← België

Arrest 254029 - Wapens - 16/06/2022

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 16 juni 2022 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.254.029 Rolnummer: A. 227729/XIV-37987 Zaak: Arrest 254029 - Wapens - 16/06/2022 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2022-06-29 Raadplegingen: 73 - laatst gezien 2026-06-10 07:05 Fiche Arrest nr 254.029 van 16 juni 2022 Instellingen, Binnenlandse zaken en lokale besturen - Wapens Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER nr. 254.029 van 16 juni 2022 in de zaak A. 227.729/XIV-37.987 In zake: Cornelis DEN BIESEN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Nico Demeyere kantoor houdend te 8531 Bavikhove Ter Coutere 7 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Justitie bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bernard Derveaux kantoor houdend te 1000 Brussel Verenigingstraat 28 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het beroep, ingesteld op 27 maart 2019, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van de gemachtigde van de minister van Justitie van 12 februari 2019 inzake het beroep van verzoeker tegen de beslissing van de gouverneur van de provincie Antwerpen van 5 november
  2. II. Verloop van de rechtspleging
  3. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. XIV-37.987-1/23 Eerste auditeur Frederic Eggermont heeft een verslag opgesteld overeenkomstig artikel 93, eerste lid, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’. Overeenkomstig artikel 26, § 2, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State’, heeft de voorzitter van de XIVe kamer bij beschikking van 15 december 2021 aan de partijen voorgesteld dat de zaak niet op een openbare terechtzitting wordt behandeld, tenzij één van de partijen hierom verzoekt. Verzoeker heeft om een terechtzitting gevraagd, die heeft plaatsgevonden op 16 maart
  4. Kamervoorzitter Geert Debersaques heeft verslag uitgebracht. Advocaat Sarah Elslander, die loco advocaat Bernard Derveaux verschijnt voor de verwerende partij, is gehoord. Eerste auditeur Frederic Eggermont heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  5. III. Feiten 3.
  6. Verzoeker dient een aanvraag in tot erkenning als verzamelaar van laders. Het voorgestelde thema van de verzameling is: “Vast of los gemonteerde doos of trommelvormige houders, magazijnen, laders en laadstrips uitgevoerd in metaal of kunststof bedoeld voor gebruik met XIV-37.987-2/23 vuurwapens, samengeperst gas of vloeistofwapens, lineaire elektromagnetische wapens, knal- en gas wapens, niet schietende replicas en/of blancs schietende wapens, modelwapens en bouwpakketten, filmwapens, schiethamers, schroefschiethamers, gashamers schroefgashamers, elektrische en pneumatische hamers ontwikkeld, gebrevetteerd, gemaakt of gebruikt in Europa in de periode van 1880-2015.” 3.
  7. Op 5 november 2018 weigert de gouverneur van de provincie Antwerpen de gevraagde erkenning. 3.
  8. Verzoeker dient administratief beroep in tegen deze weigeringsbeslissing. Op 30 januari 2019 vraagt de gemachtigde van de minister van Justitie aan verzoeker “om aan de Federale Wapendienst een thema te willen bezorgen dat de uitbreiding van de verzameling rechtvaardigt en tevens beperkt en doet blijken van een rode draad doorheen de te verzamelen laders. Het thema kan bijvoorbeeld een beperking inhouden in de tijd, op geografisch of op technisch vlak.” Verzoeker antwoordt bij brief van 11 februari 2019 onder meer het volgende: “Aangezien het nieuwe thema, dat ik op vraag van de provinciale wapendienst, opgegeven had, blijkbaar te vaag en te breedvoerig beschreven is, wens ik, bij deze, terug te vallen op het oorspronkelijke thema; ‘Het verzamelen van laders die door de wet van 7 januari 2018 vergunningsplichtig zijn geworden’.” Voorts stelt hij inzonderheid dat naar zijn mening het opgegeven thema helemaal voldoet aan de reglementaire vereisten. 3.
  9. Met een beslissing van 12 februari 2019 weigert de gemachtigde van de minister van Justitie “ter vrijwaring van de openbare orde en veiligheid” verzoekers aanvraag tot het verkrijgen van een erkenning van een verzameling van laders met als thema “laders die door de wet van 7 januari 2018 vergunningsplichtig zijn geworden.” XIV-37.987-3/23 Dit is de bestreden beslissing. IV. Toepassing kortedebattenprocedure – onderzoek van de middelen A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel
  10. Verzoeker voert in het verzoekschrift in een eerste middel de schending aan van artikel 6, § 1 van de Wapenwet en van artikel 1, § 1, derde lid van het koninklijk besluit van 29 december 2006 ‘tot uitvoering van sommige bepalingen van de wet van 8 juni 2006 houdende regeling van economische en individuele activiteiten met wapens’ (hierna: het koninklijk besluit van 29 december 2006). Verzoeker stelt vast dat uit de bestreden beslissing blijkt dat zijn aanvraag mede werd geweigerd omdat hij weigerde een meer beperkt thema op te geven. Volgens hem voldoet het door hem opgegeven thema aan het bepaalde van artikel 1, § 1, derde lid, van het koninklijk besluit van 29 december 2006: de uitbreiding van de laderverzameling wordt gerechtvaardigd door alle vergunningsplichtig geworden laders erin op te nemen en ze wordt beperkt omdat de verzameling laders uitsluit die als verboden worden beschouwd. Verzoeker doet gelden dat het standpunt in de bestreden beslissing dat het door hem opgegeven thema “zo ruim is dat het nagenoeg alle laders omvat” en dat de door verzoeker als enige voorgestelde beperking, “slechts de wettelijk voorziene [is]”, niet juist is. Artikel 27, § 3 van de Wapenwet laat de erkende verzamelaar immers toe om ook laders met abnormaal hoge capaciteit, die ingedeeld zijn onder de categorie van de verboden wapens, voorhanden te houden. De gevraagde erkenning zou enkel het bezit van vergunningsplichtige laders toestaan en het dus onmogelijk maken dat de verzameling die verboden laders bevat. Verzoeker stelt dat dit een belangrijke beperking is aan de verzameling die zeker ook verantwoord is in het licht van de openbare veiligheid. XIV-37.987-4/23 Aangezien, naar verzoeker stelt, hij voldaan heeft aan de voorwaarde om een thema op te geven dat de uitbreiding van de verzameling rechtvaardigt en tevens beperkt, komt het aan de minister van Justitie toe om aan te geven dat er te dezen een gevaar voor de openbare orde ontstaat waardoor een beperkter thema moet worden gekozen. Wat dat betreft, laat de bestreden beslissing na om concrete elementen aan te geven die zulks aantonen. De bestreden beslissing beperkt zich tot het citeren uit de parlementaire voorbereiding, maar ze bevat geen enkel element waaruit blijkt dat de laderverzameling van verzoeker, die reeds houder is van meerdere vergunningen tot het voorhanden hebben van wapens, een gevaar voor de openbare veiligheid zou kunnen inhouden. Verzoeker concludeert dat de bestreden beslissing de aangevoerde bepalingen schendt doordat ze nalaat aan te geven welke concrete elementen in het dossier van die aard zijn om de openbare veiligheid in het gedrang te brengen waardoor het opgegeven thema te ruim of onverantwoord voorkomt. De minister van Justitie eist dan ook zonder reden dat verzoeker het opgegeven thema beperkt en neemt dan ook ten onrechte een weigeringsbeslissing om redenen die verband houden met de openbare orde.
