id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 13 juni 2022 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.253.979 Rolnummer: A. 231540/IX-9746 Zaak: Arrest 253979 - Personeel van de rechterlijke orde - 13/06/2022 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2022-06-23 Raadplegingen: 70 - laatst gezien 2026-06-10 07:03 Fiche Arrest nr 253.979 van 13 juni 2022 Justitie - Personeel van de rechterlijke orde Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 253.979 van 13 juni 2022 in de zaak A. 231.540/IX-9746 In zake: Johan VAN CAEKENBERGHE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Johan Guns kantoor houdend te 1790 Essene Kasteelstraat 58 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: HOGE RAAD VOOR DE JUSTITIE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Dirk Van Heuven en Fien Duymelinck kantoor houdend te 2600 Antwerpen Cogels Osylei 61 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 13 augustus 2020, strekt tot de nietigverklaring van
(1)het reglement van de Hoge Raad voor de Justitie van 25 juni 2020 ‘houdende de modaliteiten van de vergoeding van het administratief personeel voor de verplaatsingskosten tussen hun woonplaats en de HRJ’ en
(2)“de onthaalbrochure versie 2020, waarbij terugbetaling van het woon- werkverkeer met het persoonlijk voertuig wordt gewijzigd”. II. Verloop van de rechtspleging IX-9746-1/30
- De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur Alexander Van Steenberge heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partij en de verwerende partij hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 23 mei
- Kamervoorzitter Geert Van Haegendoren heeft verslag uitgebracht. De verzoekende partij, advocaat Johan Guns, die verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Fien Duymelinck, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Alexander Van Steenberge heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, ge- coördineerd op 12 januari
- III. Achtergrond – wettelijk kader 3.
- Op 21 mei 2003 wordt bij reglement van de Hoge Raad voor de Justitie (HRJ) het statuut van het administratief personeel van de HRJ vastgesteld. Een koninklijk besluit van 9 november 2003 verleent goedkeuring aan dit reglement. IX-9746-2/30 IX-9746-3/30 Artikel 59 van het reglement van 21 mei 2003 bevat onder meer de volgende bepaling: “Elke ambtenaar heeft recht op de premies, toelagen en vergoedingen onder dezelfde voorwaarden als de Rijksambtenaren. […] Deze premies en toelagen worden tegelijk met de wedde vereffend. De mobiliteitsregeling die geldt voor de wedden van het personeel der federale overheidsdiensten geldt eveneens voor deze premies en toelagen. Zij worden gekoppeld aan de spilindex 138,01.” Artikel 60, vierde en vijfde lid, van het reglement luidt: “Ze [de ambtenaren] hebben eveneens recht op de integrale terugbetaling van de reiskosten van het gemeenschappelijk openbaar vervoer of op een gelijkwaardig bedrag bij gebruik van het persoonlijk voertuig. De contractuele personeelsleden hebben onder dezelfde voorwaarden als de ambtenaren recht op deze voordelen.” 3.
- Met toepassing van een vroeger reglement over de terugbetaling van de binnenlandse reiskosten mocht een personeelslid “vragen dat de Hoge Raad de financiële last van een jaarabonnement NMBS-MIVB voor rekening neemt”. In dat geval vergoedt de HRJ ook “de kosten die overeenkomen met het bedrag van een abonnement van De Lijn of TEC voor het rechtstreekse traject tussen de hoofdverblijfplaats en het station, volgens de reglementering van die respectieve maatschappijen”. Wat de terugbetaling van het woon-werkverkeer met het persoonlijk voertuig betreft, was de volgende regeling van kracht: “De reiskosten van het personeelslid die voor het traject tussen zijn hoofdverblijfplaats en de zetel van de Hoge Raad, gebruik maakt van zijn persoonlijk voertuig, worden door de Hoge Raad vergoed ten belope van een bedrag dat gelijkwaardig is aan 140 % van de kostprijs van een jaarabonnement van de maatschappijen voor openbaar vervoer, volgens de bovenstaande berekening.” Deze regelingen worden voor de nieuwe personeelsleden toegankelijk gemaakt via onthaalbrochures. IX-9746-4/30 3.
- De algemene vergadering van de HRJ keurt op 25 juni 2020 het reglement goed ‘houdende de modaliteiten van de vergoeding van het administratief personeel voor de verplaatsingskosten tussen hun woonplaats en de HRJ’. Dat is het eerste bestreden besluit. Het luidt: “Gelet op artikel 259bis-6, §2, van het Gerechtelijk Wetboek; Gelet op de artikelen 59 en 60 van het reglement van 21 mei 2003 van de Hoge Raad voor de Justitie houdende het statuut van het administratief personeel van de Hoge Raad voor de Justitie (goedgekeurd bij koninklijk besluit van 9 november 2003), gewijzigd door het reglement van 25 januari 2006 (goedgekeurd bij koninklijk besluit van 27 oktober 2006); Overwegende dat de regels voor de terugbetaling van het administratief personeel van de verplaatsingen met het gemeenschappelijk openbaar vervoer of de fiets, die zijn waarin wordt voorzien voor het federaal openbaar ambt en waarnaar wordt verwezen in artikel 59 van hogervermeld reglement van 21 mei 2003 (koninklijk besluit van 13 juli 2017 tot vaststelling van de toelagen en vergoedingen van de personeelsleden van het federaal openbaar ambt op het moment van de aanvaarding van dit reglement); dat dit niet geldt voor de vergoedingen van de verplaatsingen die de leden van het administratief personeel met hun privévoertuig afleggen tussen hun woonplaats en de HRJ, omdat de bepalingen die het federaal openbaar ambt regelen, niet voorzien in die vergoeding; Overwegende dat dit reglement bijgevolg de voorwaarden en regels bepaalt voor de toekenning van een vergoeding voor de verplaatsingen naar de HRJ die het personeelslid doet met zijn privévoertuig; BESLUIT: Artikel
- Een verplaatsing met een privévoertuig tussen zijn woonplaats/verblijfsplaats en de zetel van de HRJ wordt vergoed krachtens dit reglement op voorwaarde dat het betrokken personeelslid de kosten hiervoor werkelijk heeft gemaakt. Voor hij de vergoeding krijgt, verklaart het personeelslid op erewoord dat hij geen enkele andere tegemoetkoming krijgt voor het gebruik van het voertuig en dat hij weet dat valse verklaringen of bedrieglijke praktijken leiden tot de gedeeltelijke of volledige terugbetaling van de ontvangen vergoedingen en tot een tijdelijke of definitieve uitsluiting uit het vergoedingsstelsel. Art.
- §
- Het bedrag van de vergoeding die wordt toegekend aan het personeelslid dat met een privévoertuig van zijn woonplaats naar de zetel IX-9746-5/30 van de HRJ reist, is gelijk aan de prijs van een jaarabonnement bij de ondernemingen voor gemeenschappelijk openbaar vervoer (NMBS, De Lijn, MIVB, TEC) voor het betrokken traject. Voor het abonnement van de NMBS wordt het bedrag in tweede klasse in aanmerking genomen. §
- De vergoeding wordt maandelijks betaald, ten belope van een twaalfde van het bedrag dat volgens § 1 wordt bepaald. §
- Wanneer het personeelslid niet op alle werkdagen van de betrokken maand naar de HRJ is gegaan, wordt de vergoeding verhoudingsgewijs toegekend. Hiervoor wordt zijn maandelijks bedrag vermenigvuldigd met een breuk waarvan de teller het aantal dagen is dat het personeelslid de verplaatsing daadwerkelijk heeft gemaakt en de noemer het aantal werkdagen van de maand. Art.
