id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 13 juni 2022 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.253.984 Rolnummer: A. 230667/IX-9705 Zaak: Arrest 253984 - Personeel van het onderwijs - Aanwerving en loopbaan - 13/06/2022 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2022-06-23 Raadplegingen: 77 - laatst gezien 2026-06-10 07:03 Fiche Arrest nr 253.984 van 13 juni 2022 Openbaar ambt - Personeel van het onderwijs - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 253.984 van 13 juni 2022 in de zaak A. 230.667/IX-9705 In zake: Rik DE BAERDEMAEKER woonplaats kiezend te 9940 Evergem Doornzeelsestraat 147 tegen: de DEPUTATIE VAN DE PROVINCIE OOST- VLAANDEREN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Tom De Sutter kantoor houdend te 9000 Gent Koning Albertlaan 128 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 26 maart 2020, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van de deputatie van de provincie Oost-Vlaan- deren van 5 maart 2020, waarbij Rik De Baerdemaeker met ingang van 1 april 2020 wordt gemuteerd naar het Provinciaal Instituut Heynsdaele te Ronse “alsook van het ontwikkelingsgesprek d.d. 04.02.2019 [met] verzoeker […] alsook het planningsgesprek en de daartoe gebruikte functiekaart d.d. 25.03.2019”. II. Verloop van de rechtspleging 2. Bij arrest nr. 248.848 van 9 november 2020 is de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissingen verworpen. IX-9705-1/28 De verzoekende partij heeft een verzoekschrift tot voortzetting van de rechtspleging ingediend. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur-afdelingshoofd Marijke Sterck heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partij en de verwerende partij hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 23 mei 2022. Kamervoorzitter Geert Van Haegendoren heeft verslag uitgebracht. De verzoekende partij is gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Marijke Sterck heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, ge- coördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten IX-9705-2/28 3. Verzoeker is ten tijde van de bestreden beslissingen voltijds vastbenoemd schoolmaatschappelijk werker bij de directie Onderwijsinstellingen voor het Provinciaal Onderwijs Oost-Vlaanderen. Hij is sinds 14 september 2017 met ziekteverlof ten gevolge van een burn-out. Op 4 februari 2019 hervat verzoeker zijn professionele werkzaamheden. Op dezelfde dag vindt een ontwikkelingsgesprek tussen verzoeker en zijn eerste evaluator plaats. Op 25 maart 2019 heeft een planningsgesprek plaats tussen verzoeker, zijn eerste evaluator en de provinciegriffier. Naar aanleiding van dit gesprek wordt een functiekaart opgesteld. Op 28 maart 2019 beslist de deputatie van de provincie Oost- Vlaanderen om verzoeker met ingang van 1 april 2019 te muteren naar het Provinciaal Instituut Heynsdaele te Ronse. Verzoeker is vanaf 30 maart 2019 opnieuw met ziekteverlof. Omdat verzoeker op het eerste gezicht niet de gelegenheid had gekregen om zijn standpunt over de mutatiemaatregel nuttig kenbaar te maken bij het bestuur, schorst de Raad van State bij arrest nr. 245.584 van 1 oktober 2019 de tenuitvoerlegging van die beslissing van 28 maart 2019. Ze wordt op 12 december 2019 ingetrokken. Verzoeker wordt op 16 januari 2020 gehoord omtrent de voorgenomen mutatie. Op 5 maart 2020 beslist de deputatie van de provincie Oost- Vlaanderen verzoeker met ingang van 1 april 2020 te muteren naar het Provinciaal Instituut Heynsdaele te Ronse. IX-9705-3/28 Op 2 juni 2020 hervat verzoeker de dienst. Op 1 september 2020 sluit de vestiging te Ronse en wordt verzoeker tewerkgesteld in Buggenhout. De verwerende partij beslist op 4 maart 2021 dat verzoeker met ingang van 1 april 2021 tot 30 september 2021 tijdelijk de taak van deskundige molens bij de provinciale erfgoedsite Mola - Molencentrum in het provinciaal domein Puyenbroeck te Wachtebeke zal uitoefenen. Bij besluiten van de deputatie van de provincie Oost- Vlaanderen van 30 september 2021 wordt in het personeelsbehoefteplan verzoekers voltijdse statutaire functie van schoolmaatschappelijk werker (Bv) bij de directie Onderwijsinstellingen afgeschaft en wordt verzoeker met ingang van 1 oktober 2021 definitief ambtshalve herplaatst in de voltijdse statutaire functie van deskundige molens (Bv) bij Mola - Molencentrum. Bij de motivering van de herplaatsing wordt vermeld: “Rik De Baerdemaeker heeft de ambtshalve herplaatsing aanvaard.” IV. Ontvankelijkheid van het beroep A. Het ontwikkelingsgesprek, het planningsgesprek en de functiekaart Exceptie 4. De verwerende partij werpt op dat het beroep onontvankelijk ratione temporis is ten aanzien van het ontwikkelingsgesprek, het planningsgesprek en de functiekaart. Bovendien zijn deze “beslissingen” geen aanvechtbare administratieve rechtshandelingen. Het zijn geen voorbereidende beslissingen in IX-9705-4/28 het kader van de bestreden mutatie maar ze houden verband met de evaluatieregeling. Voor zover verzoeker een onwettigheid meent te kunnen zien in wat hij beschouwt als een voorbeslissing zal hij deze onwettigheid moeten aankaarten in het kader van de eindbeslissing over zijn evaluatie. Beoordeling 5. De Raad van State hoeft niet te onderzoeken of het ontwikkelingsgesprek, het planningsgesprek en de functiekaart voor vernietiging vatbare handelingen zijn, noch of ze voorbereidend zijn op de bestreden mutatiebeslissing zoals verzoeker betoogt. Want, zelfs indien dat het geval is en het om dadelijk aanvechtbare griefhoudende (vóór)beslissingen gaat, dan nog is het beroep tegen die handelingen ruim buiten de verjaringstermijn ingesteld – zelfs rekening gehouden met het bepaalde in artikel 19, tweede lid, RvS-Wet. 6. De exceptie ratione temporis is gegrond. Wat het ontwikkelingsgesprek, het planningsgesprek en de functiekaart betreft, is het beroep minstens al om die reden onontvankelijk. Hierna blijft enkel nog de beslissing van de deputatie van de provincie Oost-Vlaanderen van 5 maart 2020 tot mutatie van verzoeker te onderzoeken. B. De mutatie Excepties 7.1. In de memorie van antwoord schetst de verwerende partij in abstracto het onderscheid tussen tuchtmaatregelen, ordemaatregelen en maatregelen van louter interne orde. Zij merkt op dat de eerste bestreden beslissing “in beginsel een maatregel van inwendige orde” is. De wijziging van de standplaats van verzoeker heeft in eerste instantie tot doel de organisatie en de werking van de dienst te optimaliseren. De mutatie maakt bovendien ook een IX-9705-5/28 einde aan de verstoorde werking binnen de Cel voor Schoolmaatschappelijk Werk zonder op enige wijze een schuldvraag te beantwoorden. Voor zover de eerste bestreden beslissing als griefhoudend zou worden beschouwd in hoofde van verzoeker, ook al is deze ingegeven door het belang van de dienst én het welzijn van verzoeker, moet het beroep tot nietigverklaring als ontvankelijk worden beschouwd. 