← België

Arrest 254033 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 17/06/2022

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 17 juni 2022 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.254.033 Rolnummer: A. 229328/X-17596 Zaak: Arrest 254033 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 17/06/2022 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2022-07-01 Raadplegingen: 71 - laatst gezien 2026-06-10 07:05 Fiche Arrest nr 254.033 van 17 juni 2022 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Xe KAMER nr. 254.033 van 17 juni 2022 in de zaak A. 229.328/X-17.596 In zake :

  1. de VERENIGING VAN MEDE-EIGENAARS VAN DE “RESIDENTIE BELAIR”
  2. Simon TROCH
  3. Patrick VALKENBERG bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Thomas Eyskens kantoor houdend te 1000 Brussel Bischoffsheimlaan 33 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : het BRUSSELSE HOOFDSTEDELIJKE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Dominique Vermer en Laurens De Brucker kantoor houdend te 1160 Brussel Tedescolaan 7 bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partijen:
  4. de NV RAC 4
  5. de NV RAC 4 DEVELOPMENT
  6. de NV RAC 6 bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Jan Bouckaert, Guan Schaiko en Maarten Christiaens kantoor houdend te 1000 Brussel Loksumstraat 25 bij wie woonplaats wordt gekozen en eveneens bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Michel Karolinski en Benoit Gors kantoor houdend te 1000 Brussel Koningsgalerij 30 -------------------------------------------------------------------------------------------------- X-17.596-1/28 I. Voorwerp van het beroep
  7. Het beroep, ingesteld op 11 oktober 2019, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van de gemachtigde ambtenaar van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest van 6 augustus 2019 waarbij aan nv RAC 4 de stedenbouwkundige vergunning wordt verleend voor de bouw van drie woontorens, een crèche, een kleuter- en lagere school, de inrichting van acht handelspanden, de renovatie van de sokkel en twee bestaande parkeergarages, de omgevingsaanleg en de kap van hoogstammige bomen op de site van het voormalige Rijks Administratief Centrum, Pachecolaan, Bankstraat, de Lignestraat en Oratoriënberg te 1000 Brussel. II. Verloop van de rechtspleging
  8. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partijen hebben een memorie van wederantwoord ingediend. De tussenkomende partijen hebben een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. De tussenkomst is toegestaan bij beschikking van 10 december
  9. De tussenkomende partijen hebben een memorie ingediend. Eerste auditeur An Van den broeck heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partijen hebben een laatste memorie ingediend. De verwerende partij en de tussenkomende partijen hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 19 november
  10. Staatsraad Jan Clement heeft verslag uitgebracht. X-17.596-2/28 Advocaat Thomas Eyskens, die verschijnt voor de verzoekende partijen, advocaat Laurens De Brucker, die verschijnt voor de verwerende partij en advocaat Guan Schaiko, die verschijnt voor de tussenkomende partijen, zijn gehoord. Eerste auditeur An Van den broeck heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  11. III. Feiten 3.
  12. In het centrum van Brussel ligt langs de Pachecolaan, aan de ingang van het treinstation Brussel-Congres, de site van het voormalige Rijks Administratief Centrum (hierna: de betrokken site). 3.
  13. Krachtens het bij het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke regering van 3 mei 2001 vastgestelde Gewestelijk Bestemmingsplan Brussel (hierna: het GBP) ligt de betrokken site in het gebied van gewestelijk belang ‘nr. 11 Administratief centrum’. 3.
  14. Voor de betrokken site geldt het bij besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke regering van 31 januari 2013 goedgekeurde bijzonder bestemmingsplan van de stad Brussel ‘nr. 07-02 Pacheco’ (hierna: het BBP).
  15. In uitvoering van het BBP wordt op de betrokken site het appartementsgebouw “Residentie Belair” gebouwd. Tweede en derde verzoekers bewonen een appartement in dit gebouw en de eerste verzoekende partij is de vereniging van de mede-eigenaars ervan.
  16. Op 28 maart 2017 (datum van het ontvangstbewijs) dient de eerste tussenkomende partij bij de gemachtigde ambtenaar van het Brusselse X-17.596-3/28 Hoofdstedelijke Gewest een aanvraag in om een stedenbouwkundige vergunning te verkrijgen voor de bouw van drie woontorens, een crèche, een kleuter- en lagere school, de inrichting van handelspanden, de renovatie van de sokkel en twee bestaande parkeergarages, de omgevingsaanleg en de kap van hoogstammige bomen op de betrokken site. De tweede tussenkomende partij is de constructievennootschap die de aangevraagde woontorens en handelspanden zal oprichten. De derde tussenkomende partij is eigenaar van een deel van de betrokken site.
  17. Daar de aanvraag onderworpen is aan een effectstudie, wordt van 1 tot 15 september 2017 een openbaar onderzoek georganiseerd. Tijdens het openbaar onderzoek worden 119 bezwaarschriften ingediend.
  18. Op 14 september 2017 verleent Mobiliteit Brussel een voorwaardelijk gunstig advies.
  19. Op 27 september 2017 verleent de overlegcommissie een voorwaardelijk gunstig advies over het ontwerpbestek van de effectstudie.
  20. Op 27 november 2017 stelt het begeleidingscomité de definitieve versie van het bestek van de effectstudie vast.
  21. De effectstudie wordt afgesloten op 12 oktober
  22. Kort erna deelt de aanvrager zijn intentie mee om de vergunningsaanvraag te wijzigen, teneinde de aanvraag in overeenstemming te brengen met de resultaten van de effectstudie. De gewijzigde aanvraag heeft betrekking op de bouw van drie nieuwe woontorens met 443 appartementen, een nieuwe kinderkribbe voor 72 kinderen en een kleuter- en basisschool voor 456 kinderen, evenals acht handelszaken waaronder zes horeca-inrichtingen, de heraanleg van parkings A en X-17.596-4/28 B, de aanleg van 1.305 fietsplaatsen, de aanleg van de omgeving en het rooien van 397 hoogstammige bomen en het planten van 377 hoogstammige bomen.
  23. Van 23 januari tot 21 februari 2019 wordt een nieuw openbaar onderzoek georganiseerd. Er worden 75 bezwaarschriften ingediend, waaronder een van derde verzoeker.
  24. Op 29 januari 2019 verleent nv Infrabel een gunstig advies.
  25. Op 15 februari 2019 verleent de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen (hierna: de KCML) advies.
  26. Op 22 februari 2019 brengt de cel Planning van de stad Brussel een voorwaardelijk gunstig advies uit.
  27. Op 28 februari 2019 verleent Mobiliteit Brussel een voorwaardelijk gunstig advies.
  28. Op 5 maart 2019 verleent de Nationale Vereniging voor de Huisvesting van Personen met een Handicap advies.
  29. Op 21 maart 2019 brengt het college van burgemeester en schepenen van de stad Brussel een voorwaardelijk gunstig advies uit.
