← België

Arrest 254049 - Tucht (openbaar ambt) - 21/06/2022

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 21 juni 2022 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.254.049 Rolnummer: A. 234780/IX-9961 Zaak: Arrest 254049 - Tucht (openbaar ambt) - 21/06/2022 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2022-06-23 Raadplegingen: 73 - laatst gezien 2026-06-10 07:06 Fiche Arrest nr 254.049 van 21 juni 2022 Openbaar ambt - Tucht (openbaar ambt) Beslissing : Vernietiging Verwerping Depersonalisatie Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE IXe KAMER nr. 254.049 van 21 juni 2022 in de zaak A. 234.780/IX-9961 In zake: XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Ann Coolsaet kantoor houdend te 2018 Antwerpen Arthur Goemaerelei 69 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën die woonplaats kiest bij de Centrale Rechtskundige Dienst van de FOD Financiën gevestigd te 1030 Brussel North Galaxy - Toren B Koning Albert II-laan 33 bus 15 -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het beroep, ingesteld op 13 oktober 2021, strekt tot de nietigverklaring en de schorsing van de tenuitvoerlegging van het koninklijk besluit van 31 augustus 2021 waarbij aan XXXX de tuchtstraf ‘ontslag van ambtswege’ wordt opgelegd. II. Verloop van de rechtspleging
  2. De verwerende partij heeft een nota ingediend. Eerste auditeur Rita Van Den Eeckhout heeft een verslag opgesteld over het beroep tot nietigverklaring met toepassing van artikel 93, eerste lid, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de IX-9961-1/25 rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’, en over de vordering tot schorsing met toepassing van artikel 12 van het koninklijk besluit van 5 december 1991 ‘tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State’. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 25 april
  3. Staatsraad Bruno Seutin heeft verslag uitgebracht. Advocaat Ann Coolsaet, die verschijnt voor de verzoekende partij en attaché Selim Dedeli, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Rita Van Den Eeckhout heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  4. III. Feiten 3.
  5. Verzoekster is adviseur-generaal (klasse A4) bij de algemene administratie van de Fiscaliteit van de federale overheidsdienst Financiën (hierna: de FOD Financiën) met standplaats te Gent. 3.
  6. Met een e-mail van 6 november 2015 wordt de hiërarchische overste van verzoekster door de adviseur-generaal gewestelijk directeur ervan in kennis gesteld dat aan verzoekster een bericht van wijziging is verzonden voor het aanslagjaar 2013 met toepassing van een belastingverhoging van 50% wegens fraude. Tevens wordt gemeld dat op 6 november 2015 een kennisgeving IX-9961-2/25 artikel 333 WIB 1992 voor de uitbreiding van de onderzoekstermijn op basis van een vermoeden van fraude is verstuurd. 3.
  7. Op 18 april 2018 wijst de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen verzoeksters vordering tot vernietiging van een aanslag in de personenbelasting met toepassing van een belastingverhoging voor het aanslagjaar 2013, af. Tegen die uitspraak tekent verzoekster hoger beroep aan. 3.
