Er is dan ook geen enkele reden voorhanden om aan te nemen dat de schorsing van de tenuitvoerlegging, indien ze pas na het afwikkelen van de gewone schorsingsprocedure zou worden uitgesproken, onherroepelijk te laat zou komen om een eventueel nadeel op te vangen of de belangen van verzoekster veilig te stellen”. Beoordeling
- Luidens artikel 16, § 1, eerste lid, 7°, van het koninklijk besluit van 5 december 1991 ‘tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State’, bevat het verzoekschrift waarin de uiterst dringende noodzakelijkheid wordt aangevoerd daartoe “een uiteenzetting van de feiten die de uiterst dringende noodzakelijkheid rechtvaardigen”.
- Daargelaten de vaststelling dat de uiterst dringende noodzakelijkheid een afzonderlijke schorsingsvoorwaarde vormt die niet kan worden gelijkgesteld met en in beginsel niet volgt uit de ernst van een middel, kan niet worden volstaan met een algemene verwijzing naar de inhoud van het aangevoerde middel waaruit de Raad van State dan wordt verondersteld enige toelichting van de veronderstelde uiterst dringende noodzakelijkheid af te leiden. Verzoekster voert derhalve tevergeefs aan dat zij “minstens één ernstig middel [heeft] aangevoerd dat de nietigverklaring van de bestreden bestuurshandeling prima facie verantwoordt”, om de Raad van State ervan te overtuigen dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is die onverenigbaar is met de behandelingstermijn van de gewone vordering tot schorsing. VII-41.448-4/7
- Het komt er voor een verzoekende partij, die beweert dat in haar zaak een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is die onverenigbaar is met de behandelingstermijn van de gewone vordering tot schorsing, op aan om van die uiterst dringende noodzakelijkheid te overtuigen aan de hand van de concrete feiten die zij in haar vordering aanvoert. Dit houdt in dat het aan de verzoekende partij toevalt om aan haar zaak eigen, specifieke gegevens bij te brengen die in concreto aantonen waarom de nadelige gevolgen die een onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing voor haar persoonlijk veroorzaakt, niet kunnen gedragen worden gedurende de behandelingstermijn van de gewone vordering tot schorsing en waarom de afloop van de gewone schorsingsprocedure bijgevolg niet kan worden afgewacht. Die gegevens moeten door de verzoekende partij worden onderbouwd op een wijze die de Raad van State toelaat om ze te verifiëren, zodat hij kan aftoetsen of ze de uiterst dringende noodzakelijkheid inderdaad kan verantwoorden. De uiterst dringende noodzakelijkheid wordt niet vermoed, welke ook de aard van de bestreden beslissing is. In beginsel mag alleen rekening worden gehouden met hetgeen in het verzoekschrift “bij uiterst dringende noodzakelijkheid” wordt uiteengezet én gestaafd.
- Verzoekster beweert enkel dat “uit het gegeven dat de honden, dewelke in volle eigendom werden meegegeven aan het asiel op heden worden aangeboden ter adoptie” en dat in voorkomend geval “er een burgerrechtelijke eigendomsoverdracht [zal] plaatsvinden”, de uiterst dringende noodzakelijkheid blijkt die onverenigbaar is met de behandelingstermijn van de gewone vordering tot schorsing. Deze bewering berust niet op concrete feiten of aan haar zaak eigen, specifieke gegevens zodat verzoekster de Raad van State hic et nunc er niet van kan overtuigen dat de behandelingstermijn van de gewone vordering tot schorsing onverenigbaar is met de door haar ingeroepen uiterst dringende noodzakelijkheid. VII-41.448-5/7
- De uiterst dringende noodzakelijkheid kan, volledigheidshalve, niet voortkomen uit de enkele omstandigheid dat ingevolge de doorlooptijd van de zaak een uitspraak volgens de gewone schorsingsprocedure zou tussenkomen in een min of meer verdere toekomst, waardoor de gewone schorsingsprocedure verzoekster niet toelaat een arrest te verkrijgen voordat de door verzoekster ongewenste nieuwe “burgerrechtelijke eigendomsoverdracht [zal] plaatsvinden”. Opdat aan de voorwaarde van de uiterst dringende noodzakelijkheid voldaan is, moet deze vaststelling ten minste gepaard gaan met andere feitelijke gegevens die eigen zijn aan de voorliggende zaak en die aantonen dat de uiterst dringende noodzakelijkheid eraan inherent is. Verzoekster brengt die andere feitelijke gegevens die eigen zijn aan haar zaak en aantonen dat de uiterst dringende noodzakelijkheid eraan inherent is, niet bij zoals in het vorige randnummer werd vastgesteld. Conclusie
- Er is niet voldaan aan één van de voorwaarden gesteld in artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die cumulatief vervuld moeten zijn om een vordering bij uiterst dringende noodzakelijkheid te kunnen inwilligen. BESLISSING De Raad van State verwerpt de vordering. VII-41.448-6/7 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van negen juni tweeduizend tweeëntwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Pierre Lefranc, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier. De griffier De voorzitter Bart Tettelin Pierre Lefranc VII-41.448-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.253.947 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.