7.2. In haar laatste memorie werpt de verwerende partij op dat verzoeker niet beschikt over het rechtens vereiste actueel belang, “eens wordt vastgesteld dat de eerste bestreden beslissing geen verkapte tuchtmaatregel betreft”, omdat hij ondertussen definitief ambtshalve herplaatst is. Beoordeling 8. De verwerende partij lijkt niet formeel te betwisten dat de mutatie van verzoeker een voor vernietiging vatbare rechtshandeling is. Enkel voor de goede orde daarom, moet worden vastgesteld dat de mutatie in de éérste plaats is ingegeven door de verstoring van de dienst in de Cel voor Schoolmaatschappelijk Werk, zodat ze geen maatregel is van louter inwendige orde maar een ordemaatregel. Een ordemaatregel is een voor vernietiging vatbare rechtshandeling. 9. Blijft dan te onderzoeken, of verzoeker over een actueel belang beschikt. Zoals de verwerende partij blijkens haar laatste memorie zelf ook weet, is haar exceptie in ieder geval ongegrond indien verzoeker aantoont dat de mutatie een verkapte tuchtmaatregel is. In dat geval beschikt hij immers over een moreel belang dat nog steeds gediend is bij een eventuele nietigverklaring. Dat betekent dat de exceptie in zoverre samenvalt met de grond van de zaak en dat het tweede middel – middel waarin verzoeker aan de verwerende partij een verholen tuchtoogmerk toeschrijft – hoe dan ook moet worden onderzocht. IX-9705-6/28 IX-9705-7/28 V. Onderzoek van het tweede middel Uiteenzetting van het middel 10. In het tweede middel voert verzoeker aan dat de bestreden maatregel een verdoken tuchtsanctie is. Hij leidt de intentie tot bestraffing af uit de gehanteerde bewoordingen bij het ontwikkelingsgesprek van 4 februari 2019 en uit de persoonlijke verwijten aan zijn adres in de eerste en ingetrokken beslissing van 28 maart 2019. Zo verwijst “een nieuwe kans geven” volgens verzoeker “naar herstel van fout en schuld” en zijn de “oranje situatie” en “de eerste evaluator vindt dat het personeelslid sinds het laatste ontwikkelingsgesprek minder goed presteert” aantijgingen. Het laakbaar vinden van het gedrag van verzoeker en willen bestraffen van dit gedrag blijkt volgens verzoeker ook uit de verantwoordingsnota ‘context’ van zijn leidinggevende, de adviseur-coördinator van de directie Onderwijsinstellingen en uit een nota aan de provincie Oost- Vlaanderen van dezes raadsman. Uit deze laatste nota blijkt dat het niet ingaan op een bijkomend aanbod als laakbaar wordt beschouwd en in de feiten wordt op een belasterende manier melding gemaakt van een tuchtonderzoek waarvoor verzoeker is vrijgesproken. De mutatie wordt door de auteur van de nota ‘context’ verantwoord met een referentie aan het collectief onderzoek naar de psychosociale gevolgen van haar management op de afdeling, wat doet geloven dat zij met haar vraag tot mutatie “niet de goede werking van de dienst voor ogen heeft, maar die enkel in[ge]geven is door wraakgevoelens”. Over het besluit van 5 maart 2020 schrijft verzoeker: “Het gedrag van verzoeker wordt gekapitteld. In de bestreden maatregel is sprake van overtreding, incidenten en problemen. Alsook van het feit dat in evaluaties gevraagde acties tot bijsturing zonder gevolg bleven of tot onvoldoende verbetering hebben geleid, wat echter niet blijkt uit de evaluaties zelf, eerder omgekeerd! Hieruit meent verzoeker te kunnen afleiden dat zijn gedrag als muiterij, als laakbaar, schuldig en foutief wordt gezien en dat hij hiervoor klaarblijkelijk moet boeten doordat hij uit IX-9705-8/28 zijn team schoolmaatschappelijk werker en uit zijn vertrouwde werkomgeving getrokken wordt met voor hem grievende en schadeverwekkende effecten. […] Het besluit van 05.03.2020 is formeel en materieel gestoeld op aangewreven tekortkomingen die verzoeker verweten worden en attitude die 1e en 2e evaluator laakbaar achten. Er staan in dit bestreden besluit passages waarmee verzoeker wil bewijzen dat de verweerder werkelijk de bedoeling had om hem te straffen. Dat er wel degelijk belangrijke negatieve gevolgen voor verzoeker zijn aan de genomen beslissing En dat hier sprake is van een verholen of verkapte tuchtstraf. De tuchtintentie zit vervat in: - De Deputatie is van oordeel dat de conflictsituatie al geruime tijd aansleept en in dat opzicht wel permanent te noemen is. Temeer omdat, ondanks talrijke feedbackmomenten, er geen kentering is gekomen in de houding van de heer Rik De Baerdemaeker ten aanzien van zijn leidinggevende. Hij blijft eigengereid handelen en blijft zich verzetten tegen de (reeds doorgevoerde) reorganisatie binnen de Cel Schoolmaatschappelijk Werk (CSW) - De inbreuken op de interne procedures en afspraken zijn elk op zich en afzonderlijk genomen misschien niet ernstig genoeg om een mutatie te overwegen. Maar samengenomen, gelet op het herhaaldelijk karakter ervan, vormen zij een bevestiging van de attitude van betrokkene waarbij hij, op basis van zijn eigen interpretatie en perceptie, een eigen invulling geeft aan deze procedures en afspraken, die in strijd zijn met de vastgelegde afspraken en regels. Het is duidelijk dat de heer De Baerdemaeker enkel nog op zijn voorwaarden wenst te werken in de Cel Schoolmaatschappelijk Werk van de directie Onderwijsinstellingen, wat uiteraard niet kan - De Deputatie vindt dit door de heer De Baerdemaeker voorgestelde alternatief evenwel geen realistisch scenario. Het brengt immers geen nieuwe dienstaanwijzing met zich mee, aangezien hij dan verder deel zou uitmaken van de Cel voor Schoolmaatschappelijk Werk van de directie Onderwijsinstellingen. - Uit een mutatie naar het Provinciaal Instituut Heynsdaele School volgt daarentegen wel een andere dienstaanwijzing, in die zin dat de heer De Baerdemaeker dan, in zijn functie van schoolmaatschappelijk werker, deel zal uitmaken van het personeelskader van deze instelling en niet langer van de Cel voor Schoolmaatschappelijk Werk van de directie Onderwijsinstellingen. - Besluitend stelt de Deputatie dat er geen sprake is van tegenstrijdigheid tussen de eerste mutatiebeslissing van 28 maart 2019 (die ondertussen werd ingetrokken bij Besluit van de Deputatie van 12 december 