  11. In de memorie van wederantwoord benadrukt verzoeker inzake het eerste middel dat de eerste rechtsvraag die voorligt bij het onderzoek van dit middel, de vraag is of het thema dat hij in de aanvraag heeft opgegeven, voldoet aan het bepaalde van artikel 1, § 1, derde lid, van het koninklijk besluit van 29 december
  12. Hij betwist het standpunt van de verwerende partij dat een erkend laderverzamelaar enkel vergunningsplichtige laders kan verzamelen en dat de wet dus het verzamelen van verboden laders niet toelaat. Hij verwijst ter zake naar zijn verzoekschrift waar volgens hem is uitgelegd op welke manier het opgegeven thema de uitbreiding van de laderverzameling beperkt. Verzoeker benadrukt aldus dat hieruit kan worden afgeleid dat het voorwerp van de laderverzameling, zoals beperkt door het opgegeven thema, niet alle laders omvat. Er is dus al een beperking. Bovendien gaat deze beperking verder dan louter de in de Wapenwet opgenomen beperking omdat ze inhoudt dat de verzameling geen verboden laders mag omvatten, die ze wel zou mogen omvatten XIV-37.987-5/23 indien het thema niet beperkt werd tot de vergunningsplichtig geworden laders. In de mate dat de verwerende partij nog verwijst naar de bepalingen in een omzendbrief, merkt verzoeker op dat die geen normatief karakter heeft. Aangezien in het verzoekschrift is aangetoond dat bij de aanvraag een thema werd opgegeven dat de uitbreiding van de verzameling beperkt, doet verzoeker gelden dat het aan de verwerende partij toekomt om dit thema al dan niet verder te beperken om redenen van openbare veiligheid. Verzoeker stelt vast dat de bestreden beslissing en de memorie van antwoord enkel verwijzen naar de parlementaire voorbereiding van de wet van 7 januari
  13. Uit de algemene overwegingen die de wetgever inspireerden om de vergunningsplicht voor laders in te voeren kan evenwel niet worden afgeleid dat het bezit van laders in hoofde van verzoeker een gevaar voor de openbare veiligheid inhoudt. Bovendien heeft de verwerende partij zelfs de moeite niet gedaan om een onderzoek te doen in dit verband en wijst hij erop dat hij houder is van verscheidene vergunningen tot het voorhanden hebben van vergunningsplichtige vuurwapens. Het is dan ook ongeloofwaardig dat wapenbezit in zijn hoofde geen gevaar voor de openbare orde inhoudt, terwijl het bezit van laders wel dergelijk gevaar zou inhouden. De houding van de verwerende partij is dan ook inconsistent. Beoordeling
  14. Artikel 6, § 1, van de Wapenwet, zoals het van toepassing was op het ogenblik van het nemen van de bestreden beslissing, luidde: “Art. 6.§
  15. De natuurlijke personen en privaatrechtelijke rechtspersonen die een museum of een verzameling van meer dan vijf vergunningsplichtige vuurwapens of van munitie of laders wensen aan te leggen zonder voor elk bijkomend wapen een vergunning overeenkomstig artikel 11 te moeten bekomen, moeten overeenkomstig artikel 5, §§ 3 en 4, daartoe worden erkend door de gouverneur bevoegd voor de vestigingsplaats. De Koning bepaalt de inhoudelijke voorwaarden waaraan de verzameling moet voldoen en de bijzondere in acht te nemen technische voorzorgen indien de wapens ontwikkeld zijn na 1945.” De woorden “of laders” in die bepaling zijn ingevoegd bij artikel 5 van de wet van 7 januari 2018 ‘houdende regeling van economische en XIV-37.987-6/23 individuele activiteiten met wapens en van het Burgerlijk Wetboek’ (hierna: de wet van 7 januari 2018). De voornoemde wet maakt immers, door de wijziging van artikel 22 van de Wapenwet, via de toevoeging van laders van vuurwapens, “komaf [...] met de vrije verkrijgbaarheid van laders van vuurwapens” (Parl. St. Kamer 2017-18, nr. 54-2709/001, 21) en neemt, “gelet op de introductie in de Wapenwet van het begrip “laders”’, deze term onder meer op in artikel 6 van de Wapenwet (Parl. St. Kamer 2017-18, nr. 54-2709/001, 11). In de commissie voor de Justitie verklaart de minister van Justitie inzake het voornoemde artikel 5 het volgende (Parl. St. Kamer 2017- 2018, nr. 54-2709/4, 21-22): “Dit artikel strekt ertoe artikel 6, § 1, van dezelfde wet te wijzigen. De heer [G. C.] (MR) vraagt of men minstens vijf laders moet bezitten om als verzamelaar te worden beschouwd. De minister antwoordt dat het niet gaat om het aantal laders dat men in zijn bezit heeft. De bepaling is erop gericht voor een kleine minderheid van personen die te goeder trouw zijn en interesse voor wapens hebben, een wijze mogelijk te maken om in het bezit van laders te zijn. Men kan niet bepalen of nagaan of iemand verzamelaar is. De heer [S. V. H.] (Ecolo-Groen) vindt