← België

Arrest 253974 - Milieuvergunningen - 10/06/2022

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 10 juni 2022 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.253.974 Rolnummer: A. 236495/VII-41435 Zaak: Arrest 253974 - Milieuvergunningen - 10/06/2022 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2022-06-10 Raadplegingen: 82 - laatst gezien 2026-06-10 07:02 Fiche Arrest nr 253.974 van 10 juni 2022 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : Verwerping Inwilliging tussenkomst Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER nr. 253.974 van 10 juni 2022 in de zaak A. 236.495/VII-41.435 In zake: de BV AQUA SAUNA PLEZIER bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Reiner Tijs en Joram Maes kantoor houdend te 2000 Antwerpen Stijfselrui 48, bus 101 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Bart Staelens en Bram Van den Berghe kantoor houdend te 8000 Brugge Gerard Davidstraat 46, bus 1 bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partijen: 1. Christel NOENS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Wim Mertens en Philippe Dreesen kantoor houdend te 3580 Beringen Paalsesteenweg 81 bij wie woonplaats wordt gekozen 2. de VME (vereniging van mede-eigenaars) RESIDENTIE MELKERIJ bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Nick Heinen en Heleen Geerts kantoor houdend te 2930 Brasschaat Bredabaan 652 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering 1. De vordering, ingesteld op 25 mei 2022, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van het besluit van VII-41.435-1/51 de Vlaamse minister van Justitie en Handhaving, Omgeving, Energie en Toerisme van 11 mei 2022 “houdende uitspraak over het beroep aangetekend tegen het besluit houdende bestuurlijke maatregelen van 27 januari 2022 van de toezichthouder van IGEAN opgelegd aan de bvba Aqua Sauna Plezier”. II. Verloop van de rechtspleging 2. De verwerende partij heeft een nota ingediend. Met verzoekschriften van 3 juni 2022 hebben Christel Noens en de VME (vereniging van mede-eigenaars) Residentie Melkerij gevraagd om in het administratief kort geding te mogen tussenkomen. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 7 juni 2022, om 10.00 uur. Staatsraad Pierre Lefranc heeft verslag uitgebracht. Advocaat Joram Maes, die verschijnt voor de verzoekende partij, advocaat Bram Van den Berghe, die verschijnt voor de verwerende partij, advocaat Philippe Dreesen, die verschijnt voor de eerste tussenkomende partij en advocaat Philippe De Munck, die loco advocaten Nick Heinen en Heleen Geerts verschijnt voor de tweede tussenkomende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Ronny Vercruyssen heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, ge- coördineerd op 12 januari 1973. VII-41.435-2/51 III. Feiten 3.1. De verzoekende partij is sedert 2015 exploitant van een klasse 3-inrichting, een sauna-inrichting, gelegen in een appartementencomplex aan de Melkerijstraat 4 te Essen, waarin de tussenkomende partij Noens een appartement betrekt. 3.2.1. Op 3 juli 2006 neemt het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Essen (hierna: college) akte van de melding door Marc Boden van de uitbating van een klasse 3-inrichting, die omvat: - (rubriek) 32.8.1.1.a: 2 zwembaden van 27 m² - (rubriek) 32.8.1.2: hot whirlpools, dompelbaden en plonsbaden. 3.2.2. Op 4 januari 2012 verleent het college na het voeren van een openbaar onderzoek een voorwaardelijke stedenbouwkundige vergunning voor “het verbouwen van het voormalig melkerijgebouw met bestaande verblijven naar 19 appartementen en het bouwen van 3 nieuwe woningen”. 3.2.3. Het college deelt in een schrijven van 6 februari 2012 aan Bodeck bvba zn Boden-Konings dat het op 25 januari 2012 op hun vraag “om enkele wijzigingen door te voeren aan de goedgekeurde bouwplannen” heeft beslist een “vergunning te verlenen voor gewijzigde bouwplannen met functiewijziging van appartement 18 en een deel (inkomhal) van appartement 3 naar handelszaak (sauna) omwille van de volgende redenen: - De wijzigingen betreffen hoofdzakelijk aanpassingen binnen het gebouw. Aan de buitenzijde worden alleen in de achtergevel enkele openingen gewijzigd, zodat er geen impact is op de omgeving en het straatbeeld; - De vergunde inplanting, bouwvolume en afmetingen blijven volledig gehandhaafd; - De wijzigingen zijn in overeenstemming met de stedenbouwkundige voorschriften van het RUP ‘Nieuwstraat-Oost’ (artikel 7 - zone voor gesloten bebouwing”, na de overwegingen VII-41.435-3/51 “[…] dat het om een functiewijziging gaat van appartement naar sauna, waarvoor er enkel intern en aan de gevel enkele wijzigingen dienen te gebeuren. Meer specifiek volgende zaken: - De indeling van appartement 18 wordt volledig aangepast in functie van de sauna; - De inkomhal van appartement 3 wordt als toegang geïntegreerd in de handelszaak en de toegang tot het appartement wordt verplaatst naar de grotere gemeenschappelijke inkomhal vooraan het gebouw; - Op de kelderverdieping wordt een kleine bergruimte gecreëerd bij de sauna. Deze berging is bereikbaar met een trap vanuit de handelsruimte op niveau 0. Hierdoor dient de technische ruimte van de lift te worden verplaatst. Ook wordt er een 2de (grotere) bergruimte gecreëerd (niet in functie van de handelsruimte). Om de bergruimten bereikbaar te maken wordt een kleine gang voorzien. - Een schuifraam dient vervangen te worden door een raam en deur en er wordt een raam weggelaten. Gelet dat de functiewijziging in overeenstemming is met de stedenbouwkundige voorschriften van het RUP ‘Nieuwstraat - Oost’, goedgekeurd door de deputatie in vergadering van 14-04-2011. De wijzigingen situeren zich in de zone voor gesloten bebouwing (art. 7). Bestaande handels- en horeca-activiteiten kunnen volgens de stedenbouwkundige voorschriften van art. 7 behouden worden, zonder uitbreiding in oppervlakte. Overwegend dat door de aanpassingen in/aan het gebouw de oppervlakte van de bestaande handelsruimte niet uitgebreid wordt”. 3.2.4. De deputatie van de provincieraad van Antwerpen verklaart op 24 november 2016 het administratief beroep dat de tussenkomende partij op 24 augustus 2016 heeft ingesteld tegen voormelde beslissing van het college, onontvankelijk: “[…] Er wordt in beroep gegaan tegen een goedkeuring van het college van burgemeester voor de aanpassing van appartement 18 naar een sauna met zwembad. Deze goedkeuring werd naderhand gegeven bij wijze van addendum/erratum bij de stedenbouwkundige vergunning d.d. 04/01/2012 voor het verbouwen van het voormalig melkerijgebouw met bestaande verblijven naar 19 appartementen en het bouwen van 3 woningen. Na deze vergunning bleek naderhand dat appartement 18 (en een klein deel van appartement 3) in werkelijkheid als sauna uitgebaat werd. Om deze niet vergunde toestand nog recht te trekken werd dit kort behandeld in het collegebesluit d.d. 25/01/2012. Sindsdien werd deze sauna daar altijd uitgebaat. […] VII-41.435-4/51 Bij nazicht van het beroepschrift blijkt dat niet is voldaan aan de volgende ontvankelijkheidsvereisten van de beroepsprocedure volgens art. 4.7.21 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening: De belanghebbende derde komt in feite in beroep tegen een collegebeslissing die niet beschouwd kan worden als een stedenbouwkundige vergunning. Derhalve is het ingediende beroep zonder voorwerp. Weliswaar wordt er in het collegebesluit d.d. 25/01/2012 een uitspraak gedaan over een wijziging van de correct verleende stedenbouwkundige vergunning d.d. 04/01/2012 betreffende de verbouwing van het Melkerijgebouw tot 18 appartementen en de oprichting van 3 woningen, doch werd m.b.t. dit besluit de vergunningsprocedure niet correct doorlopen conform de bepalingen van artikel 4.7.12 en volgende van de VCRO (o.m. m.b.t. ontvankelijkheids- en volledigheidsonderzoek, opvragen adviezen, al dan niet houden van een openbaar onderzoek, bekendmaking vergunning, etc..). Evenmin voldoet het besluit aan de vormvereisten die opgelegd worden voor een stedenbouwkundig vergunningsbesluit zoals deze voorzien worden in het Ministerieel besluit tot bepaling van de vorm van de beslissingen van het college van burgemeester en schepenen over aanvragen tot stedenbouwkundige vergunning en verkavelingsaanvragen. Het collegebesluit kan daarom bezwaarlijk als een stedenbouwkundige vergunning beschouwd worden. Bijgevolg is er nooit een stedenbouwkundige vergunning verleend voor de omvorming van appartement 18 en een deel van appartement 3 naar sauna. Aangezien het beroep daardoor zonder voorwerp valt dient dit beroep onontvankelijk verklaard te worden”. 3.2.5. Er blijkt niet dat tegen deze laatste beslissing enig beroep werd ingesteld. 3.3.1. Op 1 juli 2015 meldt IGEAN aan de verzoekende partij: “[…] De gemeente Essen heeft beheersoverdracht gedaan aan IGEAN milieu & veiligheid voor de milieuhandhaving. In uitvoering hiervan heeft de gemeente aan ons meegedeeld dat zij klachten over geluidshinder ontvingen over uw inrichting gelegen aan de Melkerijstraat 4 bus C in Essen. Op 03.07.2006 nam het schepencollege van de gemeente Essen akte van de melding gedaan door Boden Marc betreffende de uitbating van een sauna omvattende: - 32.8.1.1.a: 2 zwembaden van 27 m² - 32.8.1.2: hot whirlpools, dompelbaden en plonsbaden. In de Kruispuntbank van Ondernemingen is terug te vinden dat in 2013 Aqua Sauna Plezier bvba werd opgericht met als maatschappelijke zetel Melkerijstraat 4 bus C te Essen […]. VII-41.435-5/51 Bij de gemeente Essen werd in het kader van de Vlarem-regelgeving geen melding van overname ingediend op naam van Aqua Sauna Plezier bvba of op naam van één van de zaakvoerders. Artikel 2 § 1 van Vlarem I en artikel 4 § 2 van het milieuvergunningsdecreet stellen dat niemand, zonder daarvan vooraf melding te hebben gedaan, een inrichting die in de derde klasse is ingedeeld, mag exploiteren. Een overtreding tegen deze artikelen is volgens artikel 16.1.2.2° van het decreet algemene bepalingen milieubeleid een milieumisdrijf. De in de Vlarem indelingslijst (bijlage 1 Vlarem I) ingedeelde activiteiten zijn onderworpen aan de milieuvergunningsvoorwaarden uit Vlarem II. Artikel 4.1.3.2. van Vlarem II stelt dat de exploitant als normaal zorgvuldig persoon alle nodige maatregelen moet treffen om de buurt niet te hinderen door geur, rook, stof, geluid, trillingen, niet-ioniserende stralingen, licht en dergelijke meer. Recent ontving de gemeente Essen klachten over geluidshinder van uw inrichting, voornamelijk van de jacuzzi en de late openingsuren die aanleiding geven tot overlast. Hoofdstuk 4.5 van Vlarem II legt geluidsnormen op voor uw inrichting. Overeenkomstig artikel 16.3.22 van het decreet houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid van 5 april 1995 raad ik u, als intergemeentelijk toezichthouder, aan om tegen uiterlijk 31.07.2015: 1. een melding van overname in te dienen van de aktename; 2. mee te delen welke erkende deskundige in de discipline geluid en trillingen u heeft aangesteld voor de opmaak van een volledig akoestisch onderzoek en tegen welke datum u mij de resultaten van het onderzoek kan meedelen”. 3.3.2. Op 30 september 2015 neemt het college akte van de melding van de overname van de inrichting mits naleving van de algemene en sectorale milieuvoorwaarden en het nemen van de nodige maatregelen om schade en hinder te voorkomen. Het college beslist nog dat de exploitant rekening moet houden met de opmerkingen van “IGEAN milieu & veiligheid” en de aktename nog moet regulariseren conform de actuele toestand. 3.3.3. Op 9 december 2015 doet de verzoekende partij een regulariserende melding van een verandering van de bestaande klasse 3-inrichting, die ingedeeld blijft in de klasse 3. 3.3.4. Op 24 februari 2016 neemt het college akte van de melding tot verandering van de inrichting van klasse III, zijnde sauna: VII-41.435-6/51 “- [rubriek] 3.4.1.a: het, zonder behandeling in een afvalwaterzuiveringsinstallatie, lozen van bedrijfsafvalwater dat geen van de in bijlage 2C bij titel I van het Vlarem bedoelde gevaarlijke stoffen bevat in concentraties hoger dan de indelingscriteria, vermeld in de kolom ‘indelingscriterium GS’ van artikel 3 van bijlage 2.3.1 van titel II van het Vlarem, met een debiet van 1,65 m³/u, 3,3 m3/d, 345,8 m³/jaar. - [rubriek] 17.4: de opslag van 100 l zuur en 250 l chloor in bussen van 25 l of kg in een lekbak waarvan de inhoud min. 110% bedraagt van het grootste recipiënt - [rubriek] 32.8.1.1.a: 2 zwembaden van 3 x 6 m, 3,5 x 5 m en een totale oppervlakte van 35,5 m² - [rubriek] 32.8.1.2: hot whirlpools, dompelbaden en plonsbaden”. Er wordt (nog) geen akte genomen van de gevraagde afwijking. 3.3.5. Op 18 mei 2016 neemt het college akte van de melding van de veranderde “klasse 3 inrichting [die] voortaan omvat: - [Rubriek] 3.4.1.a: het, zonder behandeling in een afvalwaterzuiveringsinstallatie, lozen van bedrijfsafvalwater dat geen van de in bijlage 2C bij titel I van het Vlarem bedoelde gevaarlijke stoffen bevat in concentraties hoger dan de indelingscriteria, vermeld in de kolom ‘indelingscriterium GS’ van artikel 3 van bijlage 2.3.1 van titel II van het Vlarem, met een debiet van 1,65 m³/u, 3,3 m³/d, 345,8 m³/jaar. - [Rubriek] 17.4: de opslag van 100 1 zuur en 250 1 chloor in bussen van 25 l of kg in een lekbak waarvan de inhoud min. 110% bedraagt van het grootste recipiënt - [Rubriek] 32.8.1.1.a: 2 zwembaden van 3 x 6 m, 3,5 x 5 m en een totale oppervlakte van 35,5 m² - [Rubriek] 32.8.1.2: hot whirlpools, dompelbaden en plonsbaden. Hierbij wordt opgemerkt dat rekening houdend met artikel 4.1.1.1 van Vlarem II de exploitatie van de inrichting op niveau -1 niet mag worden verdergezet, en dit voor: - [Rubriek] 32.8.1.1.a: zwembad van 3,5 x 5 m en een totale oppervlakte van 17,5 m² - [Rubriek] 32.8.1.2: l jacuzzi op niveau -1 mits naleving van de bijgevoegde algemene, sectorale en bijzondere milieuvoorwaarden”. VII-41.435-7/51 VII-41.435-8/51 De bijgevoegde bijzondere milieuvoorwaarden luiden als volgt: “Bijzonder - De exploitant bezorgt uiterlijk 3 maanden na datum van dit besluit de akoestische studie volgens het meetprotocol zoals goedgekeurd op 31.03.2016, mits bijkomend een beoordeling te maken van het laagfrequent geluid (bv. van de pompen) en een toetsing uit te voeren van de NSG-curve. In de akoestische studie moet een toetsing gebeuren van de geluidsnormen voor unit Aqua-groen op het gelijkvloers, omdat de exploitatie van unit Aqua-blauw op basis van artikel 4.1.1.1 Vlarem II en de bepalingen van het ruimtelijk uitvoeringsplan Nieuwstraat-Oost niet mag worden verdergezet. - Onverminderd andere voorwaarden inzake het voorkomen van geluidshinder is de exploitatie verboden op werkdagen vóór 07u00 en na 19u00. Op zon- en feestdagen gelden volgende openingsuren: 08u00 tot 16u00. - De exploitant dient binnen de 9 maanden na datum van het besluit met een studie aan te tonen dat de inrichting over een afzonderlijk verluchtingssysteem beschikt en dat de inrichting dampdicht is. - De deuren naar de gemeenschappelijke vertrekken moeten steeds gesloten zijn”. 