  30. Op 26 maart 2019 brengt de overlegcommissie een unaniem voorwaardelijk gunstig advies uit.
  31. Op 24 april 2019 dient de aanvrager een gewijzigde aanvraag met aangepaste plannen in, op grond van artikel 177/1 van het Brussels Wetboek van Ruimtelijke Ordening (hierna: BWRO).
  32. Op 6 augustus 2019 verleent de gemachtigde ambtenaar de gevraagde stedenbouwkundige vergunning onder voorwaarden. X-17.596-5/28 Dit is het bestreden besluit. IV. Onderzoek van de middelen A. Het eerste middel Het aangevoerde middel 22.
  33. Het eerste middel is genomen uit de schending van e “art. 188, 1 en 2e lid & 155, § 2 [BWRO] juncto art. 2.9.1., 2.9.2, 2.9.4.2 & 2.9.4.
  34. van de stedenbouwkundige voorschriften [van het BBP] juncto art. 6 [van Titel VIII van de bij het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke regering van 21 november 2006 vastgestelde gewestelijke stedenbouwkundige verordening (hierna: GSV)] juncto art. 2 & 3 van de Wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen […] juncto het zorgvuldigheidsbeginsel en het beginsel van materiële motivering als algemene beginselen van behoorlijk bestuur”. 22.
  35. De verzoekende partijen stellen dat door het bestreden besluit meerdere afwijkingen op de stedenbouwkundige voorschriften van het BBP en de GSV worden toegelaten. Bepaalde van deze afwijkingen worden volgens hen niet gemotiveerd in het bestreden besluit, terwijl de motieven voor het vergunnen van andere afwijkingen geen afdoend karakter hebben, noch het resultaat vormen van een zorgvuldig onderzoek van het dossier. 22.3.
  36. Het eerste middelonderdeel heeft betrekking op artikel 2.9.1 van het BBP. 22.3.
  37. In het eerste subonderdeel van het eerste middelonderdeel wordt de schending aangevoerd van het als volgt luidende tweede lid van artikel 2.9.1 van het BBP: “Indien het gebied in meerdere fasen wordt aangelegd krijgt de aanleg van X-17.596-6/28 de openbare ruimten voorrang.” Volgens de verzoekende partijen wordt in het bestreden besluit de aanleg van openbare ruimte vergund, maar zal deze niet bij voorrang worden uitgevoerd. Zij verwijzen naar de effectstudie die de fasering van het vergunde project weergeeft en houden voor dat hiermee geen voorrang wordt verleend aan de ontwikkeling van openbare ruimte, maar wel aan de ontwikkeling van private ruimte. Minstens blijkt niet dat het aangevraagde in overeenstemming te brengen is met het vereiste om de openbare ruimten bij voorrang aan te leggen. Er wordt ook niet om een afwijking van deze bepaling verzocht en deze afwijking werd ook niet aan een openbaar onderzoek onderworpen. Verder neemt de verwerende partij geen motivering op in het bestreden besluit omtrent het aanvaardbaar karakter van de vergunde afwijking op artikel 2.9.1 van het BBP, waardoor de formelemotiveringsplicht wordt geschonden. Tot slot vragen de verzoekende partijen zich af of het rechtens mogelijk is om van deze bepaling, die ressorteert onder het stedenbouwkundig voorschrift van artikel 2.9.1 “Algemeenheden”, een afwijking goed te keuren. Artikel 155, § 2, BWRO laat immers niet toe om afwijkingen van de voorschriften van een BBP toe te staan, indien afbreuk wordt gedaan aan de wezenlijke gegevens van het plan. Een afwijking goedkeuren die afbreuk doet aan een algemeen voorschrift dat betrekking heeft op het “Gebied A met bijzondere voorschriften”, de openbare ruimten die manifest kenmerkend zijn voor de site en de specifieke, zelfs uitzonderlijke, zichten op de stad Brussel – tot zelfs het Atomium –, raakt naar het inzicht van de verzoekende partijen de essentie van het BBP en kan daarom zelfs niet wettelijk worden goedgekeurd. Minstens ligt niet de minste motivering voor waarom hierover anders kan worden geoordeeld. 22.3.
  38. In het tweede subonderdeel van het eerste middelonderdeel wordt de schending aangevoerd van het als volgt luidende derde lid van artikel 2.9.1 van het BBP: “De woongebouwen moeten verschillende types appartementen hebben, in het bijzonder voor wat betreft het aantal kamers.” X-17.596-7/28 Volgens de verzoekende partijen is het ten onrechte dat de verwerende partij aanvaard heeft dat de aanvrager tegemoet is gekomen aan de verplichtingen die uit artikel 2.9.1, derde lid, van de stedenbouwkundige voorschriften van het BBP voortvloeien. De loutere vaststelling dat het gewijzigde project “in de buurt komt” van de BBP-aanbeveling, laat volgens hen niet toe om te besluiten dat het project in overeenstemming is met de wens en de aanbeveling van het BBP om een sociale mix aan te bieden via de typologie van de geplande woningen. De verzoekende partijen preciseren dat het aandeel éénkamerappartementen 41,5 % bedraagt, waardoor de verwerende partij niet gevolgd kan worden waar ze stelt dat het project het voorschrift en de bijhorende toelichting volgt. Dit voorschrift stelt immers dat maximaal 35% woningen met één kamer en studio’s kan worden aanvaard, terwijl het vergunde project deze maximumgrens kennelijk overschrijdt. 22.