- §
- Na afloop van het kalenderjaar ontvangt het personeelslid een aanvullende vergoeding wanneer blijkt dat de verplaatsingskosten die hij ontvangen heeft voor het jaar in kwestie hoger zijn dan de fiscale vrijstelling die geldt voor de tussenkomst van de werkgever in de verplaatsingen met een privévoertuig tussen de woonplaats en de plaats van de tewerkstelling. §
- Het bedrag van de aanvullende vergoeding wordt verkregen door het deel van de toegekende verplaatsingskosten dat hoger is dan fiscale vrijstelling, met 0,4 te vermenigvuldigen. De aanvullende vergoeding kan enkel worden toegekend aan het personeelslid op basis van een verklaring op erewoord waarin hij zich ertoe verbindt in zijn belastingaangifte te kiezen voor de toepassing van het wettelijk forfait voor de beroepskosten voor de inkomstenbelasting van het kalenderjaar in kwestie. Art.
- De bureauleden van de HRJ krijgen de vergoeding en de aanvullende vergoeding voor de verplaatsingen van hun woonplaats naar de HRJ volgens de regels van onderhavig reglement. Art.
- Onderhavig reglement treedt in werking op de eerste dag van de maand na die van het aannemen ervan.” Uit de notulen van de algemene vergadering van 25 juni 2020 blijkt dat deze wijziging is ingegeven door opmerkingen van het Rekenhof: “De voorzitter van de administratieve cel licht de problematiek toe van de verplaatsingskosten van de personeelsleden en de bureauleden. De denkoefening werd gedaan naar aanleiding van een opmerking die het Rekenhof tijdens de audit van de instellingen met dotatie maakte over de discriminatie tussen personen die het openbaar vervoer gebruiken en personen die het privévoertuig gebruiken voor het woon-werkverkeer. In het tweede geval is de rechtstreekse tussenkomst van de HRJ (kosten van de parking in het Forumgebouw) voordeliger. IX-9746-6/30 Het reële karakter van de verplaatsingen, een berekening op basis van de kostprijs van het jaarabonnement (en niet het maandabonnement) en een beperking van de vermeerdering van 140% tot het werkelijk belaste deel van de kosten vormen het uitgangspunt van het voorgestelde reglement. Bij de bespreking van dit punt wordt beslist om de verplaatsingskosten van de bureauleden en van de leden van het administratief personeel die met hun privévoertuig naar de HRJ komen, te berekenen op basis van de kostprijs van een NMBS-abonnement tweede klasse. Ook de verplaatsingskosten van de leden (behalve de leden van het bureau) worden vanaf heden berekend op basis van een H/T-ticket tweede klasse voor een identieke verplaatsing. Een lid benadrukt dat het voorgestelde systeem bijzonder voordelig is voor het personeelslid dat met zijn voertuig komt werken door het belastingvoordeel waarmee die keuze gepaard gaat en dat het niet echt in een modern mobiliteitsbeleid kadert.” 3.
- Een dienstnota van 30 juni 2020 ‘betreffende de vergoeding van de verplaatsingskosten tussen de woonplaats en de HRJ met een privévoertuig’ geeft nog de volgende toelichting: “Het komt erop neer dat de regels voor de toekenning van een vergoeding voor de verplaatsingskosten met een privévoertuig als volgt worden aangepast: - De vergoeding wordt berekend op basis van de kostprijs van een jaarabonnement bij de ondernemingen voor openbaar vervoer voor het totale of een deel van het traject woonplaats-HRJ, - Enkel de werkelijk uitgevoerde verplaatsingen worden vergoed: het maandelijkse bedrag wordt evenredig verminderd wanneer het personeelslid die verplaatsing met zijn privévoertuig niet alle werkdagen van de betrokken maand heeft gedaan, Voorbeeld: Indien de maand 20 werkdagen telt en de verplaatsing 15 maal met het privévoertuig werd gedaan, bedraagt de vergoeding 15/20ste van het maandelijkse bedrag van de vergoeding. - Enkel het deel van de vergoeding dat hoger is dan het bedrag van de jaarlijkse fiscale vrijstelling wordt vermeerderd met 40% wordt uitgekeerd als bijkomende vergoeding na afloop van het kalenderjaar in kwestie). Aangezien het bedrag wordt bepaald aan de hand van het exacte aantal verplaatsingen in de betrokken maand worden de verplaatsingskosten met het privévoertuig vanaf heden betaald samen met het loon van de eerstvolgende maand. Dit reglement wordt van kracht op 1 juli 2020 en er worden bijgevolg geen verplaatsingskosten voor het privévoertuig betaald samen met het loon van juli
- Het bedrag dat met het loon van augustus wordt IX-9746-7/30 betaald, zal worden berekend op basis van het aantal werkelijke verplaatsingen naar de HRJ in de maand juli. Diezelfde procedure wordt vervolgens toegepast voor de volgende maanden. Het aantal werkelijke verplaatsingen wordt bepaald aan de hand van het aanwezigheidsblad aan het onthaal dat de betrokken personeelsleden ondertekenen. Zorg er dus voor dat u dit blad tekent bij aankomst bij de HRJ zodat uw verplaatsing in aanmerking wordt genomen voor de vergoeding van uw kosten. Opdrachten, opleiding, … op het grondgebied van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest worden in aanmerking genomen om het aantal werkelijke verplaatsing te bepalen (zelfs zonder fysieke aanwezigheid bij de HRJ op die bepaalde dag). Het reglement bepaalt dat het personeelslid de verklaring op erewoord invult die aan deze dienstnota wordt toegevoegd voor hij de vergoeding ontvangt. Ik verzoek de personeelsleden die een vergoeding willen (blijven) ontvangen voor de verplaatsingen met hun privévoertuig om de verklaring te overhandigen aan de personeelsdienst.” 3.
- In de onthaalbrochure ‘Alles wat je als kersvers personeelslid van de HRJ hoort te weten’ – versie 15/09/2020 wordt de nieuwe regeling als volgt uiteengezet: “9.