3.3.6. Bij arrest nr. 241.782 van 14 juni 2018 verklaart de Raad van State het beroep van de verzoekende partij tegen de akteneming van het college ontvankelijk met volgende overwegingen: “10. Uit de aangehaalde bepalingen blijkt dat inrichtingen van de derde klasse in beginsel niet kunnen worden verboden en dat de bevoegde overheid de melding van een inrichting die tot de derde klasse behoort, niet kan weigeren. Zij heeft derhalve voor het akte nemen van een melding van de exploitatie van een inrichting van derde klasse slechts een gebonden bevoegdheid wanneer is voldaan aan het algemeen inplantingsvoorschrift bedoeld in artikel 4.1.1.1 van Vlarem II. De bevoegde overheid beschikt in voorkomend geval wel over een discretionaire bevoegdheid om haar verplichte akteneming te onderwerpen aan bijzondere voorwaarden. 11. Het bestreden besluit neemt in artikel 1 akte van de melding die de verzoekende partij heeft gedaan. In datzelfde artikel 1 merkt het college op dat ‘rekening houdend met artikel 4.1.1.1 van Vlarem II de exploitatie van de inrichting op niveau -1 niet mag worden verdergezet’. De volgens dit artikel 1 -hoger aangehaalde- na te leven bijzondere voorwaarden worden als bijlage gevoegd bij het bestreden besluit. Artikel 2 van het bestreden besluit stelt dat deze ‘akteneming geldt als melding’. Artikel 3 van hetzelfde besluit bepaalt dat de algemene exploitatievoorwaarden strikt moeten worden nageleefd. Artikel 4 bepaalt dat de burgemeester de inschrijving zal bevelen van de melding in het daartoe bestemde register. VII-41.435-9/51 Dit beschikkend deel van het bestreden besluit wordt voorafgegaan, naast de weergave van het advies van Igean, door een aantal overwegingen met betrekking tot

  1. i)de uitbreiding van de rubriek 32.8.1.2 van Vlarem II,
  2. ii)de ontvangen klachten over geur- en lawaaihinder en ongedierte door vocht, en iii) stedenbouwkundige aspecten. Geen van deze overwegingen hebben de akteneming door het college van de melding van de verzoekende partij in de weg gestaan. 12. De opmerking van het college in artikel 1 van het bestreden besluit voegt niets toe aan de rechtsorde. Het college heeft daadwerkelijk akte genomen van de gehele melding van de verzoekende partij. De opmerking van het college doet aan de akteneming van het college niets af. Deze opmerking van het college heeft het aanvatten door de verzoekende partij van de gemelde exploitatie, zoals mogelijk gemaakt door voormeld artikel 4 van Vlarem I, niet kunnen beletten. 13. Aan de akteneming koppelt het college wel bijzondere voorwaarden van een akoestische studie binnen een termijn van drie maanden, te respecteren opgelegde sluitingsuren, het bewijs binnen negen maanden van een afzonderlijk verluchtingssysteem voor de dampdichte inrichting, en het permanent sluiten van de deuren naar de gemeenschappelijke vertrekken. 14. Het eerste middel van de verzoekende partij heeft, uitgezonderd wat betreft de opgelegde sluitingsuren, geen betrekking op deze bijzondere voorwaarden. […] 15. Het voorgaande brengt de Raad van State tot de conclusie dat de bestreden akteneming onder de bijzondere voorwaarde van de te respecteren sluitingsuren, een voor vernietiging aanvechtbare bestuurshandeling is en dat de verzoekende partij slechts belang heeft bij haar beroep in zoverre zij betoogt dat zij gegriefd wordt door de opgelegde sluitingsuren. […]”. 3.3.7. Bij arrest nr. 242.963 van 16 november 2018 stelt de Raad van State bij toepassing van artikel 14quater van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’ de afstand van het geding vast. 3.4.1. Bij proces-verbaal van vaststelling van juli 2016 wordt “op stedenbouwkundig gebied een overtreding van artikel 4.2.1 [...]weerhouden voor de kelderverdieping en op milieutechnisch vlak […] overtredingen van […] artikel 4.1.1.1 Vlarem II voor wat betreft de sauna in de kelderverdieping” en “artikel 22 van het milieuvergunningendecreet en artikel 43 Vlarem I voor het niet naleven van de algemene en bijzondere vergunningsvoorwaarden”. VII-41.435-10/51 3.4.2. Bij brief van 29 maart 2018 verzoekt de tussenkomende partij Noens aan de burgemeester om overeenkomstig artikel 16.4.6, § 1, 1°, van het decreet van 5 april 1995 ‘houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid’ (hierna: DABM) een bestuurlijke maatregel (de stopzetting van de activiteiten dan wel de sluiting van de oprichting) op te leggen aan de verzoekende partij omdat - zij niet over de vereiste stedenbouwkundige vergunning of omgevingsvergunning “om de vereiste stedenbouwkundige handeling te verrichten” beschikt “om de hoofdfunctie van het ‘appartement’ waarin zij de sauna uitbaat, te wijzigen van ‘wonen’ naar ‘dagrecreatie’” waardoor zij gelet op artikel 5, § 2, tweede lid, van het decreet van 28 juni 1985 ‘betreffende de milieuvergunning’ (hierna: milieuvergunningsdecreet) “op basis van de verrichte melding nog geen recht [heeft] om de inrichting te exploiteren”; - “de exploitatie niet verenigbaar is met de stedenbouwkundige voorschriften in het Ruimtelijk Uitvoeringsplan Nieuwstraat-Oost van 14.04.2011”; - zij “zeer veel geur- en geluidshinder ingevolge de uitbating” ondervindt. 3.4.3. De burgemeester besluit op 17 mei 2018 om geen bestuurlijke maatregel op te leggen: “Overwegende dat er thans geen geldige stedenbouwkundige vergunning, resp omgevingsvergunning voorhanden is voor de functiewijziging van woongebied naar handelsruimte, welke ingevolge artikel 7 van het RUP ‘Nieuwstraat-Oost’ in ieder geval niet kan worden verleend voor het niveau -1; Overwegende dat de inrichting op het gelijkvloers eveneens niet over de noodzakelijke stedenbouwkundige vergunning, resp. omgevingsvergunning beschikt, maar het RUP zich prima facie niet noodzakelijkerwijze verzet tegen regularisatie: BESLUIT Art.1 beslist om Aqua Sauna Plezier bvba aan te manen zich in regel te stellen en de inrichting terug te brengen naar de vergunde toestand, zijnde door stopzetting van de niet-vergunde activiteiten, dan wel het indienen van een aanvraag tot regularisatie van de bouwwerken op het gelijkvloers, met een termijn van drie maanden vanaf de kennisgeving van dit besluit: Art. 2 beslist om Aqua Sauna Plezier bvba aan te manen met onmiddellijke ingang alle activiteiten op niveau -1 stop te zetten; Indien hieraan door Aqua Sauna Plezier bvba geen gevolg wordt gegeven, zullen wij ons beraden over verregaandere handhavende maatregelen”. VII-41.435-11/51 VII-41.435-12/51 3.4.4. De minister verklaart het administratief beroep van de tussenkomende partij Noens tegen de beslissing van de burgemeester bij besluit van 25 juli 2018 ongegrond: “Overwegende dat op 4 januari 2012 een stedenbouwkundige vergunning werd verleend om het ‘voormalig melkerijgebouw, omvattende enkele woongelegenheden, kantoren en een handelszaak naar 19 appartementen en 3 nieuwbouwwoningen’ te verbouwen; dat het gebouw, hierdoor de hoofdfunctie ‘wonen’ kreeg; dat deze stedenbouwkundige, vergunning niet voorziet in een wijziging van de bestemming van (een deel) van het gebouw naar handelsruimte; dat kort na het verlenen van deze stedenbouwkundige vergunning bij de gemeente Essen een aanvraag werd ingediend ‘om enkele wijzigingen door te voeren aan de goedgekeurde bouwplannen’, met name een functiewijziging van appartement naar sauna; dat bij besluit van 25 januari 2012 het college van burgemeester en schepenen besliste om een vergunning te verlenen voor de gewijzigde bouwplannen met functiewijziging van appartement 18 en een deel (inkomhal) van appartement 3 naar handelszaak (sauna); dat tegen dit besluit door huidige beroepsindiener in 2016 beroep werd ingediend bij de deputatie van de provincie Antwerpen: dat uit het besluit van de deputatie van de provincie Antwerpen van 24 november 2016 over dit beroep blijkt dat de beslissing van 25 januari 2012 niet beschouwd kan worden als een stedenbouwkundige vergunning omdat de vergunningsprocedure niet correct werd doorlopen; dat dit besluit van de deputatie concludeert: ‘bijgevolg is er nooit een stedenbouwkundige vergunning verleend voor de omvorming van appartement 18 en een deel van appartement 3 naar sauna’; Overwegende dat artikel 389 Omgevingsvergunningendecreet voorschrijft, dat artikel 5 Milieuvergunningendecreet en artikel 4.5.1 VCRO onverkort blijven gelden voor inrichtingen of activiteiten en stedenbouwkundige handelingen die met toepassing van een van de decreten vergund of gemeld zijn, als voor de exploitatie of de uitvoering ervan nog een bijkomende vergunning of melding noodzakelijk is; dat artikel 5, §2, tweede lid, Milieuvergunningendecreet bepaalt dat het recht op exploitatie dat meldingsplichtige inrichtingen, waarvoor een stedenbouwkundige vergunning of melding nodig is, ten gevolge van een melding hebben verkregen, wordt opgeschort zolang de stedenbouwkundige vergunning niet definitief is verleend; dat artikel 4, §2, Milieuvergunningendecreet tot 22 februari 2017 bepaalde dat niemand, zonder daarvan vooraf melding te hebben gedaan, een inrichting die in de derde klasse is ingedeeld, mag exploiteren of veranderen; dat ook artikel 2, §1, van titel I van het VLAREM, zoals van toepassing tot 22 februari 2017, bepaalde dat niemand, zonder daarvan vooraf melding te hebben gedaan, een inrichting die behoort tot de derde klasse mag exploiteren of veranderen; dat sinds 23 februari 2017 artikel 5.2.1, §6, tweede lid, DABM voorschrijft dat voor de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit van de derde klasse of voor de verandering ervan een meldingsakte vereist is als vermeld in artikel 6, tweede lid, Omgevingsvergunningendecreet; dat artikel 6, tweede lid, VII-41.435-13/51 Omgevingsvergunningendecreet sinds 23 februari 2017 bepaalt dat niemand zonder voorafgaande meldingsakte een project dat is onderworpen aan meldingsplicht, mag uitvoeren, mag exploiteren of er een meldingsplichtige verandering aan mag doen; Overwegende dat artikel 4.1.1.1 van titel II van het VLAREM voorschrijft dat de exploitatie van een in de derde klasse ingedeelde inrichting slechts toegestaan is in zoverre de inplantingsplaats verenigbaar, is met de algemene en aanvullende stedenbouwkundige voorschriften zoals vastgesteld in het goedgekeurde gewestplan of in een RUP of in een ander plan van aanleg; dat bij proces-verbaal met nummer AN.66.L6.003257/2016 van 25 mei 2016 een schending van dit artikel door vermoedelijke overtreder werd vastgesteld; Overwegende dat uit het dossier voldoende blijkt dat vermoedelijke overtreder de inrichting exploiteert, terwijl het recht op exploitatie is opgeschort; dat de bestreden beslissing dan ook terecht verwijst naar het ontbreken van de noodzakelijke stedenbouwkundige of omgevingsvergunning; […] Overwegende dat verwerende partij een brief voorlegt van 30 mei 2018 waaruit blijkt dat vermoedelijke overtreder op 3 mei 2018 een regularisatieaanvraag bij de gemeente Essen heeft ingediend; dat uit dat schrijven wel blijkt dat de aanvraag onvolledig en onontvankelijk werd bevonden, maar dat vermoedelijke overtreder nog de mogelijkheid heeft een nieuwe omgevingsvergunningsaanvraag in te dienen; dat hieruit de duidelijke intentie blijkt van vermoedelijke overtreder om aan de bestreden beslissing tegemoet te komen; Overwegende dat, wat de opgeworpen hinderaspecten betreft, moet worden vastgesteld dat in de aktename van 18 mei 2016 reeds beperkte openingsuren aan vermoedelijke overtreder werden opgelegd, alsmede een verbod om de exploitatie op het niveau -1 voort te zetten, een verplichting om een akoestische studie en een studie over het verluchtingssysteem op te maken en een verplichting om de deuren naar de gemeenschappelijke vertrekken steeds gesloten te houden; dat op 28 januari 2018 een geluidsmeting werd uitgevoerd waaruit blijkt dat de geluidshinder te allen tijde aanvaardbaar zou zijn; dat ook wat de vochtproblemen betreft, er twijfel bestaat over de invloed van de inrichting van vermoedelijke overtreder, aangezien uit een onderzoek zou blijken dat de vochtproblemen in het gebouw te wijten (kunnen) zijn aan opstijgend grondwater; dat het exploitatieverbod van de sauna-unit in de kelderverdieping al meer dan twee jaar wordt nageleefd; Overwegende dat het om al deze redenen niet kennelijk onredelijk is van verwerende partij om in de bestreden beslissing (nog) niet in te gaan op het verzoek van beroepsindiener om bestuurlijke maatregelen, zijnde stopzetting van de volledige exploitatie, op te leggen, waarbij hij wel de intentie meegeeft dat, indien na drie maanden er geen regularisatievergunning aanwezig is, de niet-vergunde exploitatie moet stopgezet worden; dat het aldus aan verwerende partij toekomt om de stand van zaken goed op te volgen en desgevallend over te gaan tot het nemen van maatregelen”. VII-41.435-14/51 3.4.5. Er blijkt niet dat tegen deze laatste beslissing enig beroep werd ingesteld. 