dat de betrokken ambtenaar zal moeten weten vanaf wanneer men van een verzamelaar spreekt. Dat kan toch niet aan individuele interpretatie worden overgelaten, vooral in een zo belangrijke wetgeving. De minister benadrukt dat in dit geval de rode draad doorheen de collectie van belang is, niet het aantal dat men in zijn bezit heeft. Dat is het element dat de administratie moet onderzoeken. Artikel 5 wordt eenparig aangenomen”. Het Grondwettelijk Hof heeft in zijn arrest nr. 26/2020 van 20 februari 2020 ten aanzien van de bij de voornoemde wet van 7 januari 2018 ingevoerde regeling inzake het verhandelen en voorhanden hebben van laders, het volgende overwogen: “Ten aanzien van het verhandelen en voorhanden hebben van laders Wat betreft de bestreden bepalingen B.5.
  16. Bij de wet van 7 januari 2018 wordt een einde gemaakt aan de vrije verkrijgbaarheid van laders van vuurwapens. De wetgever wil hiermee misbruiken door personen betrokken bij terroristische misdrijven voorkomen: ‘In de huidige wetgeving zijn laders met een ‘normale’ capaciteit (vastgesteld door de minister van Justitie op grond van artikel 3, § 1, 15°, tweede streepje wapenwet) vrij XIV-37.987-7/23 verkrijgbaar. Dit betekent dat ze vrij kunnen worden aangekocht, zonder enige controle van de identiteit van de koper of van het feit dat deze over de vereiste vergunning beschikt. Tijdens recente gerechtelijke onderzoeken naar feiten van terrorisme is gebleken dat malafide individuen hiervan misbruik maken. De speurders hebben vastgesteld dat terroristen hun handlangers vaak meerdere - en legale - aankopen laten doen van laders met een normale capaciteit, geschikt voor bv. Kalasjnikovs. Zo kunnen ze op korte termijn grote hoeveelheden laders vergaren, die ze plannen te gebruiken bij een aanslag. Aangezien de terroristen de vuurwapens zelf vaak illegaal halen, en de aankoop van normale laders op de legale markt gebeurt door verschillende personen en gespreid over verschillende wapenhandelaars, blijven ze onder de radar voor de opsporingsdiensten. Het voorliggende wetsontwerp wil aan dit soort misbruik remediëren door de verkoop van laders te onderwerpen aan dezelfde regels als de verkoop van munitie. Voortaan zullen laders voor vergunningsplichtige vuurwapens slechts kunnen aangeschaft worden op vertoon van een geldige wapenvergunning (daaronder begrepen een jachtverlof, sportschutterslicentie, ...), en enkel die laders die geschikt zijn voor de wapens waarvoor de vergunning is verleend (Parl. St.,Kamer, 2017-2018, DOC54-2709/001, p. 22). B.5.
  17. Krachtens artikel 2 van de wet van 7 januari 2018 is een lader ‘een uitneembare patroonhouder voor een vuurwapen die voor de toevoer van patronen zorgt’. De wetgever heeft ervoor gekozen om die laders te onderwerpen aan dezelfde regeling als munitie. Artikel 22, § 1, van de Wapenwet, zoals gewijzigd bij artikel 18 van de wet van 7 januari 2018, bepaalt: Het is verboden aan particulieren munitie of laders voor vergunningsplichtige vuurwapens te verkopen of over te dragen, tenzij voor het wapen waarvoor de vergunning bepaald in artikel 11 is verleend en op vertoon van het stuk, of voor het wapen dat een persoon bedoeld in artikel 12 mag voorhanden hebben en op vertoon van het stuk dat die hoedanigheid bewijst. Het is verboden munitie voor vergunningsplichtige vuurwapens te verkopen of over te dragen aan personen in het bezit van een vergunning die niet geldig is voor de aankoop van munitie. Particulieren die niet voldoen aan de artikelen 11 of 12 mogen geen munitie voor vergunningsplichtige vuurwapens voorhanden hebben. De bepalingen van de vorige leden zijn ook van toepassing op de patroonhulzen en de projectielen, tenzij zij onbruikbaar gemaakt zijn. Particulieren die voldoen aan artikel 11, mogen enkel laders voorhanden hebben die horen bij het vuurwapen waarvoor de vergunning bepaald in dat artikel is verleend. Particulieren die voldoen aan artikel 12, mogen enkel laders voorhanden hebben die horen bij de vergunningsplichtige vuurwapens van het type dat ze voorhanden mogen hebben. Zij mogen deze laders bovendien verder voorhanden hebben gedurende de termijn bedoeld in artikel 13, tweede lid, 1° of 2°, naargelang het geval. Particulieren die niet voldoen aan de artikelen 11 of 12, en die zich niet bevinden in de situatie bedoeld in artikel 13, tweede lid, mogen geen laders voor vergunningsplichtige vuurwapens voorhanden hebben’. Daarnaast wijzigt de wet van 7 januari 2018 een aantal bepalingen van de Wapenwet, zodat die niet enkel naar munitie, maar ook naar laders verwijzen. B.5.