- Woon-werkverkeer Het openbaar vervoer De vervoerskosten van het personeelslid voor zijn woon-werkverkeer neemt de HRJ helemaal voor zijn rekening wanneer de verplaatsingen met het openbaar vervoer gebeuren (NMBS/MIVB/TEC/De Lijn). Wie met de trein in eerste klasse wenst te reizen, legt het verschil tussen de normale prijs in eerste en in tweede klasse bij. Terugbetaling van het woon-werkverkeer met het persoonlijk voertuig De reiskosten van het personeelslid die voor het traject tussen zijn hoofdverblijfplaats en de zetel van de Hoge Raad, gebruik maakt van zijn persoonlijk voertuig, worden door de Hoge Raad vergoed ten belope van een bedrag dat gelijkwaardig is aan 100 % van de kostprijs van een jaarabonnement van de maatschappijen voor openbaar vervoer. De verplaatsing wordt vergoed op voorwaarde dat het betrokken personeelslid de kosten hiervoor werkelijk heeft gemaakt. De vergoeding wordt maandelijks betaald, ten belope van een twaalfde van het voornoemde bedrag. Wanneer het personeelslid niet op alle werkdagen van de betrokken maand naar de HRJ is gegaan, wordt de vergoeding verhoudingsgewijs toegekend. Hiervoor wordt zijn maandelijks bedrag vermenigvuldigd met een breuk waarvan de teller het aantal dagen is dat het personeelslid de IX-9746-8/30 verplaatsing daadwerkelijk heeft gemaakt en de noemer het aantal werkdagen van de maand. Na afloop van het kalenderjaar ontvangt het personeelslid een aanvullende vergoeding wanneer blijkt dat de verplaatsingskosten die hij ontvangen heeft voor het jaar in kwestie hoger zijn dan de fiscale vrijstelling die geldt voor de tussenkomst van de werkgever in de verplaatsingen met een privévoertuig tussen de woonplaats en de plaats van tewerkstelling. Het bedrag van de aanvullende vergoeding wordt verkregen door het deel van de toegekende verplaatsingskosten dat hoger is dan fiscale vrijstelling, met 0,4 te vermenigvuldigen. De aanvullende vergoeding kan enkel worden toegekend aan het personeelslid op basis van een verklaring op erewoord waarin hij zich ertoe verbindt in zijn belastingaangifte te kiezen voor de toepassing van het wettelijk forfait voor de beroepskosten voor de inkomstenbelasting van het kalenderjaar in kwestie.” Daarin leest verzoeker het tweede bestreden besluit. 3.
- Verzoeker is sinds 1 november 2011 als contractueel personeelslid en sinds 17 december 2014 als statutair personeelslid tewerkgesteld bij de HRJ. Sinds 1 januari 2017 wordt hij als administratief directeur halftijds en vanaf 1 oktober 2018 voltijds ter beschikking gesteld aan de Verenigde Benoemingscommissies voor het Notariaat. De Verenigde Benoemingscommissie voor het Notariaat is op hetzelfde adres gevestigd als de Hoge Raad voor de Justitie. Voor deze zaak is relevant dat verzoeker het woon-werkverkeer met een privé-wagen aflegt. IV. Rechtsmacht van de Raad van State
- In de memorie van antwoord betwist de verwerende partij de bevoegdheid van de Raad van State om kennis te nemen van het geschil. Nadat zij in het auditoraatsverslag de beredeneerde weerlegging ervan kon lezen, dringt IX-9746-9/30 zij in haar laatste memorie terecht niet meer aan op deze exceptie. De Raad van State ziet ook geen reden om zijn rechtsmacht ambtshalve in vraag te stellen. IX-9746-10/30 V. Ontvankelijkheid van het beroep Exceptie
- De verwerende partij werpt een exceptie van onontvankelijkheid op, wat het beroep tegen de onthaalbrochure betreft. Vooreerst wordt opgemerkt dat verzoeker enkel belang heeft bij artikel 9.2 van de nieuwe brochure. Voorts is de onthaalbrochure geen voor vernietiging vatbare rechtshandeling. Het bevat wat de verplaatsingskosten betreft – net zoals de dienstnota van 30 juni 2020 – enkel een toelichting over het reglement van 25 juni
- Verzoeker antwoordt dat door de bestreden onthaalbrochure niet zomaar toelichting wordt gegeven, maar een daadwerkelijke wijziging wordt doorgevoerd. De vergoeding voor de verplaatsingen woon-werkverkeer wordt gehalveerd. Verzoeker merkt op dat de verwerende partij onderworpen is aan de wet van 8 april 1965 ‘tot instelling van de arbeidsreglementen’. Aldus dient de verwerende partij elke werknemer bij zijn indiensttreding een kopie van het arbeidsreglement te overhandigen. En wat krijgt de werknemer in casu: de onthaalbrochure die exact bepaalt wat een arbeidsreglement behoort te bevatten. In haar e-mail van 31 maart 2016 heeft de verwerende partij trouwens bevestigd dat de onthaalbrochure van de personeelsleden geldt als arbeidsreglement. Op basis van dit arbeidsreglement wordt de verplaatsingsvergoeding van verzoeker bepaald. De wijziging van dit arbeidsreglement is aldus wel degelijk voor vernietiging vatbaar.
- In zijn laatste memorie herhaalt verzoeker dat bij gebrek aan enige andere tekst die als arbeidsreglement kan gelden, de onthaalbrochure die een duidelijke uiteenzetting bevat van de rechten en plichten van het personeel, IX-9746-11/30 als zodanig en “minstens feitelijk” als “reglementerend” moet worden aangemerkt. Hij verwijst nogmaals naar zijn vraag naar de regeling van telewerk in het arbeidsreglement waarop met een e-mail van 31 maart 2016 is geantwoord “De onthaalbrochure van de personeelsleden geldt als arbeidsreglement”. De dienstnota’s en de beslissingen over de vergoedingen van de woon-werkverplaatsingen houden een wijziging van het arbeidsreglement in. De onwettigheid van de eerste bestreden beslissing heeft daardoor ook de onwettigheid van de wijziging van het arbeidsreglement tot gevolg. Bovendien bepaalt de wet op de arbeidsreglementen de wijze waarop een arbeidsreglement wordt aangepast. Zonder het naleven van de wettelijke bepalingen kan de verwerende partij geen aanpassingen in haar arbeidsreglement doorvoeren. Indien zou worden vastgesteld dat de onthaalbrochure geen arbeidsreglement is, houden de bestreden beslissingen wel een wijziging in over de uitbetaling van een verschuldigde vergoeding en de manier waarop de controle op de uitbetaling van de vergoeding wordt georganiseerd. Alle dergelijke bepalingen moeten volgens verzoeker opgenomen worden in het arbeidsreglement. Dit heeft tot gevolg dat de procedure overeenkomstig de wet op de arbeidsreglementen moet worden gevolgd. De verwerende partij kan dit niet omzeilen door haar arbeidsreglement, of ten deze de onthaalbrochure, af te doen als een informatief document. Beoordeling
- Een beroep tot nietigverklaring moet krachtens artikel 14, § 1, RvS-Wet een administratieve rechtshandeling tot voorwerp hebben. Onder rechtshandeling in de zin van de voormelde bepaling dient te worden begrepen, een handeling waarbij wordt beoogd rechtsgevolgen te doen ontstaan of te beletten dat ze tot stand komen, met andere woorden waarbij wordt beoogd wijzigingen aan te brengen in een bestaande rechtsregel of rechtstoestand, dan wel zodanige wijziging te beletten. IX-9746-12/30
- Zoals de verwerende partij terecht opwerpt en verzoeker niet weerspreekt, staat in de onthaalbrochure enkel in het hiervóór geciteerde punt 9.2 wat te lezen over de terugbetaling van woon-werkverkeer. De tekst van dat punt 9.2 verstrekt louter toelichting over het reglement dat het eerste voorwerp is van huidig beroep. Het voegt daaraan niets toe.