3.5.1. De verzoekende partij dient op 5 november 2018 bij het college een aanvraag in voor een omgevingsvergunning voor “de regularisatie van een functiewijziging en de bijstelling van de melding van de exploitatie van een saunacomplex”. 3.5.2. Het college verleent op 15 mei 2019 een voorwaardelijke omgevingsvergunning “voor de regularisatie van de functiewijziging van de sauna op het gelijkvloers” aan de verzoekende partij en weigert “de regularisatie voor de exploitatie van de sauna op -1 (kelder)”: “… Het betreft een aanvraag tot regularisatie van de functiewijziging voor de volledige exploitatie van de sauna-activiteit uitgebaat door de rechtspersoon ‘Aqua Sauna Plezier’ op voormeld adres. De aanvraag omvat stedenbouwkundige handelingen en de exploitatie van een of meerdere ingedeelde inrichtingen of activiteiten. […] 5. Beoordeling: 5.1. Historiek: Milieu: […] Op 3.05.2018 diende Aqua Sauna een melding in voor de regularisatie van de ingedeelde inrichtingen of activiteiten. Deze werd op 18.05.2018 onvolledig en onontvankelijk bevonden om volgende reden: Er kunnen meldingen gedaan worden voor meldingsplichtige stedenbouwkundige handelingen of de meldingsplichtige exploitatie van ingedeelde inrichtingen of activiteiten of een combinatie ervan. Als een project elementen bevat die onderworpen zijn zowel aan een meldingsplicht als aan een vergunningsplicht, bij of krachtens de decreten, vermeld in artikel 5, en die aspecten onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn, dan omvat de vergunningsaanvraag de melding. Als bepaalde aspecten van een meldingsplichtig project, vermeld in de melding, onderworpen zijn aan de vergunningsplicht is de melding onontvankelijk en moet een vergunningsaanvraag worden ingediend m.a.w. voor de aanvraag werd de verkeerde procedure toegepast en dient een omgevingsvergunnings-aanvraag ingediend te worden (voor de regularisatie van de stedenbouwkundige handelingen). Omgevingsvergunningsaanvraag VII-41.435-15/51 Deze omgevingsvergunningsaanvraag voor de inrichting gelegen te Melkerijstraat 4 bus C (afdeling 1, sectie B, perceelnr. 391T2) heeft betrekking op: - De aanvraag tot regularisatie van 2 sauna-units, zijnde een unit op het gelijkvloers en een in de kelderverdieping (-1) - en de melding van de onlosmakelijk daarmee verbonden ingedeelde inrichtingen of activiteiten, zijnde: - 3.4.1.a: het lozen van bedrijfsafvalwater zonder gevaarlijke stoffen met een debiet van max. 1 m3/u, 2,5 m3/dag en 600 m3/jaar - 17.4: de opslag van 500 l toevoegstoffen en poetsproducten in kleine verpakkingen geplaatst op een lekbak - 32.8.1.1.a: 2 zwembaden met als respectievelijke afmetingen 3 m x 6 m en 3,5 m x 5 m met een totale oppervlakte van 35,5 m2 - 32.8.1.2: 2 jacuzzi’s Stedenbouwkundig: […] Op 04-01-2012 verleende het college een stedenbouwkundige vergunning aan de voormalige eigenaars Bodeck BVBA, Boden Marc en Konings Gerda voor het verbouwen van een voormalig melkerijgebouw met bestaande verblijven naar 19 appartementen en het bouwen van 3 woningen. Tijdens het openbaar onderzoek werden geen bezwaren ingediend. De bouwplannen ‘bestaande toestand’ bij deze vergunning tonen reeds het bestaan van een sauna aan. In zitting van 25-01-2012 verleende het schepencollege aan BVBA Bodeck en Boden-Konings, toestemming tot functiewijziging van het appartement 18 en een deel van de inkomhal van appartement 3, naar handelszaak (sauna). In de kelderverdieping zijn bergruimtes, parking en afvalopslagruimtes voorzien. De vergunning werd door de gemeente toegestaan omdat, zoals opgenomen in de motivering, de gevraagde wijzigen hoofdzakelijk aanpassingen binnen het gebouw betreffen. De beslissing zorgt dan ook niet voor een impact op de omgeving en/of het straatbeeld. Op 25-05-2016 werd en proces-verbaal opgemaakt voor het uitvoeren van vergunningsplichtige werken zonder vergunning: inbreuken m.b.t. stedenbouw en milieuwetgeving (BM 574) 5.2. Planningscontext: De aanvraag situeert zich binnen de grenzen van een goedgekeurd Ruimtelijk Uitvoeringsplan RUP ‘Nieuwstraat-Oost’, goedgekeurd op 02-05-2013. Overeenkomstig het grafisch plan is het voorwerp van de aanvraag gelegen in zone voor gesloten bebouwing (art. 7) en tuinzone (art. 52). […] De stedenbouwkundige voorschriften van de bovenvermelde bestemmingszones zijn van toepassing op de aanvraag, samen met de algemene bepalingen zoals opgenomen in de art 1, 2 en 3. - De aanvraag voldoet slechts gedeeltelijk aan de voorschriften van bovenvermeld RUP. VII-41.435-16/51 De bestaande handelsfunctie (sauna) op het gelijkvloers kan behouden blijven, deze functie bestond immers reeds voorafgaand aan het RUP en kan conform artikel 7,§1 behouden blijven. Wat de nieuwe functie op -1 betreft kan geen vergunning verleend worden daar naast de hoofdbestemming enkel bestaande handels en horeca-activiteiten vergund kunnen worden. De aanvraag betreft echter een nieuwe functie, niet zijnde eengezinswoning, zodat hiervoor geen vergunning verleend kan worden. De exploitatie van de sauna wordt aldus geacht verenigbaar te zijn met de stedenbouwkundige voorschriften wat betreft het gelijkvloers maar onverenigbaar inzake de kelderverdieping, (-1). Op basis van art. 4.4.1. §1. van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening kunnen er, na een openbaar onderzoek, beperkte afwijkingen worden toegestaan op stedenbouwkundige voorschriften en verkavelingsvoorschriften met betrekking tot perceelafmetingen, de afmetingen en inplanting van constructies, de dakvorm en de gebruikte materialen maar niet op de bestemmingsvoorschriften. Afwijking 1: Art. 7: Zone voor ééngezinswoningen met nevenbestemming: Diensten enkel op het gelijkvloers. Bestaande handels- en horeca-activiteiten kunnen worden behouden, echter zonder uitbreiding in oppervlakte. - De voorschriften bepalen dat er enkel handelsactiviteiten kunnen plaatsvinden op het gelijkvloers, maar niet in de kelderverdieping. - Deze afwijking in relatie met de -1 wordt aldus niet toegestaan. Ze valt buiten het toepassingsgebied van art. 4.4.1.§1. van de VCRO, vermits ze geen betrekking heeft op perceelafmetingen, de afmetingen en inplanting van constructies, de dakvorm of de gebruikte materialen maar integendeel de bestemmingsvoorschriften betreft. De afwijking van de voorschriften vormt een gedeeltelijke weigeringsgrond voor de aanvraag wegens de onverenigbaarheid met het RUP. Afwijking 2: Artikel 3.bis ‘Aanvulling bij algemeen geldende voorschriften’ - §1. ‘Parkeernormen’: De voorschriften bepalen dat er minimaal 1 parkeerplaats per 50 m2 verkoopsruimte voorzien en maximaal 2 parkeerplaatsen per 50 m2 verkoopsruimte (deze parkeernorm geldt slechts vanaf een verkoopsoppervlakte van meer dan 150 m2. De sauna op het gelijkvloers was reeds aanwezig voorafgaand aan de parkeernorm voortvloeiend uit het RUP, de aanvraag betreft echter een bijkomende saunaexploitatie op het gelijkvloers. Met 2 sauna units zou men deze oppervlakte overschrijden. - De aanvraag omvat de regularisatie van de sauna op het gelijkvloers en de -1. Er worden in de aanvraag geen parkeerplaatsen voorzien. - Deze afwijking stelt zich in het geval de exploitatie voor de kelderverdieping zou worden toegestaan, hiervoor wordt echter geen vergunning verleend, zodat de vraag naar een afwijking op de parkeernormen zich niet stelt. Voor de beoordeling en motivatie van de gevraagde afwijkingen wordt eveneens verwezen naar art. 5.5. ‘toetsing goede ruimtelijke ordening’. VII-41.435-17/51 […] 5.5. Milieuaspecten / overwegingen: Regularisatie van de gehele exploitatie - stedenbouwkundig niet vergunbaar voor wat betreft -1 De Melkerijstraat ligt volgens het RUP Nieuwstraat-Oost in een zone voor gesloten bebouwing. De hoofdbestemming van de zone voor gesloten bebouwing binnen het van toepassing zijnde RUP is ééngezinswoningen. Als nevenbestemming zijn ook diensten toegelaten maar enkel op het gelijkvloers. Bestaande handels- en horeca-activiteiten kunnen worden behouden, echter zonder uitbreiding in oppervlakte. Voor het voormalige Melkerijgebouw werd in het RUP op lange termijn een woonfunctie vooropgesteld. […] Aangezien de exploitatie slechts gedeeltelijk vergunbaar is, wordt de aktename beperkt tot dat deel van de vergunbare exploitatie, met name het gelijkvloers. […] 5.8. Verenigbaarheid met de goede ruimtelijke ordening: […] • De omschrijving van het goed zelf en de aanvraag […] De gewestplan bestemming is echter niet meer van toepassing. Op 14 april 2011 verleende de deputatie van de provincieraad Antwerpen goedkeuring aan het Ruimtelijke Uitvoeringsplan ‘Nieuwstraat-Oost’ dat de gemeenteraad van Essen op 21 december 2010 definitief vastgesteld heeft. Overeenkomstig dit RUP is het voorwerp van de aanvraag gelegen in een zone voor gesloten bebouwing (artikel 7). De hoofdbestemming voor de zone voor gesloten bebouwing binnen het toepassing zijnde RUP is ééngezinswoningen. In zitting van 25-01-2012 verleende het schepencollege aan BVBA Bodeck en Boden-Konings, toestemming tot functiewijziging van het appartement 18 en een deel van de inkomhal van appartement 3, naar handelszaak (sauna). De functiewijziging werd toegestaan ter inrichting van een sauna (handel) op het gelijkvloers. In de kelderverdieping zijn bergruimtes, parking en afvalopslagruimtes voorzien. De vergunning werd door de gemeente toegestaan omdat, zoals opgenomen in de motivering, de gevraagde wijzigen hoofdzakelijk aanpassingen binnen het gebouw betreffen. De beslissing zorgt dan ook niet voor een impact op de omgeving en/of het straatbeeld. De inkom naar het vroegere appartement werd ingericht als inkombalie waar de klanten zich moeten aanmelden. Vanaf deze ruimte heeft men rechtstreeks toegang tot de sauna op het gelijkvloers. Intern werden hier enkele muurtjes gemaakt voor opdeling van het complex met een apart toilet, een douche, een hammam, een infrarood- en een gewone sauna en een zwembad. Via deze sauna heeft men ook toegang tot de buitenruimte achter het complex. Het betreft een kleine binnenkoer met een tuintje en een terras. Via dit koertje is er ook een poortje voorzien naar de VII-41.435-18/51 achtergelegen parking. Op het terras is een opberghok geplaatst voor de opslag van chemische stoffen. De toegang tot deze berging is enkel voor onderhoud. Grondoppervlak van het saunacomplex op het gelijkvloers bedraagt +/- 67,39 m². Vanaf de inkombalie leidt er ook een trap naar de kelder. De trap is anders ingepland t.o.v. de vergunde plannen. Normaal kwam deze trap uit achteraan in kelder 1. Door de trap te draaien creëerde men ruimte voor een gang die toegang geeft tot een ruimte voor technieken en een privaat gedeelte met een keuken en een toilet. De oppervlakte bedraagt +/- 50,50 m². Via deze gang komt men ook in een gemeenschappelijke gang. Deze gaf volgens de oorspronkelijke plannen toegang tot kelder 2. Door enkele deuropeningen te maken creëerden men van kelder 2 een 2e sauna complex. Intern werden enkele muren geplaatst voor een apart toilet, een douche, een hammam, een infrarood- en een gewone sauna en een zwembad. Er werd ook een gedeelte ingericht als ruimte voor technieken. Grondoppervlak van het saunacomplex op -1 bedraagt +/- 94,12 m2. • De toetsing met de goede ruimtelijke ordening […] Het aangevraagde werd getoetst aan de geldende stedenbouwkundige voorschriften van het van kracht zijnde RUP, waarin al deze aspecten beoordeeld worden. Het afwijkende element van deze voorschriften wordt beschreven onder punt 5.2. Met betrekking tot deze afwijking kan het volgende worden gesteld: Afwijking 1: Art. 7: Zone voor ééngezinswoningen met nevenbestemming: Diensten enkel op het gelijkvloers. Bestaande handels- en horeca-activiteiten kunnen worden behouden, echter zonder uitbreiding in oppervlakte. […] Hierna wordt dieper ingegaan op de voor de aanvraag noodzakelijke of relevante aandachtspunten en criteria. 1. Functionele inpasbaarheid De aanvraag dewelke de gehele exploitatie omvat is niet inpasbaar in de (directe) omgeving. In het verleden was reeds een saunacomplex aanwezig in het gebouw zij het enkel op het gelijkvloers. De voorschriften van het RUP laten dezelfde activiteiten toe op het gelijkvloers. Het vermeerderen met een extra sauna-unit op -1 is niet aanvaardbaar, mede gegeven de woonfunctie en bestemmingsvoorschriften. 2. Mobiliteitsimpact De sauna-unit op het gelijkvloers kan gereserveerd worden voor 8 personen gedurende 2 uur, 2,5 uur of 3 uur. De wisselmomenten zijn dus zeer beperkt. Daarnaast bestaat er parkeergelegenheid in de onmiddellijke nabijheid in de Melkerijstraat zelf, het Heuvelplein en aan de brandweerkazerne is er een openbare parking aanwezig. In het aanvraagdossier wordt gesteld dat bij de bevestiging van de reservatie steeds wordt opgegeven waar er parkeermogelijkheden zijn in de buurt. Bovendien vermeldt de website eerst de bereikbaarheid per trein en bus. Er is een bushalte op ongeveer 100 m van de inrichting. Op de website VII-41.435-19/51 wordt eveneens verwezen naar de parkeergelegenheid op het Heuvelplein, de Melkerijstraat en het Infrax-terrein. Het fout parkeren kan bijgevolg niet aan de inrichting worden toegeschreven. Het is bovendien niet aangetoond dat de foutparkeerders bezoekers zijn van de sauna en dat het aanwezige zwerfvuil (uitsluitend) van hen afkomstig is. Indien een 2e sauna unit zou worden toegestaan betekent dit een verdubbeling van het aantal bezoekers. Men moet dan ook voldoen aan de parkeernorm. Aqua Sauna biedt geen parkeerplaatsen aan, men kan ook niet voldoen aan de parkeernorm. Men moet minimaal 1 parkeerplaats per 50 m2 verkoopsruimte voorzien en maximaal 2 parkeerplaatsen per 50 m2 verkoopsruimte (deze parkeernorm geldt slechts vanaf een verkoopsoppervlakte van meer dan 150 m2. Met 2 sauna units zou men deze oppervlakte overschrijden en wel degelijk parkeerplaatsen dienen te voorzien. 