← België

Arrest 254030 - Wapens - 16/06/2022

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 16 juni 2022 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.254.030 Rolnummer: A. 230003/XIV-38247 Zaak: Arrest 254030 - Wapens - 16/06/2022 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2022-06-29 Raadplegingen: 70 - laatst gezien 2026-06-10 07:05 Fiche Arrest nr 254.030 van 16 juni 2022 Instellingen, Binnenlandse zaken en lokale besturen - Wapens Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER nr. 254.030 van 16 juni 2022 in de zaak A. 230.003/XIV-38.247 In zake: Robin HIDDING bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Nico Demeyere kantoor houdend te 8531 Bavikhove Ter Coutere 7 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Justitie bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Michel Van Dievoet kantoor houdend te 1000 Brussel Wolstraat 56 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het beroep, ingesteld op 18 januari 2020, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van de gemachtigde van de minister van Justitie van 13 november 2019 inzake het beroep van verzoeker tegen de beslissing van de gouverneur van de provincie Vlaams-Brabant van 20 november
  2. II. Verloop van de rechtspleging
  3. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. XIV-38.247-1/23 Eerste auditeur Frederic Eggermont heeft een verslag opgesteld overeenkomstig artikel 93, eerste lid, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’. Overeenkomstig artikel 26, § 2, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State’, heeft de voorzitter van de XIVe kamer bij beschikking van 19 oktober 2021 aan de partijen voorgesteld dat de zaak niet op een openbare terechtzitting wordt behandeld, tenzij één van de partijen hierom verzoekt. Geen van de partijen heeft om een terechtzitting gevraagd. Overeenkomstig bovenvermelde beschikking, werd het debat gesloten en werd de zaak in beraad genomen op 15 december 2021 . Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  4. III. Feiten 3.
  5. Verzoeker dient een aanvraag in tot erkenning als verzamelaar van laders. Het voorgestelde thema van de verzameling is: “Deze aanvraag heeft uitsluitend betrekking op het verzamelen van laders die door de wet van 7 januari 2018 vergunningsplichtig zijn geworden”. Later wordt het thema als volgt bijgesteld: “Historische verzameling van laders voor vergunningsplichtige wapens, gefabriceerd tussen 1900 en heden in Azië, Noord- en Zuid-Amerika, Zuid-Afrika en Europa.” XIV-38.247-2/23 3.
  6. Op 20 november 2018 weigert de gouverneur van de provincie Vlaams-Brabant de gevraagde erkenning. 3.
  7. Verzoeker dient administratief beroep in tegen deze weigeringsbeslissing. Op 11 februari 2019 vraagt de gemachtigde van de minister van Justitie aan verzoeker “om aan de Federale Wapendienst een thema te willen bezorgen dat de uitbreiding van de verzameling rechtvaardigt en tevens beperkt en doet blijken van een rode draad doorheen de te verzamelen laders. Het thema kan bijvoorbeeld een beperking inhouden in de tijd, op geografisch of op technisch vlak.” Verzoeker antwoordt bij brief van 26 februari 2019, stellende inzonderheid dat naar zijn mening het opgegeven thema helemaal voldoet aan de reglementaire vereisten. 3.
  8. Met een beslissing van 13 november 2019 weigert de gemachtigde van de minister van Justitie “ter vrijwaring van de openbare orde en veiligheid” verzoekers aanvraag tot het verkrijgen van een erkenning van een verzameling van laders met als thema “laders voor vergunningsplichtige wapens, gefabriceerd tussen 1900 en heden in Azië, Noord- en Zuid-Amerika, Zuid- Afrika en Europa.” Dit is de bestreden beslissing. XIV-38.247-3/23 IV. Toepassing kortedebattenprocedure – onderzoek van de middelen A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel
  9. Verzoeker voert in het verzoekschrift in een eerste middel de schending aan van artikel 6, § 1 van de Wapenwet en van artikel 1, § 1, derde lid van het koninklijk besluit van 29 december 2006 ‘tot uitvoering van sommige bepalingen van de wet van 8 juni 2006 houdende regeling van economische en individuele activiteiten met wapens’ (hierna: het koninklijk besluit van 29 december 2006). Verzoeker stelt vast dat uit de bestreden beslissing blijkt dat zijn aanvraag mede werd geweigerd omdat hij weigerde een meer beperkt thema op te geven. Volgens hem voldoet het door hem opgegeven thema aan het bepaalde van artikel 1, § 1, derde lid, van het koninklijk besluit van 29 december 2006: de uitbreiding van de laderverzameling wordt gerechtvaardigd door alle vergunningsplichtig geworden laders erin op te nemen alsook door een tijdsperiode op te geven tijdens hetwelk de laders geproduceerd werden en aan te geven bij welke wapens de laders dienen te horen en ze wordt beperkt omdat de verzameling laders uitsluit die als verboden worden beschouwd, alsook die welke horen bij vuurwapens gefabriceerd voor 1900 of gefabriceerd in andere gebieden dan opgenomen in het thema. Verzoeker doet gelden dat het standpunt in de bestreden beslissing dat het door hem opgegeven thema “zo ruim is dat het nagenoeg alle laders omvat” en dat de door verzoeker als enige voorgestelde beperking, “slechts de wettelijk voorziene [is]”, niet juist is. Artikel 27, § 3 van de Wapenwet laat de erkende verzamelaar immers toe om ook laders met abnormaal hoge capaciteit, die ingedeeld zijn onder de categorie van de verboden wapens, voorhanden te houden. Bovendien wordt door deze beperking ook de mogelijkheid van het verzamelen van laders die uitsluitend geschikt zijn voor wapens voor militair gebruik uitgesloten. Het thema is dus wel degelijk in die mate beperkt dat het niet alle laders omvat waarvan het verzamelen door erkende verzamelaars toegelaten is. Bovendien wordt voorbijgegaan aan het feit dat de XIV-38.247-4/23 beperking wel degelijk relevant is: ook in andere gebieden dan deze opgenomen zijn er vuurwapens geproduceerd en werden ook vuurwapens geproduceerd voor 1900 waar laders voor op de markt zijn. Aangezien, naar verzoeker stelt, hij voldaan heeft aan de voorwaarde om een thema op te geven dat de uitbreiding van de verzameling rechtvaardigt en tevens beperkt, komt het aan de minister van Justitie toe om aan te geven dat er te dezen een gevaar voor de openbare orde ontstaat waardoor een beperkter thema moet worden gekozen. Wat dat betreft, laat de bestreden beslissing na om concrete elementen aan te geven die zulks aantonen. De bestreden beslissing beperkt zich tot het citeren uit de parlementaire voorbereiding, maar ze bevat geen enkel element waaruit blijkt dat de laderverzameling van verzoeker, die reeds houder is van meerdere vergunningen tot het voorhanden hebben van wapens, een gevaar voor de openbare veiligheid zou kunnen inhouden. Verzoeker concludeert dat de bestreden beslissing de aangevoerde bepalingen schendt doordat ze nalaat aan te geven welke concrete elementen in het dossier van die aard zijn om de openbare veiligheid in het gedrang te brengen waardoor het opgegeven thema te ruim of onverantwoord voorkomt. De minister van Justitie eist dan ook zonder reden dat verzoeker het opgegeven thema beperkt en neemt dan ook ten onrechte een weigeringsbeslissing om redenen die verband houden met de openbare orde.