- De zienswijze van verzoeker, dat de onthaalbrochure een arbeidsreglement is dat zich toevoegt aan het eerste bestreden besluit, kan niet worden bijgevallen. Dat de HRJ niet over een arbeidsreglement beschikt en dat dit mogelijk een onwettige situatie is, is geen reden om een onthaalbrochure voor nieuwkomers dan maar tot arbeidsreglement te verheffen. Dat op een gerichte vraag van verzoeker naar de regeling van telewerk in het arbeidsreglement is geantwoord dat de onthaalbrochure “geldt als arbeidsreglement” vermag die brochure evenmin tot een reglementerende tekst te maken. Zoals de verwerende partij overigens opmerkt in haar laatste memorie, beschikt de HRJ pas met het koninklijk besluit van 12 december 2021 ‘tot bepaling van de op te volgen procedure voor het opstellen en het wijzigen van het arbeidsreglement dat van toepassing is op de Hoge Raad voor de Justitie en op de door hem tewerkgestelde werknemers’ over een wettelijk kader voor de opstelling van arbeidsreglementen. Artikel 5 van dit koninklijk besluit bevat de volgende overgangsbepaling: “De in artikel 3 voorgeschreven regels zijn niet van toepassing op de bepalingen van het statuut van het administratief personeel van de Hoge Raad voor de Justitie, van de door de Algemene Vergadering goedgekeurde reglementen of van de dienstnota’s die van toepassing zijn op de datum van inwerkingtreding van dit besluit, zelfs niet indien deze bepalingen verplichte vermeldingen in de zin van de wet bevatten. Elke bepaling die verplichte vermeldingen in de zin van de wet bevat en die na de inwerkingtreding van dit koninklijk besluit wordt aangenomen, is onderworpen aan de in artikel 3 voorgeschreven regels.” IX-9746-13/30
- De onthaalbrochure is geen arbeidsreglement. Punt 9.2 van de onthaalbrochure voegt geen regels toe aan de rechtsorde en is geen voor vernietiging vatbare rechtshandeling. De exceptie is gegrond. In zoverre in de middelen kritiek op de onthaalbrochure wordt gegeven, wordt er hierna dan ook niet op ingegaan. Het tweede middel, dat louter gericht is tegen de onthaalbrochure, dient bijgevolg zelfs in zijn geheel als onontvankelijk te worden verworpen en wordt hierna niet meer besproken.
- Hierna wordt met “het bestreden besluit” nog enkel verwezen naar het eerste bestreden besluit, namelijk het reglement van 25 juni
- VI. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel
- Het eerste middel is geput uit de schending van artikel 259bis-6 GerW, doordat de algemene vergadering van de HRJ op 25 juni 2020 een aanpassing aan haar reglement heeft doorgevoerd en toegepast, terwijl dergelijke wijziging maar kan gebeuren na goedkeuring bij koninklijk besluit. Artikel 60 van het reglement van 21 mei 2003 bepaalt dat het statutair personeel recht heeft op de integrale terugbetaling van de reiskosten van het gemeenschappelijk openbaar vervoer of op een gelijkwaardig bedrag bij gebruik van het persoonlijk voertuig. Daar waar de verplaatsingsvergoeding geregeld wordt in het statuut, is elke wijziging aan deze regeling een aanpassing van het statuut. In concreto betekent dit dat een door de verwerende partij IX-9746-14/30 goedgekeurd reglement, waarbij het personeelsstatuut wordt gewijzigd, enkel rechtsgeldig is nadat dit reglement werd goedgekeurd bij koninklijk besluit. De beslissing van de algemene vergadering van de HRJ van 25 juni 2020 over de vergoeding van het administratief personeel voor de verplaatsingskosten van en naar het werk is een aanpassing van het statuut. Ze komt voor verzoeker neer op een halvering van deze vergoeding. Die aanpassing vereist overeenkomstig artikel 259bis-6 GerW de goedkeuring door een koninklijk besluit. Een beslissing van de algemene vergadering van de HRJ kan op zich niet rechtsgeldig wijzigingen aanbrengen aan het statuut.
- In zijn laatste memorie merkt verzoeker op dat het bestreden besluit zelf verwijst naar artikel 259bis-6 GerW. Hij stelt dat een gewijzigde invulling geven aan een reglement op zich een wijziging is van het reglement, zodat de procedure van voormeld artikel moet worden gevolgd. Beoordeling
- Artikel 259bis-6, § 2, GerW luidt: “§
- De Hoge Raad beschikt over eigen personeel dat belast is met de ondersteuning van zijn werkzaamheden en de organisatie van de verkiezingen bedoeld in artikel 259bis -2, §
- De Hoge Raad stelt de personeelsformatie en de taalkaders vast, met inachtneming van de taalpariteit per niveau. De Hoge Raad bepaalt het statuut van zijn personeel. Hij benoemt en ontslaat zijn personeel. De Koning keurt de personeelsformatie, de taalkaders en het statuut bedoeld in het vorige lid goed. De Hoge Raad beslist over de opdrachten, de verhindering en de vervanging, de afwezigheid, het verlof en de vakantie van de leden van het administratief personeel.”
- Vooraf zij opgemerkt dat de gegrondheid van het middel niet tot gevolg zou hebben dat het reglement niet mocht worden aangenomen – dat is immers de bevoegdheid van de algemene vergadering van de HRJ – maar enkel IX-9746-15/30 dat het niet uitvoerbaar is in afwachting van de goedkeuring ervan door de Koning.
- Het bestreden besluit wijzigt niet het statuut van het administratief personeel van de HRJ, vastgesteld bij reglement op 21 mei 2003 en goedgekeurd bij koninklijk besluit van 9 november
- Artikel 60, vierde en vijfde lid, van het reglement van 21 mei 2003 luidt vóór en ook na het nemen van het eerste besluit: “[De ambtenaren] hebben eveneens recht op de integrale terugbetaling van de reiskosten van het gemeenschappelijk openbaar vervoer of op een gelijkwaardig bedrag bij gebruik van het persoonlijk voertuig.”
- Het bij koninklijk besluit goedgekeurde reglement van 21 mei 2003 vereist nadere uitvoering, bijvoorbeeld wat de procedure betreft om de terugbetaling van de reiskosten aan te vragen, ze te berekenen en uit te betalen, om de controle erop te regelen en – voor dit middel van belang – om nader te bepalen wat “een gelijkwaardig bedrag” is. Met het bestreden besluit geeft de algemene vergadering van de HRJ voor de noodzakelijke toepassing van het personeelsstatuut onder meer invulling aan wat onder “gelijkwaardig bedrag bij gebruik van het persoonlijk voertuig” moet worden begrepen. Dat het bestreden besluit een vroegere, voor verzoeker meer voordelige regeling vervangt, doet niet anders besluiten. Het is immers een begrip dat een zekere beoordelingsmarge aan de verwerende partij verleent.