  18. Die wijzigingen hebben tot gevolg dat het bezit en de aankoop van laders afhankelijk worden van het legaal voorhanden hebben van een vuurwapen waarvoor de betrokken laders geschikt zijn. Het bezit of de aankoop van laders voor vergunningsplichtige vuurwapens door personen die niet in het bezit zijn van XIV-37.987-8/23 een dergelijke vergunning, is enkel mogelijk in het kader van een erkenning als verzamelaar in de zin van artikel 6, § 1, van de Wapenwet, dat, na wijziging bij artikel 5 van de wet van 7 januari 2018, bepaalt: ‘De natuurlijke personen en privaatrechtelijke rechtspersonen die een museum of een verzameling van meer dan vijf vergunningsplichtige vuurwapens of van munitie of laders wensen aan te leggen zonder voor elk bijkomend wapen een vergunning overeenkomstig artikel 11 te moeten bekomen, moeten overeenkomstig artikel 5, §§ 3 en 4, daartoe worden erkend door de gouverneur bevoegd voor de vestigingsplaats. De Koning bepaalt de inhoudelijke voorwaarden waaraan de verzameling moet voldoen en de bijzondere in acht te nemen technische voorzorgen indien de wapens ontwikkeld zijn na 1945’.” Het voorhanden hebben en de aankoop van laders zijn derhalve afhankelijk geworden van het legaal voorhanden hebben van een vuurwapen waarvoor de betrokken laders geschikt zijn. Het voorhanden hebben of de aankoop van laders voor vergunningsplichtige vuurwapens door personen die niet in het bezit zijn van een dergelijke vergunning, is enkel mogelijk in het kader van een erkenning als verzamelaar in de zin van artikel 6, § 1, van de Wapenwet. De natuurlijke of privaatrechtelijke rechtspersoon die aldus een verzameling wil uitbouwen van laders voor vergunningsplichtige vuurwapens waarvoor hij niet in het bezit is van een vergunning tot het voorhanden hebben ervan, moet derhalve voor die activiteit een erkenning aanvragen bij de gouverneur bevoegd voor zijn vestigingsplaats. De Koning bepaalt de inhoudelijke voorwaarden waaraan de verzameling moet voldoen waarvoor een vergunning wordt aangevraagd. Zulks is gebeurd in artikel 1, § 1, van het koninklijk besluit van 29 december
  19. Deze bepaling luidt: Artikel
  20. §
  21. De aanvrager van een erkenning bedoeld in artikel 6, § 1, van de Wapenwet moet op het moment van de indiening van de aanvraag : 1° bewijzen reeds vijf behoorlijk vergunde vuurwapens voorhanden te hebben; 2° een thema opgeven dat de uitbreiding van het museum of de verzameling rechtvaardigt en tevens beperkt. Als dit thema wapens vervaardigd na 1945 behelst, is het niet toegelaten meerdere exemplaren van wapens met een zelfde model, kaliber en benaming te verwerven. De gouverneur kan het totale aantal toegelaten wapens beperken in functie van de omstandigheden waarin de wapens zullen worden opgeslagen. Munitie voor die wapens mag slechts worden verzameld a rato van tien patronen per type wapen, tenzij de betrokkene ook is erkend voor het verzamelen van munitie. XIV-37.987-9/23 Ongeacht het gekozen thema kan de gouverneur dit in het belang van de openbare veiligheid beperken als het te ruim of onverantwoord voorkomt. Bovendien moet de aanvrager na de erkenning de 10 wapens bedoeld in het eerste lid inschrijven in een register overeenkomstig artikel 23 van het koninklijk besluit van 20 september 1991 tot uitvoering van de wet van 3 januari 1933 op de vervaardiging van, de handel in en het dragen van wapens en op de handel in munitie, en de vergunningen tot het voorhanden hebben ervan aan de gouverneur terugsturen. Het is bovendien verboden met de verzamelde wapens te schieten, behalve voor hun noodzakelijke onderhoud en testen.” Uit deze bepaling volgt dat het opgeven van een thema voor de verzameling een essentiële erkenningsvoorwaarde is, waaraan moet zijn voldaan op het moment van de indiening van de aanvraag tot erkenning. Het thema moet beantwoorden aan twee vereisten: enerzijds “de uitbreiding van […] de verzameling rechtvaardigen” en anderzijds “tevens beperken”. Het verzamelthema dient dus zodanig te zijn geformuleerd dat het als objectief richtsnoer - door de minister tijdens de genese van de wijziging van artikel 6, § 1 van de Wapenwet door de wet van 7 januari 2018 de “rode draad” geheten (supra, punt 6) -, kan worden gebruikt om te beoordelen welke laders op basis van de laderverzameling voorhanden mogen worden gehouden, maar ook welke laders niet onder de erkenning vallen. Het thema moet derhalve voldoende zijn afgelijnd, hetgeen tot de appreciatiebevoegdheid van, te dezen, de beroepsinstantie behoort. De regelgever bepaalt geen voorwaarden of criteria wat de vereiste nauwkeurigheid betreft van het beperkend aspect waaraan het opgegeven thema moet voldoen. Het komt aan, te dezen, de beroepsinstantie toe om, binnen haar discretionaire bevoegdheid, te bepalen of het door de aanvrager in de aanvraag opgegeven thema beantwoordt aan de voornoemde in artikel 6, § 1, van het koninklijk besluit van 29 december 2006 gestelde eis tot “rechtvaardiging van de uitbreiding” en tot “beperking”. Het komt aan de Raad van State binnen het raam van zijn wettigheidstoezicht niet toe om hiervan zelf een beoordeling te maken. De Raad van State is enkel bevoegd om desgevraagd na te gaan of de beroepsinstantie is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct XIV-37.987-10/23 heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan binnen de perken van de redelijkheid tot haar besluit is gekomen.