  10. In de memorie van wederantwoord benadrukt verzoeker inzake het eerste middel dat zijn thema een beperking kent in die zin dat het niet toelaat verboden laders te verzamelen terwijl artikel 27, § 3 van de Wapenwet dit toelaat en dat hij in zijn aanvraag diverse historische en geografische beperkingen heeft opgeheven, stellende dat “de laders gefabriceerd voor 1900 of gefabriceerd in andere continenten (zoals bv. Oceanië waar in Nieuw-Zeeland en Australië wel degelijk laderproductie is) […] niet door de verzameling [worden] gevat”, zodat er een beperking is die verder gaat dan het uitsluiten van laders die bij verboden wapens behoren.” Voorts herneemt hij zijn standpunt dat het thema voldoet aan de voorwaarden van artikel 1, § 1, van het koninklijk besluit van 29 december XIV-38.247-5/23 2006, hetgeen hij detailleert. Hij wijst erop dat noch artikel 6, § 1 van de Wapenwet, noch artikel 1 van het koninklijk besluit van 29 december 2006 voorwaarden opleggen wat de nauwkeurigheid betreft van de omschrijving of wat de vereiste van een terugkerend motief betreft. Voorts doet hij gelden dat de bestreden beslissing niet stelt dat er geen thema was zoals de verwerende partij stelt in de memorie van antwoord. En biedt de regelgeving de mogelijkheid een thema dat te ruim of onverantwoord overkomt, te beperken. Het opgeven van een te ruim of onverantwoord thema leidt dus niet tot de onontvankelijkheid van de aanvraag of tot de weigering ervan die op basis van artikel 5, § 3 van de Wapenwet enkel is voorzien indien er een risico is voor de openbare orde. Verzoeker besluit dat er te dezen sprake is van een thema en dat de verwerende partij, indien zij van mening is dat het thema te ruim of onverantwoord is, moest overgaan tot een beperking van het thema. Door de erkenning te weigeren in plaats van deze te beperken, schendt de bestreden beslissing de aangegeven wettelijke en reglementaire bepalingen. Beoordeling De draagwijdte van de geschonden geachte bepalingen
  11. Artikel 6, § 1, van de Wapenwet luidt: “Art. 6.§
  12. De natuurlijke personen en privaatrechtelijke rechtspersonen die als museum of verzamelaar een verzameling van meer dan vijf vergunningsplichtige vuurwapens of van munitie of laders wensen aan te leggen zonder voor elk bijkomend wapen een vergunning overeenkomstig artikel 11 te moeten bekomen, moeten overeenkomstig artikel 5, §§ 3 en 4, daartoe worden erkend door de gouverneur bevoegd voor de vestigingsplaats. De Koning bepaalt de inhoudelijke voorwaarden waaraan de verzameling moet voldoen en de bijzondere in acht te nemen technische voorzorgen indien de wapens ontwikkeld zijn na 1945.” De woorden “of laders” in die bepaling zijn ingevoegd bij artikel 5 van de wet van 7 januari 2018 ‘houdende regeling van economische en individuele activiteiten met wapens en van het Burgerlijk Wetboek’ (hierna: de wet van 7 januari 2018). De voornoemde wet maakt immers, door de wijziging XIV-38.247-6/23 van artikel 22 van de Wapenwet, via de toevoeging van laders van vuurwapens, “komaf [...] met de vrije verkrijgbaarheid van laders van vuurwapens” (Parl. St. Kamer 2017-18, nr. 54-2709/001, 21) en neemt, “gelet op de introductie in de Wapenwet van het begrip ‘laders’”, deze term onder meer op in artikel 6 van de Wapenwet (Parl. St. Kamer 2017-18, nr. 54-2709/001, 11). In de commissie voor de Justitie verklaart de minister van Justitie inzake het voornoemde artikel 5 het volgende (Parl. St. Kamer 2017- 2018, nr. 54-2709/4, 21-22): “Dit artikel strekt ertoe artikel 6, § 1, van dezelfde wet te wijzigen. De heer [G. C.] (MR) vraagt of men minstens vijf laders moet bezitten om als verzamelaar te worden beschouwd. De minister antwoordt dat het niet gaat om het aantal laders dat men in zijn bezit heeft. De bepaling is erop gericht voor een kleine minderheid van personen die te goeder trouw zijn en interesse voor wapens hebben, een wijze mogelijk te maken om in het bezit van laders te zijn. Men kan niet bepalen of nagaan of iemand verzamelaar is. De heer [S. V. H.] (Ecolo-Groen) vindt dat de betrokken ambtenaar zal moeten weten vanaf wanneer men van een verzamelaar spreekt. Dat kan toch niet aan individuele interpretatie worden overgelaten, vooral in een zo belangrijke wetgeving. De minister benadrukt dat in dit geval de rode draad doorheen de collectie van belang is, niet het aantal dat men in zijn bezit heeft. Dat is het element dat de administratie moet onderzoeken. Artikel 5 wordt eenparig aangenomen”. Het Grondwettelijk Hof heeft in zijn arrest nr. 26/2020 van 20 februari 2020 ten aanzien van de bij de voornoemde wet van 7 januari 2018 ingevoerde regeling inzake het verhandelen en voorhanden hebben van laders, het volgende overwogen: “Ten aanzien van het verhandelen en voorhanden hebben van laders Wat betreft de bestreden bepalingen B.5.