- Het eerste middel is ongegrond. B. Derde middel Uiteenzetting van het middel IX-9746-16/30
- In het derde middel voert verzoeker de schending aan van artikel 49 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992 (WIB 92) en van het redelijkheidsbeginsel, doordat het vergoedingssysteem impliciet het verbod oplegt om het WIB 92, inzonderheid de beroepskosten, toe te passen, terwijl het WIB 92 van openbare orde is of in ieder geval terwijl de toepassing van de vergoeding voor woon-wegverkeer op onredelijke wijze de aftrek van andere beroepskosten inperkt. Verzoeker geeft bij dit middel de volgende toelichting (citaten uit het bestreden besluit zijn weggelaten): “In de beslissing van de algemene vergadering op 25 juni 2020 schaft verwerende partij artikel 60 vierde lid af, en vervangt ze dat door de regeling die van toepassing is op de federale ambtenaren. Het Koninklijk Besluit van 13 juli 2017 tot vaststelling van de toelagen en vergoedingen van de personeelsleden van het federaal openbaar ambt zijn evenwel niet van toepassing op de personeelsleden van verwerende partij. […] Het Koninklijk Besluit van 13 juli 2017 tot vaststelling van de toelagen en vergoedingen van de personeelsleden van het federaal openbaar ambt zijn niet van toepassing op de verwerende partij en verzoeker. Artikel 59 van het statuut van verwerende partij verwijst naar het federaal ambt voor alles wat niet expliciet in haar eigen statuut is geregeld is niet relevant voor de verplaatsingen van het woon/werkverkeer met een persoonlijk voertuig. Deze verplaatsingen zijn expliciet geregeld in haar eigen statuut zoals goedgekeurd bij Koninklijk Besluit 9 november
- Het Koninklijk Besluit van 13 juli 2017 vervangt of vernietigt niets van wat verwerende partij in haar eigen personeelsstatuut expliciet heeft voorzien. Het personeelsstatuut van verwerende partij blijft van toepassing voor de verplaatsingen woon/werk van verzoeker. De redenering van verwerende partij legt bovendien beperkingen en regels op die niet voorzien zijn in de regeling die op de federale ambtenaren van toepassing zijn. - de berekening van de vergoeding op basis van een jaarabonnement voor het openbaar vervoer, waar dit een duurder maandabonnement is zoals voorzien in het gecoördineerde artikel 64 voor de federale ambtenaren; […] - Er wordt [in artikel 1, tweede lid] een verklaring op eer gevraagd over het gebruik van een persoonlijk voertuig, die voor verzoeker leidt tot de uitsluiting van de terugbetaling van de kosten voor het woon/werkverkeer; […] IX-9746-17/30 Deze voorwaarde houdt niet alleen een ongeoorloofde beknotting van het eigendomsrecht in, maar impliceert ook dat verzoeker geen terugbetaling van verplaatsingskosten meer kan krijgen. Verzoeker is gedetacheerd door verwerende partij bij de Verenigde Benoemingscommissies voor het Notariaat en is gerechtigd om de terugbetaling van zijn kosten voor uitzonderlijke verplaatsingen te vragen. Als voorbeeld ontvangt verzoeker een vergoeding voor zijn verplaatsingen naar een universiteit op zaterdagen voor de organisatie van een examen. Het ontvangen van dergelijke vergoeding voor hetzelfde voertuig als waarmee men zich naar het werk verplaatst, leidt tot een tijdelijke of definitieve uitsluiting uit het thans ingevoerde vergoedingsstelsel. De modaliteiten voor deze uitsluiting zijn niet bepaald, en kunnen dus toegepast worden zonder enige vorm van objectiviteit. Zelfs een vergoeding voor verplaatsingen die verkregen worden in private sfeer leiden tot terugbetaling en uitsluiting. - Na het einde van een kalenderjaar wordt een bijkomend deel van de vergoeding voor het woon/werk verkeer in het vooruitzicht gesteld mits een bijkomende verklaring op eer. […] Dergelijke verklaring kan men enkel afleggen na de indiening van de jaarlijkse aangifte in de personenbelasting, indien men geen gebruik maakt van het recht op de aftrek van de werkelijke beroepskosten en opteert voor het wettelijke forfait. Wanneer men gebruik maakt van [de] aftrek voor beroepskosten wordt krachtens de bepalingen van het [WIB] 92 de volledige kosten voor het woon/werk verkeer belastbaar. De aftrek van de werkelijk[e] beroepskosten omvat ook andere kosten die in de praktijk veel hoger kunnen oplopen dan de autokosten voor het woon/werk verkeer, zoals bijvoorbeeld de kosten voor het gebruik van een bureel en de aankoop van bureelbenodigdheden. Dit is een uitsluiting voor alle beroepskosten en niet enkel voor autokosten. Bij wijze van voorbeeld zullen de advocaatkosten van verzoeker fiscaal aftrekbaar zijn aangezien de procedure (deels) gevoerd wordt om inkomsten te behouden. Volgens de huidige regeling moet verzoeker een verklaring op eer afleggen dat hij voornoemde kosten niet als beroepskosten in rekening brengt, op gevaar om de vergoeding voor woon-werkverkeer geheel of ten dele te verliezen. De bepalingen van het [WIB 92] zijn van openbare orde, maar verwerende partij meent dat ze het gebruik van de wettelijke modaliteiten door verzoeker kan beperken. Dit schendt de fiscale wetgeving in de toepassing van regels die van openbare orde zijn. Deze vereist[e] mist dus iedere vorm van legaliteit.”