  39. Het tweede middelonderdeel heeft betrekking op het als volgt luidende artikel 2.9.4.3, derde lid, van het BBP: “De bestaande hoogstammige bomen moeten in goede gezondheid worden gehouden. Bij alle handelingen en werken mag er niet aan worden geraakt en moet hun bescherming verzekerd worden, tenzij er op hun plaats een nieuw gebouw wordt rechtgetrokken.” Het bestreden besluit is volgens de verzoekende partijen onverenigbaar met dit voorschrift omdat het de kap vergunt van 397 bomen. Zij zijn van oordeel dat de motivering die door de verwerende partij wordt gegeven om van het geldende voorschrift af te wijken, onmogelijk als afdoende kan worden beschouwd. De verzoekende partijen houden voor dat dit een essentieel voorschrift is waarvan onder geen enkele omstandigheid een afwijking kan worden toegestaan. De kap van bomen wordt toegelaten, terwijl de verplichting geldt om ze in goede gezondheid te houden. Het waterdicht maken van de parking is een type werk dat géén kapping toelaat. De verzoekende partijen merken op dat artikel 2.9.4.3 van het BBP enkel bij het optrekken van gebouwen de kap van bestaande bomen toelaat, waardoor de verwerende partij dient aan te geven X-17.596-8/28 waarom de bomenkap ook voor renovatie van een bestaand gebouw mogelijk geacht wordt. Zij zien ook niet in waarom de betrokken waterdichtingswerken enkel kunnen worden uitgevoerd zoals de aanvrager dit voorstelt te doen. De verzoekende partijen menen dat de verwerende partij de vergunningsaanvraag niet aan een zorgvuldig onderzoek heeft onderworpen omdat zij zich beperkt tot het expressis verbis hernemen van de toelichting die de vergunningaanvrager bij de uitvoering van het vergunde project verleent, zonder te toetsen of de werkwijze wel verenigbaar is met de stedenbouwkundige voorschriften, en aan te geven op welke manier het project conform deze voorschriften kan worden uitgevoerd. Zowel uit het bestreden besluit als uit de bijhorende adviezen kan geen toelichting worden afgeleid waaruit blijkt dat de kap van de platanen noodzakelijk is om de renovatie van de parkeergarage te doen aanvangen. Tenslotte argumenteren de verzoekende partijen dat – in het licht van de goede ruimtelijk ordening – een (beweerde) technische noodzakelijkheid op zich géén afdoende reden is die voldoende pertinent is om een stedenbouwkundig voorschrift terzijde te schuiven. Stedenbouwrecht houdt zich in de regel niet bezig met zuiver bouwtechnische aspecten. Een zuiver technisch probleem van de onderliggende parking wordt aangegrepen om de te behouden bomen in één beweging te kappen en te vervangen door een anders samengesteld bomenpatroon, dat bovendien elders wordt ingeplant. Dit ontneemt eenvoudigweg elke zin aan het betrokken stedenbouwkundig voorschrift dat het behoud van de bomen vooropstelt. 22.
  40. Het derde middelonderdeel heeft betrekking op het als volgt luidende artikel 6, 1°, van titel VIII van de GSV: “Het aantal parkeerplaatsen dat moet voorzien worden is: 1° minstens één plaats per woning.” De verzoekende partijen stellen vast dat de afwijking zonder meer goedgekeurd wordt, hetgeen volgens hen kennelijk onredelijk is, zeker X-17.596-9/28 gezien de graad van de afwijking, meer bepaald 27 % van de norm. Het is niet ernstig om een afwijking goed te keuren, terwijl de vergunningverlenende overheid van mening is dat er eigenlijk geen afwijking hoeft te worden goedgekeurd. Als het perfect mogelijk is om de norm te halen, begrijpen zij niet dat de naleving van de norm niet wordt verplicht gesteld. Bovendien verantwoordt de vergunningverlenende overheid op zich niet de ruimtelijke aanvaardbaarheid van de afwijking a rato van 27 %. Volgens de verzoekende partijen stelt de verwerende partij vooreerst dat de afwijking kan worden aanvaard, gelet op de typologie van de verschillende appartementen op de site. Door te verwijzen naar de typologie van de verschillende appartementen aanvaardt de verwerende partij de beschouwing in de vergunningsaanvraag dat studio’s geen parkeergelegenheid vereisen, maar onderzoekt zij niet of dit type huisvesting parkeergelegenheid vereist, noch geeft ze aan op grond van welke motieven tot dat besluit kan worden gekomen. Dit klemt des te meer nu algemeen kan worden aangenomen dat de voorziene studio’s, net zoals de overige woonvormen, parkeergelegenheid zullen vereisen. Dit verklaart ook dat de GSV voor alle woontypologieën een minimaal vereiste van 1 parkeerplaats vooropstelt. De verwerende partij verduidelijkt echter niet waarom de toekomstige bewoners van de geplande studio’s geen parkeerplaats behoeven, waardoor van dit principe kan worden afgeweken. De motivering is niet afdoende om het bestreden besluit te dragen. Voorts merken de verzoekende partijen op dat de verwerende partij verwijst naar de toegankelijkheid van de site. Bij gebrek aan verdere toelichting, moet gekeken worden naar de motieven die de aanvrager aanbiedt om een afwijking van het voorschrift te bekomen. In deze toelichting wordt verwezen naar de mogelijkheid voor inwoners om een abonnement te nemen op de openbare parking. Ook wordt verwezen naar de mogelijkheid om een overeenkomst te sluiten met de werknemers/ambtenaren die werkzaam zijn in de Financietoren, teneinde aan bepaalde parkeerplaatsen een dubbel gebruik toe te kennen. Zodoende poogt men de bijkomende parkeerdruk die het vergunde project veroorzaakt, af te schuiven op het openbaar domein. Dit is volgens de verzoekende partijen niet verenigbaar met de zorgvuldigheidsplicht die op de verwerende partij X-17.596-10/28 rust. Zij wijzen op de hoge parkeerdruk waarmee de site vandaag reeds te kampen heeft. De verwerende partij onderzoekt niet op een zorgvuldige wijze op welke manier het toestaan van de afwijking bijdraagt aan een oplossing voor de vastgestelde verzadiging, noch motiveert ze waarom deze bijdrage aanvaardbaar zou zijn. Tenslotte onderzoekt de verwerende partij, volgens de verzoekende partijen, evenmin de mogelijkheden om een gedeeld gebruik van bepaalde parkeerplaatsen te organiseren, noch motiveert ze in welke mate dit voorstel van de aanvrager werd aanvaard. Nochtans dient dergelijk voorstel aan een zorgvuldig onderzoek te worden onderworpen, teneinde inzicht te krijgen in de haalbaarheid ervan, en in welke mate dit een gunstig effect heeft op de bestaande toestand en een afwijking van de bestaande voorschriften rechtvaardigt. 23.
  41. Wat het eerste subonderdeel van het eerste middelonderdeel betreft, stellen de verzoekende partijen in hun memorie van wederantwoord dat men er kan van uitgaan dat de vergunning voor de Pechèretuin en de Esplanade reeds werden verleend vóór de inwerkingtreding van het BBP, waardoor ze buiten het toepassingsgebied van artikel 2.9.1, tweede lid, vallen. Voorts omvat het bestreden besluit volgens de verzoekende partijen opnieuw de renovatie van de Pechèretuin en de Esplanade, aangezien in de nabijheid van deze zones nieuwe constructies worden opgericht. De verzoekende partijen voegen er aan toe dat ook de aanleg van fietsenstallingen evenals van de school, de crèche en de toegangen tot deze inrichtingen, beschouwd moeten worden als de aanleg van de openbare ruimten in de zin van artikel 2.9.1, tweede lid, van het BBP. 23.
