← België

Arrest 254003 - Natuurbehoud - Vergunningen - 16/06/2022

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 16 juni 2022 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.254.003 Rolnummer: A. 233983/VII-41155 Zaak: Arrest 254003 - Natuurbehoud - Vergunningen - 16/06/2022 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2022-06-28 Raadplegingen: 66 - laatst gezien 2026-06-10 07:04 Fiche Arrest nr 254.003 van 16 juni 2022 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Natuurbehoud - Vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER nr. 254.003 van 16 juni 2022 in de zaak A. é.983/VII-41.155 In zake : Robert Jan TESINK bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Jo Van Lommel en Floris Sebreghts kantoor houdend te 2600 Antwerpen Borsbeeksebrug 36 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Willem Slosse en Stijn Brusselmans kantoor houdend te 2018 Antwerpen Mechelsesteenweg 64, bus 201 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het beroep, ingesteld op 28 juni 2021, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van de Vlaamse minister van Justitie en Handhaving, Omgeving, Energie en Toerisme van 14 april 2021 waarbij het bestuurlijk beroep tegen de beslissing van het Agentschap voor Natuur en Bos van 28 september 2020 houdende het opleggen van bestuurlijke maatregelen, gedeeltelijk gegrond wordt verklaard. II. Verloop van de rechtspleging
  2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. VII-41.155-1/4 Eerste auditeur Ronny Vercruyssen heeft op 27 februari 2022 een verslag opgesteld overeenkomstig artikel 93, eerste lid, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’. Verzoeker heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 9 juni
  3. Staatsraad Peter Sourbron heeft verslag uitgebracht. Advocaat Pieter-Jan Van De Weyer, die loco advocaten Floris Sebreghts en Jo Van Lommel verschijnt voor verzoeker, en advocaat Stijn Brusselmans, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Ronny Vercruyssen heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  4. III. Opheffing van de bestreden beslissing
  5. De bestreden bestuurlijke maatregel werd opgeheven met een besluit van 17 juni
  6. VII-41.155-2/4 Verzoeker erkent in zijn laatste memorie dat “het vernietigingsberoep gericht tegen de bestuurlijke maatregel, na de opheffing van 17 juni 2021 zonder voorwerp is geworden”. Voormelde conclusie wordt bijgetreden.
  7. Bij gebrek aan voorwerp dient voorliggend beroep als onontvankelijk te worden verworpen. IV. Kosten
  8. Verzoeker stelt in de memorie van wederantwoord dat hij “louter omwille van de laattijdige kennisgeving van de opheffing van de bestreden beslissing, gedwongen was om kosten te maken” en dat om die reden wordt verzocht om een rechtsplegingsvergoeding van 1.400 euro toe te kennen “[o]vereenkomstig art. 67, §1, 1ste lid Procedurebesluit”. In zijn laatste memorie handhaaft verzoeker dit verzoek.
  9. In artikel 30/1, § 2, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State worden de criteria opgesomd waarmee de Raad van State rekening moet houden om al dan niet af te wijken van de basisrechtsplegingsvergoeding van 700 euro. Deze opsomming is limitatief zodat de Raad van State niet op andere gronden mag afwijken van het basisbedrag. In dit geval toont verzoeker niet aan dat een verhoging van de verschuldigde rechtsplegingsvergoeding gerechtvaardigd is door de kennelijk onredelijke aard van de situatie.
  10. Het verzoek tot toekenning van de maximale rechtsplegingsvergoeding wordt afgewezen. BESLISSING
  11. De Raad van State verwerpt het beroep. VII-41.155-3/4
  12. De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 20 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan verzoeker. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van zestien juni tweeduizend tweeëntwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Peter Sourbron, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier. De griffier De voorzitter Elisabeth Impens Peter Sourbron VII-41.155-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.254.003 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.