  8. Op 9 juli 2018 wordt verzoekster door haar hiërarchische overste met toepassing van artikel 78, § 2, van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 ‘houdende het statuut van het rijkspersoneel’ (hierna: het koninklijk besluit van 2 oktober 1937) uitgenodigd voor een verhoor in het kader van een tuchtprocedure. Deze oproep luidt: “Ingevolge de vaststelling van het hierna vermelde feit heb ik beslist om tegen u een tuchtprocedure op te starten. Vonnis van 18 april 2018 van de rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen, (sectie burgerlijke rechtbank), waarin de rechter wijst op de maatschappelijk volstrekt onbetamelijke handelwijze van mevrouw XXXX, bovendien in hoofde van een fiscaal ambtenaar met een belangrijke leidende functie, bestaande in een geveinsde handelsactiviteit om daaruit fiscaal voordeel te kunnen putten, hetgeen onmogelijk door de beugel kan. De rechter voegde eraan toe dat het opzetten van een vals gebleken constructie, ook volgehouden gedurende langere tijd, terecht werd gesanctioneerd als ingegeven met patent ontduikingsopzet. Overeenkomstig artikel 78,§2, van het K.B. van 2.10.1937 houdende het statuut van het rijkspersoneel, verzoek ik u zich aan te bieden op 21 augustus 2018, om 14 uur, in de vergaderzaal, […] om te worden gehoord over dit feit, dat een schending uitmaakt van artikel 7, §1, 1°, van het statuut : De rijksambtenaar oefent zijn ambt op loyale, zorgvuldige en integere wijze uit onder het gezag van zijn hiërarchische meerderen. Daartoe dient hij: 1° de van kracht zijnde wetten en reglementen na te leven, alsmede de richtlijnen díe hem gegeven worden in het kader van die wetten en reglementen; [...], U dient persoonlijk te verschijnen, maar u kan zich laten bijstaan door een persoon naar keuze. Tijdens het verhoor kan u geconfronteerd worden met getuigen. Bovendien kan u zelf getuigen laten oproepen. Mag ik u in voorkomend geval vragen IX-9961-3/25 mij hun naam en adres mee te delen vóór (datum). U heeft het recht om uw standpunt met betrekking tot voormeld feit met alle passende middelen kenbaar te maken. U beschikt daarenboven over de mogelijkheid om bijkomende onderzoeksmaatregelen te vragen. Er werd ter zake een tuchtdossier aangelegd. U kan hiervan tot (datum) inzage nemen, na voorafgaande (telefonische) afspraak, of een elektronische kopie opvragen. Tuchtrechtelijk strafbare feiten kunnen aanleiding geven tot oplegging van één van de volgende in artikel 77 van het statuut van het rijkspersoneel opgesomde tuchtstraffen :
  9. terechtwijzing ;
  10. inhouding van wedde ;
  11. verplaatsing bij tuchtmaatregel ;
  12. ontslag van ambtswege;
  13. afzetting. Mocht de hierboven vermelde datum van het verhoor niet kunnen gerespecteerd worden, dient u mij dit zo snel mogelijk te laten weten. Er zal dan een andere datum worden overeengekomen.” Op vraag van verzoekster wordt het verhoor uitgesteld. 3.
  14. Op 22 augustus 2018 wordt verzoekster door haar hiërarchische overste opnieuw uitgenodigd voor een verhoor in het kader van een tuchtprocedure met toepassing van artikel 78, § 2, van het koninklijk besluit van 2 oktober
  15. Die oproep luidt: “Gelet op de brief, dd. 24 juli 2018, van uw raadsman, stuur ik u hierbij, in het kader van de opgestarte tuchtprocedure, een nieuwe oproeping voor een verhoor ingevolge de vaststelling van het hierna vermelde feit : Vonnis van 18 april 2018 van de rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen, (sectie burgerlijke rechtbank), waarin de rechter wijst op de maatschappelijk volstrekt onbetamelijke handelwijze van mevrouw XXXX, bovendien in hoofde van een fiscaal ambtenaar met een belangrijke leidende functie, bestaande in een geveinsde handelsactiviteit om daaruit fiscaal voordeel te kunnen putten, hetgeen onmogelijk door de beugel kan. De rechter voegde eraan toe dat het opzetten van een vals gebleken constructie, ook volgehouden gedurende langere tijd, terecht werd gesanctioneerd als ingegeven met patent ontduikingsopzet. Overeenkomstig artikel 78,§2, van het K.B. van 2.10.1937 houdende het statuut van het rijkspersoneel, verzoek ik u zich aan te bieden op 8 oktober 2018, om 14 uur, in de vergaderzaal […] om te worden gehoord over dit feit, dat een schending uitmaakt van artikel 7, §1, 1°, van het statuut : […].” IX-9961-4/25 3.