  42. Wat het derde middelonderdeel betreft, erkennen de verzoekende partijen in hun memorie van wederantwoord dat de verklarende nota aantoont dat de projectzone in verbinding staat met een aantal openbare vervoersmodaliteiten, doch dergelijke motivering volstaat volgens hen niet als grondslag om een afwijking van de parkeerbehoeften van de kleine appartementen op te steunen.
  43. Wat het eerste subonderdeel van het eerste middelonderdeel X-17.596-11/28 betreft, stellen de verzoekende partijen in hun laatste memorie dat het gegeven dat de bestreden vergunning wezenlijk geen betrekking zou hebben op de Pechèretuin en de Esplanade, op zich niet blijkt uit de (motivering van de) bestreden akte zelf. Wat niet uit de motivering van de akte blijkt, kan rechtens niet in aanmerking genomen worden. Beoordeling 25.
  44. Wat het eerste subonderdeel van het eerste middelonderdeel betreft, moet vooreerst worden gewezen op de samenhang tussen de artikelen 2.9.1, tweede lid, en 2.9.4 van de stedenbouwkundige voorschriften van het BBP. Wat “openbare ruimten” in de zin van artikel 2.9.1, tweede lid, zijn, dient meer bepaald te worden afgeleid uit de opsomming in artikel 2.9.
  45. Daaruit volgt dat, anders dan de verzoekende partijen in hun memorie van wederantwoord voorhouden, de – in de laatgenoemde opsomming niet voorkomende – fietsenstallingen, school, crèche en de toegangen tot deze inrichtingen, geen “openbare ruimten” in de zin van artikel 2.9.1, tweede lid, BBP zijn. Voorts moet worden vastgesteld dat de – in artikel 2.9.4 wél bedoelde – Pechèretuin en Esplanade “openbare ruimten” zijn zoals bedoeld in artikel 2.9.1, tweede lid van het BBP. Aan deze vaststelling wordt geen afbreuk gedaan door de omstandigheden dat de vergunning voor de (her)aanleg van de Pechèretuin reeds dateert van tijdens de opmaakprocedure van het BBP en dat de vergunning voor de Esplanade dateert van kort daarna. 25.
  46. Uit de gegevens van de zaak blijkt dat de Pechèretuin en de Esplanade reeds aangelegd werden vóór in 2016 de aanvraag is ingediend die tot het bestreden besluit heeft geleid. Door deze voorafgaande aanleg is aan artikel 2.9.1, tweede lid, BBP voldaan. Terecht heeft het auditoraatsverslag vastgesteld dat het bestreden besluit wezenlijk geen betrekking heeft op de Pechèretuin en de Esplanade. De bij dit besluit horende grafische plannen tonen immers uitsluitend zeer beperkte ingrepen in deze zones, zoals het toevoegen van stadsmeubilair. Anders dan de X-17.596-12/28 verzoekende partijen in hun laatste memorie voorhouden (randnr. 24), dient met deze feitelijke vaststelling rekening te worden gehouden, ook al is ze niet geëxpliciteerd in de formele motieven van het bestreden besluit. 25.
  47. Wat, enerzijds, de op te richten gebouwen en, anderzijds, het te realiseren wandelgebied in “het gebied A” betreft, merken de verwerende en de tussenkomende partijen niet zonder pertinentie op dat deze werken om een bouwtechnische reden niet in aanmerking kwamen voor een fasering: het wandelgebied loopt onder, en is geïntegreerd in, de voorziene gebouwen zodat het pas kan worden ingericht als de gebouwen opgericht zijn. 25.
  48. Gelet op het voorgaande, blijkt uit het middelonderdeel niet dat er te dezen een afwijking van artikel 2.9.1, tweede lid, BBP zou voorliggen. Daaruit volgt dat de verzoekende partijen geen baat kunnen hebben bij hun argumenten die steunen op het uitgangspunt dat wél een dergelijke afwijking zou voorliggen, zoals het argument dat er van het laatstgenoemde artikel niet kan worden afgeweken en het argument dat de beweerde afwijking onvoldoende gemotiveerd is.
  49. Anders dan het tweede subonderdeel van het eerste middelonderdeel laat uitschijnen, bevat het BBP geen voorschrift dat oplegt dat in “het gebied A” maximaal 35% woningen met één kamer en studio’s kan worden aanvaard. Het bedoelde percentage komt immers uitsluitend voor in de kolom “aanwijzingen/commentaren”, waarin vermeld wordt dat het aantal woongelegenheden volgens deze verdeelsleutel “kan” worden verdeeld. Het BBP stipuleert uitdrukkelijk dat de kolom “aanwijzingen/commentaren” een loutere toelichting betreft “zonder verordenende waarde”. Het percentage geeft dan ook een loutere indicatie en is te beschouwen als een streefcijfer. Vastgesteld moet worden dat door de bestreden vergunning het laatstgenoemde streefcijfer met 6,5 % overschreden wordt. Voorts wordt niet betwist dat, zoals artikel 2.9.1 van het BBP voorschrijft, de woongebouwen verschillende types appartementen hebben, in het bijzonder voor wat betreft het aantal kamers. Dienaangaande bevat het bestreden besluit volgende motivering: X-17.596-13/28 Overwegende dat het project in overeenstemming is met de wensen van de BBP en zijn aanbeveling om een sociale mix te bereiken via de typologie van de geplande woningen en tegelijkertijd tegemoet te komen aan een specifieke vraag in het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest. In het licht van het voorgaande, kunnen de verzoekende partijen er niet van overtuigen dat artikel 2.9.1, derde lid, van het BBP geschonden werd. 27.
  50. Wat het tweede middelonderdeel betreft, moet vooreerst worden vastgesteld dat krachtens het bestreden besluit in de onmiddellijke omgeving van de te rooien bomen, 377 nieuwe hoogstammige bomen moeten worden aangeplant. 27.