- In de memorie van wederantwoord voegt verzoeker hieraan het volgende toe: IX-9746-18/30 “Wanneer de werkelijke beroepskosten van verzoeker (artikel 49 WIB 92) lager zijn dan de forfaitaire beroepskosten (artikel 51 WIB 92), kan hij een aanvullende vergoeding verkrijgen van 40% op het gedeelte van de verplaatsingskosten, dat groter is dan de belastingvrije som (geïndexeerd bedrag van 410,00 €) op de woon/werkverplaatsingen met een persoonlijk voertuig (artikel 38 § 1, 9°, c WIB 92). In dit geval is een gedeelte van de verplaatsingskosten in het woon/werkverkeer vrijgesteld van belasting ten belope van 410,00 €. Wanneer de werkelijke beroepskosten van verzoeker hoger zijn dan de forfaitaire kosten, kan hij deze aanvullende vergoeding niet krijgen. In de voorwaarde dat verzoeker zijn werkelijke kosten bewijst, verliest hij ook de vrijstelling van artikel 38, § 1, 9°,c WIB
- Dit betekent dat de verplaatsingskosten in dat geval aanleiding geven tot een bijkomende belasting op een bedrag van 410,00 € (t.o.v. diegenen die voor het forfait kiezen). Wanneer men werkelijke beroepskosten bewijst, wordt de volledige vergoeding voor verplaatsingskosten belast. Wie dat niet doet, krijgt naast een belastingvrijstelling van 410,00 € ook een aanvullende vergoeding van verwerende partij. Het gebrek aan enige vorm van logica in deze redenering maakt dan ook dat iedere redelijkheid zoek is.” Hij stelt ook dat de verplichting tot het vergoeden van een gelijkwaardig bedrag bij een verplaatsing met een persoonlijk voertuig is vastgelegd in artikel 60 van het personeelsstatuut. De invulling die de bestreden beslissing geeft aan het begrip “gelijkwaardig” noemt hij “een dermate scheeftrekking van het vergoedingssysteem, die als kennelijk onredelijk moet worden aangemerkt”. Beoordeling
- Op geen enkel ogenblik komt het redelijkheidsbeginsel in de toelichting van het middel nog ter sprake en verzoeker geeft in het inleidend verzoekschrift niet aan op welke wijze, volgens hem, het bestreden besluit dit algemeen beginsel van behoorlijk bestuur schendt. Latere procedurestukken kunnen dit feilen niet verhelpen. In zoverre is het middel onontvankelijk. IX-9746-19/30
- Blijkens de memorie van antwoord heeft de verwerende partij de opmerkingen van verzoeker over het koninklijk besluit van 13 juli 2017 niet als wettigheidskritiek gelezen. Ook de Raad van State leest hierin geen wettigheidskritiek, maar enkel een vaststelling waarover tussen partijen geen betwisting bestaat, namelijk dat een vergoeding van woon-werkverkeer met eigen voertuig niet is geregeld voor de rijksambtenaren – in welk geval die regeling met toepassing van artikel 59 van het eigen personeelsstatuut “onder dezelfde voorwaarden” van overeenkomstige toepassing zou zijn – zodat de HRJ een eigen regeling behoeft indien hij zulke vergoeding aan zijn personeelsleden wenst te bieden. De tussenkomst van de HRJ voor het privé-vervoer is dus niet verplicht door enige federale, van overeenkomstige toepassing te verklaren regeling. Ze is dat enkel op grond van het eigen personeelsstatuut. Zoals vastgesteld bij de bespreking van het eerste middel, is die vergoeding meer bepaald vastgesteld in artikel 60 van het personeelsstatuut en wordt die bepaling door het bestreden besluit niet gewijzigd, laat staan “afgeschaft”.
- Artikel 49 WIB 92 luidt: “Als beroepskosten zijn aftrekbaar de kosten die de belastingplichtige in het belastbare tijdperk heeft gedaan of gedragen om de belastbare inkomsten te verkrijgen of te behouden en waarvan hij de echtheid en het bedrag verantwoordt door middel van bewijsstukken of, ingeval zulks niet mogelijk is, door alle andere door het gemeen recht toegelaten bewijsmiddelen, met uitzondering van de eed. Als in het belastbare tijdperk gedaan of gedragen worden beschouwd, de kosten die in dat tijdperk werkelijk zijn betaald of gedragen of het karakter van zekere en vaststaande schulden of verliezen hebben verkregen en als zodanig zijn geboekt.” De aftrekbaarheid van de beroepskosten is bijgevolg gekoppeld aan de voorwaarde dat de beoogde kosten zijn gedaan of gedragen om belastbare IX-9746-20/30 inkomsten te verkrijgen of te behouden, hetgeen de kosten uitsluit die met een ander doel zijn gedaan of gedragen.
- Op grond van artikel 1, tweede lid, van het bestreden besluit zal de vergoeding voor de verplaatsing met een privévoertuig tussen zijn woonplaats/verblijfsplaats en de zetel van de HRJ vergoed worden als het personeelslid een verklaring op eer aflegt dat hij geen andere tegemoetkoming krijgt voor het gebruik van het voertuig. Hoewel zeker kritiek mogelijk is op de wijze waarop deze bepaling is geformuleerd (“geen enkele andere vergoeding”) en de verwarring van verzoeker begrijpelijk is, sluit ze niet uit – zoals door de verwerende partij wordt bevestigd – dat de vergoedingsregeling voor dienstverplaatsingen, een verplaatsing die het personeelslid moet doen in de uitoefening van de functie, wordt geregeld door artikel 73 en volgende van het koninklijk besluit van 13 juli 2017 ‘tot vaststelling van de toelagen en vergoedingen van de personeelsleden van het openbaar ambt’. Het personeelslid mag bijgevolg een terugbetaling ontvangen van de reiskosten voor bijzondere verplaatsingen in dienstbelang, zonder de thans in geding zijnde tegemoetkoming te verliezen. Volgens dezelfde redenering verliest het personeelslid niet zijn aanspraken op vergoeding voor het woon-werkverkeer, indien hij een vergoeding zou krijgen voor een verplaatsing met zijn voertuig “in de private sfeer”. De verklaring op eer bedoeld in artikel 1, tweede lid, van het bestreden besluit ziet enkel op het uitsluiten van een dubbele vergoeding voor de woon-werkverplaatsing zelf. In die mate gaat verzoeker uit van een verkeerde lezing van het bestreden besluit en mist het middel feitelijke grondslag.
- De belastingplichtige heeft de keuze om zijn beroepskosten te bewijzen – de zogenaamde werkelijke beroepskosten – of om gebruik te maken van een algemeen kostenforfait dat berekend wordt door de administratie in functie van het belastbare inkomen en dat automatisch afgetrokken wordt bij de IX-9746-21/30 berekening van de belastingen – het zogenaamde wettelijk forfait. Dat forfait dekt dan wel alle beroepskosten, dus ook die met betrekking tot het persoonlijk gebruik van de wagen voor de woon-werkverplaatsingen, de inrichting van de ruimtes in de woning die voor het beroep worden gebruikt, of de persoonlijke uitgaven voor aankoop van vakliteratuur. De verklaring op erewoord, zoals bepaald in artikel 3, § 2, tweede lid, van het bestreden besluit, betreft de aanvullende vergoeding die het personeelslid die zich met een privévoertuig naar het werk verplaatst, krijgt als het kiest voor het wettelijk forfait. De ontvangen vergoeding voor het gebruik van openbaar vervoer is geheel vrijgesteld van belastingen indien gebruik wordt gemaakt van het wettelijk forfait. De ontvangen vergoeding voor het gebruik van een eigen voertuig is vrijgesteld tot een bepaald bedrag, bijvoorbeeld voor aanslagjaar 2021 (inkomsten 2020) tot een bedrag van 410 euro. Deze aanvullende vergoeding dient dan om het personeelslid te compenseren voor de belastingen die hij moet betalen “wanneer blijkt dat de verplaatsingskosten die hij ontvangen heeft voor het jaar in kwestie hoger zijn dan de fiscale vrijstelling die geldt voor de tussenkomst van de werkgever in de verplaatsingen met een privévoertuig tussen de woonplaats en de plaats van tewerkstelling” (artikel 3, § 1, van het bestreden besluit). Op die wijze, aldus de verwerende partij, wordt aan “de fiscale sanctie van autoververvoer” tegemoetgekomen teneinde tot een “gelijkwaardig bedrag” te komen als bij gebruik van openbaar vervoer. Als het personeelslid kiest voor de aftrek van de werkelijke beroepskosten, die niet geplafonneerd zijn, zal hij evident geen compenserende aanvullende vergoeding van de HRJ krijgen. Deze regeling neemt niet weg dat het personeelslid de optie behoudt om de werkelijke beroepskosten te bewijzen, als dat voor hem gunstiger IX-9746-22/30 uitvalt. Elk van beide formules volgt zijn eigen logica. Verzoeker is niet verplicht om voor het wettelijk forfait te kiezen. Artikel 3, § 2, tweede lid, van het bestreden besluit schendt bijgevolg niet artikel 49 WIB
- In de memorie van wederantwoord en zijn laatste memorie gaat verzoeker nog uitgebreid in op de afwijkende vergoedingsregelingen die tijdelijk werden ingevoerd tijdens de corona-epidemie. Zulke tijdelijke en uitzonderlijke regelingen kunnen echter de onwettigheid van de thans bestreden regeling niet aantonen.