2019) en de intentie tot het opnieuw overwegen van een mutatie, zoals de heer De Baerdemaeker voorhoudt. De hierboven opgesomde motieven (1 tot 7) zijn immers een verdere verduidelijking en bevestiging van het feit dat een eventuele terugkeer van de heer De Baerdemaeker, na afloop van zijn huidige ziekteperiode, naar de Cel voor Schoolmaatschappelijk Werk van IX-9705-9/28 de Directie Onderwijsinstellingen (standplaats Gent) geen te overwegen optie is. Dit zou geen goede zaak zijn, noch voor de heer De Baerdemaeker, noch voor zijn directe collega’s, noch voor zijn leidinggevende, noch voor de Provincie Oost-Vlaanderen als werkgever.” Uit geen enkel stuk van het dossier blijkt dat de dienst daadwerkelijk is verstoord, geen enkel concreet incident wordt aangehaald. Niet blijkt dat collega’s klachten hadden over zijn gedrag. Over het feit dat hem wordt verweten zich tot allerlei diensten te richten, stelt verzoeker dat voor een personeelslid van een openbare dienst, het gebruikmaken van deze mogelijkheid geenszins als een verstoring van de dienst kan worden beschouwd. Over de weigering van standplaats Eeklo als alternatief in het belang van de dienst, merkt verzoeker op dat deze keuze voor een standplaats die ver verwijderd ligt van zijn woonplaats terwijl hij herplaatst had kunnen worden naar een dichterbij gelegen standplaats, erop wijst dat men hem heeft willen bestraffen. Het verwijzen naar het belang van de dienst is hier des te minder dienend aangezien hij zijn professionele ervaring niet zal kunnen aanwenden in zijn nieuwe dienstaanwijzing wegens het verschil in populatie en in doelgroep tussen Ronse en het Meetjesland. 11. In de memorie van wederantwoord schrijft verzoeker over het tweede middel: “Het tweede middel wordt door verzoeker volledig aangehouden. De verzoeker acht zich niet schuldig aan de opzettelijke verstoring van de goede werking van de dienst en van het dienstbelang! Verzoeker acht dit niet bewezen. Hij verwijst hiervoor ook naar het rapport Securex (stuk 10). De verweerder beweert ‘het dienstbelang’ te dienen zonder dit uitgebreid te motiveren. Maar wel motiveert het ‘het persoonlijk gedrag’ als ‘de malaise in de dienst’. De verweerder deed echter geen onderzoek, interview of audit naar dit aspect, Securex wel!” 12. In zijn laatste memorie betoogt verzoeker dat hij de zwarte piet toegespeeld krijgt over de onrust op de directie Onderwijsinstellingen, “voor het feit van het inroepen van hulp aangaande inzagerecht bij de dienst Kanselarij en bij de ambtenaar voor Gegevensbescherming, voor rechtstreeks contact met de gedeputeerden, voor assistentie en inspectie bij de dienst Toezicht Welzijn op het IX-9705-10/28 Werk, bij het vragen naar erkenning van een burn-out als arbeidsongeval”. Hij “meent stellig dat de rust en de sereniteit binnen de directie Onderwijsinstellingen niet is teruggekeerd met de mutatie van verzoeker naar Ronse” en geeft hiervan enkele voorbeelden. Dat bijkomende ondersteuning nodig was te Ronse noemt verzoeker een drogreden, wat bewezen wordt door het bericht – op dezelfde dag van de mutatie – dat de school daar wordt gesloten. Verzoeker noemt het nog een verkeerde voorstelling “dat een aanstelling te Eeklo geen nieuwe dienstaanwijzing met zich meebracht aangezien verzoeker dan verder deel uit zou maken van het CSW en van de directie Onderwijsinstellingen”. Beoordeling 13. Verzoeker vat op bladzijde 166 van het inleidend verzoekschrift zelf treffend de rechtspraak van de Raad van State samen met betrekking tot de verdoken tuchtmaatregel: “Twee belangrijke criteria onderscheiden de tuchtmaatregel van de ordemaatregel, [namelijk] het motief en het schadeverwekkend effect van de maatregel. Een tuchtmaatregel beoogt te doen boeten voor een gedrag dat als laakbaar wordt beschouwd in hoofde van de ambtenaar aan wie de maatregel wordt opgelegd. Een ordemaatregel is daarentegen niet gesteund op laakbaar gedrag doch vindt zijn verantwoording in een verstoring van de goede orde van de dienst, die weliswaar kan voortvloeien uit het gedrag van een personeelslid waarbij het echter niet het laakbaar bevinden van dit gedrag maar wel het gedrag op zichzelf is dat de overheid brengt tot het nemen van de ordemaatregel. Een ordemaatregel, juist omdat hij niet wil doen boeten, mag aan de betrokkene niet meer lasten opleggen dan nodig om de orde in de dienst te herstellen. Het valt aan een verzoekende partij toe om het voor de Raad van State geloofwaardig te maken dat aan een maatregel die zich niet naar de vorm als een tuchtmaatregel presenteert niettemin een disciplinaire bedoeling ten grondslag ligt zodat, ondanks de schijn van het tegendeel, ze een verdoken tuchtmaatregel is, omdat uit de omstandigheden moet worden afgeleid dat het determinerend, maar niet uitgedrukt motief van de maatregel is haar te bestraffen. Tot het bestaan van een dergelijke niet- veruitwendigde bedoeling mag niet worden besloten op grond van louter IX-9705-11/28 subjectieve gevoelens van de getroffen ambtenaar. Integendeel dient de ambtenaar met verwijzing naar concrete omstandigheden aannemelijk te maken dat het determinerend, maar niet uitgedrukt motief van de maatregel erin bestaat hem te bestraffen. De Raad van State onderzoekt vervolgens of het geheel van de gegevens, die de ambtenaar hem voorlegt, in hun samenhang bekeken, in redelijkheid het besluit rechtvaardigt dat de bestraffing het dragend motief is van de genomen beslissing.” 14. Uit die samenvatting mag verzoeker leren dat de beoordeling of een oogmerk voorligt om de betrokkene te straffen, afhangt van de specifieke omstandigheden van de zaak en dat de bewijslast rust bij wie dat aanvoert. Vergeefs citeert verzoeker daarom in zijn procedurestukken tal van andere arresten van de Raad van State, die immers geen verband houden met de thans voorliggende zaak. 15. Het is aan de deputatie als auteur van de bestreden handeling, dat de intentie tot bestraffing toegeschreven moet kunnen worden. Het beweerde opzet van verzoekers leidinggevende of van de raadsman van de provincie is niet relevant. 16. In de bestreden mutatiebeslissing somt de deputatie de motieven op die aan het voorstel tot mutatie ten grondslag liggen: “1. De permanente conflictsituatie met zijn leidinggevende […]. 2. Het deloyaal gedrag en wantrouwen ten opzichte van de Provincie Oost-Vlaanderen als werkgever. 3. Het blijvend dwarsbomen van de optimalisatie van de Cel Schoolmaatschappelijk Werk (CSW) (met de bijhorende herverdeling van de provinciale scholen onder de maatschappelijk werkers). 