3. Schaal en ruimtegebruik De gevraagde wijzigingen betreffen hoofdzakelijk aanpassingen binnen het gebouw, zodat er geen sprake is van een bouwfysische volume-uitbreiding. Echter door het voorzien van een tweede sauna, groter dan de bestaande, wordt de draagkracht van het perceel manifest overschreden en brengt de grootschalige exploitatie de woonfunctie in het gedrang. […] 5. Hinderaspecten en comfort De woonkwaliteit - hinder naar de aanpalende - wordt uitvoerig beschreven bij de beoordeling van de bezwaren en de afwijkingen. Hetzelfde geldt voor de ventilatieproblemen, de geurhinder en geluidsoverlast als gevolg van het project. De gehele exploitatie zijnde op het gelijkvloers en -1 , veroorzaakt dermate grote hinder die niet verenigbaar is met de directe (woon)omgeving. Onder andere uit de bezwaarschriften binnen het openbaar onderzoek blijkt dat de hinder binnen de huidige exploitatie op het gelijkvloers beperkt blijft. 6. Conclusie De aanvraag bestaande uit de gehele sauna-exploitatie is niet verenigbaar met de goede ruimtelijke ordening dit zowel op het vlak van functionele inpasbaarheid, mobiliteit, schaal en veroorzaakt niet aanvaardbare hinder op de omgeving. De gedeeltelijke exploitatie van de sauna, zijnde beperkt tot het gelijkvloers, kan middels het bevestigen van de reeds beperkte openingsuren, wel als in overeenstemming met de goede ruimtelijke ordening beschouwd worden. 7. Advies college van burgemeester en schepenen: Het college van burgemeester en schepenen neemt kennis van het verslag van de gemeentelijke omgevingsambtenaar van 10-05-2019 en maakt de inhoud ervan tot haar eigen motivering. 8. Algemene conclusie: De aanvraag is gedeeltelijk in overeenstemming met de planologische bestemming en de goede ruimtelijke ordening, met name kan een vergunning verleend worden voor het gelijkvloers maar wordt deze VII-41.435-20/51 geweigerd voor wat betreft de -1 vermits de afwijkingen 1 en 2 van het RUP (zie hoger) buiten het toepassingsgebied van het art. 4.4.1.§1. van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening vallen. De aanvraag is louter verenigbaar met de goede ruimtelijke ordening voor wat betreft de gelijkvloerse exploitatie maar strijdig met de goede ruimtelijke ordening voor de uitbating op -1, zodat de vergunning gedeeltelijk verleend wordt. Met name wordt voor het gelijkvloers een vergunning verleend, voor de handelingen en uitbating in de kelderverdieping (-1) wordt deze geweigerd. Als bijzondere milieuvoorwaarde worden de volgende openingsuren opgelegd: De exploitatie van het gelijkvloers is verboden op werkdagen vóór 07u00 en na 19u00. Op zon- en feestdagen gelden volgende openingsuren: 08u00 tot 16u00. De exploitatie op -1 wordt in zijn geheel verboden, zodat de vraag naar openingsuren zich hier niet stelt. De aanvraag tot het bekomen van een omgevingsvergunning vergunning tot regularisatie van de functiewijziging volledige exploitatie wordt gedeeltelijk vergund. BIJGEVOLG BESLIST HET COLLEGE VAN BURGEMEESTER EN SCHEPENEN IN DE ZITTING VAN 15-05-2019 HET VOLGENDE: Een voorwaardelijke vergunning te verlenen voor de regularisatie van de functiewijziging voor de exploitatie van de sauna op het gelijkvloers te Essen, Melkerijstraat 4C mits naleving van onderstaande voorwaarden en lasten. Weigering voor de regularisatie voor de exploitatie van de sauna op de -1 (kelder) te Essen, Melkerijstraat 4c. […]”. 3.5.3. In tweede administratieve aanleg naar aanleiding van de administratieve beroepen van de tussenkomende partijen en de verzoekende partij tegen de vergunningsbeslissing van het college, verleent de deputatie op 24 oktober 2019 een omgevingsvergunning aan de verzoekende partij: “Vergunning wordt verleend: • Voor de (functie)wijziging naar 2 sauna-units, zijnde 1 unit op het gelijkvloers

(0)en 1 in de kelderverdieping (-1) overeenkomstig de voortgebrachte plannen van 5 november 2018 (deels gewijzigd op 28 februari 2019); […] • (Aktename bijstelling melding) aan bvba Aqua Sauna Plezier zodat de inrichting bevat: ◦ 3.4.1°a): het lozen van bedrijfsafvalwater zonder gevaarlijke stoffen met een debiet van max. 1m3/u - 2,5m3/dag - 600m3/jaar; ◦ 17.4: de opslag van 500 liter toevoegstoffen en poetsproducten in kleine verpakkingen geplaatst op een lekbak; VII-41.435-21/51 ◦ 32.8.1.1°a): twee zwembaden (3x6m op 0 en 3,5x5m op -1) met totale oppervlakte 35,5m2; ◦ 32.8.1.2°: twee jacuzzi’s (1 op 0 en 1 op -1). • Onder de wettelijk geldende algemene en sectorale milieuvoorwaarden. • Onder de volgende bijzondere milieuvoorwaarden - exploitatie verboden op werkdagen vóór 07u00 en na 21u00. Op zon- en feestdagen gelden volgende openingsuren: 08u00 tot 19u00; - de deuren naar de gemeenschappelijke vertrekken moeten steeds gesloten zijn; - in afwijking van de sectorale voorwaarden dienen geen kades voorzien te worden rondom de zwembaden. […] OMSCHRIJVING VAN DE VERGUNNINGSAANVRAAG VERGUNNINGSAANVRAAG ZOALS INITIEEL INGEDIEND OP 5 NOVEMBER 2018 De vergunningsaanvraag omvat stedenbouwkundige handelingen en de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit. Omschrijving van de aanvraag voor stedenbouwkundige handelingen De aanvraag betreft de regularisatie van een verbouwing en functiewijziging naar 2 sauna-units, zijnde 1 unit op het gelijkvloers
(0)en 1 in de kelderverdieping (-1). Deze zijn gelegen in een bestaand appartementsgebouw vergund voor 19 appartementen. De werken vonden plaats binnen het bestaande volume van het gebouw. Wooneenheid 18 en een klein deel van eenheid 3 werden omgevormd naar sauna op het gelijkvloers. In een gedeelte van de kelderverdieping in de voorbouw werd een tweede sauna-unit voorzien. De inkom naar het vroegere appartement werd ingericht als inkombalie waar de klanten zich moeten aanmelden. Vanaf deze ruimte heeft men rechtstreeks toegang tot de sauna op het gelijkvloers. Intern werden hier enkele muurtjes gemaakt voor opdeling van het complex met een apart toilet, een douche, een hammam, een infrarood- en een gewone sauna en een zwembad. Via deze sauna heeft men ook toegang tot de buitenruimte achter het complex. Het betreft een kleine binnenkoer met een tuintje en een terras. Via dit koertje is er ook een poortje voorzien naar de achtergelegen openbare parking. Op het terras is een opberghok geplaatst voor de opslag van chemische stoffen. De toegang tot deze berging is enkel voor onderhoud. Grondoppervlak van het saunacomplex op het gelijkvloers bedraagt +/- 67,39 m
  1. Vanaf de inkombalie leidt er ook een trap naar de kelder. De trap is anders ingepland t.o.v. de vergunde plannen. Normaal kwam deze trap uit achteraan in kelder
  2. Door de trap te draaien creëerde men ruimte voor een gang die toegang geeft tot een ruimte voor technieken en een privaat gedeelte met een keuken en een toilet. De oppervlakte bedraagt +/- 50,50 m². Via deze gang komt men ook in een gemeenschappelijke gang. Deze gaf volgens de oorspronkelijke plannen toegang tot kelder
  3. Door enkele deuropeningen te maken creëerde men van kelder 2 een 2e sauna complex. Intern werden enkele muren geplaatst voor een apart toilet, een douche, een hammam, een infrarood- en een gewone sauna en een VII-41.435-22/51 zwembad. Er werd ook een gedeelte ingericht als ruimte voor technieken. Grondoppervlak van het saunacomplex op -1 bedraagt +/- 94,12 m
  4. Omschrijving van de exploitatie van de ingedeelde inrichting of activiteit De aanvraag omvat de bijstelling van een bestaande klasse 3 inrichting. De inrichting is voorzien van twee saunacomplexen elk uitgerust met een zwembad, een jacuzzi, sauna’s en sanitaire installaties. Op het koertje worden chemische stoffen opgeslagen. In de meest recente aktenames van de exploitatie en wijzigingen eraan werd steeds opgenomen dat de installaties op niveau -1 niet geëxploiteerd mogen worden (een zwembad en een jacuzzi). Huidige aanvraag wenst deze installaties te melden. Tevens wenst aanvrager de veranderingen aan het lozingsdebiet en de opslagcapaciteit van gevaarlijke producten te melden. De inrichting zou na verandering volgende rubrieken bevatten: • 3.4.1°a): het lozen van bedrijfsafvalwater zonder gevaarlijke stoffen met een debiet van max. 1m3/u - 2,5m3/dag - 600m3/jaar (vermindering met 0,65m3/u); • 17.4: de opslag van 500 liter toevoegstoffen en poetsproducten in kleine verpakkingen geplaatst op een lekbak (uitbreiding met 200 liter); • 32.8.1.1°a): twee zwembaden (3x6m op 0 en 3,5x5m op -1) met totale oppervlakte 35,5m² (uitbreiding met 1 zwembad van 17,5m2 op -1); • 32.8.1.2°: twee jacuzzi’s op 0 en -1 (uitbreiding met 1 jacuzzi op -1). Er wordt ook een bijstelling gevraagd van de eerder opgelegde bijzondere voorwaarde (meldingsakte d.d. 18 mei 2016) inzake de openingsuren van de inrichting, meer bepaald dat op werkdagen enkel van 7u tot 19u geëxploiteerd mag worden en op zon- en feestdagen enkel van 8 tot 16u. Aanvrager wenst geen enkele beperking op het vlak van openingsuren. En er wordt een afwijking van de minimum breedte van de kades van 1,5m rondom de zwembaden gevraagd (art. 5.32.9.2.1.§3.2° Vlarem II). Voor het zwembad op 0 werd dit reeds toegestaan in de aktename d.d. 22 juni
  5. […] INHOUDELIJKE BEOORDELING PLANOLOGISCHE TOETS De aanvraag is in overeenstemming met het RUP. Aanvrager stelt dat er wel degelijk een vergunning bekomen werd op 25 januari 2012 voor de functiewijziging. Er moet vastgesteld worden dat er een regularisatieaanvraag voor ligt. Gezien deze voorligt, dient de functiewijziging nu beoordeeld te worden. De functiewijziging dient dus getoetst te worden aan de voorschriften die vandaag van toepassing zijn uit het gemeentelijk RUP Nieuwstraat-Oost d.d. 02/05/
  6. De aanvraag ligt in de zone voor gesloten bebouwing (artikel 7). Artikel 7: Als hoofdbestemming zijn enkel ééngezinswoningen toegelaten. Als nevenbestemming kunnen (enkel op het gelijkvloers) diensten toegestaan worden. Bestaande handels- en horeca-activiteiten kunnen behouden blijven. Ter plaatse van de aanvraag is ook een overdruk meergezinswoningen. VII-41.435-23/51 Het gaat om een bestaande activiteit op het moment van de inwerkingtreding van het RUP, zowel voor het gelijkvloers als voor de kelderverdieping. Reeds in de melding van 2006 voor de uitbating is er sprake van 2 zwembaden. Aanvrager toont ook middels andere stukken het bestaan ervan aan. Dat de activiteit ook vergund moet zijn staat niet in het RUP, zodat de discussie inzake de geldigheid van het document voor de functiewijziging niet ter zake doen. Het CBS stelt dat de activiteit een handelsactiviteit of horeca-activiteit is conform het RUP en dat het de geest van het RUP was dat de sauna behouden kon blijven. De gemeente is best geplaatst om haar eigen RUP te interpreteren. artikel 1.06: De aanvraag wijkt af van artikel 1.06 van het RUP betreffende de parkeernormen. Dit artikel dient echter niet toegepast te worden op activiteiten die reeds bestonden voor de opmaak van het RUP. Een andere lezing doet afbreuk aan het feit dat bestaande activiteiten behouden mogen blijven. […] BESLUIT Artikel 1 De beroepen ingesteld door VME Residentie ‘Melkerij’ (betrokken publiek), Christel Noens (betrokken publiek) en bvba Aqua Sauna Plezier (aanvrager), tegen het besluit van 15 mei 2019 van het college van burgemeester en schepenen van Essen, waarbij de vergunning tot de regularisatie van een functiewijziging en de bijstelling van de melding van de exploitatie van een saunacomplex gedeeltelijk wordt verleend onder voorwaarden, werden besproken. Vergunning wordt verleend: • Voor de (functie)wijziging naar 2 sauna-units, zijnde 1 unit op het gelijkvloers
(0)en 1 in de kelderverdieping (-1) overeenkomstig de voortgebrachte plannen van 5 november 2018 (deels gewijzigd op 28 februari 2019); Onder volgende voorwaarde: - het advies van de brandweer dient strikt nageleefd te worden. • (Aktename bijstelling melding) aan bvba Aqua Sauna Plezier zodat de inrichting voortaan bevat: ◦ 3.4.1°a): het lozen van bedrijfsafvalwater zonder gevaarlijke stoffen met een debiet van max. 1m3/u - 2,5m3/dag - 600m3/jaar; ◦ 17.4: de opslag van 500 liter toevoegstoffen en poetsproducten in kleine verpakkingen geplaatst op een lekbak; ◦ 32.8.1.1°a): twee zwembaden (3x6m op 0 en 3,5x5m op -1) met totale oppervlakte 35,5m2; ◦ 32.8.1.2°: twee jacuzzi’s (1 op 0 en 1 op -1). • Onder de wettelijk geldende algemene en sectorale milieuvoorwaarden. • Onder volgende bijzondere milieuvoorwaarden: - exploitatie verboden op werkdagen vóór 07u00 en na 21u
  1. Op zon- en feestdagen gelden volgende openingsuren: 08u00 tot 19u00; - de deuren naar de gemeenschappelijke vertrekken moeten steeds gesloten zijn; VII-41.435-24/51 - in afwijking van de sectorale voorwaarden dienen geen kades voorzien te worden rondom de zwembaden. […]”. 3.5.
  2. Bij arrest nr. RvVb-A-2021-0241 van 12 november 2020 vernietigt de Raad voor Vergunningsbetwistingen (hierna: RvVb) op vordering van Christel Noens de vergunningsbeslissing van de deputatie na de gegrondverklaring van het tweede middel: “
  3. De verzoekende partij voert in haar tweede middel de schending aan van artikelen 4.3.1 en 4.1.1 VCRO, artikel 52 Omgevingsvergunningsdecreet, artikelen 1.03, 7 en 52 van het gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan ‘Nieuwstraat-Oost’ (hierna: het RUP), artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen (hierna: Motiveringswet) en van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, het legaliteitsbeginsel, het materieel motiveringsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel. Volgens de verzoekende partij is een sauna geen handelsactiviteit en wijkt de verwerende partij, zonder enige motivering, af van het advies van de provinciale omgevingsvergunningscommissie (die stelt dat het ‘verbazingwekkend’ is dat het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Essen de sauna-uitbating als handelszaak kwalificeert, zoals bepaald in het RUP, met als enige overweging dat de gemeente beter geplaatst is om het RUP te interpreteren).