  22. Luidens artikel 5, § 3, tweede lid, van de Wapenwet waarnaar artikel 6, § 1, van de Wapenwet verwijst, kan de erkenning alleen worden geweigerd om redenen die verband houden met de handhaving van de openbare orde en moet elke beslissing tot weigering met redenen zijn omkleed. De beroepsinstantie oefent bij de beoordeling van de vraag of de in artikel 5, § 3, tweede lid, van de Wapenwet bedoelde redenen die verband houden met de handhaving van de openbare orde voorhanden zijn en van die aard zijn dat de erkenning moet worden geweigerd, een discretionaire bevoegdheid uit. Op het aanwenden van deze bevoegdheid oefent de Raad van State het hiervoor in punt 6 bepaalde wettigheidtoezicht uit. Op grond van artikel 1, § 1, derde lid, van het koninklijk besluit van 29 december 2006 kan de gouverneur in eerste administratieve aanleg en de beroepsinstantie in tweede aanleg (zie infra, punt 12), “ongeacht het gekozen thema” dit thema in het belang van de openbare veiligheid beperken als het te ruim of onverantwoord voorkomt. Deze mogelijkheid tot beperking van het thema laat de voormelde in artikel 5, § 3, van de Wapenwet voorziene mogelijkheid tot weigering van de aanvraag onverlet.
  23. Aldus sluit de Raad van State zich met deze interpretatie aan bij die welke hij in zijn eerder arrest nr. 250.698 van 27 mei 2021 had aangenomen.
  24. Het past om eerst de omvang van het door verzoeker voorgestelde thema te onderzoeken. In de bestreden beslissing is het voorgestelde thema als volgt beoordeeld: “[…]. XIV-37.987-11/23 De gouverneur heeft uw erkenningsaanvraag onderzocht en geoordeeld dat het door u opgegeven thema veel te ruim is. Ook de Federale Wapendienst heeft de erkenningsaanvraag onderzocht en heeft u de mogelijkheid gegeven om enige afbakening van het thema voor te stellen. U houdt echter vast aan het thema ‘laders die door de wet van 7/1/2018 vergunningsplichtig zijn geworden’. Dit thema is zo ruim dat het nagenoeg alle laders omvat. Alhoewel de gouverneur (en dus tevens de Federale Wapendienst) het thema in het belang van de openbare veiligheid kan beperken als het te ruim of onverantwoord voorkomt, is deze faciliteit in casu niet toepasbaar omdat het aangevraagde thema in geen enkele beperking voorziet die aangescherpt en verder afgebakend zou kunnen worden zodat het wel binnen de grenzen van het toelaatbare zou vallen. […].” Uit de bestreden beslissing blijkt dat de beroepsinstantie zich op het standpunt stelt dat het door verzoeker voorgestelde door hemzelf heromschreven thema “zo ruim is dat het nagenoeg alle laders omvat.” Verzoeker van zijn kant plaatst zich op het standpunt dat zijn thema beperkend is omdat het de laders uitsluit die als verboden worden beschouwd. Hij verwijst ter zake naar artikel 27, § 3, van de Wapenwet dat volgens hem toelaat dat erkende verzamelaars ook laders met abnormaal hoge capaciteit, die op basis van artikel 3, § 1, 15°, van de Wapenwet ingedeeld zijn onder de categorie van de verboden wapens, voorhanden houden. De gevraagde erkenning zou enkel het bezit van vergunningsplichtige laders toestaan en het dus onmogelijk maken dat de verzameling de verboden laders met abnormaal hoge capaciteit bevat. Aldus houdt het volgens verzoeker voorgestelde thema een belangrijke beperking in die vanuit het oogpunt van de openbare orde belangrijk is.
  25. Artikel 3, § 1, 15°, van de Wapenwet, in de versie zoals van toepassing op het ogenblik van het nemen van de bestreden beslissing, bepaalt dat als verboden wapens worden beschouwd: “15° vuurwapens uitgerust met de volgende onderdelen en hulpstukken, evenals de volgende onderdelen en hulpstukken afzonderlijk : - geluiddempers; - laders met een grotere capaciteit dan de normale capaciteit zoals bepaald door de minister van Justitie voor een bepaald model vuurwapen; - richtapparatuur voor vuurwapens, die een straal projecteert op het doel en nachtkijkers; XIV-37.987-12/23 - mechanismen die toelaten een vuurwapen om te vormen tot een automatisch vuurwapen;” Artikel 27, §§ 3 en 4, van de Wapenwet in de versie zoals van toepassing op het ogenblik van het nemen van de bestreden beslissing, bepalen: “§
  26. De wapens en hulpstukken bedoeld in artikel 3, § 1, 3° en 15°, mogen worden vervaardigd, hersteld, verkocht, ingevoerd, opgeslagen en vervoerd door erkende wapenfabrikanten die licentiehouder zijn van de betrokken wapens, met uitsluiting van de tussenpersonen. Erkende verzamelaars en musea mogen ze aankopen, invoeren en voorhanden hebben op voorwaarde dat ze definitief geneutraliseerd zijn. Automatische vuurwapens mogen evenwel in originele staat worden aangekocht, ingevoerd en voorhanden gehouden door erkende verzamelaars en musea, die er de slagpin moeten uit verwijderen en ze bewaren op de wijze bepaald door de Koning. §
  27. De in artikel 3, § 1, 5°, 6°, 7°, 12°, 13° en 14°, bedoelde wapens, mogen door erkende verzamelaars worden voorhanden gehouden, verworven en ingevoerd, op voorwaarde dat ze overeenkomstig de reglementaire bepalingen ter zake worden bewaard zoals vuurwapens. Een erkenning als verzamelaar van uitsluitend deze wapens kan worden verkregen overeenkomstig artikel 6, § 1, opdat ze worden gelijkgesteld met vuurwapens.” Uit het samenlezen van deze bepalingen blijkt dat, op het ogenblik van het nemen van de bestreden beslissing - en dus vóór de wijziging ervan door de wet van 5 mei 2019 ‘houdende diverse bepalingen in strafzaken en inzake erediensten, en tot wijziging van de wet van 28 mei 2002 betreffende de euthanasie en van het Sociaal Strafwetboek’ - laders met een grotere capaciteit dan de normale capaciteit, zoals bepaald door de minister van Justitie voor een bepaald model vuurwapen, als hulpstukken, afzonderlijk, zijn ingedeeld in de categorie van de verboden wapens. Erkende