4. Het misbruiken van interne en externe contacten en het rechtstreeks of onrechtstreeks verspreiden van onjuiste, opruiende en nodeloos kwetsende informatie. 5. Het oncollegiaal gedrag naar directe collega’s toe. 6. Het hanteren van respectloze en grensoverschrijdende communicatie, zowel verbaal als non-verbaal. 7. Het star vasthouden aan zijn eigen functiebeschrijving en aan het takenpakket waarvoor hij destijds is aangeworven, culminerend in een tunnelvisie en de wens om alleen te werken op zijn voorwaarden. IX-9705-12/28 8. Het feit dat het Provinciaal Instituut Heynsdaele School nood heeft aan extra ondersteuning bij haar opdracht als school voor Opleidingsvorm 4 voor Type 3-leerlingen.” 17. De deputatie overweegt vervolgens met betrekking tot elk van die motieven het volgende: “1. M.b.t. de permanente conflictsituatie met zijn leidinggevende, […]: in dit verband wees de Deputatie de heer De Baerdemaeker op de volgende elementen: - het niet-naleven van interne procedures (zie bv. het niet-bijhouden van zijn afwezigheidsassistent, het niet-correct melden van zijn afwezigheid wegens ziekte, het niet-correct bijhouden van zijn tijdsregistratie, het niet- correct indienen van een verlofaanvraag voor een buitenlandse reis); - het negeren van duidelijke instructies van zijn leidinggevende (zie bv. het misbruiken van sociale media voor de bemachtiging van een dossier van een van zijn vroegere scholen (PIHS), en dit ondanks de tijdens het ontwikkelingsgesprek van 4 februari 2019 gemaakte afspraken, het alsmaar uitstellen van het gevraagde beleidsondersteunend werk in het dossier van de opmaak van de verschillende schoolreglementen); - het in diskrediet brengen van zijn leidinggevende ten opzichte van derden (zie bv. het grensoverschrijdend mailverkeer naar de directies van de provinciale scholen naar aanleiding van zijn opvolggesprek van 12 september 2017 (mails van 12, 14 en 19 september 2017)); - het bedreigen van zijn leidinggevende (zie bv. de vermelding hiervan in de mails van […] naar collega’s […], naar aanleiding van het nakende functioneringsgesprek ten gevolge van de tumultueus verlopen evaluatie- en programmatiedag in Het Leen van 4 juli 2016, de vermelding van deze bedreigingen in de mails van […] naar loopbaanbegeleider […]). De Deputatie is van oordeel dat de conflictsituatie al geruime tijd aansleept en in dat opzicht wel permanent te noemen is. Temeer omdat, ondanks talrijke feedbackmomenten, er geen kentering is gekomen in de houding van de heer Rik De Baerdemaeker ten aanzien van zijn leidinggevende. Hij blijft eigengereid handelen en blijft zich verzetten tegen de (reeds doorgevoerde) reorganisatie binnen de Cel Schoolmaatschappelijk Werk (CSW). De inbreuken op de interne procedures en afspraken zijn elk op zich en afzonderlijk genomen misschien niet ernstig genoeg om een mutatie te overwegen. Maar samengenomen, gelet op het herhaaldelijk karakter ervan, vormen zij een bevestiging van de attitude van betrokkene waarbij hij, op basis van zijn eigen interpretatie en perceptie, een eigen invulling geeft aan deze procedures en afspraken, die in strijd zijn met de vastgelegde afspraken en regels. Het is duidelijk dat de heer De Baerdemaeker enkel nog op zijn voorwaarden wenst te werken in de Cel Schoolmaatschappelijk Werk van de directie Onderwijsinstellingen, wat uiteraard niet kan. IX-9705-13/28 Hij probeert zijn eigen verantwoordelijkheid te minimaliseren door de schuld bij anderen te leggen. Hij betwist sommige feiten (bv. het niet instellen van een afwezigheidsassistent of instellen zonder doorverwijzing zoals gevraagd, het niet naleven van de regels inzake meldingsplicht bij ziekte...) of, als deze worden toegegeven, berusten de inbreuken steeds op ‘stom’ toeval, gebeurde dit niet opzettelijk of was dit door toedoen van anderen (bv. dienst ICT, het niet beschikken over het ziektereglement terwijl dit op intranet ter beschikking is...). Hij verschuilt zich achter de intentie (om correct te handelen), maar zet dit niet om in daden. Hij drijft zelf de discussie op en veroorzaakt zelf een polemiek (zie stuk 1.1.22). Hij wil zelf telkens het laatste woord hebben en laat niet na daarbij zijn ongenoegen te ventileren. Het zogenaamde ‘communicatie- en contactverbod’ had enkel de bedoeling om de rust en sereniteit te laten terugkeren binnen de directie Onderwijsinstellingen. De heer De Baerdemaeker dreef de spanning echter verder op door zijn ongenoegen te ventileren naar o.m. de directeurs van scholen en naar medewerkers van de personeelsdienst. Daarbij wordt zijn eerste evaluator, […] telkens in een slecht daglicht geplaatst. Ondanks gemaakte afspraken hierover volhardt hij. Hij verwijt […] het gebruik van informatie uit de privé-context, terwijl dit enkel aantoont dat betrokkene zelf, in zijn privétijd (en ook in die van collega’
- s)van de gelegenheid gebruik maakt om werkgerelateerde zaken te bespreken (die overigens niet meer tot zijn takenpakket behoorden). Het beledigen en demoniseren van een leidinggevende valt niet te verdedigen vanuit het recht op vrije meningsuiting waarop hij zich als ambtenaar beroept. Zijn taalgebruik naar de leidinggevende, zoals o.m. in zijn mailverkeer, is verder moeilijk respectvol te noemen. Hij tracht (zie bv. de mails van 14 september 2017 en 19 september 2017) anderen voor zijn ‘zaak’ te winnen en beschuldigt de leidinggevende van medeverantwoordelijkheid voor zijn burn-out. Wat hij anderen verwijt, doet hij zelf: polariseren. Naar eigen zeggen zou hij zijn opdracht hebben afgewerkt op 25 maart 2019. Uit mailverkeer blijkt echter dat dit niet het geval kon zijn en dat er wel degelijk sprake was van ‘uitstelgedrag’ (zie stuk 1.2.6). […] is in dit verband formeel: het stuk is haar nooit persoonlijk bezorgd, ondanks de voorafgaande afspraak in het ontwikkelingsgesprek van 4 februari 2019, dat de heer De Baerdemaeker rechtstreeks aan haar zou rapporteren. Van de bedreigingen zijn er geen directe getuigen, maar de bedreigende gebaren en taal (‘ik ben woedend, ik moet me inhouden’) werden door de 1ste evaluator […] onmiddellijk na het voorval gemeld aan […] van de personeelsdienst. Rik De Baerdemaeker tracht zichzelf hierbij te verschonen onder het mom van een verhoogde emotionaliteit en een verlies aan zelfbeheersing. 