  4. Het wordt niet betwist dat de vergunningsaanvraag de regularisatie beoogt van een verbouwing en een functiewijziging naar 2 sauna-units, waarvan één op het gelijkvloers en één in de kelderverdieping. Niettegenstaande zij de noodzaak daarvan lijkt te betwijfelen, bevestigt de belanghebbende dat ook in haar nota met opmerkingen, waarin zij stelt dat ‘[o]m in strook te zijn met de regelgeving (…) door Aqua Sauna Plezier veiligheidshalve een nieuwe volledige regularisatievergunning aangevraagd [werd]’. De belanghebbende wijst er wel op dat de sauna-activiteit steeds, ook voorafgaand aan de inwerkingtreding van het RUP, rechtsgeldig bestond en dat het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Essen dat in de in eerste administratieve aanleg genomen beslissing erkent, maar dat doet er niet aan af dat de aangevraagde functiewijziging voor de sauna-activiteit op zowel het gelijkvloers als verdieping -1 getoetst moet worden aan het geldend planologisch kader, waaronder artikel 7, §1 van het RUP.
  5. Artikel 1.03 van het RUP, dat de bestemmingscategorieën definieert, bepaalt: ‘… VII-41.435-25/51 Diensten: kantoren en diensten zoals banken, verzekeringskantoren, studiebureau, praktijken... (…) Handel: vestigingen voor kleinhandel, speciaalhandel, grootwarenhuis inclusief de noodzakelijke opslagplaatsen en werkplaatsen voor zover deze bij de bedoelde winkelfunctie horen. Horeca: café, restaurant, feestzaal, frituur, verblijfsaccommodatie. (…) …’ Artikel 7, §1 van het RUP bepaalt: ‘… Hoofdbestemming: ééngezinswoningen. Nevenbestemming: diensten enkel op het gelijkvloers. Bestaande handels- en horeca-activiteiten kunnen worden behouden, echter zonder uitbreiding in oppervlakte. Voor elke inrichting en herinrichting van de zone aan Essendonk tegenover de Oude Pastorij (aanleg plein, bouw woningen …) moet voorafgaand een advies worden gevraagd aan Gecoro omtrent de aansluiting van de gebruikte stijl bij deze van de Oude Pastorij. …’ In de overgangsbepalingen bij artikel 52 van het RUP is te lezen: ‘… Bij verbouwingen aan het voormalig melkerijgebouw in de Melkerijstraat mag het volume van alle gebouwen die behoren tot het hoofdgebouw, afwijkend van huidige bestemming, gebruikt worden voor het inrichten van bestemmingen die in overeenstemming zijn met art. 7 zone voor gesloten bebouwing. Aan de (gedeeltes van) bestaande, vergunde gebouwen, constructies en verhardingen binnen de tuinstrook, die niet conform de hierboven vermelde voorschriften zijn opgericht, zijn instandhoudingswerken mogelijk, evenals het wijzigen van gevelopeningen. Functiewijzigingen zijn niet mogelijk. …’ Nog los van de vraag naar de toepassing van artikel 52 van het RUP, moet de aanvraag, voor zover de aanvraag in overeenstemming zou zijn met artikel 52 van het RUP, in overeenstemming zijn met artikel 7, §1 van het RUP. Over de Melkerijstraat vermeldt de toelichting bij het RUP nog: ‘… In de Melkerijstraat bevinden zich naast woningen, enkele aanhorigheden (stallingen, garages) en de voormalige melkerij (waar momenteel een biljartclub in gevestigd is). De straat wordt eveneens als ontsluiting voor de aangelegen gemeentediensten (brandweer, politie...) benut. De doodlopende straat heeft momenteel geen uitgesproken karakter. Het woonkarakter van de Melkerijstraat dient versterkt te worden. Aanhorigheden die geen onmiddellijke binding hebben met een woning dienen op termijn te verdwijnen ten gunste van een versterking van de woonfunctie. Voor het voormalige Melkerijgebouw wordt op lange termijn een woonfunctie vooropgesteld. De huidige activiteiten kunnen behouden VII-41.435-26/51 blijven, bij verbouwingen wordt echter de nadruk gelegd op de woonfunctie. Het behoud van de erfgoedwaarde van dit gebouw wordt vooropgesteld. Dit wordt ook benadrukt in het openbaar domein door dit in samenhang met het Heuvelplein en de Oude Pastorij te bestemmen als groen plein. …’ en ‘… De zone tussen de Melkerijstraat - N117 en Kapelstraat heeft geen samenhangende structuur en beschikt over een mix van functies. De zone bevat zowel de gemeentefuncties (oa. gemeentehuis, brandweer, sporthal, gemeentelijke diensten, politie, telecomgebouw…), een woonstraat als een zone met grootschalige kleinhandel en bedrijvigheid. Ook naar de toekomst toe is er weinig samenhang te geven aan deze verschillende delen, ze worden in het RUP dan ook als drie afzonderlijke gebieden behandeld. De zone van de gemeentefuncties wordt bestendigd als zone voor openbaar nut. De woonzone wordt eveneens bevestigd. Wel wordt voorzien in een langzaam verkeersverbinding vanuit de Doomboom naar de Melkerijstraat. Hierdoor wordt er een alternatieve link gelegd naar het Heuvelplein. Via de Oude Pastorij wordt deze woonstraat zo aangetakt op de alternatieve langzaam verkeersverbinding voor de Nieuwstraat. De meest zuidelijke zone wordt bestendigd als een zone voor handel en wonen. In deze zone worden ontwikkelingsmogelijkheden gegeven aan de bestaande bedrijven en handelszaken. Tevens kunnen bestaande woonpercelen op lange termijn omgevormd worden om een nieuwe grotere handelszaak op te vangen. Omdat deze zone de ingang vormt van de dorpskern van Essen dient er voldoende aandacht te gaan naar de beeldkwaliteit van deze bedrijven en handelszaken. Bij de vergunning dienen duidelijke voorwaarden opgelegd te worden naar materiaalgebruik. De zone vormt tevens een onderdeel van de dorpskern van Essen. De ontwikkeling van bedrijvigheid en handel wordt daarom gekoppeld aan een woonontwikkeling. Bij nieuwe ontwikkelingen worden daarom voorzien in een woonontwikkeling op de verdieping. …’ […] De belanghebbende wijst er op dat AGOP-RO niet aanwezig was op de vergadering van de provinciale omgevingsvergunningscommissie, en haar aanwezigheid tot een gunstig advies had kunnen leiden, terwijl er nu geen advies uitgebracht is omwille van staking der stemmen, maar het is duidelijk dat er geen overeenstemming was tussen de verschillende adviesinstanties met betrekking tot de planologische toets, en dat doet niets af van de verzwaarde motiveringsplicht van de verwerende partij. Uit voormelde binnen de provinciale omgevingscommissie geformuleerde deeladviezen blijkt afdoende, door expliciet te verwijzen naar de definitie van handel en diensten in het RUP, dat de bestaande sauna-functie niet onder de ‘bestaande handels- en horeca-activiteiten’ kan vallen, maar overeenstemt met dagrecreatie. In die omstandigheden kan de verwerende partij zich niet beperken tot een verwijzing naar de ‘geest van het RUP’ en de interpretatie door het college VII-41.435-27/51 van burgemeester en schepenen van de gemeente Essen, die overigens zelf niet meer is dan een loutere bevestiging dat er op het gelijkvloers een ‘bestaande handelsfunctie’ is. De beslissingen van de verwerende partij en van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Essen zijn dan ook niets meer dan een nietszeggende stijlformule. Met betrekking tot de verdieping -1 is de bestreden beslissing zelfs in tegenspraak met de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Essen, toch met betrekking tot de discussie of de sauna-uitbating al dan niet ‘bestaand’ is, hetgeen echter niet het voorwerp is van het tweede middel.
  6. Ten overvloede oordeelt de Raad dat de verzoekende partij er in haar beroepsverzoekschrift (en ook al haar administratief beroepsverzoekschrift), op wijst dat de hoofdfunctie die overeenstemt met de sauna-uitbating, gekwalificeerd moet worden als dagrecreatie, en dat met verwijzing naar artikel 2, §1, eerste lid van het besluit van 14 april 2000 van de Vlaamse regering tot bepaling van de vergunningsplichtige functiewijzigingen en de wijziging van deze bepaling met het besluit van 17 juli 2015 van de Vlaamse Regering houdende wijziging van artikel 2 van het besluit van de Vlaamse Regering van 14 april 2000 tot bepaling van de vergunningsplichtige functiewijzigingen en van artikel 1, 3, 5, 6, 8 en 9 van het besluit van de Vlaamse Regering van 28 november 2003 tot vaststelling van de lijst van toelaatbare zonevreemde functiewijzigingen en rechtspraak van de Raad van State (RvS 19 september 2011, nr. 215.191) daarover, namelijk: ‘… Het begrip ‘recreatie’ moet in de spraakgebruikelijke betekenis worden begrepen, namelijk als vrijetijdsbesteding of ontspanning. Het begrip ‘dagrecreatie’ staat tegenover ‘verblijfsrecreatie’, bijgevolg staat ‘dagrecreatie’ voor het geheel van toeristische en recreatieve activiteiten dat buiten de woning plaatsvindt en waarmee geen overnachting gepaard gaat. …’ In het verslag aan de Vlaamse Regering bij het besluit van 17 juli 2015 van de Vlaamse Regering houdende wijziging van artikel 2 van het besluit van de Vlaamse Regering van 14 april 2000 tot bepaling van de vergunningsplichtige functiewijzigingen en van artikel 1, 3, 5, 6, 8 en 9 van het besluit van de Vlaamse Regering van 28 november 2003 tot vaststelling van de lijst van toelaatbare zonevreemde functiewijzigingen is nog te lezen: ‘… Het gaat om gebouwen met een recreatieve functie zonder dat er overnacht wordt. Een aantal voorbeelden: sporthal, bowlinghal, gebouw voor paintballen, kantine en kleedruimte van een voetbalploeg, ... Sommige gebouwen met een sportfunctie horen tegelijk ook thuis in de functiecategorie ‘gemeenschapsvoorzieningen en openbare nutsvoorzieningen’. De gemeentelijke sporthal die door de gemeente ter beschikking wordt gesteld van verenigingen, is zo'n voorbeeld. VII-41.435-28/51 …’ Nergens in de bestreden beslissing gaat de verwerende partij echter in op de argumentatie van de verzoekende partij, als indiener van het administratief beroep. Alhoewel de verwerende partij niet verplicht is punt per punt te antwoorden op alle beroepsargumenten die de indiener van een administratief beroep opwerpt, moet uit de bestreden beslissing duidelijk blijken op welke redenen de verwerende partij zich baseert om de bestreden vergunning te verlenen. Dit is allerminst zo en des te prangender omdat de belanghebbende in haar administratief beroepsverzoekschrift daarover zelf stelt: ‘Ofschoon de exploitatie strikt genomen op heden onder de hoofdfunctie ‘dagrecreatie’ zou vallen, had de verleende functiewijziging naar ‘handelszaak’ duidelijk betrekking op de ‘bestaande handelsactiviteiten’ van de kleinschalige privésauna. Er is geen enkele reden om aan te nemen dat dat de gemeente Essen met deze omschrijving niet de dagelijkse spraakgebruikelijke betekenis ervan voor ogen had’.
  7. De belanghebbende beroept zich verder op het rechtszekerheidsbeginsel, het vertrouwensbeginsel en het proportionaliteitsbeginsel om een interpretatie na te streven die volgens haar overeenstemt met de ratio legis van het RUP en beroept zich op de verleende [vermoedelijk wordt hiermee verwezen naar de in het feitenrelaas vermelde] vergunning [van 25 januari 2012] voor de functiewijziging naar ‘handelszaak’ en dat dit spraakgebruikelijk begrepen moet worden als ‘alle commerciële activiteiten van welke aard dan ook’. Verder geeft de belanghebbende aan dat uit de (hierboven geciteerde) toelichtingsnota blijkt dat ‘activiteiten’ kunnen behouden blijven en dat de zone tussen de Melkerijstraat - N117 en Kapelstraat een mix van functies, waaronder handel bevat. De belanghebbende wijst er ook op dat de biljartclub in de toelichting bij het RUP specifiek vermeld wordt en die dus behouden mag blijven en meent dat de gemeente Essen, niettegenstaande een biljartclub als ‘dagrecreatie’ beschouwd moet worden, die als handelsactiviteit heeft beschouwd, zoals bepaald in het RUP. De belanghebbende doet echter zelf afbreuk aan deze argumentatie door er zelf ook op te wijzen dat haar complex op de plattegrond binnen de ‘bestaande en juridische toestand’ van het RUP wordt ingekleurd als horeca, hetgeen, zonder voorafname op de beslissing van de verwerende partij, eventueel verband zou kunnen hebben met de aanwezige biljartzaal. Nog los van de vraag in welke mate deze argumentatie relevant of correct is, moet de verwerende partij de bestreden beslissing afdoende motiveren, onder meer om de Raad toe te laten er wettigheidscontrole op uit te oefenen. Deze argumentatie van de belanghebbende verhelpt dan ook niet dat de verwerende partij nergens in de bestreden beslissing de ‘geest van het RUP’ uiteenzet en, zoals eerder aangegeven, niet kan volstaan met een verwijzing naar de stijlformule uit de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Essen. VII-41.435-29/51 Hetzelfde geldt voor de verwijzing door de verwerende partij in de bestreden beslissing naar: 1) het feit dat handelsactiviteiten ook in andere regelgeving vaker wordt aangewend om allerlei commerciële activiteiten te duiden. Deze verwijzing is bovendien niet doorslaggevend om het begrip ‘handelsactiviteiten’, zoals bepaald in artikel 7, §1 van het RUP te duiden, minstens toont de verzoekende partij dat niet aan. 2) de kwalificatie van de sauna in de statuten van de mede-eigendom van het gebouw en/of het reglement van inwendige orde en andere notariële akten, die trouwens niet noodzakelijk in verband staan met de stedenbouwkundige kwalificatie en definiëring van de ‘bestaande handels- en horeca-activiteiten’.
  8. De beginselen van behoorlijk bestuur waarop de belanghebbende zich baseert, waaronder het proportionaliteits-, rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel, werken niet contra legem: ze kunnen niet tegen uitdrukkelijke wettelijke of reglementaire bepalingen worden ingeroepen. Een vergunning heeft betrekking op het individueel opheffen van een, omwille van algemeen belang ingesteld verbod. Er valt dan ook niet in te zien in welke mate er sprake is van rechtsmisbruik of een schending van het proportionaliteitsbeginsel wanneer beslist wordt of een recht toegekend kan worden. Er is evenmin rechtsmisbruik met betrekking tot het instellen van een vordering tot vernietiging tegen de beslissing daarover, zelfs wanneer de verzoekende partij op de hoogte is van de aanwezigheid van de sauna op het ogenblik van de aankoop van een onroerend goed in de nabijheid ervan: dat zou in de weg staan van het recht op toegang tot de rechter. De belanghebbende laat verder ook na te verduidelijken hoe deze beginselen kaderen in het door de verzoekende partij opgeworpen tweede middel. Bovendien vereist de toepassing van het vertrouwensbeginsel, als onderdeel van het rechtzekerheidsbeginsel, dat de rechtmatige verwachtingen, waar de belanghebbende naar verwijst, door het optreden van de verwerende partij zelf gewekt zijn en de belanghebbende blijft in gebreke te verduidelijken in welke zin de verwerende partij dergelijke verwachtingen gewekt heeft. Met betrekking tot het proportionaliteitsbeginsel lijkt de belanghebbende (zonder daar duidelijk in te zijn) te stellen dat de verhouding tussen het algemeen en het privaat belang in dit dossier, rekening houdend met de nagestreefde doelstelling, alleen kan leiden tot het verlenen van een vergunning voor de sauna-activiteit op beide verdiepingen. Daarmee miskent de belanghebbende andermaal dat algemene beginselen van behoorlijk bestuur niet tegen reglementaire bepalingen kunnen ingeroepen worden en dat de Raad zich niet in de plaats kan stellen van de administratieve overheid om een aanvraag te beoordelen, maar alleen kan onderzoeken of de verwerende partij binnen de grenzen van de wettigheid en de redelijkheid is gebleven. De belanghebbende overtuigt helemaal niet met betrekking tot de gebonden bevoegdheid van de verwerende partij. VII-41.435-30/51
  9. De verwerende partij heeft de overeenstemming van de aanvraag met artikel 7, §1 van het RUP niet afdoende beoordeeld. [...]”. 3.5.