- Het derde middel, voor zover ontvankelijk, is ongegrond. C. Vierde middel Uiteenzetting van het middel
- Het vierde middel is geput uit de schending van het redelijkheidsbeginsel, doordat de bestreden beslissing “een niet te verrechtvaardigen onevenwicht creëert tussen gebruikers van het openbaar vervoer en diegenen die met de eigen wagen naar het werk rijden, en doordat de praktische berekening van de verplaatsingenvergoedingen voor eindeloze discussies en betwistingen gaan leiden, [terwijl] transparantie en een objectief gelijke behandeling van personeelsleden de leidraad moeten zijn bij het vastleggen van statuten”. Verzoeker merkt op dat de aanpassing van de verplaatsingsvergoedingen kadert in het zoeken naar besparingen. Deze besparing wordt gerealiseerd ten laste van verzoeker en maximaal een vijftal andere personeelsleden. Ze bedraagt volgens verzoeker 10.020 euro, dat is “ongeveer 0,18 % op een budget van ruim 5,5 miljoen euro”. De beslissing komt dus niet IX-9746-23/30 tegemoet aan een feitelijke behoefte om te besparen. Hetgeen door de bestreden beslissing gerealiseerd wordt, leidt zelfs niet tot daadwerkelijke besparingen omdat de administratieve kost vermoedelijk de beoogde besparing zal overstijgen. Volgens verzoeker negeert de verwerende partij richtlijnen van het Rekenhof, zonder uit te leggen waarom. De situatie voor de gebruikers van het openbaar vervoer wordt niet op dezelfde manier gewijzigd als voor de gebruikers van een persoonlijk voertuig: “De vergoeding voor de woon/werk verplaatsingen zijn in artikel 60 van het statuut en in punt 9.4 van de onthaalbrochure geregeld als een forfait. In het geval van het gebruik van het openbaar vervoer is dit een 100% kostendekkend forfait, en in het geval van het gebruik van een privaat voertuig dekt dit forfait voor verzoeker met 0,20 cent per kilometer in het bestaande stelsel, wat overeenkomt met de helft van de werkelijke kosten. Door de bestreden beslissing wordt de verplaatsingskosten van wie niet het openbaar vervoer neemt, herleid tot het maximum van een jaarabonnement, en dan nog indien men kan bewijzen dat men de verplaatsingen effectief heeft gedaan. Eenzelfde redenering wordt niet toegepast op de gebruikers van het openbaar vervoer. Dezen ontvangen de terugbetaling van het abonnement NMBS, samen met het abonnement MIVB en De Lijn, en dit voor alle dagen van het jaar, ongeacht of ze verplaatsingen hebben gemaakt of niet. De abonnementen van de MIVB en De Lijn zijn netabonnementen, wat de gebruikers ervan de toelating verschaft om over het gehele grondgebied en voor alle doeleinden te verplaatsen. Het ontstane voordeel voor de gebruikers van het openbaar vervoer houdt een discriminatie in voor verzoeker die zich omwille van zeer onregelmatige werkuren moeilijk met het openbaar vervoer kan verplaatsen.” Verzoeker herhaalt zijn kritiek op artikel 1, tweede lid, van het bestreden besluit en werpt op dat de controleprocedure niet is vastgelegd wat kan leiden tot willekeurige behandeling. IX-9746-24/30 De verklaring op eer dat het personeelslid geen gebruik maakt van het recht om de werkelijke beroepskosten in mindering te brengen van zijn belastbare inkomsten houdt een discriminatie in. De werkelijke beroepskosten die in mindering mogen worden gebracht, zijn zeer divers. Om de volledige vergoeding voor de tussenkomst in het woon/werkverkeer te verkrijgen bij gebruik van een privaat voertuig is het personeelslid verplicht om afstand te doen van de fiscale aftrek van zaken zoals bureel, informatica, printers. De gebruikers van openbaar vervoer mogen de terugbetaling van hun abonnementen wel combineren met de aftrek van werkelijke beroepskosten. Er wordt bij artikel 2, § 3, van het bestreden besluit een vergoedingssysteem voor verplaatsingen ingevoerd waarbij een forfaitair bedrag wordt vermenigvuldigd met een breuk, waarvan de teller gelijk is aan het aantal gewerkte dagen en de noemer aan het aantal werkdagen van een maand. Deze breuk wordt vermenigvuldigd met één twaalfde van een jaarabonnement. Hoe het aantal werkdagen wordt geteld en wat daarmee bedoeld wordt, is niet opgegeven. Er dient alvast een onderscheid gemaakt te worden tussen werkbare dagen en werkdagen. Het aantal werkdagen voor verzoeker is het aantal dagen per jaar verminderd met de weekends, de wettelijke feestdagen, en dagen van dienstvrijstellingen en de verlofdagen. Het aantal werkbare dagen is hoger omdat de dagen van de dienstvrijstellingen en het verlof niet in mindering gebracht worden. Evenmin is duidelijk hoe er wordt omgegaan met de verplichte telewerkdagen, die werden ingelast naar aanleiding van de Covid-19 beperkingen. Anderzijds wordt aan verzoeker een dienstnota bezorgd waaruit blijkt dat de teller rekening houdt met het werkelijk aantal verplaatsingen. Ondertussen werd dit éénzijdig verminderd tot het aantal dagen waarop verplaatsingen werden gemaakt. De dagen waarop verzoeker zich in de maand juli tweemaal op één dag diende te verplaatsen naar het werk, worden in rekening gebracht voor één verplaatsing. De dienstnota 114 voorziet dit anders: IX-9746-25/30 “Aangezien het bedrag wordt bepaald aan de hand van het exacte aantal verplaatsingen in de betrokken maand worden de verplaatsingskosten met het privé voertuig vanaf heden betaald samen met het loon van de eerstvolgende maand.” Op 6 augustus 2020 deelt de verwerende partij aan verzoeker mee dat slechts één verplaatsing per dag in aanmerking genomen zal worden voor de teller. Het reglement bevat geen duidelijke manier waarop de noemer wordt berekend en mist daardoor de vereiste objectiviteit en biedt geen rechtszekerheid. Het valt niet uit te sluiten dat de verwerende partij de intentie heeft om de wettelijke verlofdagen toe te voegen aan de noemer en in mindering te brengen in de teller, en op die manier verzoeker willekeurig te behandelen. De redelijkheid is dus ver te zoeken.