  51. In het bestreden besluit erkent de verwerende partij dat is afgeweken van artikel 2.9.4.3, derde lid, van het BBP in de mate er bomen gerooid zullen worden op een plaats waar geen “nieuw gebouw wordt rechtgetrokken”. Het gaat meer bepaald om het rooien van bomen op het dak van een bestaand parkeergebouw, dat gerenoveerd dient te worden. De verwerende partij heeft deze afwijking als volgt verantwoord: Overwegende dat deze bomen noodzakelijkerwijs moeten worden verwijderd om de ondergrondse parking waterdicht te maken; dat het verplanten van platanen tijdens de waterdichting en het herplanten in situ, zoals oorspronkelijk gepland, technisch niet wordt aanbevolen omdat het zeer dichte raster waarop de bomen worden geplant, een sterke verweving van de wortels impliceert die de potentiële levensvatbaarheid van de bomen na het verplanten sterk beperkt; Bovendien zou het opslaan van de bomen tijdens het repareren van de waterdichte afdekking de bomen beschadigen, waardoor ze kwetsbaarder zouden worden; dat daarom moet worden geanticipeerd op een sterk verslechterde toekomstige situatie als gevolg van het afsterven van de bomen; dat daarom wordt gekozen voor de aanplant van […] haagbeuken in het betrokken gebied; dat de afwijking van artikel 2.9.4.3 van het BBP dus zeer moeilijk te vermijden en zodoende aanvaardbaar is. De aangehaalde motivering ligt in de lijn van de vaststellingen in de milieueffectstudie met betrekking tot het mogelijk behoud/rooien van deze bomen. Ook de KCML heeft zich in haar advies niet verzet tegen de vervanging van de bomen. X-17.596-14/28 Voorts wordt, als antwoord op bezwaren over deze problematiek, in het bestreden besluit nog verder ingegaan op de verleende afwijking, waarbij geoordeeld wordt dat, hoewel het aantal bomen afneemt ten opzichte van de huidige situatie, zowel de oppervlakte van de verspreiding als de kroonbedekking van de bomen toeneemt. Daarbij is er op gewezen dat de wandelzone in belangrijke mate wordt uitgebreid en er een “stadsbos” en een vegetatie op de schaal van het project wordt gecreëerd. 27.
  52. Er moet worden vastgesteld dat artikel 2.9.4.3, derde lid, van het BBP in beginsel het behoud van bestaande bomen vooropstelt, maar tegelijk een belangrijke uitzondering op dit beginsel toelaat, meer bepaald wanneer een “nieuw gebouw wordt rechtgetrokken”. De betrokken bepaling laat dus toe om bomen op het dak van een parkeergebouw te rooien wanneer dit gebouw wordt afgebroken en er ter vervanging een nieuw parkeergebouw wordt opgericht. De afwijking die te dezen is verleend volgt louter uit het feit dat er voor gekozen is het bestaande parkeergebouw te behouden en enkel het dak ervan te renoveren. De verzoekende partijen beweren in hun verzoekschrift dat het gaat om een essentieel voorschrift waarvan niet kan worden afgeweken, maar tonen dit niet aan. Zoals de tussenkomende partijen terecht opmerken, wordt in het voorschrift uitdrukkelijk voorzien dat de bomen gekapt kunnen worden indien er een nieuw gebouw wordt opgetrokken, zodat niet zonder meer aangenomen kan worden dat het behoud van de bomen essentieel is in het licht van de doelstellingen van het BBP. Blijkens het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke regering van 29 juni 2007 ‘betreffende de tenuitvoerbrenging, via een bijzonder bestemmingsplan, van het gebied van gewestelijk belang nr. 11 – Administratief Centrum’ dient het BBP zich te richten naar het programma van het GGB nr. 11 en dient de inrichting van de openbare en groene ruimte gebaseerd te zijn op de opwaardering van de esplanade als een openbare ruimte die uitkijkt over Brussel en op het behoud van de organisatorische structuur van de hangende tuin, de inrichting van een speeltuin voor kinderen en de restauratie van de Pechèretuin. De verzoekende partijen tonen niet aan dat de toegestane afwijking deze doelstellingen in het gedrang brengt. 27.
  53. Rekening houdende met de motieven uit het bestreden besluit, X-17.596-15/28 waarvan de verzoekende partijen noch de onjuistheid, noch de onredelijkheid aantonen, wordt aangenomen dat de afwijking kon worden verleend. Zodoende wordt artikel 2.9.4.3, derde lid, BBP door het bestreden besluit niet geschonden. Evenmin blijkt dat de vergunningverlenende overheid niet zorgvuldig tewerk zou zijn gegaan, temeer nu haar besluit gesteund is op de milieueffectstudie en de in het kader van de vergunningsaanvraag verleende adviezen. 28.
  54. De in het derde middelonderdeel geviseerde afwijking van de GSV is in het bestreden besluit gemotiveerd door te wijzen op het belangrijke aandeel van kleine appartementen en studio’s in de nieuwe woontorens en de toegankelijkheid van de site, met name met het openbaar vervoer. Gelet op deze feitelijke elementen, maken de verzoekende partijen niet aannemelijk dat het onzorgvuldig of anderszins onwettig zou zijn om te aanvaarden dat er a rato van 27% van de appartementen in de woontorens in het centrum van de stad geen eigen autoparkeerplaats wordt voorzien. 28.
  55. Voorts gaan de verzoekende partijen er aan voorbij dat in het advies van de dienst Planning van de stad Brussel gesteld wordt dat het parkeeraanbod rondom de voetgangerszone voldoende is in verhouding tot de vraag. Ook in de milieueffectstudie wordt de parkeerdruk ter plaatse genuanceerd. 28.
  56. De toegestane afwijking van de GSV steunt op de in randnummer 28.1 aangehaalde motieven, en niet op de in de aanvraag van de eerste tussenkomende partij aangehaalde suggesties om een abonnement te nemen op de openbare parking, om een overeenkomst te sluiten met de werknemers/ambtenaren die werkzaam zijn in de Financietoren of om een gedeeld gebruik van bepaalde parkeerplaatsen te organiseren. De kritiek van de verzoekende partijen met betrekking tot deze suggesties kan dan ook niet tot de vernietiging van het bestreden besluit leiden. 28.
  57. In het licht van het voorgaande kunnen de verzoekende partijen er niet van overtuigen dat er op onwettige wijze zou zijn afgeweken van de GSV.
  58. Het eerste middel wordt verworpen. X-17.596-16/28 X-17.596-17/28 B. Het tweede middel Het aangevoerde middel 30.
  59. Het tweede middel is genomen uit de schending van e “art. 188, 1 lid en 190, 1e lid BWRO juncto art. 2.9.10 BBP juncto de algemene beginselen van behoorlijk bestuur waaronder het zorgvuldigheidsbeginsel en het beginsel van materiële motivering”. 30.
  60. Volgens de verzoekende partijen is door de verwerende partij afgeweken van bepaalde aanbevelingen uit de effectstudie, zonder deze afwijkingen te doen steunen op een zorgvuldig onderzoek van het administratief dossier, noch afdoende te motiveren waarom afwijkingen worden toegestaan. 30.