  10. Er blijkt niet dat tegen dit arrest cassatieberoep werd ingesteld bij de Raad van State. 3.5.
  11. De deputatie besluit vervolgens op 25 februari 2021 dat “[g]een vergunning wordt verleend”. 3.5.
  12. Er blijkt niet dat tegen deze laatste beslissing enig beroep werd ingesteld. 3.6.
  13. De verzoekende partij vraagt vervolgens in een schrijven van 26 maart 2021 aan de gemeente om de exploitatie te mogen hernemen op grond van de stedenbouwkundige vergunning van 25 januari 2021 en de akteneming van het college op 18 mei 2016 met afwijking van de in de akteneming opgelegde openingsuren. 3.6.
  14. De gemeente antwoordt met een brief van 20 april 2021 met verwijzing naar voorgaanden dat er geen geldige omgevingsvergunning voor de inrichting is zodat niet kan worden aangevangen met de exploitatie. 3.6.
  15. De verzoekende partij deelt bij brief van 22 november 2021 aan de gemeente mee dat zij met onmiddellijke ingang de exploitatie zou hervatten. 3.6.
  16. De verzoekende partij deelt in een e-mailbericht van 24 november 2021 aan de mede-eigenaren van VME Residentie De Melkerij mee dat zij “binnenkort haar exploitatie hervat”. 3.6.
  17. Naar aanleiding van voormeld schrijven van 22 november 2021 van de verzoekende partij stelt de aangestelde van IGEAN bij proces-verbaal van 23 december 2021 op basis van printscreens van de openingsuren, de nieuwsbrief VII-41.435-31/51 en de reserveringstool op de website dat de verzoekende partij de sauna uitbaat in strijd met het van toepassing zijnde RUP en zonder stedenbouwkundige vergunning een milieumisdrijf vast, aangezien de verzoekende partij de sauna sedert vermoedelijk 22 november 2021 maar alleszins vanaf 7 december 2021 uitbaat “zonder recht op exploitatie”. IGEAN betekent het proces-verbaal aan de verzoekende partij en licht haar in van haar intentie om een bestuurlijke maatregel op te leggen om het milieumisdrijf te doen ophouden en van de mogelijkheid om schriftelijk verweer in te dienen. 3.6.
  18. De verzoekende partij dient op 14 januari 2022 een schriftelijk verweer in. Zij argumenteert dat de exploitatie zowel stedenbouwkundig als milieutechnisch vergund is, dat de mogelijkheid om een bestuurlijke maatregel verjaard is, en dat het proces-verbaal van 23 december 2021 en de daarin vastgestelde feiten niet gebaseerd zijn op concrete vaststellingen ter plaatse. 3.6.
  19. Bij besluit van 27 januari 2022 legt IGEAN milieu en veiligheid een bestuurlijke maatregel op door te bevelen om “met onmiddellijke ingang de exploitatie van het sauna-complex op het gelijkvloers stop te zetten” die kan worden opgeheven door “het bekomen van een regularisatievergunning voor het project”. De bestuurlijke maatregel steunt in essentie op het oordeel dat: - “blijkt dat er geen stedenbouwkundige vergunning werd afgeleverd voor de omvorming van zowel een appartement op het gelijkvloers als de kelderverdieping naar sauna”, - “milieumisdrijven niet verjaren en vaststellingen kunnen gebeuren op basis van voortschrijdend inzicht op basis van nieuwe vergunningenbesluiten”, “voor de illegale exploitatie op het gelijkvloers op 23.12.2021 voor een eerste maal proces-verbaal werd opgesteld”, “het verbod op exploitatie van de kelderverdieping noch steeds vervat zit in de aanmaning van de intergemeentelijke toezichthouder uit 2016 en het burgemeestersbesluit 17.05.2018”, en “de kelderverdieping niet in exploitatie is”, VII-41.435-32/51 - “controle in het kader van milieuhandhaving […] kan gebeuren op basis van een controle ter plaatse en/of op basis van stukken (artikel 16.3.1.13 DABM)”, “op de website [van de verzoekende partij] geboekt kon worden voor 23.12.2021” en “in het schrijven van [de verzoekende partij] van 14.01.2022 de exploitatie van het gelijkvloers niet wordt betwist”, volgens “de reportage op ATV van 4.01.2022 […] duidelijk blijkt dat de exploitatie hervat is”. 3.6.
  20. Bij beschikking van 24 februari 2022 heeft de kortgedingrechter op vordering van de verzoekende partij de tenuitvoerlegging van de bestuurlijke maatregel geschorst “totdat de minister bevoegd voor Omgeving uitspraak zal hebben gedaan in het kader van het door [de verzoekende partij] ingediende beroep” op grond van volgende overwegingen: “[...] De kortgedingrechter is van oordeel dat er (minstens) een (geringe) schijn van recht is dat, zoals eiseres voorhoudt, het besluit van het schepencollege van de gemeente Essen 25 januari 2012 om een stedenbouwkundige vergunning te verlenen niet uit het rechtsverkeer werd gehaald ten gevolge van het besluit van de deputatie van 24 november 2016 om het beroep onontvankelijk te verklaren, en eiseres dus nog steeds subjectieve rechten kan ontlenen aan het besluit van 25 januari
  21. Dit geldt eens te meer nu de gele affiche die eiseres diende aan te plakken ten gevolge van het deputatiebesluit van 24 november 2016 uitdrukkelijk vermeldde dat, aangezien het ingediende beroep onontvankelijk werd verklaard, de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van 25 januari 2012 haar rechtskracht herneemt. Gelet op de duidelijke tekst van het collegebesluit van 25 januari 2012 en de gele affiche, mocht eiseres er prima facie dan ook op vertrouwen dat het saunacomplex vergund was. Dat eiseres later (en volgens eiseres op vraag van de gemeente Essen) toch een aanvraag tot regularisatievergunning indiende, doet hieraan geen afbreuk. Er is dan ook (minstens) een (geringe) schijn van recht dat de bestuurlijke maatregel opgelegd door verweerster onwettig is nu zij geen rekening houdt met de hernomen rechtskracht van het collegebesluit van 25 januari 2012, minstens nu zij een schending inhoudt van het vertrouwensbeginsel op basis waarvan eiseres er mocht van uitgaan dat er met het collegebesluit een geldige stedenbouwkundige vergunning werd verleend. Daar staat tegenover dat de door eiseres gevorderde maatregel weinig ingrijpend is. Eiseres vordert (zoals werd verduidelijkt op de terechtzitting van 17 februari 2022) de schorsing van de bestuurlijke maatregel totdat de minister bevoegd voor Omgeving een beslissing zal hebben genomen, en dus slechts gedurende enkele maanden. De ernst van de gevorderde maatregel staat dan ook in verhouding tot de mate van schijn van recht, VII-41.435-33/51 temeer nu eiseres de sauna al sinds 2013 uitbaat en er geen redenen zijn om aan te nemen dat er thans plots dringend moest worden ingegrepen om schade aan het milieu te voorkomen. De door eiseres gevorderde beperkte maatregel is, rekening houdend met de mate van schijn van recht, dan ook gerechtvaardigd en proportioneel: het nadeel dat verweerster lijdt bij de toekenning van de eis (zijnde het verder open blijven van de sauna gedurende slechts enkele maanden) staat niet in verhouding tot het nadeel dat eiseres lijdt bij het afwijzen ervan (zijnde grote financiële gevolgen per dag dat zij de sauna niet verder kan uitbaten). [...]”. 3.6.
  22. Naar aanleiding van het administratief beroep van de verzoekende partij tegen de bestuurlijke maatregel neemt de minister de bestreden beslissing: “3.
  23. Over het bestaan van een milieumisdrijf […] Artikel 389 van het Omgevingsvergunningendecreet bepaalt dat artikel 5 van het Milieuvergunningsdecreet en artikel 4.5.1 van de VCRO onverkort blijven gelden voor de inrichtingen of activiteiten en stedenbouwkundige handelingen die met toepassing van een van de decreten vergund of gemeld zijn, als voor de exploitatie of de uitvoering ervan nog een bijkomende vergunning of melding noodzakelijk is. Artikel 5, §2, tweede lid van het Milieuvergunningsdecreet bepaalt dat het recht op exploitatie dat meldingsplichtige inrichtingen, waarvoor een stedenbouwkundige vergunning of een stedenbouwkundige melding nodig is, ten gevolge van een melding hebben verkregen, wordt opgeschort zolang de stedenbouwkundige vergunning niet definitief is verleend. Artikel 5, §2 van het Milieuvergunningsdecreet zegt verder dat als de stedenbouwkundige vergunning definitief wordt geweigerd, het recht op exploitatie ten gevolge van de melding voor de meldingsplichtige inrichtingen van rechtswege vervalt. De stedenbouwkundige vergunning wordt daarbij beschouwd als definitief geweigerd vanaf de datum waarop in laatste administratieve aanleg beslist werd om de stedenbouwkundige vergunning niet af te leveren Artikel 4, §2 van het Milieuvergunningsdecreet bepaalde tot 22 februari 2017 dat niemand, zonder daarvan vooraf melding te hebben gedaan, een inrichting die in de derde klasse is ingedeeld mag exploiteren of veranderen. Ook artikel 2, §1 van VLAREM I, zoals van toepassing tot 22 februari 2017, bepaalde dat niemand, zonder daarvan vooraf melding te hebben gedaan, een inrichting die behoort tot de derde klasse mag exploiteren of veranderen. Sinds 23 februari 2017 bepaalt artikel 5.2.1, §6, tweede lid van het DABM dat voor de exploitatie van een ingedeelde inrichting of activiteit van de derde klasse of voor de verandering ervan een meldingsakte vereist is als vermeld in artikel 6, tweede lid van Omgevingsvergunningendecreet Artikel 6, tweede lid van het Omgevingsvergunningendecreet bepaalt dat niemand zonder VII-41.435-34/51 voorafgaande meldingsakte een project dat is onderworpen aan meldingsplicht mag uitvoeren, exploiteren of een meldingsplichtige verandering eraan mag doen. Artikel 411.1 van VLAREM II schrijft voor dat de exploitatie van een in de derde klasse ingedeelde inrichting slechts toegestaan is in zoverre de inplantingsplaats verenigbaar is met de algemene en aanvullende stedenbouwkundige voorschriften zoals vastgesteld in het goedgekeurde gewestplan of een ruimtelijk uitvoeringsplan of in een ander plan van aanleg In een collegebesluit van 25 januari 2012 besliste het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Essen om een voorwaardelijke vergunning te verlenen ‘voor de gewijzigde bouwplannen met functiewijziging van appartement 18 en een deel (inkomhal) van appartement 3 naar handelszaak (sauna)’. Dit besluit werd genomen 21 dagen na datum van de enige rechtsgeldige vergunningsbeslissing van 4 januari 2012 waarin een stedenbouwkundige vergunning verleend om het ‘voormalig melkerijgebouw. omvattende enkele woongelegenheden, kantoren en een handelszaak, naar 19 appartementen en 3 nieuwbouwwoningen’ te verbouwen. Het gebouw kreeg hierdoor de hoofdfunctie ‘wonen’. Deze stedenbouwkundige vergunning voorziet niet in een wijziging van de bestemming van (een deel) van het gebouw naar handelsruimte. Pas kort na het verlenen van deze stedenbouwkundige vergunning werd bij de gemeente Essen een aanvraag ingediend ‘om enkele wijzigingen door te voeren aan de goedgekeurde bouwplannen’, met name ‘een functiewijziging [...] van appartement naar sauna’. Bij besluit van 24 november 2016 verklaarde de deputatie een beroep tegen het besluit van 25 januari 2012 onontvankelijk. Uit het besluit blijkt dat de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van 25 januari 2012 niet beschouwd kan worden als een stedenbouwkundige vergunning. Immers werd de vergunningsprocedure niet correct doorlopen conform de bepalingen van artikel 4.712 en volgende van de VCRO, onder meer wat betreft het ontvankelijkheids- en volledigheidsonderzoek, het opvragen van adviezen, het al dan niet houden van een openbaar onderzoek, de bekendmaking van de vergunning, enzovoort. Evenmin voldoet het besluit aan de vormvereisten die opgelegd worden voor een stedenbouwkundig vergunningsbesluit zoals deze voorzien worden in het Ministerieel besluit tot bepaling van de vorm van de beslissingen van het college van burgemeester en schepenen over aanvragen tot stedenbouwkundige vergunning en verkavelingsaanvragen. Met haar besluit van 24 november 2016 maakt de deputatie toepassing van de figuur van de onbestaande rechtshandeling. Deze zegt dat besluiten die grof (flagrant of onbetwistbaar) onrechtmatig zijn voor onbestaande moeten worden gehouden. Het eigene van de onbestaande rechtshandeling is dat haar feitelijk bestaan genegeerd mag worden, zowel door de burger als door de overheid. Dit werd door de deputatie terecht toegepast gelet op het compleet gebrek aan naleving van alle formele vereisten verbonden aan het verlenen van een stedenbouwkundige vergunning Ook de minister kan thans niet anders dan in navolging van de deputatie het besluit van 25 januari 2012 als onbestaande te beschouwen omdat anders oordelen VII-41.435-35/51 eveneens strijdig zou zijn met het gezag van gewijsde van het arrest van de Raad voor Vergunningsbetwistingen van 12 november 2020; de mogelijkheid van een functiewijziging werd immers door de Raad voor Vergunningsbetwistingen afgewezen. Het besluit van 25 januari 2012 wordt voor onbestaande gehouden en kan dus niet gezien worden als een rechtsgeldige stedenbouwkundige vergunning voor een functiewijziging. Op basis van artikel 389 van het Omgevingsvergunningendecreet blijft artikel 5 van het Milieuvergunningsdecreet dus onverkort gelden aangezien voor de exploitatie wel degelijk nog een bijkomende vergunning noodzakelijk is. De functiewijziging die zogezegd werd toegekend met het voor onbestaande te houden besluit van 25 januari 2012, werd nadien eveneens beoordeeld in het kader van de regularisatieaanvraag. De op 5 november 2018 gevraagde regularisatie van het saunacomplex had in essentie tot doel de inrichting stedenbouwkundig en milieutechnisch in overeenstemming te brengen met de onvergunde realiteit, er was immers geen rechtsgeldige vergunning voor de functiewijziging daar die op dat ogenblik reeds terecht voor onbestaande was gehouden door de deputatie. De regularisatieprocedure is er dus niet gekomen louter ‘op aandringen van de gemeente Essen’, zoals beroepsindiener stelt, maar was een noodzaak voor beroepsindiener om zich te regulariseren. De mogelijkheid van een functiewijziging werd uiteindelijk door de Raad voor Vergunningsbetwistingen afgewezen en de regularisatievergunning werd definitief geweigerd door de deputatie. Opnieuw terugvallen voor haar exploitatie op het onwettige en voor onbestaande te houden besluit van 25 januari 2012 is strijdig met het gezag van gewijsde van het arrest van de Raad voor vergunningsbetwistingen van 12 november 2020 en is rechtstreeks in tegenspraak met de rechtsgeldig genomen en niet in beroep bestreden weigeringsbeslissing van de deputatie van 25 februari
  24. Dat de gele affiche van aanplakking van het deputatiebesluit van 24 november 2016 vermeldde dat door de onontvankelijkverklaring van het beroep tegen het collegebesluit van 25 januari 2012 deze laatste ‘haar rechtskracht herneemt’, betekent niet dat dat besluit moet gezien worden als een rechtsgeldige, bestaande stedenbouwkundige of omgevingsvergunning. Het lijkt eerder te gaan om een stijlclausule die wordt toegevoegd telkens wanneer een beroep onontvankelijk wordt verklaard. Evenmin maakt de affiche duidelijk wat moet begrepen worden onder de ‘rechtskracht’ van het besluit van 25 januari
  25. De gele affiche, voor zover nuttig bij het interpreteren van het besluit van 25 januari 2012, maakt alleszins niet dat dit collegebesluit plots kan gezien worden als een rechtsgeldige stedenbouwkundige vergunning. Dit betekent dat het recht op exploitatie op basis van de melding klasse 3 van 18 mei 2016 met toepassing van artikel 5, §2 van het Milieuvergunningsdecreet. zoals van toepassing ten tijde van deze melding, minstens sinds de definitieve weigering van de omgevingsvergunning op 25 februari 2021 van rechtswege vervallen is Dit verval betreft het recht op exploitatie van de volledige inrichting. Het recht op exploitatie op basis van die melding was eveneens geschorst aangezien nooit een rechtsgeldige stedenbouwkundige vergunning VII-41.435-36/51 voorhanden is geweest. Ook is minstens sinds het arrest van de Raad voor Vergunningsbetwistingen en zeker sinds het weigeringsbesluit van de deputatie van 25 februari 2021 duidelijk dat de inrichting niet verenigbaar is met het RUP zodat ook conform artikel 4111 van VLAREM II de exploitatie niet is toegestaan. Dat de rechter in kortgeding bij beschikking van 24 februari 2022 na een prima facie onderzoek het standpunt van beroepsindiener heeft gevolgd, doet hieraan geen afbreuk. De kortgedingrechter doet uitspraak over de vraag of een schorsing dringend is en of beroepsindiener een schijn van recht heeft De kortgedingrechter is van oordeel dat er in hoofde van beroepsindiener sprake is van ‘(minstens) een (geringe) schijn van recht’. De schorsing wordt echter uitdrukkelijk beperkt tot het ogenblik waarop ‘de minister bevoegd voor Omgeving uitspraak zal hebben gedaan in het kader van het door eiseres ingediende beroep’. Het is dan ook niet in strijd met de beschikking van de kortgedingrechter om na een beoordeling ten gronde te besluiten dat het recht op exploitatie vervallen is. De vaststellingen van verwerende partij houden daarom minstens een schending in van de artikelen 5, §2 van het Milieuvergunningsdecreet, van artikel 521, §6 van het DABM en van artikel 4.111 van VLAREM II. Deze regelgeving wordt gehandhaafd overeenkomstig titel XVI van het DABM en de feiten vormen aldus een milieumisdrijf in de zin van het DABM. Het milieumisdrijf staat afdoende vast in hoofde van beroepsindiener en verwerende partij kon derhalve rechtmatig overgaan tot het opleggen van een bestuurlijke maatregel aan beroepsindiener. 3.