  13. Bij de wet van 7 januari 2018 wordt een einde gemaakt aan de vrije verkrijgbaarheid van laders van vuurwapens. De wetgever wil hiermee misbruiken door personen betrokken bij terroristische misdrijven voorkomen: ‘In de huidige wetgeving zijn laders met een ‘normale’ capaciteit (vastgesteld door de minister van Justitie op grond van artikel 3, § 1, 15°, tweede streepje wapenwet) vrij verkrijgbaar. Dit betekent dat ze vrij kunnen worden aangekocht, zonder enige controle van de identiteit van de koper of van het feit dat deze over de vereiste vergunning beschikt. Tijdens recente gerechtelijke onderzoeken naar feiten van terrorisme is gebleken dat malafide individuen hiervan misbruik maken. XIV-38.247-7/23 De speurders hebben vastgesteld dat terroristen hun handlangers vaak meerdere – en legale – aankopen laten doen van laders met een normale capaciteit, geschikt voor bv. Kalasjnikovs. Zo kunnen ze op korte termijn grote hoeveelheden laders vergaren, die ze plannen te gebruiken bij een aanslag. Aangezien de terroristen de vuurwapens zelf vaak illegaal halen, en de aankoop van normale laders op de legale markt gebeurt door verschillende personen en gespreid over verschillende wapenhandelaars, blijven ze onder de radar voor de opsporingsdiensten. Het voorliggende wetsontwerp wil aan dit soort misbruik remediëren door de verkoop van laders te onderwerpen aan dezelfde regels als de verkoop van munitie. Voortaan zullen laders voor vergunningsplichtige vuurwapens slechts kunnen aangeschaft worden op vertoon van een geldige wapenvergunning (daaronder begrepen een jachtverlof, sportschutterslicentie, ...), en enkel die laders die geschikt zijn voor de wapens waarvoor de vergunning is verleend’ (Parl. St.,Kamer, 2017-2018, DOC54-2709/001, p. 22). B.5.
  14. Krachtens artikel 2 van de wet van 7 januari 2018 is een lader ‘een uitneembare patroonhouder voor een vuurwapen die voor de toevoer van patronen zorgt’. De wetgever heeft ervoor gekozen om die laders te onderwerpen aan dezelfde regeling als munitie. Artikel 22, § 1, van de Wapenwet, zoals gewijzigd bij artikel 18 van de wet van 7 januari 2018, bepaalt: ‘Het is verboden aan particulieren munitie of laders voor vergunningsplichtige vuurwapens te verkopen of over te dragen, tenzij voor het wapen waarvoor de vergunning bepaald in artikel 11 is verleend en op vertoon van het stuk, of voor het wapen dat een persoon bedoeld in artikel 12 mag voorhanden hebben en op vertoon van het stuk dat die hoedanigheid bewijst. Het is verboden munitie voor vergunningsplichtige vuurwapens te verkopen of over te dragen aan personen in het bezit van een vergunning die niet geldig is voor de aankoop van munitie. Particulieren die niet voldoen aan de artikelen 11 of 12 mogen geen munitie voor vergunningsplichtige vuurwapens voorhanden hebben. De bepalingen van de vorige leden zijn ook van toepassing op de patroonhulzen en de projectielen, tenzij zij onbruikbaar gemaakt zijn. Particulieren die voldoen aan artikel 11, mogen enkel laders voorhanden hebben die horen bij het vuurwapen waarvoor de vergunning bepaald in dat artikel is verleend. Particulieren die voldoen aan artikel 12, mogen enkel laders voorhanden hebben die horen bij de vergunningsplichtige vuurwapens van het type dat ze voorhanden mogen hebben. Zij mogen deze laders bovendien verder voorhanden hebben gedurende de termijn bedoeld in artikel 13, tweede lid, 1° of 2°, naargelang het geval. Particulieren die niet voldoen aan de artikelen 11 of 12, en die zich niet bevinden in de situatie bedoeld in artikel 13, tweede lid, mogen geen laders voor vergunningsplichtige vuurwapens voorhanden hebben’. Daarnaast wijzigt de wet van 7 januari 2018 een aantal bepalingen van de Wapenwet, zodat die niet enkel naar munitie, maar ook naar laders verwijzen. B.5.