  61. In het eerste middelonderdeel wordt aangevoerd dat het bestreden besluit afwijkt van de in de effectstudie aanbevolen maatregelen om het “hitte eiland”– effect te remediëren. De verzoekende partijen zetten uiteen dat de effectstudie de mogelijke opwarming van de site, veroorzaakt door het vergunde project, als negatief milieueffect heeft aangemerkt. Het toevoegen van bijkomende vegetatie op de verschillende onderdelen van het project wordt in de effectstudie naar voren geschoven als maatregel om dit negatief effect te vermijden, weg te werken of te beperken. Hoewel de verwerende partij erkent, minstens niet op grond van eigen zorgvuldig onderzoek betwist, dat de uitvoering van het vergunde project een ingrijpend negatief milieueffect met zich meebrengt, en de doeltreffendheid van de voorgestelde maatregel om voormeld negatief milieueffect te remediëren niet in vraag stelt, legt ze in het bestreden besluit toch geen alternatieve maatregel op van aard om het milieueffect te remediëren. Zij motiveert de verleende afwijking door te verwijzen naar het criterium met betrekking tot decoratieve gevelbekleding van het als volgt luidende artikel 2.9.10 van het BBP: “De blinde, of gedeeltelijk blinde gevels, met uitzondering van deze die een artistiek bas-reliëf of een decoratieve bedekking hebben, moeten een X-17.596-18/28 zekere begroeningsgraad hebben van minstens 50 % van de oppervlaktes van de blinde gevels. De keuze van inheemse soorten moet worden bevoorrecht.” Volgens de verzoekende partijen meent de verwerende partij dat alle blinde gevels uit het project onder deze uitzonderingsmogelijkheid kunnen worden gebracht, doch specificeert zij niet welke van de voorziene gevelbekleding als artistiek of decoratief moet worden beschouwd. Zij menen dat dit voorschrift niet op volledige projecten moet worden toegepast, doch enkel op de specifiek aan te duiden artistieke elementen ervan. Voorts lijkt de verwerende partij een edele en duurzame gevelbekleding gelijk te stellen met een artistieke en decoratieve gevelbekleding, terwijl naar de mening van de verzoekende partijen de uitzonderingsbepaling in het voorschrift een esthetische en zelfs artistieke toets impliceert, waaraan een loutere kwalitatieve gevelbekleding niet lijkt te voldoen. Minstens heeft de verwerende partij niet zorgvuldig onderzocht op welke manier het vergunde project kan steunen op de uitzonderingsbepaling in artikel 2.9.11 [lees: 2.9.10] van het BBP, noch afdoende gemotiveerd welke elementen uit het vergunde project ze precies als artistiek of decoratief beschouwt. 30.
  62. In het tweede middelonderdeel stellen de verzoekende partijen dat de aanbeveling uit de milieueffectstudie met betrekking tot de kiss & ride-zone voor de langs de Oratoriënberg gelegen school en de crèche niet is opgevolgd. Zij menen dat het bestreden besluit de bevindingen uit de effectstudie met betrekking tot deze zone niet afdoende in het besluitvormingsproces betrekt en dat de aangeboden motieven niet steunen op zorgvuldig onderzoek van het administratief dossier. Volgens de verzoekende partijen beperkt de verwerende partij zich tot algemene, niet onderbouwde aannames omtrent de gebruikers van de vergunde school- en crèchevoorzieningen, zonder concrete feiten aan te voeren teneinde de effectstudie te weerleggen. De verzoekende partijen menen dat de verwerende partij bezwaarlijk kan steunen op het feit dat de verkeersstromen aan de Oratoriënberg in de actuele situatie beperkt zijn. De effectstudie acht het immers van groot belang om elke belemmering van het verkeer te vermijden, teneinde de doorgang van de interventievoertuigen van de federale politie te kunnen garanderen. X-17.596-19/28 De verzoekende partijen benadrukken dat de voorgestelde kiss & ride-zone precies beoogt de congestie van autoverkeer op de Oratoriënberg tegen te gaan. De verwerende partij motiveert een afwijking van de voorgestelde maatregel uit de effectstudie door te verwijzen naar een remedie voor andere negatieve effecten, met name de verkeeronveiligheid van ouders en kinderen ten opzichte van het autoverkeer. Deze motivering is bijgevolg niet dienend om af te wijken van de voorgestelde kiss & ride-zone. Tot slot getuigt het argument dat het mobiliteitsprobleem – dat wordt afgewenteld op het openbaar domein – niet door de private ontwikkelaar kan worden opgelost, maar enkel door de stad Brussel en dat niet kan worden gewacht tot deze laatste dit heeft gedaan, van een kennelijke onredelijkheid. Een geïdentificeerd probleem verdient een rechtszekere oplossing. Het loutere feit dat de ontwikkelaar hiervoor afspraken zou moeten maken met de stad Brussel, doet niet anders besluiten, nu de mogelijkheid hiertoe niet wordt uitgesloten.
  63. Wat het eerste middelonderdeel betreft, herhalen de verzoekende partijen in hun memorie van wederantwoord dat van de – restrictief te interpreteren – afwijkingsmogelijkheid voor artistiek bas-reliëf of decoratieve bedekking die artikel 2.9.10 van het BBP voorziet, in casu geen toepassing mocht worden gemaakt. De gevelbekleding van de op te trekken gebouwen beantwoordt volgens hen immers niet, minstens niet volledig, aan deze bepaling. Minstens verduidelijken de verwerende en de tussenkomende partijen niet uit welke motieven zou blijken dat de gevelbekleding van de vergunde bebouwing onder de uitzonderingsmogelijkheid kan worden geplaatst.
  64. Wat het eerste middelonderdeel betreft, stellen de verzoekende partijen in hun laatste memorie dat de verwerende partij in de bestreden beslissing een edele, duurzame en kwalitatieve gevelbekleding gelijk lijkt te stellen met een artistieke en decoratieve gevelbekleding. Nochtans impliceert de uitzonderingsbepaling in het stedenbouwkundig voorschrift een esthetische en zelfs artistieke toets, waaraan een loutere kwalitatieve gevelbekleding niet lijkt te voldoen. X-17.596-20/28 Beoordeling 33.
  65. Wat het eerste middelonderdeel betreft, moet er vooreerst op worden gewezen dat de effectstudie enkel een negatief “hitte eiland”– effect heeft opgemerkt met betrekking tot het aanvankelijk voorgestelde schoolplein. Zoals blijkt uit de overwegingen van het bestreden besluit, is aan deze opmerking uit de effectstudie tegemoetgekomen door in de gewijzigde vergunningsaanvraag meer vegetatie te voorzien op het schoolplein. Zoals reeds wordt opgemerkt in het auditoraatsverslag, betwisten de verzoekende partijen niet dat het bestreden besluit op dit punt afdoende rekening heeft gehouden met de effectstudie. 33.