verzamelaars en musea mogen die laders verwerven en voorhanden hebben op voorwaarde dat ze definitief geneutraliseerd zijn. Zijn deze niet geneutraliseerd dan mogen die verboden laders derhalve niet worden gehouden, noch kan op grond van artikel 27, § 4, van de Wapenwet een (specifieke) erkenning als verzamelaar ervan worden verleend nu deze bepaling niet verwijst naar de verboden wapens en hulpstukken omschreven in artikel 3, § 1, 15°, van de Wapenwet. Voorts moet worden gewezen op artikel 3, § 2, 3°/1, van de Wapenwet dat als vrij verkrijgbaar worden beschouwd, “de laders die, overeenkomstig de nadere regels vastgesteld door de Koning, definitief onbruikbaar zijn gemaakt.” Deze definitief onbruikbaar XIV-37.987-13/23 gemaakte laders zijn derhalve geen verboden laders (meer) in de zin van artikel 3, § 1, 15°, van de Wapenwet en volgen het statuut van de vrij verkrijgbare wapens.
  28. Uit wat voorafgaat volgt dat de wetgever niet toelaat de verboden laders bedoeld in artikel 3, § 1, 15°, van de Wapenwet voorhanden te hebben. Aldus sluit de Raad van State zich met deze interpretatie aan bij die welke hij in zijn eerder arrest nr. 250.698 van 27 mei 2021 had aangenomen. Het door verzoeker voorgestelde thema valt aldus samen met wat de Wapenwet toelaat te verzamelen: enerzijds de vergunningsplichtige laders en anderzijds laders die definitief zijn geneutraliseerd. In het licht van wat voorafgaat maakt verzoeker aldus niet aannemelijk dat de verwerende partij, door te oordelen dat het door verzoeker voorgestelde thema “zo ruim is dat het nagenoeg alle laders omvat”, de grenzen van een redelijke uitoefening van haar beoordelingsvrijheid inzake het beperkt karakter van het voorgestelde thema te buiten is gegaan. Verzoeker doet weliswaar blijken van een eigen feitelijke beoordeling daarvan, maar daarmee maakt hij niet aannemelijk dat de bestreden beslissing niet kan worden ingepast binnen de beoordelingsruimte ter zake van de beroepsinstantie. Zijn kritiek kan derhalve niet tot het gegrond bevinden van het middel leiden. Hieruit volgt dat de beroepsinstantie niet “zonder reden” eiste dat verzoeker het opgegeven thema beperkt. Het middel is derhalve in die mate ongegrond.
  29. De vaststelling dat de beroepsinstantie geen toepassing maakt van artikel 1, § 1, derde lid, van het koninklijk besluit van 29 december 2006 om een (door haar te ruim bevonden) gekozen thema te beperken in het belang van de openbare veiligheid, maar daarentegen (direct) beslist om met toepassing van artikel 6, § 1, van de Wapenwet de aanvraag te weigeren omdat zij meent dat daartoe redenen zijn die verband houden met de handhaving van de openbare XIV-37.987-14/23 orde, maakt op zich de bestreden beslissing niet onwettig. Er bestaat in rechte immers geen cascade of volgorde onder de mogelijk te nemen beslissingen indien, zoals te dezen, wettig blijkt dat een voorgesteld thema “zo ruim is dat het nagenoeg alle laders omvat.” In de mate dat verzoeker in het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting faalt die in rechte. Aangezien verzoeker (uitdrukkelijk) heeft geweigerd, op verzoek van de beroepsinstantie, het voorgestelde thema te beperken (zie supra, punt 3.3.) - en bijgevolg onmiskenbaar geen (desgevallende) toepassing vroeg van de modaliteit bepaald in artikel 1, § 1, derde lid, van het koninklijk besluit van 29 december 2006 - en de beroepsinstantie besliste om op grond van artikel 5, § 3, van de Wapenwet de aanvraag te weigeren, volgt dat de beroepsinstantie niet moet aangeven waarom zij geen toepassing maakte van de in artikel 1, § 1, derde lid, van het koninklijk besluit van 29 december 2006 bepaalde mogelijkheid. Hieruit volgt dat verzoekers kritiek in fine van het middel dat de bestreden beslissing die bepaling (en artikel 6, § 1, van de Wapenwet) zou schenden doordat de bestreden beslissing nalaat aan te geven welke concrete elementen in het dossier van die aard zijn om de openbare veiligheid in het gedrang te brengen waardoor het opgegeven thema te ruim of onverantwoord voorkomt, zich in werkelijkheid richt tegen het feit dat de beroepsinstantie om de reden uiteengezet in de bestreden beslissing, meent dat de in het voornoemde artikel 1, § 1, derde lid, van het koninklijk besluit van 29 december 2006 bepaalde mogelijkheid niet toepasbaar is. Aldus richt hij zijn kritiek tegen een overtollig motief en is die dus niet ontvankelijk. In de mate dat verzoeker tot slot stelt dat “de bestreden beslissing [na]laat […] om concrete elementen aan te geven die aantonen dat het gekozen thema in hoofde van aanvrager of zijn verzameling een gevaar voor de openbare veiligheid kan betekenen”, valt die kritiek samen met het tweede middel. XIV-37.987-15/23
  30. Het eerste middel is in de mate dat het ontvankelijk is, ongegrond. XIV-37.987-16/23 B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel
  31. In een tweede middel voert verzoeker in het verzoekschrift de schending aan van de artikelen 5, § 3, tweede lid, en 6, § 1, van de Wapenwet. Hij voert aan dat de procedure voor de erkenning als wapenverzamelaar dezelfde is als voor een aanvraag van een wapenvergunning: artikel 6, § 1, van de Wapenwet verwijst daarom naar de paragrafen 3 en 4 van artikel 5 van de Wapenwet en de artikelen 2 tot en met 8 van het koninklijk besluit van 20 september 1991 ‘tot uitvoering van de Wapenwet’ die eveneens van toepassing zijn. Luidens artikel 5, § 3, van de Wapenwet kan de erkenning alleen worden geweigerd om redenen die verband houden met de handhaving van de openbare orde. Dit is de enige grond om een aanvraag tot erkenning als verzamelaar te weigeren die voldoet aan alle vereisten van artikel 6, § 1, van de Wapenwet. Verzoeker doet gelden dat de bestreden weigering niet is gesteund op redenen