  26. Over het al dan niet punitief karakter van de bestreden beslissing, over de proportionaliteit van de maatregel en over het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel. [...] Blijkens de memorie van toelichting bij het decreet van 21 december 2007 tot aanvulling van het DABM met een titel XVI ‘Toezicht, handhaving en veiligheidsmaatregelen’ is het bij bestuurlijke maatregelen, zoals in voorliggend geval werd opgelegd, ‘niet zozeer de bedoeling om de overtreder in persoon te raken, dan wel om een einde te stellen aan een milieu-inbreuk of milieumisdrijf, zijn gevolgen geheel of gedeeltelijk ongedaan te maken en herhaling ervan te voorkomen’ (St, VL Parl., nr, 1249/1, 2006-2007, p. 14). Dergelijke maatregelen zijn aldus inderdaad gericht op de bescherming en het herstel van het leefmilieu en hebben geen repressief of bestraffend oogmerk Evenwel kunnen ze ook ingezet worden om een einde te maken aan een milieumisdrijf. Overeenkomstig artikel 16.44 van het DABM moet er bij het opleggen van bestuurlijke maatregelen voor gezorgd worden dat er geen kennelijke wanverhouding bestaat tussen de feiten die aan de bestuurlijke maatregelen ten grondslag liggen en de maatregelen die op grond van die feiten worden opgelegd. Het behoort tot de discretionaire bevoegdheid van de verwerende partij om de bestuurlijke maatregelen op te leggen die zij passend acht. Volgens artikel 1647, §1, 2° van het DABM kunnen bestuurlijke maatregelen de vorm aannemen van een bevel om activiteiten, werkzaamheden of het gebruik van zaken te beëindigen. Volgens artikel 16.4.7, §2, 1° en 3° van het DABM kunnen bestuurlijke VII-41.435-37/51 maatregelen onder meer de stopzetting of uitvoering van werkzaamheden, handelingen of activiteiten inhouden en ook de volledige of gedeeltelijke sluiting van een inrichting. Verwerende partij koos binnen haar discretionaire bevoegdheid in dit geval voor een bevel tot regularisatie en een bevel tot staking met onmiddellijke ingang. Dat beroepsindiener door de bestreden beslissing ernstig nadeel ondervindt, betekent evenwel niet automatisch dat de bestuurlijke maatregel een punitief karakter heeft of disproportioneel is. Met de bestreden beslissing wil verwerende partij een einde maken aan het milieumisdrijf. De ernst van de vastgestelde schendingen mag niet geminimaliseerd worden. Titel V ‘Exploitatie van inrichtingen en activiteiten en erkende personen’ van het DABM heeft onder meer tot doel om de mens en het milieu te beschermen tegen onaanvaardbare risico’s en hinder, afkomstig van de exploitatie van ingedeelde inrichtingen en activiteiten. Dit gebeurt door het instellen van een voorafgaande vergunningsplicht of meldingsplicht voor exploitatie en verandering naargelang de klasse (eerste, tweede of derde) waarin een inrichting of activiteit wordt ingedeeld en door het opleggen van strikte voorwaarden waaraan bij de exploitatie van deze inrichtingen of activiteiten moet worden voldaan. De naleving van de algemene en sectorale voorwaarden en van de bijzondere voorwaarden uit de vergunningen of meldingen is daarbij van cruciaal belang om hinder te voorkomen of risico’s tot een aanvaardbaar niveau te beperken. Een strikte naleving van deze bepalingen wordt opgelegd aan diegenen die ingedeelde activiteiten uitoefenen. De loutere schorsing of afwezigheid van een vergunning of aktename kan aldus reden tot stopzetting van de betrokken activiteit zijn. Het ligt immers besloten in de essentie van de vergunnings- en meldingsplicht dat het ontbreken ervan leidt tot de stopzetting van de activiteiten. Een vergunning heeft betrekking op het individueel opheffen van een omwille van algemeen belang ingesteld verbod. Hierbij kan worden herinnerd aan het feit dat algemene beginselen van behoorlijk bestuur niet kunnen ingaan tegen expliciet verwoorde regelgeving. De algemene beginselen van behoorlijk bestuur, waaronder het zorgvuldigheidsbeginsel, het redelijkheidsbeginsel of vertrouwensbeginsel, kunnen niet met goed gevolg worden ingeroepen contra legem. Beroepsindiener kan zich thans niet beroepen op die beginselen om af te wijken van de geschonden bepalingen. Beginselen van behoorlijk bestuur prevaleren immers niet op duidelijke wetsbepalingen. Het beoordelen van het al dan niet vergunde karakter van de activiteit behoort tot de bevoegdheid van de vergunningverlenende overheden en van de Raad voor Vergunningsbetwistingen. Het behoort tot de essentie van het ontbreken van de nodige vergunningen en aktenames, dat de betrokken activiteiten in principe verboden zijn. Uit de bespreking van de feiten en van het argument over het bestaan van een milieumisdrijf blijkt dat de inrichting van beroepsindiener op het ogenblik van de vaststellingen niet beschikte over een rechtsgeldig recht op exploitatie. Dat verwerende partij aan deze vaststelling een regularisatie- en stakingsbevel koppelde, is niet kennelijk onredelijk of disproportioneel. VII-41.435-38/51 Verwerende partij deed inderdaad geen vaststellingen van exploitatie ter plaatse, maar beschikte over voldoende samenhangende en vaststaande elementen om te beoordelen dat er wel degelijk sprake was van exploitatie. Beroepsindiener ontkent overigens niet dat de sauna, minstens het deel op het gelijkvloers, ten tijde van de vaststellingen in exploitatie was. Al deze elementen maken dan ook dat de bestreden beslissing niet in kennelijke wanverhouding staat tot de feiten die aan de bestreden beslissing ten grondslag liggen. Beroepsindieners tonen niet aan dat de bestreden beslissing gesteund is op onjuiste feiten of kennelijk onredelijk is. De motiveringsplicht, het zorgvuldigheidsbeginsel en het redelijkheids- en proportionaliteitsbeginsel werden niet geschonden. […]”. De bestreden beslissing verklaart het beroep van de verzoekende partij ongegrond en bevestigt de beroepen beslissing van IGEAN. IV. Ontvankelijkheid van de vordering 4.
  27. De verwerende partij betwist de ontvankelijkheid van de vordering. De verzoekende partij streeft volgens de verwerende partij een niet-geoorloofd of onwettig belang na met haar vordering. 4.
  28. Ook de tussenkomende partij Noens stelt dat de verzoekende partij “met haar vordering een onrechtmatige toestand [beoogt]verder te zetten” en “hiermee bijgevolg een ongeoorloofd belang na[streeft]”. 4.
  29. Een onderzoek van en een uitspraak over de ontvankelijkheid zouden zich alleen opdringen indien mocht blijken dat aan de grondvoorwaarden voor een schorsing voldaan is, wat, zoals hierna zal blijken, niet het geval is. V. Tussenkomsten 5.
  30. De vereniging van mede-eigenaars van de Residentie Melkerij (hierna: VME Melkerij) vraagt toegelaten te worden om tussen te komen in de huidige procedure. Zij stelt dat zij er belang bij heeft dat de verzoekende partij zich conformeert aan de geldende milieureglementering, dat de geheel onrechtmatige exploitatie de rust in het gebouw verstoort, dat zij zich daarom VII-41.435-39/51 verzet tegen het sauna-complex in het kader van de vergunningsprocedures en dat een handhavende maatregel blijkbaar de enige manier is die ervoor kan zorgen dat de verzoekende partij haar wederrechtelijke exploitatie stopzet. 5.
  31. Ook Christel Noens vraagt toegelaten te worden om tussen te komen in de huidige procedure. Zij stelt dat zij een appartement heeft in het gebouw waar de verzoekende partij haar sauna uitbaat, dat zij van de niet-toegelaten uitbating van de sauna zeer veel hinder ondervindt en dat zij er belang bij heeft dat de bestreden beslissing een definitief karakter verkrijgt. 5.
  32. De verzoekende partij betwist dat de tussenkomende partij VME Melkerij haar belang om tussen te komen in de huidige procedure voldoende heeft aangetoond. Zij gedraagt zich naar de wijsheid van de Raad van State wat betreft het belang van Christel Noens om tussen te komen in de huidige procedure. Beoordeling 5.
  33. In de gegeven omstandigheden worden beide verzoeken tot tussenkomst in de huidige procedure ingewilligd. Zowel de VME Melkerij als Christel Noens overtuigen in hun respectieve uiteenzettingen in hun verzoekschriften ervan dat zij het rechtens vereiste belang hebben om toegelaten te worden tussen te komen in de huidige procedure. VI. Herinnering aan de schorsingsvoorwaarden
  34. Krachtens artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid slechts worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden en dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is die onverenigbaar is met de behandelingstermijn van de gewone vordering tot schorsing. VII-41.435-40/51 VII. Onderzoek van de ernst van de middelen A. Eerste middel Standpunt van de verzoekende partij 7.
  35. De verzoekende partij voert de schending aan van de artikelen 16.4.5 en 16.1.2, 2°, DABM, artikel 389 van het omgevingsvergunningsdecreet, artikel 4.1.1.1 van Vlarem II, artikel 5, § 2, van het milieuvergunningsdecreet, de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’ (hierna : motiveringswet), de materiëlemotiveringsplicht, het zorgvuldigheids-, rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel. Zij betoogt dat de bestreden beslissing ten onrechte aanneemt dat het saunacomplex zou worden geëxploiteerd zonder de nodige stedenbouwkundige vergunning en in strijd met het van toepassing zijnde RUP waardoor sprake zou zijn van een milieumisdrijf. Zij stelt dat het saunacomplex wel degelijk over de noodzakelijke stedenbouwkundige en milieutechnische vergunningen/aktenames beschikt. Zij verwijst in dat verband naar de stedenbouwkundige vergunning die werd verleend op 25 januari 2012 en die niet werd vernietigd door de RvVb. Het loutere feit dat de deputatie op 24 november 2016 zou hebben geoordeeld dat deze vergunning geen rechtsgeldige vergunning uitmaakt, doet hier niet aan af. De formele motivering van de huidige bestreden beslissing is dan ook omwille van meerdere redenen feitelijk en juridisch onjuist: - de deputatie heeft in haar besluit van 24 november 2016 geen toepassing gemaakt van de rechtsfiguur van de “onbestaande rechtshandeling”; - de verwerende partij heeft in de bestreden beslissing nagelaten de flagrante, onbetwistbare onregelmatigheid van de vergunning van 25 januari 2012 aan te tonen; zij sluit zich aan bij de formele motivering van het deputatiebesluit van 24 november 2016, waarin geen melding wordt gemaakt van de toepassing van de rechtsfiguur van de “onbestaande rechtshandeling”; VII-41.435-41/51 - de verwijzing naar het arrest van de RvVb van 12 november 2020 is niet dienstig, aangezien uit dit arrest niet voortvloeit dat de stedenbouwkundige vergunning voor onbestaande moet worden gehouden; de RvVb deed enkel uitspraak over de niet-afdoende motivering van de omgevingsvergunning van 24 november 2019, in het kader van de beoordeling van de overeenstemming met het RUP “Nieuwstraat-Oost” van 2 mei 2013, dat dus dateert van na de stedenbouwkundige vergunning van 25 januari 2012, die diende te worden getoetst aan het RUP “Nieuwstraat-Oost” van 21 december 2010; - de verzoekende partij heeft erop gewezen dat de gele affiche die werd aangeplakt na het deputatiebesluit van 24 november 2016 expliciet vermeldde dat de vergunning van 25 januari 2012 haar rechtskracht herneemt, wat in de bestreden beslissing ten onrechte wordt beschouwd als een stijlclausule; - de theorie van de “onbestaande rechtshandeling” komt niet voor in het proces-verbaal van 23 december 2021 of in de bestuurlijke maatregel van IGEAN; - de verzoekende partij kon wel degelijk uit alle met elkaar overeenstemmende elementen van het dossier verwachten dat de vergunning van 25 januari 2012 “kan worden aangewend om het saunacomplex ter plaatse te exploiteren”; - de verzoekende partij beschikt over “een geldige milieutechnische aktename klasse 3-inrichting” die zowel betrekking heeft op de exploitatie op het gelijkvloers als in de kelderruimte; artikel 4.1.1.1 van Vlarem II kan bijgevolg niet geschonden zijn, aangezien uit de akteneming voortvloeit dat de activiteiten bestemmingsconform zijn; - aangezien voor de exploitatie van het saunacomplex geen bijkomende vergunning of melding noodzakelijk is, is artikel 5 van het milieuvergunningsdecreet niet relevant. De verzoekende partij besluit dat de verwerende partij in de bestreden beslissing “geen afdoende motivering” ontwikkelt waaruit blijkt dat de bestaande exploitatie niet vergund is op stedenbouwkundig en milieutechnisch vlak, dat de motieven in de bestreden beslissing strijdig zijn met de artikelen 2 en 3 van de motiveringswet, dat de verwerende partij geen schending aantoont van artikel 389 van het omgevingsvergunningsdecreet, artikel 4.1.1.1 van Vlarem II VII-41.435-42/51 en/of artikel 5, § 2, van het milieuvergunningsdecreet, dat de onjuiste inhoud van het proces-verbaal van 23 december 2021 en van de bestreden beslissing de bestuurlijke maatregel pertinent onwettig maakt. Beoordeling 7.