  15. Die wijzigingen hebben tot gevolg dat het bezit en de aankoop van laders afhankelijk worden van het legaal voorhanden hebben van een vuurwapen waarvoor de betrokken laders geschikt zijn. Het bezit of de aankoop van laders voor vergunningsplichtige vuurwapens door personen die niet in het bezit zijn van een dergelijke vergunning, is enkel mogelijk in het kader van een erkenning als verzamelaar in de zin van artikel 6, § 1, van de Wapenwet, dat, na wijziging bij artikel 5 van de wet van 7 januari 2018, bepaalt: XIV-38.247-8/23 ‘De natuurlijke personen en privaatrechtelijke rechtspersonen die een museum of een verzameling van meer dan vijf vergunningsplichtige vuurwapens of van munitie of laders wensen aan te leggen zonder voor elk bijkomend wapen een vergunning overeenkomstig artikel 11 te moeten bekomen, moeten overeenkomstig artikel 5, §§ 3 en 4, daartoe worden erkend door de gouverneur bevoegd voor de vestigingsplaats. De Koning bepaalt de inhoudelijke voorwaarden waaraan de verzameling moet voldoen en de bijzondere in acht te nemen technische voorzorgen indien de wapens ontwikkeld zijn na 1945’.” Het voorhanden hebben en de aankoop van laders zijn derhalve afhankelijk geworden van het legaal voorhanden hebben van een vuurwapen waarvoor de betrokken laders geschikt zijn. Het voorhanden hebben of de aankoop van laders voor vergunningsplichtige vuurwapens door personen die niet in het bezit zijn van een dergelijke vergunning, is enkel mogelijk in het kader van een erkenning als verzamelaar in de zin van artikel 6, § 1, van de Wapenwet. De natuurlijke of privaatrechtelijke rechtspersoon die aldus een verzameling wil uitbouwen van laders voor vergunningsplichtige vuurwapens waarvoor hij niet in het bezit is van een vergunning tot het voorhanden hebben ervan, moet derhalve voor die activiteit een erkenning aanvragen bij de gouverneur bevoegd voor zijn vestigingsplaats. De Koning bepaalt de inhoudelijke voorwaarden waaraan de verzameling moet voldoen waarvoor een vergunning wordt aangevraagd. Zulks is gebeurd in artikel 1, § 1, van het koninklijk besluit van 29 december
  16. Deze bepaling luidt: Artikel
  17. §
  18. De aanvrager van een erkenning bedoeld in artikel 6, § 1, van de Wapenwet moet op het moment van de indiening van de aanvraag : 1° bewijzen reeds vijf behoorlijk vergunde vuurwapens voorhanden te hebben; 2° een thema opgeven dat de uitbreiding van het museum of de verzameling rechtvaardigt en tevens beperkt. Als dit thema wapens vervaardigd na 1945 behelst, is het niet toegelaten meerdere exemplaren van wapens met een zelfde model, kaliber en benaming te verwerven. De gouverneur kan het totale aantal toegelaten wapens beperken in functie van de omstandigheden waarin de wapens zullen worden opgeslagen. Munitie voor die wapens mag slechts worden verzameld a rato van tien patronen per type wapen, tenzij de betrokkene ook is erkend voor het verzamelen van munitie. Ongeacht het gekozen thema kan de gouverneur dit in het belang van de openbare veiligheid beperken als het te ruim of onverantwoord voorkomt. Bovendien moet de aanvrager na de erkenning de 10 wapens bedoeld in het eerste lid inschrijven in een register overeenkomstig artikel 23 van het koninklijk besluit van 20 september XIV-38.247-9/23 1991 tot uitvoering van de wet van 3 januari 1933 op de vervaardiging van, de handel in en het dragen van wapens en op de handel in munitie, en de vergunningen tot het voorhanden hebben ervan aan de gouverneur terugsturen. Het is bovendien verboden met de verzamelde wapens te schieten, behalve voor hun noodzakelijke onderhoud en testen.” Uit deze bepaling volgt dat het opgeven van een thema voor de verzameling een essentiële erkenningsvoorwaarde is, waaraan moet zijn voldaan op het moment van de indiening van de aanvraag tot erkenning. Het thema moet beantwoorden aan twee vereisten: enerzijds “de uitbreiding van […] de verzameling rechtvaardigen” en anderzijds “tevens beperken”. Het verzamelthema dient dus zodanig te zijn geformuleerd dat het als objectief richtsnoer - door de minister tijdens de genese van de wijziging van artikel 6, § 1 van de Wapenwet door de wet van 7 januari 2018 de “rode draad” geheten (supra, punt 6) -, kan worden gebruikt om te beoordelen welke laders op basis van de laderverzameling voorhanden mogen worden gehouden, maar ook welke laders niet onder de erkenning vallen. Het thema moet derhalve voldoende zijn afgelijnd, hetgeen tot de appreciatiebevoegdheid van, te dezen, de beroepsinstantie behoort. De regelgever bepaalt geen voorwaarden of criteria wat de vereiste nauwkeurigheid betreft van het beperkend aspect waaraan het opgegeven thema moet voldoen. Het komt aan, te dezen, de beroepsinstantie toe om, binnen haar discretionaire bevoegdheid, te bepalen of het door de aanvrager in de aanvraag opgegeven thema beantwoordt aan de voornoemde in artikel 6, § 1, van het koninklijk besluit van 29 december 2006 gestelde eis tot “rechtvaardiging van de uitbreiding” en tot “beperking”. Het komt aan de Raad van State binnen het raam van zijn wettigheidstoezicht niet toe om hiervan zelf een beoordeling te maken. De Raad van State is enkel bevoegd om desgevraagd na te gaan of de beroepsinstantie is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan binnen de perken van de redelijkheid tot haar besluit is gekomen. XIV-38.247-10/23
  19. Luidens artikel 5, § 3, tweede lid, van de Wapenwet waarnaar artikel 6, § 1, van de Wapenwet verwijst, kan de erkenning alleen worden geweigerd om redenen die verband houden met de handhaving van de openbare orde en moet elke beslissing tot weigering met redenen zijn omkleed. De beroepsinstantie oefent bij de beoordeling van de vraag of de in artikel 5, § 3, tweede lid, van de Wapenwet bedoelde redenen die verband houden met de handhaving van de openbare orde voorhanden zijn en van die aard zijn dat de erkenning moet worden geweigerd, een discretionaire bevoegdheid uit. Op het aanwenden van deze bevoegdheid oefent de Raad van State het hiervoor in punt 6 bepaalde wettigheidtoezicht uit. Op grond van artikel 1, § 1, derde lid, van het koninklijk besluit van 29 december 2006 kan de gouverneur in eerste administratieve aanleg en de beroepsinstantie in tweede aanleg (zie infra, punt 14), “ongeacht het gekozen thema” dit thema in het belang van de openbare veiligheid beperken als het te ruim of onverantwoord voorkomt. Deze mogelijkheid tot beperking van het thema laat de voormelde in artikel 5, § 3, van de Wapenwet voorziene mogelijkheid tot weigering van de aanvraag onverlet.