van openbare orde: dergelijke redenen komen in de bestreden beslissing niet voor. Die bevat geen enkel concreet feit in hoofde van verzoeker waaruit blijkt dat de aangevraagde laderverzameling een gevaar voor de openbare orde kan inhouden. De bestreden beslissing beperkt er zich toe enkele passages uit de parlementaire voorbereiding te citeren waarin wordt verwezen naar het algemeen veiligheidsrisico veroorzaakt door de vrije verkrijgbaarheid van laders. Deze argumentatie werd door de regering gebruikt om haar politieke keuze voor de invoering van een vergunningsplicht voor laders te onderbouwen. Ze is echter niet dienstig om aan te tonen dat de laderverzameling te dezen een gevaar voor de openbare orde kan inhouden. Bovendien is de situatie van de aanvrager die een legaal wapenbezitter is, conform alle wettelijke bepalingen, niet vergelijkbaar met de situatie van personen met de intentie om terroristische aanslagen te plegen. De uitspraken van de federale procureur in de parlementaire voorbereiding kunnen dan ook onmogelijk worden beschouwd als een opgave van redenen die in het concrete geval aantonen dat de aangevraagde erkenning voor een laderverzameling een gevaar voor de openbare orde inhoudt. Vermits de XIV-37.987-17/23 erkenning enkel kan worden geweigerd om redenen van openbare orde en dergelijke redenen te dezen niet zijn aangetoond, schendt de bestreden beslissing artikel 5, § 3, tweede lid, van de Wapenwet.
  32. Verzoeker benadrukt in de memorie van wederantwoord dat het door hem voorgestelde thema wel degelijk voldoet aan de reglementaire bepalingen. Hij benadrukt voorts dat, in de mate dat het verwijzen naar de inzichten van de wetgever voldoende zou zijn om te besluiten tot een risico voor de openbare orde, dit niet alleen ingaat tegen eerdere rechtspraak, maar dat dit bovendien een redenering is die leidt tot een verbod op wapenbezit. De volledige Wapenwet is immers een wet die de economische en individuele activiteiten met vuurwapens regelt met het oog op het vrijwaren van de openbare orde en veiligheid. Als, zoals de verwerende partij voorhoudt, deze redenering wordt doorgetrokken, dan zou elke overheid een wapenvergunning, erkenning voor verzamelen of handel, kunnen weigeren door te verwijzen naar het inzicht van de wetgever dat wapens gevaarlijk zijn en om die reden soms verboden worden of aan een vergunning onderworpen zijn. De rechtszekerheid verdwijnt op die manier helemaal en de wapenwetgeving kan dan volledig willekeurig worden toegepast volgens de persoonlijke zienswijze van elke uitreikende overheid. Beoordeling
  33. Uit het dictum van de bestreden beslissing blijkt dat de gevraagde erkenning werd geweigerd “ter vrijwaring van de openbare orde en veiligheid”. Zij maakt derhalve toepassing van de mogelijkheid voorzien in artikel 5, § 3, van de Wapenwet. De draagwijdte van artikel 5, § 3, in samenlezing met artikel 6, § 1, van de Wapenwet is hiervoor weergegeven (supra, punt 6). Er wordt naar verwezen. XIV-37.987-18/23
  34. Anders dan hoe verzoeker het in het verzoekschrift ziet, vereist artikel 5, § 3, van de Wapenwet niet dat de concrete feiten waaruit blijkt dat de aangevraagde laderverzameling een gevaar voor de openbare orde kan inhouden dienen te bestaan in hoofde van verzoeker. Niets belet immers dat een reden die verband houdt met de handhaving van de openbare orde, ongeacht de moraliteit die de aanvrager kenmerkt, is gelegen in de aard en de omvang van het voorgestelde thema. In de mate dat verzoeker uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt die naar recht. De kritiek die verzoeker ter zake uit en zijn referenties naar rechtspraak ter zake, zijn derhalve in rechte niet ter zake. Uit de beoordeling van het eerste middel blijkt dat de verwerende partij binnen haar appreciatiebevoegdheid bleef door te oordelen dat het voorgestelde thema zo ruim is dat het nagenoeg alle laders omvat en neerkomt “op het erkennen van een ongebreideld wapenbezit.” Het door verzoeker voorgestelde thema of de “rode draad” in de verzameling valt aldus samen met wat de Wapenwet toelaat te verzamelen. Ten aanzien van een verzameling met een dergelijk ruim thema dat in wezen geen enkele beperking inhoudt die een “ongebreideld laderbezit” zou beletten, oordeelt de beroepsinstantie, in het licht van de door haar uiteengezette en niet-betwiste doelstelling van de wetgever met het instellen van het verbod op het vrij voorhanden hebben van en verkoop van de laders, dat het “ongebreideld laderbezit een gevaar stelt voor de openbare veiligheid en omdat aldus het toekennen van verzamelerkenningen voor een onvoldoend afgebakend geheel van laders neerkomt op het erkennen van ongebreideld wapenbezit.” Aldus geeft de beroepsinstantie op voldoende concrete wijze de reden aan die verband houdt met de handhaving van de openbare orde op grond waarvan zij de erkenning weigert. De omstandigheid dat zij daartoe refereert aan en steunt op de inzichten ter zake van de wetgever met betrekking tot de noodzaak tot bescherming van het algemeen belang en de bestrijding van criminaliteit, doet hieraan geen afbreuk. Evenmin blijkt eruit dat het louter verwijzen naar de inzichten van de wetgever en de ratio legis van de Wapenwet op zich de reden in de voorliggende zaak is waarom de beroepsinstantie de aanvraag weigert, maar wel het verband tussen het XIV-37.987-19/23 “ongebreideld” ruim thema van de verzameling en het gevaar dat dit ongebreideld bezit, in het licht van de bedoeling van de regelgeving, kan opleveren voor de openbare orde. Aldus blijkt niet dat de gevolgde redenering leidt tot een algemeen verbod op bezit. Uit wat voorafgaat volgt dat verzoeker niet aannemelijk maakt dat de weigering van de aangevraagde erkenning niet steunt op redenen van openbare orde.