- In de memorie van wederantwoord rekent verzoeker uit dat hij een vergoeding ontvangt die ruim een derde lager is dan de kostprijs van het openbaar vervoer. Dat is volgens verzoeker geen correcte invulling van wat bepaald is in artikel 60 van het personeelsstatuut. Hij wijst ook op “de covid-19-regeling” waarbij personeelsleden die een abonnement hebben op het openbaar vervoer een aanvullende vergoeding krijgen als zij zich tijdens de sanitaire maatregelen met de auto naar het werk verplaatsen. Daarmee bereikt de onredelijkheid volgens verzoeker een climax.
- In zijn laatste memorie merkt verzoeker nog op dat hij werkt voor de Verenigde Benoemingscommissies voor het Notariaat en geen gratis parkeerplaats heeft bij de verwerende partij. Beoordeling
- De wijziging van het vergoedingsstelsel voor het woon- werkverkeer met het persoonlijk voertuig is blijkens de hiervóór aangehaalde notulen van de algemene vergadering van 25 juni 2020 een gevolg van IX-9746-26/30 opmerkingen van het Rekenhof “over de discriminatie tussen personen die het openbaar vervoer gebruiken en personen die het privévoertuig gebruiken voor het woon-werkverkeer”. Budgettaire overwegingen spelen hoogstens een ondergeschikte rol. Voor zover verzoeker dat anders ziet, argumenteert hij op grond van een verkeerd feitelijk uitgangspunt en kan het middel niet slagen.
- De opmerkingen van verzoeker over artikel 1, tweede lid, en artikel 3, § 2, van het bestreden besluit zijn al besproken bij het derde middel. Die beoordeling toont aan dat verzoekers lezing van artikel 1, tweede lid, feitelijke grondslag mist en dat artikel 3, § 2, past in de logica van het onderscheid tussen de aftrek van werkelijke beroepskosten en het wettelijk forfait. In die mate is het middel niet gegrond.
- Op grond van artikel 60, vierde lid, van het reglement van 21 mei 2003 hebben de personeelsleden recht op de integrale terugbetaling van de reiskosten van het gemeenschappelijk openbaar vervoer of op een gelijkwaardig bedrag bij gebruik van het persoonlijk voertuig. Verzoeker lijkt te betreuren dat hij niet integraal wordt vergoed voor zijn werkelijke verplaatsingskosten. Dat is evenwel kritiek op artikel 60 van het personeelsstatuut, dat nu eenmaal niet voorziet in een dergelijke integrale terugbetaling maar enkel in een vergoeding voor een bedrag dat gelijkwaardig is aan de tussenkomst die de werknemer krijgt voor het gebruik van het openbaar vervoer. Laatstgenoemde werknemer wordt wel een “integrale terugbetaling” toegezegd voor die reiskosten en de werknemer die met de eigen wagen komt krijgt een hiermee “gelijkwaardig bedrag”. Het moge duidelijk zijn dat het statuut het gebruik van het gemeenschappelijk openbaar vervoer wil aanmoedigen.
- Het valt aan de verwerende partij toe om te bepalen wat een gelijkwaardig bedrag is. De berekening van de kosten als gevolg van het gebruik van het persoonlijk voertuig voor het woon-werkverkeer is niet op eenvoudige manier vast te leggen zoals dit wel bij een abonnementskost van het openbaar IX-9746-27/30 vervoer geldt. Dit leidt er op noodzakelijke wijze toe dat de verwerende partij over een bepaalde beleidsvrijheid beschikt, om het gelijkwaardig bedrag vast te leggen.
- Het komt niet onredelijk voor om te werken met een forfaitair bedrag, vertrekkende van de kostprijs van een jaarabonnement voor het openbaar vervoer en pro rata het werkelijk aantal verplaatsingen. Verzoeker vergist zich in zijn concrete berekeningen, door zich te stellen op de plaats van de werkgever en diens kosten, of door te stellen dat een “gelijkwaardig bedrag” een “bedrag met een gelijke waarde” van een jaarabonnement is. De verwerende partij mocht een regeling uitwerken waardoor het “gelijkwaardig bedrag” wordt vastgesteld vanuit het perspectief van de werknemer. Zo beschouwd, is het dan niet onredelijk om de werknemer die gebruik maakt van het openbaar vervoer de terugbetaling te geven van een abonnement tweede klasse, ongeacht het aantal keren dat hij er werkelijk gebruik van maakt en ongeacht of hij eerste klasse rijdt en om de werknemer die gebruik maakt van het eigen voertuig enkel te vergoeden voor de werkelijk gemaakte verplaatsingen. Het resultaat is dat beide werknemers van de vergoeding geen “extraatje” contant overhouden – wat dus tot een voor de werknemers gelijkwaardig resultaat leidt, ook al is de kostprijs voor de werkgever mogelijk verschillend.
- Dat sommige personeelsleden die gebruik maken van het openbaar vervoer een Lijn-abonnement nodig hebben en daarmee ook op alle ritten van De Lijn terecht kunnen, of dat (sommige) personeelsleden die met een eigen voertuig komen gratis gebruik kunnen maken van een parkeerplaats, wijst op verschillen eigen aan de vervoersmodi maar volstaat niet om te besluiten dat een onredelijke invulling is gegeven aan het begrip “gelijkwaardig bedrag”.
- De regel dat valse verklaringen of bedrieglijke praktijken leiden tot de gedeeltelijke of volledige terugbetaling van de ontvangen vergoedingen en IX-9746-28/30 tot een tijdelijke of definitieve uitsluiting, toont evenmin de onredelijkheid van het stelsel aan. Vanuit het algemeen rechtsbeginsel fraus omnia corrumpit is het bijna een evidentie dat de vaststelling van valse verklaringen of bedrieglijke praktijken ernstige gevolgen met zich meebrengt. De manier waarop controle zal worden uitgeoefend en welke procedure daarbij moet worden gevolgd, maakt niet het voorwerp uit – en moet ook niet voorwerp uitmaken – van het bestreden besluit.
- De overige opmerkingen van verzoeker hebben verband met de concrete toepassing van de regeling – in het bijzonder de toepassing van artikel 2, § 3, van het bestreden besluit over de pro rata toekenning – en tonen niet de onredelijkheid aan van de regeling zelf.
- De bijzondere “covidregelingen” die verzoeker ter sprake brengt, zijn ingegeven door tijdelijke en uitzonderlijke omstandigheden. Dat die regelingen gunstiger zijn, betekent niet dat het aangevochten besluit onredelijk is. Overigens zijn die regels zelf niet het voorwerp van huidig beroep en staat de wettigheid ervan dus thans niet ter beoordeling van de Raad van State.
- De schending van het redelijkheidsbeginsel is niet aangetoond.
- Het vierde middel is niet gegrond. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het beroep.
- De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 20 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. IX-9746-29/30 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van dertien juni tweeduizend tweeëntwintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, Bruno Seutin, staatsraad, Bert Thys, staatsraad, bijgestaan door Vera Wauters, griffier. De griffier De voorzitter Vera Wauters Geert Van Haegendoren IX-9746-30/30 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.253.979 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div