  36. De beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Essen van 25 januari 2012 die de verzoekende partij als overtuigingsstuk aan de Raad van State overlegt is een “uittreksel uit de notulen van het schepencollege” en heeft als “onderwerp: 2E aanvraag wijziging goedgekeurde bouwplannen”. 7.
  37. Een middel kan slechts ernstig worden bevonden indien het de nietigverklaring van de bestreden beslissing prima facie kan verantwoorden. Dat brengt mee dat het middel, om als ernstig te kunnen worden aangemerkt, dermate duidelijk dient te zijn dat het bij eerste lezing meteen aannemelijk is dat daarop een nietigverklaring kan worden gesteund, zonder dat een doorgedreven onderzoek van het middel noodzakelijk is. In een schorsingsprocedure die, zoals de huidige, is ingeleid bij uiterst dringende noodzakelijkheid, is zulks des te meer het geval omdat het onderzoek van de Raad van State in die procedure uiterst snel moet kunnen verlopen. 7.
  38. Het middel dat in essentie steunt op de stelling van de verzoekende partij dat haar een definitieve stedenbouwkundige vergunning door het college werd verleend op 25 januari 2012, kan bij eerste lezing niet leiden tot het besluit dat het de nietigverklaring van de bestreden beslissing prima facie kan verantwoorden. De verzoekende partij legt immers enkel een “uittreksel uit de notulen van het schepencollege” voor dat de Raad van State op het eerste gezicht zou moeten overtuigen van haar stelling bij een eerste lezing van haar middel dat het aannemelijk is dat daarop een nietigverklaring kan worden gesteund. Zij legt VII-41.435-43/51 niet de akte voor waarmee haar de stedenbouwkundige vergunning werd verleend en dat haar en de andere betrokken partijen werd betekend door het college. In de gegeven omstandigheden en in de huidige stand van de procedure moet dan ook worden vastgesteld dat -anders dan de stedenbouwkundige vergunning die door hetzelfde college op 4 januari 2012 werd verleend aan dezelfde aanvrager- de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van 25 januari 2012 niet is genomen met gebruikmaking van “formulier I” en dat de beslissing geen gewag maakt van datum van indiening van de (wijzigings-)aanvraag, van een ontvankelijk- en volledigverklaring van de (wijzigings-)aanvraag, van de melding dat de aanvraag werd onderzocht “rekening houdend met de terzake geldende wettelijke bepalingen, in het bijzonder met de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening en de uitvoeringsbesluiten”, van een advies van het college over deze (wijzigings-)aanvraag, van de organisatie (al dan niet) van een openbaar onderzoek, van toetsing aan de gewestelijke stedenbouwkundige verordening inzake hemelwaterputten, infiltratievoorzieningen, buffervoorzieningen en gescheiden lozing van afvalwater en hemelwater, van een watertoets, van externe adviezen, van een beoordeling van de goede ruimtelijke ordening en evenmin van de beroepsmogelijkheden. 7.
  39. Deze conclusie bij deze vaststelling dringt zich in de huidige stand van de procedure des te meer op omdat - uit het dossier bij eerste lezing blijkt dat de deputatie op 24 november 2016 besloten heeft dat de “collegebeslissing […] niet beschouwd kan worden als een stedenbouwkundige vergunning”, de tussenkomende partij Noens in haar verzoek om bestuurlijke maatregelen de stelling verdedigt dat de verzoekende partij “niet over de vereiste stedenbouwkundige vergunning of omgevingsvergunning ‘om de vereiste stedenbouwkundige handeling te verrichten’ beschikt”, de burgemeester op 17 mei 2018 beslist heeft “dat er thans geen geldige stedenbouwkundige vergunning resp. omgevingsvergunning voorhanden is voor de functiewijziging”, de minister in de beslissing van 25 juli 2018 aanneemt dat “uit het dossier voldoende blijkt dat vermoedelijke overtreder de inrichting exploiteert, terwijl het VII-41.435-44/51 recht op exploitatie is opgeschort; dat de [beslissing van de burgemeester] terecht verwijst naar het ontbreken van de noodzakelijke stedenbouwkundige of omgevingsvergunning”, IGEAN in de beslissing van 27 januari 2022 van oordeel is “dat er geen stedenbouwkundige vergunning werd afgeleverd voor de omvorming van zowel een appartement op het gelijkvloers als de kelderverdieping naar sauna”, en de verwerende partij het “collegebesluit van 25 januari 2012 […] als onbestaande” beschouwt en van oordeel is dat het “niet gezien [kan] worden als een rechtsgeldige stedenbouwkundige vergunning voor een functiewijziging”; - de verzoekende partij een navolgende regularisatieaanvraag heeft ingediend die geleid heeft na een vernietigingsarrest van de RvVb tot een definitieve weigeringsbeslissing van de deputatie. De stelling van de verzoekende partij waarop haar eerste middel steunt, blijkt dus meermaals het voorwerp te zijn geweest van tegenspraak bij diverse besturen die telkens op basis van het hen specifiek voorgelegde dossier, een andere zienswijze hierover blijken te hebben. 7.
  40. Aan deze vaststelling doet ook niet af de vaststelling dat - de kortgedingrechter in de beschikking heeft vastgesteld dat het besluit van het college van 25 januari 2021 “niet uit het rechtsverkeer werd gehaald” en de verzoekende partij “nog steeds subjectieve rechten kan ontlenen aan” dit besluit en - de bekendmaking van het besluit van 24 november 2016 van de deputatie dat “het ingediende beroep onontvankelijk [heeft] verklaard”, gepaard is gegaan met de (bijkomende) mededeling dat de “beslissing van het college van burgemeester en schepenen d.d. 25/01/2012 […] haar rechtskracht [herneemt]”. Ter discussie is in deze spoedprocedure immers niet de vraag of de verzoekende partij subjectieve rechten kan putten uit de beslissing van het college van 25 januari 2012 maar prima facie de wettigheid van de bestreden beslissing. De verzoekende partij die de inhoud van het besluit van de deputatie van 24 november 2016 volledig kent, kan zich op het eerste gezicht evenmin VII-41.435-45/51 bedienen van een bijkomende mededeling in de bekendmaking dat de beslissing van het college haar rechtskracht herneemt terwijl het bekendgemaakte besluit van de deputatie aanneemt dat de “collegebeslissing […] niet beschouwd kan worden als een stedenbouwkundige vergunning” en de verzoekende partij bij het hanteren van dit specifiek argument daarvan abstractie wenst te maken, om de wettigheid van de bestreden beslissing te betwisten. 7.
  41. Uit hetgeen voorafgaat volgt dat niet prima facie is aangetoond dat de ingeroepen bepalingen en/of beginselen werden geschonden door de bestreden beslissing. 7.
  42. Het eerste middel is niet ernstig gebleken. VII-41.435-46/51 B. Tweede middel Standpunt van de verzoekende partij 7.
  43. De verzoekende partij voert de schending aan van artikel 16.4.4 DABM, de artikelen 2 en 3 van de motiveringswet, de materiëlemotiveringsplicht en het zorgvuldigheidsbeginsel. Zij betoogt dat uit het proces-verbaal van 23 december 2021 op geen enkele wijze blijkt welke milieuschade de exploitatie van het saunacomplex zou veroorzaken. De bestuurlijke maatregel krijgt hierdoor een onwettig sanctionerend karakter en is niet langer gericht op probleemverhelping. De bestreden beslissing beoogt geen herstel van het leefmilieu maar heeft een zuiver repressief en sanctionerend karakter. Beoordeling 7.
  44. Gelet op de beoordeling van het eerste middel, faalt het tweede middel op het eerste gezicht in zoverre het steunt op de stelling dat “de sauna over alle vergunningen/meldingen beschikt”. 7.
  45. In zoverre het middel aanvoert dat “er geen milieuhinder is of aangetoond wordt” gaat de verzoekende partij eraan voorbij dat de verwerende partij in de bestreden beslissing op het eerste gezicht een aantal overtuigende argumenten inbrengt tegen deze grief van de verzoekende partij: - bestuurlijke maatregelen zijn gericht op de bescherming en het herstel van het milieu en hebben geen repressief of bestraffend oogmerk, en kunnen ingezet worden om een einde te maken aan een milieumisdrijf; - het ligt in de essentie van de wettelijke vergunnings- of meldingsplicht dat het ontbreken van een vergunning (of akteneming) leidt tot de stopzetting van de activiteiten die, zonder vergunning of melding, in principe verboden zijn; - de verwerende partij koos voor een bevel tot regularisatie en een bevel tot staking met onmiddellijke ingang om een einde te maken aan het vastgestelde VII-41.435-47/51 milieumisdrijf, meer bepaald het feit dat de verzoekende partij niet beschikt over een rechtsgeldig recht op exploitatie; - het feit dat de verzoekende partij hierdoor ernstig nadeel ondervindt, betekent niet automatisch dat de bestuurlijke maatregel een punitief karakter heeft. 7.
  46. Aangezien vergunnings-/meldingsplichtige activiteiten verboden zijn tenzij zij werden vergund/gemeld, kan bovendien op het eerste gezicht niet worden ingezien welk belang de verzoekende partij bij dit middel heeft. In essentie vraagt zij, gelet op de beoordeling van haar eerste middel, de exploitatie van haar saunacomplex te kunnen voortzetten zonder te voldoen aan haar vergunningsplicht. 7.
  47. Het tweede middel is niet ernstig gebleken. C. Derde middel Standpunt van de verzoekende partij 7.
  48. De verzoekende partij voert de schending aan van artikel 16.4.5 DABM, de artikelen 2 en 3 van de motiveringswet, de materiëlemotiveringsplicht en het zorgvuldigheidsbeginsel. Zij betoogt dat het proces-verbaal van 23 december 2021 niet gebaseerd is op een plaatsbezoek en/of enig ander onderzoek ter plaatse en dat zij reeds van bij aanvang de feitelijke accuraatheid van deze vaststellingen betwist. Het komt niet aan haar toe om a posteriori na het opleggen van een bestuurlijke maatregel aan te tonen dat er geen sprake zou zijn van enige exploitatie of van een milieumisdrijf. Het komt aan de toezichthouder toe om aan te tonen dat er sprake is van een milieumisdrijf. Uit de elementen van voormeld proces-verbaal kan niet met zekerheid worden afgeleid dat het saunacomplex daadwerkelijk werd geëxploiteerd, zodat ook geen milieumisdrijf kon worden vastgesteld. De verwerende partij kan niet ernstig voorhouden dat er “voldoende samenhangende en vaststaande gegevens” voorhanden zijn om de bestreden bestuurlijke VII-41.435-48/51 maatregel op te leggen. Dit motief is een stijlformule waarmee wordt aangesloten op de onjuiste en onzorgvuldige inhoud van voormeld proces-verbaal. Zij besluit dat er geen zorgvuldige vaststelling van enig milieumisdrijf gebeurde en dat de bestreden beslissing geen afdoende motieven aanreikt waaruit kan worden afgeleid dat de feitengaring en de vaststelling van het milieumisdrijf wel op zorgvuldige wijze verliep. Beoordeling 7.
  49. De verzoekende partij gaat eraan voorbij dat de verwerende partij in de bestreden beslissing een aantal op het eerste gezicht overtuigende argumenten inbrengt tegen deze grief van de verzoekende partij: - de verwerende partij deed inderdaad geen vaststellingen van exploitatie ter plaatse, maar beschikte over voldoende samenhangende en vaststaande elementen om te beoordelen dat er wel degelijk sprake was van exploitatie; - de verzoekende partij ontkent overigens niet dat de sauna, minstens het deel op het gelijkvloers, ten tijde van de vaststellingen in exploitatie was. De verzoekende partij gaat er evenzeer aan voorbij dat de aanleiding van het proces-verbaal van 23 december 2021 waarop de bestreden bestuurlijke maatregel is gebaseerd, het schrijven van de verzoekende partij van 22 november 2021 is waarin zijzelf de hervatting “binnenkort” van de exploitatie van haar sauna aankondigde aan de gemeente. 7.
  50. De vaststelling waarop voormeld proces-verbaal is gesteund blijkt de inhoud op 22 december 2021 op de website van de verzoekende partij te zijn van printscreens van de openingsuren, de nieuwsbrief over de (her)opening van het saunacomplex en de beschikbaarheid van het saunacomplex op de reserveringstool. De verwerende partij kon op het eerste gezicht op basis van deze concrete gegevens aannemen dat er voldoende samenhangende en vaststaande elementen voorhanden waren in het dossier om daaruit af te leiden VII-41.435-49/51 dat de verzoekende partij op het ogenblik van de vaststelling het onvergunde saunacomplex exploiteert. De verzoekende partij die de inhoud van haar website zoals werd vastgesteld, niet betwist, kan op het eerste gezicht niet volstaan met het loutere verweer dat op basis van die vaststelling “niet met zekerheid [kan] worden afgeleid dat het saunacomplex daadwerkelijk werd geëxploiteerd”. 7.
  51. Het derde middel is niet ernstig gebleken. VIII. Conclusie
  52. Er is niet voldaan aan ten minste één van de voorwaarden gesteld in artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die cumulatief vervuld moeten zijn wil een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid worden toegewezen. BESLISSING
  53. De verzoeken van Christel Noens en de VME Residentie Melkerij tot tussenkomst in het administratief kort geding worden ingewilligd.
  54. De Raad van State verwerpt de vordering.
  55. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 22 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. De tussenkomende partijen worden verwezen in de kosten van de tussenkomsten, begroot op 300 euro, elk voor de helft. VII-41.435-50/51 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van tien juni tweeduizend tweeëntwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Pierre Lefranc, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier. De griffier De voorzitter Elisabeth Impens Pierre Lefranc VII-41.435-51/51 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.253.974 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.255.323 ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.980 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.