2. M.b.t. het deloyaal gedrag en wantrouwen ten opzichte van de Provincie Oost-Vlaanderen als werkgever: in dit verband wees de Deputatie de heer De Baerdemaeker op de volgende elementen: - het voeren van een procedure om een langdurige afwezigheid wegens burn-out te laten erkennen als een arbeidsongeval; IX-9705-14/28 - het voeren van een procedure in het kader van de openbaarheid van bestuur om een rapport van Securex te kunnen inzien; - het voeren van een procedure bij de functionaris gegevensbescherming van de Provincie Oost-Vlaanderen ([…]) om te achterhalen welke mails zijn leidinggevende over hem bezit; - het dreigen met de indiening van een klacht wegens discriminatie omdat hij een ander takenpakket krijgt toegewezen dan een directe collega van hem. Het instellen van een aantal procedures is niet louter ingegeven door het verdedigen van het eigen belang, zoals de heer De Baerdemaeker wil doen uitschijnen, maar moeten eerder gezien worden als een poging tot het mordicus gelijk willen krijgen, wat de kostprijs hiervan ook is. Zo is er hem, omwille van gegronde redenen (deze werden bevestigd door de Beroepsinstantie Openbaarheid van Bestuur), inzage geweigerd in het volledige eindrapport van Securex. Er is hem echter wel, onder de restricties zoals aangegeven in de conclusies van de Beroepsinstantie, gedeeltelijk inzage verleend in dit eindrapport. Het bestuur heeft hier zorgvuldig gehandeld en met respect voor de bij wet ingestelde geheimhoudingsverplichting en bescherming van de persoonlijke levenssfeer. Inzake de procedure om zijn langdurige afwezigheid wegens burn-out te laten erkennen als arbeidsongeval moet er worden vastgesteld dat hij de aangifte hiervoor pas deed op 5 december 2018, terwijl het voorval dat hij daarvoor inriep dateerde van 12 september 2017. Dit kan bezwaarlijk ernstig worden genoemd. Zoals hijzelf aangeeft was het zijn bedoeling om een disponibiliteit wegens ziekte te vermijden. Het was er hem dus niet zozeer om te doen om zijn afwezigheid te laten erkennen als een arbeidsongeval, maar enkel om de negatieve gevolgen van een langdurige afwezigheid ingevolge ziekte te vermijden. Dit wordt door de Deputatie ervaren als deloyaal gedrag in hoofde van de heer De Baerdemaeker als statutair ambtenaar van de provincie Oost-Vlaanderen. Daarnaast is het niet ongebruikelijk dat een leidinggevende, met het oog op een gesprek met een medewerker, voorafgaand notities neemt of feiten verzamelt die het onderwerp kunnen zijn van het gesprek en/of die als voorbeeld kunnen worden aangehaald om het gesprek te stofferen. Dit kadert binnen de bevoegdheden die aan een leidinggevende zijn toevertrouwd in een normale werksituatie. Deze stukken worden echter niet verzameld in het personeelsdossier dat bijgehouden wordt op de personeelsdienst. De heer De Baerdemaeker beroept zich dan ook ten onrechte op artikel 15 van de AVG om deze gegevens te verkrijgen via de functionaris gegevensbescherming van de Provincie Oost-Vlaanderen. Eigenlijk volstond hier een eenvoudige vraag aan de personeelsdienst om inzage, uitleg en afschrift te bekomen van zijn personeelsdossier. De heer De Baerdemaeker heeft deze inzage ook gevraagd en gekregen. 3. M.b.t. het blijvend dwarsbomen van de optimalisatie van de Cel Schoolmaatschappelijk Werk (CSW) (met de bijhorende herverdeling van de provinciale scholen onder de maatschappelijke werkers), gedragen door de directeurs van de provinciale scholen en reeds uitgerold om te IX-9705-15/28 voldoen aan de maatschappelijke taak van de CSW: in dit verband wees de Deputatie de heer De Baerdemaeker op de volgende elementen: - het dreigen met afwezigheid wegens ziekte bij een voor hem iets minder gunstige werksituatie (mail naar Securex van 1 maart 2019); - de mail van 30 augustus 2018 m.b.t. zijn afwezigheidsattest. De heer De Baerdemaeker betwist dat de optimalisatie van de CSW zou zijn gedragen door de directeurs van de scholen. Hij kan dit evenwel niet aantonen. Integendeel, in zijn mail van 15 september 2017 (stuk 1.2.1) stelt de directeur van het PIHS (school die voor de reorganisatie tot het werkterrein van de heer De Baerdemaeker behoorde): ‘Ik ben vooral blij dat er duidelijkheid is. Er is een kader gecreëerd waar ik me kan in vinden. Het PIHS wordt geen onrecht aangedaan, integendeel.’ Van bij de aanvang van het veranderingstraject is er weerstand geweest in hoofde van de heer De Baerdemaeker. Ondanks het feit dat de uitvoering ervan voor een bepaalde tijd werd vooruitgeschoven bleef hij zich halsstarrig verzetten. Hij had daarbij enkel oog voor zijn eigen persoonlijke situatie en niet voor het beleidsmatige aspect van de optimalisatie. 4. M.b.t. het misbruiken van interne en externe contacten en het rechtstreeks of onrechtstreeks verspreiden van onjuiste, opruiende en nodeloos kwetsende informatie: in dit verband wees de Deputatie de heer De Baerdemaeker op de volgende elementen: - het hierboven vermelde dossier-[…] van het PIHS; - het agendapunt ‘welzijn op het werk’ op het door hem aangevraagd overleg van 28 februari 2019 bij Securex; - het betrekken van gedeputeerden bij zijn conflict. Het spreekrecht waarvan sprake in artikel 241 en waarop de heer De Baerdemaeker zich beroept is geen vrijgeleide om onjuiste informatie te verspreiden of anderen in een negatief daglicht te plaatsen. Wanneer hij zijn gelijk niet haalt (hij oordeelt zelf dat zijn evaluatoren hun rol niet objectief zouden vervullen) aarzelt hij niet om rechtstreeks het politieke niveau (lees de bevoegde gedeputeerde) hierover aan te spreken, die hij dan als het ware ter verantwoording roept (zie stuk 42 uit de stukken bij de antwoordnota van de heer De Baerdemaeker). Zijn communicatie is niet alleen ongepast maar straalt een voortdurend gebrek aan vertrouwen uit en getuigt niet van enige constructieve ingesteldheid. Inzake het voornoemde dossier […] (zie ook hierboven) is het duidelijk dat hij de gemaakte afspraken over de verdere afhandeling ervan niet opvolgt en via contactname (zelfs tot in de privésfeer van betrokkenen) toch zijn zin wil doordrijven. Hij grijpt informele contacten of contacten in de privésfeer aan om gerucht te geven aan zijn ongenoegen en de stappen die hij onderneemt om genoegdoening te krijgen. 