  66. Voorts moet worden vastgesteld dat de bestreden vergunning –zoals is aanbevolen in de effectstudie – in vergroening voorziet door maatregelen zoals de aanplant van bomen en struiken en de inrichting van een groendak of een groene gevel. Uit wat in het middel wordt aangevoerd blijkt niet dat deze vergroening niet zou volstaan in het licht van de aanbevelingen uit de effectstudie om de mogelijke opwarming van de site tegen te gaan. 33.
  67. Zoals al opgemerkt in het auditoraatsverslag, preciseren de verzoekende partijen nergens welke blinde gevel binnen het project volgens hen ten onrechte niet vergroend wordt. Wel blijkt uit de gegevens van de zaak dat de verwerende partij voor twee blinde gevels aanvaard heeft dat niet moest worden overgegaan tot vergroening. In de – door het bestreden besluit bijgevallen – toelichtende nota bij de finale vergunningsaanvraag wordt dit als volgt verantwoord: In dit geval zijn de enige belangrijke blinde gevels

(1)de gevel van de Esplanade, die behandeld is met witte keramische potten, die deel uitmaakt van het oorspronkelijke ontwerp van de site, ongewijzigd is in het project en de ventilatie van de parkeergarage mogelijk maakt, en
(2)de muren van de “Spaanse trappen”, die zullen worden uitgevoerd in Belgische blauwe hardsteen, met verschillende afwerkingen, met het doel verschillende kleuren en tinten te creëren en er zo een decoratieve bekleding aan te geven. Hieruit volgt dat […] de enige blinde of gedeeltelijk blinde gevels van het project een decoratieve bekleding hebben en derhalve niet hoeven te worden vergroend. X-17.596-21/28 De verzoekende partijen maken niet aannemelijk dat de verwerende partij zonder deugdelijke grondslag aangenomen heeft dat de twee in de hiervoor aangehaalde verantwoording bedoelde gevels “een decoratieve bedekking hebben” in de zin van artikel 2.9.10 van het BBP. Uit de enkele omstandigheid dat over deze bedekking in de overwegingen van het bestreden besluit gesteld wordt dat ze bestaat uit edele en duurzame gevelmaterialen, volgt geen schending van artikel 2.9.10 van het BBP of enige andere aangevoerde rechtsregel.
  1. Wat betreft het tweede middelonderdeel moet worden vastgesteld dat in het aanvankelijke ontwerp waarover de effectstudie zich heeft uitgesproken de school en de crèche uitsluitend een toegang hadden langs de aan de zuidzijde gelegen Oratoriënberg. Het is naar aanleiding van dit ontwerp dat de effectstudie aanbeveelt om op de straat – en dus uitdrukkelijk niet op het terrein van de aanvrager – een kiss & ride-zone te creëren. In antwoord op deze aanbeveling is – zoals wordt uiteengezet in de overwegingen van het bestreden besluit – de aanvraag gewijzigd. Omdat er nog geen zekerheid was dat de stad Brussel de kiss & ride-zone op straat effectief zou aanleggen, werd een tweede toegang aan de noordzijde van de school en de crèche gecreëerd die via een groot overdekt voorplein aansluit op een groen wandelpad dat verbonden is met de Pachecolaan. Anders dan de verzoekende partijen voorhouden, is deze aanpassing wel degelijk (mede) bedoeld om de verzadiging van het autoverkeer in de Oratoriënberg tegen te gaan. Dat de aanpassing niet effectief zou zijn om deze doelstelling te bereiken, wordt door de verzoekende partijen niet aannemelijk gemaakt. De verzoekende partijen tonen met hun kritiek niet aan dat de motieven waarop de vergunningverlenende overheid zich gesteund heeft op foutieve gegevens gebaseerd zijn of de grenzen van de redelijkheid te buiten gaan, noch dat de vergunningverlenende overheid onzorgvuldig tewerk is gegaan.
  2. Het tweede middel wordt verworpen. X-17.596-22/28 C. Het derde middel Stanpunt van de partijen 36.
  3. Het derde middel is genomen uit de schending “van art. 18, 50 en 58 van [de op 18 juli 1966 gecoördineerde wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken (hierna: de bestuurstaalwet)], art. 43, 45, 46, 47, 48, 59 en Bijlage C, BWRO, van de materiële motiveringsplicht, van het redelijkheidsbeginsel en van het zorgvuldigheidsbeginsel, en met toepassing van art. 159 van de Grondwet”. 36.
  4. De verzoekende partijen betogen dat een ruimtelijk uitvoeringsplan zoals het BBP en het daaraan ten grondslag liggend milieueffectrapport moeten worden beschouwd als mededelingen in de zin van artikel 18 van de bestuurstaalwet en dus in Brussel-Hoofdstad tweetalig moeten zijn. Volgens de verzoekende partijen moet, krachtens dit artikel, een gemeentelijk bestuur dat hoort tot Brussel-Hoofdstad een milieueffectrapport integraal in de twee landstalen opstellen, en wanneer dat niet het geval is, is het rapport nietig. Een nietig milieueffectrapport tast de wettigheid aan van het ruimtelijk uitvoeringsplan dat op grond van dergelijk rapport is genomen. De verzoekende partijen lichten toe dat de behoorlijke organisatie van een openbaar onderzoek over een ruimtelijk uitvoeringsplan en het daaraan ten grondslag liggende milieueffectrapport van een publiekrechtelijke rechtspersoon zoals een Brusselse gemeente, tweetalig moet zijn opdat iedere belanghebbende met kennis van zaken zijn standpunt aan het bestuur kan mededelen. Een ruimtelijk uitvoeringsplan dat op grond van artikel 159 van de Grondwet buiten toepassing gelaten moet worden, kan geen wettige grondslag zijn voor een stedenbouwkundige vergunning. De verzoekende partijen wijzen er op dat in casu het BBP steunt op een basismilieueffectrapport dat in zijn initiële versie uitsluitend in het Frans is opgesteld. Zij benadrukken dat de initiatiefnemer van het BBP de stad Brussel is, die tevens de auteur is van de “mededelingen”, hetgeen taalplichten met zich meebrengt. Dit heeft als gevolg dat het milieueffectrapport integraal in het X-17.596-23/28 Nederlands en het Frans ter beschikking moet zijn van het publiek en dat het voegen van een tweetalige niet-technische samenvatting of een tweetalige aanvulling van het milieueffectrapport geen antwoord kan vormen op een vastgestelde strijdigheid met de bestuurstaalwet. 37.
  5. In haar memorie van antwoord voert de verwerende partij aan dat de verzoekende partijen geen belang hebben bij het middel, daar niet kan worden ingezien in welke mate de beweerde onregelmatigheid hun belangen daadwerkelijk en persoonlijk schaadt. 37.