  20. Aldus sluit de Raad van State zich met deze interpretatie aan bij die welke hij in zijn eerder arrest nr. 250.698 van 27 mei 2021 had aangenomen. De beoordeling van de aangevoerde beperkingen aan het voorgestelde thema
  21. In de bestreden beslissing is het voorgestelde thema als volgt beoordeeld: “[…] Het door u voorgestelde thema was zo ruim dat er niet werkelijk sprake was van een beperking. Laders voor patronen met centrale percussie en randpercussie, tussen 1895 en heden, gefabriceerd in Azië, Afrika, Europa, Noord- en Zuid- Amerika, betreffen immers nagenoeg alle laders. Vuurwapens gefabriceerd voor 1895 zijn immers vrij verkrijgbaar en verder worden - met uitzondering van Oceanië - alle continenten opgesomd. Het thema behelst dus alle vergunningsplichtige vuurwapens, zowel met centrale als met randpercussie (dit XIV-38.247-11/23 betreft bijna alle munitie; wat rest is de eerder uitzonderlijke penpercussie met munitie type Lefaucheux werkend op zwartkruit), gefabriceerd in nagenoeg de hele wereld. U stelt dat de verzameling beperkt wordt doordat de laders die door de wet expliciet verboden worden (op basis van artikel 3, §1, 15°, t.w. de laders met een groter dan normale capaciteit, opgenomen in het MB van 21/9/2012 tot bepaling van de laders met een groter dan normale capaciteit voor een bepaald model vuurwapen) niet onder het thema kunnen vallen. De enige betekenisvolle beperking van het voorgestelde thema is m.a.w. deze die wettelijk werd voorgeschreven. Het afleveren van een erkenning met dergelijk thema zou bijgevolg neerkomen op het erkennen van het verzamelen en dus het voorhanden mogen hebben van nagenoeg alle laders.” Voorts is gesteld: “[…]. De gouverneur heeft uw erkenningsaanvraag onderzocht en heeft u de mogelijkheid gegeven het thema in alle redelijkheid enigszins te beperken. U heeft hierop geen betekenisvolle afbakening van het thema voorgesteld, t.w. laders voor vergunningsplichtige wapens gefabriceerd tussen 1900 en heden in Azië, Noord- en Zuid-Amerika, Zuid-Afrika, Europa. Dit komt neer op nagenoeg alle laders. Ook de Federale Wapendienst heeft de erkenningsaanvraag onderzocht en heeft u opnieuw de mogelijkheid gegeven om enige afbakening van het thema voor te stellen. U houdt echter vast aan het oorspronkelijk opgegeven thema dat zo ruim is dat het nagenoeg alle laders omvat. Alhoewel de gouverneur (en dus tevens de Federale Wapendienst) het thema in het belang van de openbare veiligheid kan beperken als het te ruim of onverantwoord voorkomt, is deze faciliteit in casu niet toepasbaar omdat het aangevraagde thema in geen enkele beperking voorziet die aangescherpt en verder afgebakend zou kunnen worden zodat het wel binnen de grenzen van het toelaatbare zou vallen. Dat door u enige voorgestelde betekenisvolle beperking is slechts de wettelijke voorziene zodat een ambtshalve door de Federale Wapendienst opgelegde beperking zou neerkomen op een door de overheid eenzijdig gekozen thema. Aangezien de wapenwetgeving voorzit in een vrije keuze van verzamelthema en het derhalve niet de bedoeling is dat de overheid unitlateraal tthema’s dwingend zou opleggen, kan de erkenning met het gevraagde thema niet anders dan geweigerd worden.” Uit de bestreden beslissing blijkt aldus dat de beroepsinstantie zich op het standpunt stelt dat het door verzoeker opgegeven thema - waaraan hij uitdrukkelijk vasthoudt ook na de vraag tot beperking ervan (zie supra, punt 3.3) - het opgegeven thema “zo ruim is dat het nagenoeg alle laders omvat” en niet voorziet in een beperking “die aangescherpt en verder afgebakend zou kunnen worden.” XIV-38.247-12/23
  22. Verzoeker van zijn kant plaatst zich op het standpunt dat zijn thema wel beperkend is en het dus wel voldoet aan de inhoudelijke voorwaarwaarden ter zake. Hij ziet een eerste beperking in het feit dat het thema enkel “vergunningsplichtige laders” betreft. Het sluit aldus volgens hem uit de verzameling de laders met abnormaal hoge capaciteit, alsook de laders die uitsluitend zijn geschikt voor wapens voor militair gebruik. Aldus houdt het volgens verzoeker voorgestelde thema een belangrijke beperking in die vanuit het oogpunt van de openbare orde belangrijk is. Een tweede beperking ziet hij in het feit dat zijn gekozen thema historische en geografische beperkingen kent: het betreft laders gefabriceerd na 1900 en gefabriceerd in Azië, Noord-en Zuid- Amerika, Zuid-Afrika en Europa.
  23. De (eerste) beperking moet worden beoordeeld aan de hand van artikel 3, § 1, 3° en 15° en van artikel 27, §§ 3 en 4 van de Wapenwet. Die luiden: “Artikel
  24. §
  25. Als verboden wapens worden beschouwd: […] 3° wapens ontworpen voor uitsluitend militair gebruik, zoals automatische vuurwapens, lanceertoestellen, artilleriestukken, raketten, wapens die gebruik maken van andere vormen van straling dan die bedoeld onder het 1°, munitie die specifiek is ontworpen voor die wapens, laders die uitsluitend geschikt zijn voor die wapens, bommen, torpedo's en granaten; […] 15° vuurwapens uitgerust met de volgende onderdelen en hulpstukken, evenals de volgende onderdelen en hulpstukken afzonderlijk : - geluiddempers; - laders met een grotere capaciteit dan de normale capaciteit zoals bepaald door de minister van Justitie voor een bepaald model vuurwapen en desgevallend voor bepaalde bezitters; - richtapparatuur voor vuurwapens, die een straal projecteert op het doel en nachtkijkers; - mechanismen die toelaten een vuurwapen om te vormen tot een automatisch vuurwapen;” Artikel 27, §§ 3 en 4, van de Wapenwet bepaalt inzake deze verboden wapens en hulpstukken het volgende : “Artikel
