id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 09 juni 2022 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.253.949 Rolnummer: A. 236339/VII-41374 Zaak: Arrest 253949 - Varia (ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu) - 09/06/2022 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2022-06-14 Raadplegingen: 69 - laatst gezien 2026-06-10 07:01 Fiche Arrest nr 253.949 van 9 juni 2022 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Varia (ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER nr. 253.949 van 9 juni 2022 in de zaak A. 236.339/VII-41.374 In zake : de BV PRINSTEC met maatschappelijke zetel te 9750 Kruisem Prinsenhof 17 alwaar woonplaats wordt gekozen tegen : het VLAAMSE GEWEST -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 27 april 2022, strekt tot de nietigverklaring van “Mest Actie Plan 6 (MAP6) of minstens een aanpassing van MAP6 tot het ongedaan maken van de verplichting tot het zaaien van vanggewassen na het telen van korrelmaïs”. II. Verloop van de rechtspleging
- Eerste auditeur-afdelingshoofd Peter Provoost heeft een verslag opgesteld overeenkomstig artikel 93, eerste lid, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 2 juni
- Kamervoorzitter Carlo Adams heeft verslag uitgebracht. XIV-41.374-1/5 Johan Mannens, zaakvoerder van de verzoekende partij, is gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Peter Provoost heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Ontvankelijkheid – rechtsmacht van de Raad van State
- Hoewel de verzoekende partij in het inleidende verzoekschrift niet uitdrukkelijk aangeeft van welke bepalingen zij de nietigverklaring vraagt, kan worden aangenomen dat zij (bepalingen van) het decreet van 24 mei 2019 ‘houdende wijziging van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid en van het Mestdecreet van 22 december 2006, wat de implementatie van het zesde mestactieprogramma betreft’ bedoelt. Zij bevestigt dit overigens ter terechtzitting.
- Artikel 14, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State luidt: “Indien het geschil niet door de wet aan een ander rechtscollege wordt toegekend, doet de afdeling uitspraak, bij wijze van arresten, over de beroepen tot nietigverklaring wegens overtreding van hetzij substantiële, hetzij op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen, overschrijding of afwending van macht, ingesteld tegen de akten en reglementen: 1° van de onderscheiden administratieve overheden; 2° van de wetgevende vergaderingen of van hun organen, daarbij inbegrepen de ombudsmannen ingesteld bij deze assemblees, van het Rekenhof en van het Grondwettelijk Hof, van de Raad van State en de administratieve rechtscolleges evenals van organen van de rechterlijke macht en van de Hoge Raad voor de Justitie, met betrekking tot overheidsopdrachten en leden van hun personeel, evenals de aanwerving, de aanwijzing, de benoeming in een openbaar ambt of de maatregelen die een tuchtkarakter vertonen. […]” XIV-41.374-2/5 Overeenkomstig deze bepaling is de afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State slechts bevoegd om kennis te nemen van een beroep tot nietigverklaring, indien de bestreden beslissing kan worden beschouwd, hetzij als een handeling van een administratieve overheid, in de zin van artikel 14, § 1, eerste lid, 1°, hetzij als een handeling van één van de overheden opgesomd in artikel 14, § 1, eerste lid, 2°, voor zover het in het laatste geval gaat om een handeling met betrekking tot een overheidsopdracht of met betrekking tot een lid van het personeel van de betrokken overheid, evenals de aanwerving, de aanwijzing, de benoeming in een openbaar ambt of de maatregelen die een tuchtkarakter vertonen. Noch het voornoemde artikel 14, noch enige andere grondwets- of wetsbepaling verleent de Raad van State de rechtsmacht om uitspraak te doen over een beroep tot nietigverklaring dat gericht is tegen wetgevende aktes zoals (bepaalde artikelen van) een decreet. Die bevoegdheid komt overeenkomstig artikel 1 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 ‘op het Grondwettelijk Hof’ uitsluitend toe aan het Grondwettelijk Hof.
- Uit het voorgaande blijkt dat de Raad van State geen rechtsmacht heeft om kennis te nemen van het huidige beroep tot nietigverklaring. IV. Uitbreiding van het beroep
- In een brief van 22 mei 2022 vraagt de verzoekende partij “om het besluit van de Vlaamse Regering tot wijziging van de VLAREME van 28 oktober 2016, wat betreft de indeling van afstroomzones in gebiedstypen, in het kader van mijn procedure nietig te willen verklaren”. Uit haar toelichting blijkt dat de verzoekende partij het besluit van de Vlaamse regering van 27 november 2020 ‘tot wijziging van de VLAREME van 28 oktober 2016, wat betreft de indeling van de afstroomzones in gebiedstypes’ bedoelt, dat is bekendgemaakt in het Belgisch staatsblad op 28 december
- XIV-41.374-3/5
- Daargelaten de vaststelling dat het voorwerp van een beroep niet kan worden uitgebreid in een beroep dat zelf niet-ontvankelijk is, is het beroep tot nietigverklaring tegen het voornoemde besluit van de Vlaamse regering van 27 november 2020 ingesteld buiten de in artikel 4, § 1, derde lid, van het besluit van de regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State” voorziene termijn van 60 dagen na de bekendmaking van het bestreden besluit en derhalve reeds om die reden niet-ontvankelijk. V. Schadevergoeding
- In het verzoekschrift tot nietigverklaring vraagt de verzoekende partij nog: “Bij mijn laatste aangetekend schrijven (bijlage 8), heb ik een factuur aan VLM toegevoegd voor het betalen van de opgelopen droogkosten van de maïs. Onkostennota van de graanhandelaar werd toegevoegd met bijlage
- lk ben van mening dat, kosten opgelopen door verkeerdelijk gedrag van derden, kan verhaald worden op deze derde partijen. Tot op vandaag heeft VLM deze factuur nog niet betaald. Daarom wil ik vragen aan u, om de kosten van deze procedure alsook de betalíng van deze factuur, ten laste te leggen van VLM.” In haar brief van 22 mei 2022 wijst de verzoekende partij op artikel 11bis van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en vraagt zij “alsnog de Vlaamse Regering of VLM te willen veroordelen tot het betalen van de geleden schade”.
- Nu de Raad van State geen rechtsmacht heeft om uitspraak te doen over het beroep tot nietigverklaring van het decreet van 24 mei 2019 ‘houdende wijziging van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid en van het Mestdecreet van 22 december 2006, wat de implementatie van het zesde mestactieprogramma betreft’ en nu het beroep tot nietigverklaring tegen het besluit van de Vlaamse regering van 27 november 2020 ‘tot wijziging van de VLAREME van 28 oktober 2016, wat betreft de indeling van XIV-41.374-4/5 de afstroomzones in gebiedstypes’ minstens laattijdig blijkt te zijn, dient de vordering tot betaling van een schadevergoeding op grond van artikel 11bis van de gecoördineerde wetten op de Raad van State alleen al om die redenen eveneens niet-ontvankelijk te worden verklaard. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het beroep.
- De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro en een bijdrage van 22 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van negen juni tweeduizend tweeëntwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Carlo Adams, kamervoorzitter, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier. De griffier De voorzitter Bart Tettelin Carlo Adams XIV-41.374-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.253.949 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div