  6. Ook de tussenkomende partijen werpen in hun memorie tot tussenkomst op dat het middel onontvankelijk is. Zij wijzen er op dat tweede en derde verzoekers niet in de omgeving woonachtig waren op het ogenblik dat het openbaar onderzoek over de milieueffectrapport voor het BBP – van 3 september tot 2 oktober 2010 – plaatsvond, zodat zij daaraan niet konden deelnemen. Hetzelfde geldt voor de eerste verzoekende partij die pas werd opgericht op 8 oktober
  7. Volgens de tussenkomende partijen kunnen de verzoekende partijen het gebrek aan belangenschade niet omzeilen door een onwettigheid via artikel 159 van de Grondwet te formuleren. Immers, wanneer een verzoekende partij geen belang heeft bij een middel in een rechtstreekse vordering tegen de gewraakte reglementaire akte, heeft zij a fortiori evenmin belang bij hetzelfde middel bij wege van exceptie van onwettigheid: de exceptie van onwettigheid kan een verzoekende partij niet méér rechten toekennen dan in een annulatieberoep gericht tegen de administratieve rechtshandeling zelf.
  8. In hun memorie van wederantwoord herinneren de verzoekende partijen er aan dat het niet vereist is om een bepaald bezwaar tijdens het openbaar onderzoek op te werpen, indien men de regelmatigheid van het op dit openbaar onderzoek steunende ruimtelijk uitvoeringsplan voor de Raad van State in vraag wil stellen. Daarbij komt dat het middel de openbare orde raakt omdat het betrekking heeft op de rechtsgrond van de bestreden akte. Als principe geldt bovendien dat een middel dat de schending van de bestuurstaalwet opwerpt de X-17.596-24/28 openbare orde raakt. Het belang van de verzoekende partij moet niet worden onderzocht, omdat de Raad van State het middel zelfs ambtshalve zou moeten opwerpen.
  9. In hun laatste memorie stellen de verzoekende partijen dat het auditoraatsverslag – dat de excepties van gebrek aan belang bij het middel bijvalt – ten onrechte het middel leest als een schending van de regels inzake het openbaar onderzoek bij de vaststelling van het BBP. Dit is echter niet de strekking van het middel dat opwerpt dat de bestreden vergunning onwettig is, omdat het onderliggend BBP op grond van artikel 159 van de Grondwet buiten toepassing gelaten moet worden. Het BBP steunt immers op een milieueffectrapport dat nietig is omdat het niet in de twee landstalen is opgesteld. Beoordeling
  10. Artikel 18, eerste lid, van de bestuurstaalwet – dit is de enige inhoudelijke bepaling van die wet die het middel geschonden acht – luidt: “Art.
  11. De plaatselijke diensten, die in Brussel-Hoofdstad gevestigd zijn, stellen de […] mededelingen […] die voor het publiek bestemd zijn in het Nederlands en in het Frans.” Dat er te dezen sprake is van een mededeling in de zin van artikel 18, eerste lid, van de bestuurstaalwet wordt in het verzoekschrift verantwoord door er op te wijzen dat het stadsbestuur van de stad Brussel over het milieueffectrapport – zoals het BWRO er haar toe verplichtte – een openbaar onderzoek heeft georganiseerd en dat van “[z]odra [een document] ter inzage van het publiek moet worden [gelegd], […] het als een […] mededeling aan het publiek [geldt]”. Uit het voorgaande volgt dat het wel degelijk terecht is dat in het auditoraatsverslag is vastgesteld dat het middel betrekking heeft op een schending van artikel 18, eerste lid, van de bestuurstaalwet bij het openbaar onderzoek dat de stad Brussel heeft georganiseerd over het milieueffectrapport waarop het BBP steunt. X-17.596-25/28 De taal waarin het milieueffectrapport tijdens het openbaar onderzoek ter inzage wordt gelegd, is een organisatiemodaliteit van dit openbaar onderzoek.
  12. In beginsel kan de schending van de modaliteiten van het openbaar onderzoek alleen met goed gevolg worden aangevoerd door wie aantoont dat hij door de betreffende schending is benadeeld. Anders dan de verzoekende partijen blijkbaar menen, moet aan het vereiste van het belang bij het middel geen meer soepele invulling worden gegeven omdat artikel 159 van de Grondwet wordt ingeroepen.
  13. Zoals de verzoekende partijen erkennen in hun memorie van wederantwoord, hebben zij niet deelgenomen aan het openbaar onderzoek over het milieueffectrapport waarop het BBP steunt en konden zij er onmogelijk aan deelnemen, daar de eerste verzoekende partij toentertijd nog niet bestond en de andere verzoekers er nog niet ter plaatse woonden. Daarbij komt dat bij het openbaar onderzoek over de bestreden vergunning enkel derde verzoeker een bezwaarschrift heeft ingediend, dat uitsluitend in het Frans is gesteld en waarin geen enkele opmerking is gemaakt over de taalwetgeving.
  14. De verzoekende partijen slagen er niet in aan te tonen dat zij benadeeld zouden zijn door de beweerd onwettige organisatiemodaliteit van het openbaar onderzoek over het milieueffectrapport waarop het BBP steunt.
  15. De van de verwerende en de tussenkomende partijen uitgaande excepties van onontvankelijkheid van het middel zijn gegrond.
  16. Het derde middel wordt verworpen. V. Conclusie X-17.596-26/28
  17. Gelet op de verwerping van alle middelen hiervoor, moet het beroep hoe dan ook worden verworpen. VI. Kosten
  18. Bij arrest nr. 22/2020 van 13 februari 2020 heeft het Grondwettelijk Hof de woorden “per verzoekende partij” vernietigd in artikel 4, § 4, eerste en derde lid, van de wet van 19 maart 2017 “tot oprichting van een Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand”, zoals het is ingevoegd bij de wet van 26 april
  19. Dit betekent dat de bijdrage, bedoeld in voormeld artikel slechts éénmaal is verschuldigd per verzoekschrift, ongeacht het aantal partijen. Bijgevolg is er aanleiding om de terugbetaling te bevelen van de onterecht betaalde bijdrage. BESLISSING
  20. De Raad van State verwerpt het beroep.
  21. De verzoekende partijen worden elk voor een derde verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 600 euro, en een bijdrage van 20 euro. De tussenkomende partijen worden elk voor een derde verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 450 euro. De door de verzoekende partijen onterecht betaalde bijdrage ten belope van 40 euro wordt aan hen terugbetaald. X-17.596-27/28 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van zeventien juni tweeduizend tweeëntwintig, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Johan Lust, kamervoorzitter, Jan Clement, staatsraad, Stephan De Taeye, staatsraad, bijgestaan door Silvan De Clercq, griffier. De griffier De voorzitter Silvan De Clercq Johan Lust X-17.596-28/28 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.254.033 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.