  26. […]. §
  27. De wapens en hulpstukken bedoeld in artikel 3, § 1, 3° , 15°, 19° en 20°, mogen worden vervaardigd, hersteld, verkocht, ingevoerd, opgeslagen en vervoerd XIV-38.247-13/23 door erkende wapenfabrikanten die licentiehouder zijn van de betrokken wapens, met uitsluiting van de tussenpersonen. Erkende verzamelaars en musea mogen ze verwerven en voorhanden hebben op voorwaarde dat ze definitief geneutraliseerd zijn. De onder artikel 3, § 1, 3°, bedoelde laders moeten niet worden geneutraliseerd. De automatische vuurwapens en de wapens bedoeld in artikel 3, § 1, 19° en 20°, mogen evenwel in originele staat verworven en voorhanden gehouden worden door erkende verzamelaars en musea, die uit de automatische vuurwapens de slagpin moeten verwijderen en ze bewaren op de wijze bepaald door de Koning. Ten aanzien van erkende verzamelaars wordt dit enkel toegelaten in individuele speciale gevallen, bij wijze van uitzondering en naar behoren gemotiveerd, en na het bewijs aan de gouverneur te hebben geleverd dat er maatregelen zijn getroffen om te kunnen omgaan met risico's voor de openbare veiligheid of de openbare orde. De automatische vuurwapens, de laders die er uitsluitend voor geschikt zijn en de wapens bedoeld in artikel 3, § 1, 19° en 20°, mogen worden verworven, voorhanden gehouden en overgedragen door daartoe erkende wapenhandelaars in het kader van bestellingen voor erkende verzamelaars en musea. De wapens bedoeld in artikel 3, § 1, 19°, mogen worden verworven, voorhanden gehouden en overgedragen door daartoe erkende wapenhandelaars in het kader van bestellingen voor sportschutters die voldoen aan de voorwaarden genoemd in het vierde lid. De voorhanden gehouden vuurwapens moeten overeenstemmen met specifieke bestellingen of dienen tot prospectie in een beperkte hoeveelheid die de Koning nader kan bepalen. […] §
  28. De in artikel 3, § 1, 5°, 6°, 7°, 12°, 13° en 14°, bedoelde wapens, mogen door erkende verzamelaars worden voorhanden gehouden, verworven en ingevoerd, op voorwaarde dat ze overeenkomstig de reglementaire bepalingen ter zake worden bewaard zoals vuurwapens. Een erkenning als verzamelaar van uitsluitend deze wapens kan worden verkregen overeenkomstig artikel 6, § 1, opdat ze worden gelijkgesteld met vuurwapens.” Uit het samenlezen van deze bepalingen blijkt dat, vooreerst, laders met een grotere capaciteit dan de normale capaciteit, zoals bepaald door de minister van Justitie voor een bepaald model vuurwapen, als hulpstukken, afzonderlijk, zijn ingedeeld in de categorie van de verboden wapens (artikel 3, § 1, 15°). Alleen erkende verzamelaars en musea mogen die laders verwerven en voorhanden hebben op voorwaarde dat ze definitief geneutraliseerd zijn (artikel 27, § 3, tweede lid). Zijn deze niet geneutraliseerd dan mogen die verboden laders derhalve niet worden gehouden, noch kan op grond van artikel 27, § 4, van de Wapenwet een (specifieke) erkenning als verzamelaar worden verleend nu deze bepaling niet verwijst naar de verboden wapens en hulpstukken omschreven in artikel 3, § 1, 15°, van de Wapenwet. Voorts moet worden gewezen op artikel 3, § 2, 3°/1, van de Wapenwet dat als vrij verkrijgbaar worden beschouwd, “de XIV-38.247-14/23 laders die, overeenkomstig de nadere regels vastgesteld door de Koning, definitief onbruikbaar zijn gemaakt.” Deze definitief onbruikbaar gemaakte laders behoren tot de categorie van de vrij verkrijgbare wapens. Dergelijke laders zijn derhalve geen verboden laders (meer) in de zin van artikel 3, § 1, 15°, van de Wapenwet en volgen het statuut van de vrij verkrijgbare wapens. Uit wat voorafgaat volgt dat, anders dan hoe verzoeker het ziet, de wetgever niet toelaat de verboden laders bedoeld in artikel 3, § 1, 15°, van de Wapenwet voorhanden te hebben als erkende verzamelaar. Wat, ten tweede, de laders betreft die uitsluitend geschikt zijn voor wapens ontworpen voor uitsluitend militair gebruik zoals bedoeld in artikel 3, § 1, 3°, van de Wapenwet, volgt uit de hiervoor aangehaalde bepalingen dat die laders zijn ingedeeld in de categorie van de verboden wapens. Luidens het hiervoor aangehaalde artikel 27, § 3, tweede lid, van de Wapenwet, mogen erkende verzamelaars en musea die laders verwerven en voorhanden houden zonder dat ze moeten zijn geneutraliseerd. Uit wat voorafgaat volgt, dat wat de juridische aard van de laders betreft, er slechts één wettelijke uitzondering is op het verbod om verboden laders te verzamelen, met name de verboden laders die uitsluitend geschikt zijn voor de wapens ontworpen voor uitsluitend militair gebruik bedoeld in artikel 3, § 1,3° van de Wapenwet. De door verzoeker aangevoerde beperking van het thema tot de “vergunningsplichtige laders” sluit aldus enkel de (enige) wettelijke uitzonderingsgrond uit op het verzamelen van verboden wapens. Voor het overige omvat het door verzoeker voorgestelde thema alles wat de Wapenwet toelaat in rechte te verzamelen.
  29. Wat de (tweede) beperking in de tijd en in de ruimte betreft, spreekt verzoeker het standpunt in de bestreden beslissing niet tegen dat vuurwapens gefabriceerd voor 1895 vrij verkrijgbaar zijn en dat verder, met XIV-38.247-15/23 uitzondering van Oceanië, alle continenten worden opgesomd, zodat het thema “dus alle vergunningsplichtige vuurwapens [behelst], zowel met centrale als met randpercussie (dit betreft bijna alle munitie; wat rest is de eerder uitzonderlijke penpercussie met munitie type Lefaucheux werkend op zwartkruid), gefabriceerd in nagenoeg de hele wereld.”