5. M.b.t. het oncollegiaal gedrag naar directe collega’s toe: in dit verband wees de Deputatie de heer De Baerdemaeker op de volgende elementen: - het uitsluiten van zijn directe collega […] van de werking van de CSW; - het zaaien van tweedracht in de CSW en het ontwrichten van de teamwerking, onder meer door opruiende taal in mails naar de directies IX-9705-16/28 van de provinciale scholen naar aanleiding van zijn opvolggesprek van 12 september 2017 (mails van 12, 14 en 19 september 2017). De heer De Baerdemaeker pleit deels schuldig voor wat betreft zijn koele houding tegenover collega […]. Hij zou dit hebben ingezien en zou zijn opgekomen voor haar belangen (zie hierboven). Dit staat evenwel in schril contrast met de argumenten die hij bij zijn eigen verdediging aanvoert om niet hem, maar integendeel collega […] te muteren naar het Provinciaal Instituut Heynsdaele School. Dit kan bezwaarlijk worden beschouwd als een collegiale opstelling ten opzichte van een directe collega. Terwijl hij zich eerder beklaagt over de oude politieke cultuur en het vasthouden aan de hiërarchische lijn, gedraagt hij zichzelf opnieuw oncollegiaal door zijn ‘oudste in dienst kiest eerst’-principe in te roepen als het bv. gaat om de werkplekindeling (stuk 5.1) bij de laatste verhuis naar het Provinciehuis. 6. M.b.t. het hanteren van respectloze en grensoverschrijdende communicatie, zowel verbaal als non-verbaal: in dit verband wees de Deputatie de heer De Baerdemaeker op de volgende elementen: - de mails ter voorbereiding van het opvolggesprek bij zijn werkhervatting op 2 oktober 2017; - de getuigenis van collega […] (mail van 19 december 2018); - de sensibilisering door […] tijdens de evaluatie- en programmatiedag in Het Leen van 5 juli 2017. Rik De Baerdemaeker minimaliseert de impact die zijn gedrag en taalgebruik heeft op de collega’s en hun welbevinden. Uit de getuigenis (zie stuk 5.9) van een collega blijkt duidelijk dat er sprake is van grensoverschrijdend en respectloos verbaal gedrag ten opzichte van de andere collega’s en de leidinggevende. De getuige ([…]) maakt zich zorgen over de nakende terugkeer van de heer De Baerdemaeker. Deze laatste probeert afbreuk te doen aan de waarde van deze getuigenis door zijn collega als zelf deloyaal te bestempelen. De stijl van de communicatie van de heer De Baerdemaeker is dan ook ongepast en getuigt van weinig respect. 7. M.b.t. het star vasthouden aan zijn eigen functiebeschrijving en aan het takenpakket waarvoor hij destijds werd aangeworven, culminerend in een tunnelvisie en de wens om alleen te werken op zijn voorwaarden: in dit verband wees de Deputatie de heer De Baerdemaeker op de volgende elementen: - de opvolggesprekken van 10 augustus 2016, 29 februari 2017 en 12 september 2017; - zijn mail van 18 maart 2019 m.b.t. het gevraagde beleidsondersteunend werk in het dossier van de opmaak van de verschillende schoolreglementen. Rik De Baerdemaeker ziet zijn functiebeschrijving als een statisch gegeven. Hij gaat daarbij voorbij aan zijn eigen statuut en de veranderlijkheid ervan. De veranderlijkheid is een onlosmakelijk kenmerk, verbonden aan een statutaire betrekking en een eenzijdige benoeming door de overheid. IX-9705-17/28 Hij gaat ook totaal voorbij aan de nieuwe methodiek inzake evaluatie tijdens de loopbaan, waar de klemtoon ligt op regelmatige feedback en de functiekaart een instrument is om concrete afspraken en resultaatsgebieden vast te leggen voor een bepaalde periode. Hij herhaalt meermaals te willen terugkeren naar de ‘oude’ situatie en de hem vertrouwde scholen. Hij geeft geen blijk van enige flexibiliteit of veranderingsbereidheid of inzicht in het grotere geheel. 8. M.b.t. het feit dat het Provinciaal Instituut Heynsdaele School nood heeft aan extra ondersteuning bij haar opdracht als school voor Opleidingsvorm 4 voor Type 3-leerlingen: in dit verband wees de Deputatie erop dat de heer De Baerdemaeker, gezien zijn jarenlange ervaring als veldwerker in het provinciaal onderwijs, zeer goed voldoet aan het profiel dat de Provincie hiervoor zoekt. Het is een nieuwe kans die hem geboden wordt en een opportuniteit om met een schone lei te herbeginnen. De heer De Baerdemaeker betwist niet dat het Provinciaal Instituut Heynsdaele School nood heeft aan betere en goede ondersteuning, gelet op het specifieke doelpubliek (opleidingsvorm 4 voor Type 3-leerlingen). Hij vergelijkt de nood bij andere scholen evenwel louter op basis van het aantal ingeschreven leerlingen, en niet op basis van de nood aan en intensiteit van de ondersteuning die sterk verschilt naargelang van het type leerlingen. Daarbij het argument van de verplaatsing hanteren om de disproportionaliteit aan te duiden staat hier los van en getuigt van weinig empathie met en respect voor deze doelgroep. De heer De Baerdemaeker betwist dat hij over het juiste profiel beschikt. Hij noemt zich een ‘ambulant jeugdhulpverlener’ en geen permanent leerlingenbegeleider. Hij beweert dat […] een geschiktere kandidaat zou zijn, gelet op haar ervaring. Dit komt tegenstrijdig over met de argumentatie van de heer De Baerdemaeker, waarbij hij verklaart te zijn opgekomen voor de belangen van […]. Het onderscheid dat de heer De Baerdemaeker maakt tussen een ambulant jeugdhulpverlener en een permanent leerlingenbegeleider is een louter semantische kwestie. De permanente leerlingenbegeleiding is een opdracht die, decretaal gezien, door elke leerkracht van een school moet worden uitgevoerd. Het decreet bepaalt niet dat hiervoor een Cel Schoolmaatschappelijk Werk moet worden opgericht De oprichting hiervan was destijds een beleidskeuze van de provincie als inrichtende macht. De term ‘jeugdhulpverlener’ verwijst meer naar de aard van de problematiek van de doelgroep nl., problemen van psychosociale aard. Deze laatste problematiek is des te meer manifest aanwezig in het Provinciaal Instituut Heynsdaele School. Deze laatste heeft dan ook nood aan een uitgebreidere omkadering. Het takenpakket van de beoogde functie sluit perfect aan bij het profiel van de heer De Baerdemaeker door o.m. zijn ervaring met crisismanagement.” IX-9705-18/28 18. Uit het geheel van de aangehaalde vaststellingen mocht de deputatie op goede grond besluiten dat de orde op de Cel Schoolmaatschappelijk Werk verstoord was en “dat een eventuele terugkeer van de heer De Baerdemaeker, na afloop van zijn huidige ziekteperiode, naar de Cel voor Schoolmaatschappelijk Werk van de Directie Onderwijsinstellingen (standplaats Gent) geen te overwegen optie is. Dit zou geen goede zaak zijn, noch voor de heer De Baerdemaeker, noch voor zijn directe collega’s, noch voor zijn leidinggevende, noch voor de Provincie Oost-Vlaanderen als werkgever”. 