  35. Het tweede middel is ongegrond in de mate dat het ontvankelijk is. C. Derde middel Uiteenzetting van het middel
  36. In een derde middel voert verzoeker in het verzoekschrift de schending aan van artikel 5, § 3, eerste lid van de Wapenwet, luidens hetwelk de gouverneur uitspraak doet over de aanvraag om erkenning “na ontvangst van het met redenen omkleed advies van de procureur des Koning en van de burgemeester bevoegd voor de vestigingsplaats en voor de woonplaats van de aanvrager”. Hij doet gelden dat omwille van de devolutieve werking, deze bepaling ook geldt indien de erkenning wordt verleend door de beroepsinstantie en dat uit de bestreden beslissing niet blijkt dat de verplichte adviezen van de procureur des Konings en van de burgemeester werden gevraagd.
  37. Refererend aan rechtspraak van de Raad van State inzake het devolutief karakter van het in artikel 30 van de Wapenwet bedoeld devolutief beroep, stelt verzoeker in de memorie van wederantwoord dat de beroepsinstantie is gebonden door dezelfde verplichtingen als die welke rusten op de overheid die aanvankelijk de aanvraag onderzocht. Voorts is het niet opvragen van die adviezen een inbreuk op de Wapenwet en strafbaar en is het niet opvragen van de XIV-37.987-20/23 door de wet verplichte adviezen een schending van een substantiële vormvereiste die aan de overheid wordt opgelegd. Beoordeling
  38. Artikel 30, eerste lid, van de Wapenwet luidt: “Beroep staat open bij de minister van Justitie of bij zijn gemachtigde in geval van het ontbreken van een beslissing van de gouverneur binnen de in artikel 31 bedoelde termijnen, of tegen de beslissingen van de gouverneur tot weigering, beperking, schorsing of intrekking van een erkenning, een vergunning of een recht, behalve tegen beslissingen inzake onontvankelijke aanvragen.” Dit voorschrift bepaalt een georganiseerd administratief beroep bij de minister van Justitie of bij zijn gemachtigde tegen het in de voormelde bepaling opgesomde stilzitten of opgesomde beslissingen van de gouverneur (Cf. GwH 19 december 2007, nr. 154/2007, punt B.60.1). Door de devolutieve werking van het georganiseerd beroep verwerft de beroepsinstantie op grond van deze bepaling de beslissingsmacht over de zaak zelf, op dezelfde wijze als de gouverneur.
  39. De Wapenwet bevat geen normatieve verplichting om in administratief beroep adviezen in te winnen. Anders dan hoe verzoeker het stelt, volgt zulks ook niet uit het principe van het devolutief karakter van het administratief beroep. De door verzoeker geschonden geachte, in artikel 5, § 1, eerste lid, van de Wapenwet verplichte gestelde consultatieplicht, situeert zich aldus enkel in de eerste administratieve aanleg van de procedure, zodat verzoekers kritiek betrekking heeft op de onregelmatigheid van een enkel in eerste aanleg verplicht gestelde substantiële pleegvorm. Gelet op de zo-even aangehaalde devolutieve werking van het administratief beroep, kunnen evenwel onregelmatigheden waarmee de procedure in eerste aanleg zou zijn behept, in principe niet tot nietigheid van de bestreden beroepsbeslissing leiden, aangezien XIV-37.987-21/23 eventuele onregelmatigheden in de procedure in eerste aanleg kunnen worden gedekt door de beslissing in beroep. Verzoeker voert niet aan dat dit te dezen niet het geval is.
  40. Het middel kan niet tot nietigverklaring leiden. D. Conclusie
  41. Het beroep is ongegrond. Het auditoraat heeft, zich steunend op de gelijkaardige middelen uiteengezet in arrest nr. 250.698 van 27 mei 2021, terecht gemeend dat de zaak met korte debatten een oplossing kan krijgen. BESLISSING
  42. De Raad van State verwerpt het beroep.
  43. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 20 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. XIV-37.987-22/23 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van zestien juni tweeduizend tweeëntwintig, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Geert Debersaques, kamervoorzitter bijgestaan door Johan Pas, griffier. De griffier De voorzitter Johan Pas Geert Debersaques XIV-37.987-23/23 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.254.029 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.