  30. Het komt aan verzoeker toe, wanneer hij zoals te dezen, oordeelt dat de opgegeven beperkingen wel relevant zijn en voldoen aan de in de Wapenwet en het koninklijk besluit van 29 december 2006 bepaalde voorwaarden, inzichtelijk te maken waarom dat zo is. Verzoeker doet zulks niet. Hij beperkt zich, wat de eerste opgegeven beperking betreft, tot de enkele vaststelling in het verzoekschrift dat “het thema […] dus wel degelijk in die mate beperkt [is] dat [het] niet alle laders omvat waarvan het verzamelen door erkende verzamelaars toegelaten is” en wat de tweede beperking betreft, tot de enkele vaststelling in het verzoekschrift wat de tijds- en geografische beperking van het opgegeven thema betreft, dat de verzameling wordt beperkt doordat “laders die horen bij vuurwapens gefabriceerd voor 1900 of gefabriceerd in andere gebieden dan opgenomen in het thema,” en dat “ook in andere gebieden dan deze opgenomen […] er vuurwapens [zijn] gefabriceerd [en] er […] ook vuurwapens [werden] geproduceerd voor 1900 waar laders voor op de markt zijn,” zonder dat hij in concreto onderbouwt waarom de beroepsinstantie, bij de beoordeling van de door hem voorgestelde beperkingen, haar beoordelingsbevoegdheid is te buiten gegaan. Deze enkele vaststellingen volstaan niet opdat de Raad van State, in het raam van zijn hiervoor nader omschreven bevoegdheid als annulatierechter (supra, punt 6 in fine), kan besluiten dat de beroepsinstantie bij haar beoordeling of het door de aanvrager in de aanvraag opgegeven thema beantwoordt aan de in de geschonden geachte bepalingen vastgestelde voorwaarde van beperking van het thema, de grenzen van haar beoordelingsbevoegdheid ter zake is te buiten gegaan. De omstandigheid dat XIV-38.247-16/23 verzoeker het anders ziet en meent dat het voorgestelde thema wel voldoende beperkend is, doet weliswaar blijken van een eigen beoordeling ter zake, maar daarmee maakt verzoeker niet aannemelijk dat de bestreden beslissing niet kan worden ingepast binnen de beoordelingsruimte ter zake van de beroepsinstantie. Verzoekers kritiek kan derhalve niet tot het gegrond bevinden van het middel leiden. Hieruit volgt dat de beroepsinstantie niet “zonder reden” eiste dat verzoeker het opgegeven thema beperkt. Het middel is derhalve in die mate ongegrond.
  31. De vaststelling dat de beroepsinstantie geen toepassing maakt van artikel 1, § 1, derde lid, van het koninklijk besluit van 29 december 2006 om een (door haar te ruim bevonden) gekozen thema te beperken in het belang van de openbare veiligheid, maar daarentegen (direct) beslist om met toepassing van artikel 6, § 1, van de Wapenwet de aanvraag te weigeren omdat zij meent dat daartoe redenen zijn die verband houden met de handhaving van de openbare orde, maakt op zich de bestreden beslissing niet onwettig. Er bestaat in rechte immers geen cascade of volgorde onder de mogelijk te nemen beslissingen indien, zoals te dezen, wettig blijkt dat een voorgesteld thema “zo ruim is dat het nagenoeg alle laders omvat.” In de mate dat verzoeker in het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting faalt die in rechte. Aangezien verzoeker (uitdrukkelijk) heeft geweigerd, op verzoek van de beroepsinstantie, het voorgestelde thema te beperken - en bijgevolg onmiskenbaar geen (desgevallende) toepassing vroeg van de modaliteit bepaald in artikel 1, § 1, derde lid, van het koninklijk besluit van 29 december 2006 - en de beroepsinstantie besliste om op grond van artikel 5, § 3, van de Wapenwet de aanvraag te weigeren, volgt dat de beroepsinstantie niet moet aangeven waarom zij geen toepassing maakte van de in artikel 1, § 1, derde lid, van het koninklijk besluit van 29 december 2006 bepaalde mogelijkheid. Hieruit volgt dat verzoekers kritiek in fine van het middel dat de bestreden beslissing die XIV-38.247-17/23 bepaling (en artikel 6, § 1, van de Wapenwet) zou schenden doordat de bestreden beslissing nalaat aan te geven welke concrete elementen in het dossier van die aard zijn om de openbare veiligheid in het gedrang te brengen waardoor het opgegeven thema te ruim of onverantwoord voorkomt, zich in werkelijkheid richt tegen het feit dat de beroepsinstantie om de reden uiteengezet in de bestreden beslissing, meent dat de in het voornoemde artikel 1, § 1, derde lid, van het koninklijk besluit van 29 december 2006 bepaalde mogelijkheid niet toepasbaar is. Aldus richt hij zijn kritiek tegen een overtollig motief en is die dus niet ontvankelijk. In de mate dat verzoeker tot slot stelt dat “de bestreden beslissing [na]laat […] om concrete elementen aan te geven die aantonen dat het gekozen thema in hoofde van aanvrager of zijn verzameling een gevaar voor de openbare veiligheid kan betekenen”, valt die kritiek samen met het tweede middel.
  32. Met de voor het eerst in de memorie van wederantwoord aangevoerde argumenten wordt geen rekening gehouden. Verzoeker toont immers niet aan dat hij deze niet reeds in het verzoekschrift had kunnen ontwikkelen. Aldus geeft verzoeker op laattijdige en niet-ontvankelijke wijze een nieuwe grondslag aan zijn middel. Ze kunnen derhalve niet tot nietigverklaring leiden. Conclusie
  33. Het eerste middel is, in de mate dat het ontvankelijk is, ongegrond. B. Tweede middel: Uiteenzetting van het middel XIV-38.247-18/23
  34. In een tweede middel voert verzoeker in het verzoekschrift de schending aan van de artikelen 5, § 3, tweede lid, en 6, § 1, van de Wapenwet. Hij voert aan dat de procedure voor de erkenning als wapenverzamelaar dezelfde is als voor een aanvraag van een wapenvergunning: artikel 6, § 1, van de Wapenwet verwijst daarom naar de paragrafen 3 en 4 van artikel 5 van de Wapenwet en de artikelen 2 tot en met 8 van het koninklijk besluit van 20 september 1991 ‘tot uitvoering van de Wapenwet’ die eveneens van toepassing zijn. Luidens artikel 5, § 3, van de Wapenwet kan de erkenning alleen worden geweigerd om redenen die verband houden met de handhaving van de openbare orde. Dit is de enige grond om een aanvraag tot erkenning als verzamelaar te weigeren die voldoet aan alle vereisten van artikel 6, § 1, van de Wapenwet. Verzoeker doet gelden dat de bestreden weigering niet is gesteund op redenen van openbare orde: dergelijke redenen komen in de bestreden beslissing niet voor. Die bevat geen enkel concreet feit in hoofde van verzoeker waaruit blijkt dat de aangevraagde laderverzameling een gevaar voor de openbare orde kan inhouden. De bestreden beslissing beperkt er zich toe enkele passages uit de parlementaire voorbereiding te citeren waarin wordt verwezen naar het algemeen veiligheidsrisico veroorzaakt door de vrije verkrijgbaarheid van laders. Deze argumentatie werd door de regering gebruikt om haar politieke keuze voor de invoering van een vergunningsplicht voor laders te onderbouwen. Ze is echter niet dienstig om aan te tonen dat de laderverzameling te dezen een gevaar voor de openbare orde kan inhouden. Bovendien is de situatie van de aanvrager die een legaal wapenbezitter is, conform alle wettelijke bepalingen, niet vergelijkbaar met de situatie van personen met de intentie om terroristische aanslagen te plegen. De uitspraken van de federale procureur in de parlementaire voorbereiding kunnen dan ook onmogelijk worden beschouwd als een opgave van redenen die in het concrete geval aantonen dat de aangevraagde erkenning voor een laderverzameling een gevaar voor de openbare orde inhoudt. In casu kwamen zowel de burgemeester als de procureur des Konings tot de conclusie dat de laderverzameling met het opgegeven thema geen gevaar voor de openbare orde inhoudt en de bestreden beslissing wijkt af van deze adviezen zonder ook de redenen daartoe aan te geven. Vermits de erkenning enkel kan worden geweigerd XIV-38.247-19/23 om redenen van openbare orde en dergelijke redenen te dezen niet zijn aangetoond, schendt de bestreden beslissing artikel 5, § 3, tweede lid, van de Wapenwet.