19. Dat verzoeker sommige feiten anders ervaart, neemt niet weg dat de verstandhouding op de dienst zoek is, dat de verhouding tussen verzoeker en zijn leidinggevende verregaand is scheefgelopen, dat ook de verstandhouding met collega’s problematisch is en dat een mutatie van verzoeker aangewezen is. In zijn verzoekschrift verwijst verzoeker zelf meermaals naar de wraakgevoelens van zijn leidinggevende en in de bestreden mutatiebeslissing refereert de deputatie aan het oncollegiaal gedrag en aan het hanteren van respectloze en grensoverschrijdende communicatie, zowel verbaal als non-verbaal. Anders dan verzoeker beweert, illustreert de deputatie haar overwegingen met welbepaalde in tijd en ruimte gesitueerde voorbeelden, die verzoeker overigens niet weerspreekt. 20. Dat de deputatie het “eigengereid handelen” van verzoeker laakbaar acht, bewijst niet dat de mutatie wordt opgelegd om hem voor dit gedrag te straffen. De deputatie moet immers de ordeverstoring aanwijzen, toelichten en aannemelijk maken, opdat tot een mutatie besloten mag worden. Elke ordeverstoring heeft nu eenmaal een oorzaak en de deputatie doet niets méér dan vaststellen dat de houding van verzoeker minstens mede die oorzaak vormt. 21. Het argument dat de maatregel er gekomen zou zijn omdat hij een verzoek tot formele psychosociale interventie met collectief karakter indiende, is niet meer dan een bewering en een louter aanvoelen van verzoeker. IX-9705-19/28 Uit de bestreden beslissing blijkt niet dat ze steunt op het verslag van Securex, opgesteld naar aanleiding van dit onderzoek. De deputatie steunt voorts niet op een vroeger tuchtonderzoek, noch op verzoekers evaluaties. In zoverre mist het middel feitelijke grondslag. 22. Verzoeker zoekt het bewijs van het bestraffend karakter ook in de persoonlijke gevolgen van de mutatie, wegens de plaats van tewerkstelling. Verzoeker toont niet aan dat andere vacatures voorhanden waren. De deputatie mocht voorts in redelijkheid oordelen dat verzoeker geen betrekking kon worden aangeboden die hem nog in contact bracht met de directie Onderwijsinstellingen. De deputatie noemt de mutatie “gegeven de omstandigheden, op dit moment de best mogelijke oplossing voor alle partijen” en sluit niet uit “dat er zich in de toekomst nog andere alternatieven zullen aandienen”. Voor zover verzoeker beweert dat die mutatie hem méér last oplegde dan nodig om de orde te herstellen, moet worden opgemerkt dat het aan verzoeker toevalt om aannemelijk te maken dat een minder belastend alternatief mogelijk was. Dat bewijs levert verzoeker niet. Daarenboven heeft de deputatie het nadeel van de extra verplaatsing naar Ronse willen compenseren door verzoeker een aangepaste vergoeding voor dienstverplaatsingen toe te kennen. Verzoeker noemt dit hoogst uitzonderlijk, wat net tegenspreekt dat de deputatie het oogmerk had om verzoeker meer leed toe te brengen dan nodig bij de keuze van de plaats van tewerkstelling. 23. In zijn laatste memorie merkt verzoeker op dat de rust op de dienst ook na zijn mutatie niet is weergekeerd. Dat kan erop wijzen dat de IX-9705-20/28 malaise op de dienst groter is en nog andere oorzaken heeft, maar weerlegt niet dat de mutatie van verzoeker terecht was. Enig bewijs wordt evenmin geleverd door verzoekers wijze van presteren in zijn nieuwe functie. 24. Verzoeker toont niet aan dat de hem opgelegde mutatie een bestraffend karakter heeft. Het middel is ongegrond. Die verwerping van het middel brengt weer de vraag naar de ontvankelijkheid naar de voorgrond. IX-9705-21/28 VI. Voortzetting van het onderzoek met betrekking tot de ontvankelijkheid Exceptie 25.1. De bestreden mutatie, waarvan niet is aangetoond dat ze een verdoken tuchtmaatregel is, is een ordemaatregel. Een ordemaatregel wordt opgelegd louter vanuit het oogpunt van het belang van de dienst en zonder het oogmerk om de betrokkene voor een tekortkoming te straffen, waarbij de schuldvraag niet wordt gesteld of openblijft – zelfs al vloeit de verstoring van de orde (mede) voort uit het gedrag van het betrokken personeelslid. Een ordemaatregel, die uitsluitend is bedoeld om de goede werking van de dienst te verzekeren en niet om het personeelslid te straffen voor schuldig gedrag, houdt in beginsel geen aantasting in van de reputatie en de goede naam van het betrokken personeelslid. 25.2. Als verzoeker de nietigverklaring van zijn mutatie benaarstigt, is zijn initiële oogmerk om door de gevorderde nietigverklaring ervan, zijn vroegere tewerkstelling te herwinnen. Ondertussen is dat doel evenwel niet meer bereikbaar. Zijn vroegere functie is afgeschaft. Verzoeker heeft die afschaffing niet bestreden. 25.3. Bovendien is verzoeker niet meer tewerkgesteld te Ronse, zodat hij ook niet langer de eventuele nadelen van die tewerkstelling ondervindt. Verzoeker is ondertussen immers ambtshalve overgeplaatst naar het Mola - Molencentrum en hij heeft die overplaatsing niet aangevochten, zodat ze in rechte definitief is. 25.4. Deze vaststellingen, alle samengenomen, doen terecht de vraag rijzen of verzoeker nog een actueel belang heeft bij het beroep. Zoals hiervóór IX-9705-22/28 gezien, werpt de verwerende partij alvast op dat het beroep wegens verzoekers herplaatsing niet langer ontvankelijk is. 26. Door het auditoraat uitdrukkelijk ondervraagd over zijn actueel belang, betoogt verzoeker in een 10 oktober 2021 gedateerd antwoord dat het bestreden besluit steunt op “feiten, die evenwel tot een tuchtprocedure behoren en niet tot een mutatieprocedure”. Verzoeker wijst erop een zeer gunstige evaluatie te hebben gekregen in zijn nieuwe functie, wat hem sterkt in de overtuiging dat de mutatie een verkapte tuchtmaatregel was. Hij stelt dat op de directie Onderwijsinstellingen nog steeds een toxische werksfeer heerst, waardoor in de voorbije twee jaar niet minder dan elf personeelsleden de dienst hebben verlaten. Voorts stelt verzoeker dat de verwerende partij “poogt […] formalistisch munt te slaan uit de situatie, door die voor te stellen als een ‘minnelijke regeling’ waar ik zelf zou op aangestuurd hebben”. Hij betwist uitvoerig dat zijn ambtshalve herplaatsing beschouwd moet worden als een “minnelijke regeling”. De functie was hem eerst tijdelijk aangeboden en ze weigeren of zich er tegen verzetten was volgens verzoeker geen optie. Vervolgens was de definitieve aanwijzing geen vrije keuze, maar een louter gevolg van de toepassing van het statuut inzake ambtshalve herplaatsing. Verzoeker betoogt nog, met verwijzing naar het in algemene vergadering van de afdeling Bestuursrechtspraak gewezen arrest nr. 243.406 van 15 januari 2019, dat een verzoekende partij haar belang in de loop van de procedure niet verliest, indien de wijziging van de situatie waarin zij zich bevond niet het gevolg is van een handeling die