  35. Verzoeker benadrukt in de memorie van wederantwoord dat het door hem voorgestelde thema wel degelijk voldoet aan de reglementaire bepalingen en verwijst ter zake naar het eerste middel. Hij benadrukt voorts dat de bestreden beslissing nalaat om redenen van openbare orde aan te geven die erop wijzen dat in de concrete situatie het aanhouden van de laderverzameling door hem een gevaar voor de openbare orde kan opleveren. Beoordeling
  36. Uit het dictum van de bestreden beslissing blijkt dat de gevraagde erkenning werd geweigerd “ter vrijwaring van de openbare orde en veiligheid”. Zij maakt derhalve toepassing van de mogelijkheid voorzien in artikel 5, § 3, van de Wapenwet. De draagwijdte van artikel 5, § 3, in samenlezing met artikel 6, § 1, van de Wapenwet is hiervoor weergegeven (supra, punt 6). Er wordt naar verwezen.
  37. Anders dan hoe verzoeker het in het verzoekschrift ziet, vereist artikel 5, § 3, van de Wapenwet niet dat de concrete feiten waaruit blijkt dat de aangevraagde laderverzameling een gevaar voor de openbare orde kan inhouden dienen te bestaan in hoofde van verzoeker. Niets belet immers dat een reden die verband houdt met de handhaving van de openbare orde, ongeacht de moraliteit die de aanvrager kenmerkt, is gelegen in de aard en de omvang van het voorgestelde thema. In de mate dat verzoeker uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt die naar recht. De kritiek die verzoeker ter zake uit en zijn referenties naar rechtspraak ter zake, zijn derhalve in rechte niet ter zake. XIV-38.247-20/23 Uit de beoordeling van het eerste middel blijkt dat de verwerende partij binnen haar appreciatiebevoegdheid bleef door te oordelen dat het voorgestelde thema te ruim is. Ten aanzien van een verzameling met een dergelijk ruim thema dat in wezen geen enkele beperking inhoudt die een “ongebreideld laderbezit” zou beletten, oordeelt de beroepsinstantie, in het licht van de door haar uiteengezette en niet-betwiste doelstelling van de wetgever met het instellen van het verbod op het vrij voorhanden hebben van en verkoop van de laders, dat het “ongebreideld laderbezit een gevaar stelt voor de openbare veiligheid en omdat aldus het toekennen van verzamelerkenningen voor een onvoldoend afgebakend geheel van laders neerkomt op het erkennen van ongebreideld wapenbezit.” Aldus geeft de beroepsinstantie op voldoende concrete wijze de reden aan die verband houdt met de handhaving van de openbare orde op grond waarvan zij de erkenning weigert. De omstandigheid dat zij daartoe refereert aan en steunt op de inzichten ter zake van de wetgever met betrekking tot de noodzaak tot bescherming van het algemeen belang en de bestrijding van criminaliteit, doet hieraan geen afbreuk. Evenmin blijkt eruit dat het louter verwijzen naar de inzichten van de wetgever en de ratio legis van de Wapenwet op zich de reden in de voorliggende zaak is waarom de beroepsinstantie de aanvraag weigert, maar wel het verband tussen het “ongebreideld” ruim thema van de verzameling en het gevaar dat dit ongebreideld bezit, in het licht van de bedoeling van de regelgeving, kan opleveren voor de openbare orde. Aldus blijkt niet dat de gevolgde redenering leidt tot een algemeen verbod op bezit. Uit wat voorafgaat volgt dat verzoeker niet aannemelijk maakt dat de weigering van de aangevraagde erkenning niet steunt op redenen van openbare orde.
  38. De in artikel 5, § 3, tweede lid, van de Wapenwet voorgeschreven formelemotiveringsplicht vereist niet dat de bestreden beslissing de redenen aangeeft waarom de gemachtigde van de minister zich niet aansluit bij de niet-bindende standpunten ingenomen door instanties geraadpleegd XIV-38.247-21/23 voorafgaand aan de bestreden beslissing. In de mate dat verzoeker in het middel ook aanvoert dat de bestreden beslissing niet aangeeft waarom ze afwijkt van de adviezen van de burgemeester en de procureur des Konings, die tot de conclusie kwamen dat de laderverzameling met het opgegeven thema geen gevaar voor de openbare orde inhoudt, gaat hij derhalve uit van een verkeerde opvatting van het recht.
  39. Het tweede middel is ongegrond. XIV-38.247-22/23 C. Conclusie
  40. Het beroep is ongegrond. Het auditoraat heeft, zich steunend op de gelijkaardige middelen uiteengezet in arrest nr. 250.698 van 27 mei 2021, terecht gemeend dat de zaak met korte debatten een oplossing kan krijgen. BESLISSING
  41. De Raad van State verwerpt het beroep.
  42. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 20 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van zestien juni tweeduizend tweeëntwintig, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Geert Debersaques, kamervoorzitter bijgestaan door Johan Pas, griffier. De griffier De voorzitter Johan Pas Geert Debersaques XIV-38.247-23/23 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.254.030 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.