zij zelf heeft gesteld of heeft nagelaten te stellen en die haar persoonlijk verwijtbaar is. IX-9705-23/28 Beoordeling a. algemeen 27. Luidens artikel 19, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan een annulatieberoep zoals bedoeld in artikel 14, § 1, van deze wetten, voor de afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State worden gebracht door elke partij die doet blijken van een benadeling of een belang. Een verzoekende partij beschikt over dit rechtens vereiste belang indien twee voorwaarden vervuld zijn: vooreerst dient zij door de bestreden administratieve rechtshandeling een persoonlijk, rechtstreeks, zeker, actueel en wettig nadeel te lijden; voorts moet de eventueel tussen te komen nietigverklaring van die rechtshandeling haar een direct en persoonlijk voordeel verschaffen. Het belang, waarvan een verzoekende partij blijk moet geven, dient te bestaan op het ogenblik van het instellen van het annulatieberoep en de verzoekende partij moet dat belang behouden tot aan de uitspraak. De aard van het belang kan weliswaar evolueren maar een verzoekende partij moet minstens aannemelijk maken dat de gevraagde nietigverklaring haar nog een concreet voordeel oplevert. 28. Om als toereikend te worden beschouwd, moet het belang onder meer rechtstreeks zijn en de verzoekende partij een persoonlijk voordeel verschaffen dat voldoende direct verband houdt met de finaliteit van een nietigverklaring, namelijk het doen verdwijnen van de bestreden rechtshandeling uit de rechtsorde. Het voordeel moet in beginsel ook méér zijn dan de morele genoegdoening die een verzoekende partij put uit het horen onwettig verklaren van de bestreden beslissing, inzonderheid om derden aldus te overtuigen van haar IX-9705-24/28 initieel gelijk. Een dergelijk belang heeft een karakter dat niet valt binnen de grenzen van het belang zoals bedoeld in artikel 19, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State; dat beoogde voordeel is immers niet verbonden met het verdwijnen van de bestreden beslissing uit het rechtsverkeer maar enkel met het horen gegrond verklaren erga omnes van de door de verzoekende partij aangevoerde middelen. 29. Er is voor een verzoekende partij geen stelplicht om haar belang bij het beroep te omschrijven of toe te lichten. Echter, wanneer er twijfel rijst omtrent haar actueel belang, ligt het op de weg van een verzoekende partij om hierover opheldering te verschaffen en aan de Raad van State alle nuttige gegevens ter beoordeling voor te leggen, die staven dat zij in de concrete omstandigheden van de zaak nog steeds een actueel en rechtstreeks belang bij de nietigverklaring behoudt. Doet een verzoekende partij zulks, dan heeft zij daarmee ook de contouren geschetst waarom het haar te doen is en moet de Raad van State met die door de verzoekende partij vastgelegde grenzen van het gerechtelijk debat rekening houden. b. toepassing 30. Zoals hiervóór sub 25 is vastgesteld, heeft de bestreden beslissing geen uitwerking meer en is de vroegere functie van verzoeker zelfs afgeschaft, zodat het voordeel dat verzoeker oorspronkelijk nastreefde verloren is gegaan. 31. Om zijn actueel belang te staven, alludeert verzoeker vergeefs op het verholen tuchtkarakter van de opgelegde mutatie. Het middel daaromtrent is immers verworpen. IX-9705-25/28 32. Dat de definitieve herplaatsing van verzoeker geen “minnelijke regeling” is, doet niets af aan de vaststelling dat verzoekers oorspronkelijke functie is afgeschaft en dat zijn herplaatsing definitief is. Dit gegeven leert niets over het voordeel dat een nietigverklaring nog kan opleveren aan verzoeker. 33. In zijn arrest nr. 243.406 van 15 januari 2019 heeft de Raad van State de weerslag onderzocht van de duur van de annulatieprocedure op de ontvankelijkheid ervan. Verzoeker beroept zich vergeefs op de leer van dit arrest. In de thans voorliggende zaak heeft hij een beroep tot nietigverklaring ingediend op 26 maart 2020. Hij heeft ervoor geopteerd om gelijktijdig ook de schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing te vorderen. Die proceshouding houdt in dat het onderzoek van het beroep niet vroeger kon aanvangen dan nadat de in het schorsingsarrest van 9 november 2020 in het ongelijk gestelde partij om de voortzetting van de procedure verzocht – en na de wisseling van de memorie van antwoord en de memorie van wederantwoord. De memorie van wederantwoord is door de Raad van State ontvangen op 16 februari 2021. De beslissing van de deputatie die verzoeker zijn actueel belang doet verliezen, dateert van 30 september 2021. Gelet op de termijnen voor onderzoek door het auditoraat, wisseling van laatste memories, terechtzitting en uitspraak, kon een arrest vóór 30 september 2021 niet worden verwacht en kan als oorzaak van het verlies van belang geen doorslaggevende invloed worden toegeschreven aan de procedure bij de Raad van State. 34. Dat betekent dat verzoeker geen nuttige gegevens ter beoordeling aanvoert die aantonen dat hij in de concrete omstandigheden van de zaak nog over het rechtens vereiste actueel belang beschikt bij de gevorderde nietigverklaring op grond van een van de overige middelen. Het belang van verzoeker is aldus in de loop van de procedure geëvolueerd naar nog uitsluitend een belang bij het onwettig horen verklaren van de bestreden beslissing, hetgeen een onvoldoende rechtstreeks belang is. IX-9705-26/28 De exceptie is gegrond. 35. Het beroep is onontvankelijk. VII. Rechtsplegingsvergoeding 36. Er is geen reden om in te gaan op verzoekers vraag op de terechtzitting, om af te zien van de toekenning van een rechtsplegingsvergoeding aan de verwerende partij, die immers als de in het gelijk gestelde partij is te beschouwen. BESLISSING 1. De Raad van State verwerpt het beroep. 2. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing en van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 400 euro, een bijdrage van 40 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 840 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van dertien juni tweeduizend tweeëntwintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, Bruno Seutin, staatsraad, Bert Thys, staatsraad, bijgestaan door Tiny Temmerman, griffier. De griffier De voorzitter IX-9705-27/28 Tiny Temmerman Geert Van Haegendoren IX-9705-28/28 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.253.984 Gerelateerde publicatie(
- s)voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.248.848 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div