  16. Op 8 oktober 2018 verschijnt verzoekster, bijgestaan door haar raadsman, om “overeenkomstig artikel 78, § 2, van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 houdende het statuut van het rijkspersoneel, om tuchtredenen, gehoord te worden over de feiten die haar ten laste worden gelegd”. Het verhoor gebeurt door verzoeksters hiërarchische overste, bijgestaan door een adviseur bij de stafdienst Personeel en Organisatie. De adviseur bij de stafdienst Personeel en Organisatie schetst de feiten zoals uiteengezet in de oproepingsbrief. Hij stelt dat de vaststelling van de feiten is gebeurd met de ontvangst van het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen zodat de administratie nog binnen de termijn van zes maanden voor het opstarten van een tuchtdossier zit. Voorts geeft hij te kennen dat er nog geen definitieve gerechtelijke uitspraak is en dat de enige reden voor de oproeping de stuiting van de verjaring is, in afwachting van een definitieve uitspraak door het hof van beroep te Antwerpen. 3.
  17. Op 16 mei 2019 vraagt de minister van Financiën aan de voorzitter van de Vaste Commissie voor Taaltoezicht (hierna: de VCT) welke taalkennis de hiërarchische overste van een ambtenaar van een andere taalrol tegen wie een tuchtprocedure loopt, precies moet bezitten. 3.
  18. De voorzitter van de VCT verwijst in zijn antwoord van 19 juni 2019 naar de artikelsgewijze commentaar in de memorie van toelichting bij het wetsontwerp tot invoeging van de artikelen 43ter, 44bis, 46bis, 69 en 70 in de gecoördineerde wetten van 18 juli 1966 ‘op het gebruik van de talen in bestuurszaken’ (hierna: de bestuurstaalwet), waarin te lezen valt (Parl.St. Kamer, 2001-2002, nr. 1458/001, 21): “In geval van tuchtzaken, welke zoals gesteld quasi-jurisdictionele zaken zijn, wordt de houder van een management-functie, in het kader van het respect van de rechten van verdediging, bijgestaan door een persoon die in de toekomst aangeduid is om de eenheid van rechtspraak te verzekeren. In afwachting zal hij bijgestaan worden door zijn tweetalige adjunct en eens hij zijn functionele tweetaligheid bewezen heeft door een officieel tweetalige zolang er geen persoon is die de eenheid van rechtspraak – kennis bewezen IX-9961-5/25 heeft.” Hij besluit dat de hiërarchische overste in beginsel moet beschikken over een taalattest bedoeld in artikel 7 of artikel 12 van het koninklijk besluit van 8 maart 2001 ‘tot vaststelling van de voorwaarden voor het uitreiken van de bewijzen omtrent de taalkennis voorgeschreven bij artikel 53 van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken samengevat op 18 juli 1966’ (hierna: het koninklijk besluit van 8 maart 2001) maar dat op dit moment een taalattest bedoeld in artikel 10bis en artikel 11bis van het koninklijk besluit van 8 maart 2001 is toegelaten. 3.
  19. Bij arrest van 26 november 2019 verklaart het hof van beroep te Antwerpen verzoeksters beroep ontvankelijk doch ongegrond. 3.
  20. Met een e-mail van 20 december 2019 stuurt een attaché van de FOD Financiën het voormelde arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen naar de administrateur-generaal van de algemene administratie van de Fiscaliteit. In die e-mail wordt aan de administrateur-generaal gemeld dat het aangewezen is de tuchtprocedure lastens verzoekster voort te zetten, dat gelet op het feit dat verzoekster tot de Nederlandstalige taalrol behoort het verhoor dient te gebeuren door iemand met de vereiste taalkennis, dat verzoeksters hiërarchische overste een taalattest artikel 10bis heeft wat niet volstaat om verzoekster te kunnen verhoren en dat de administrateur-generaal gelet op zijn taalattesten artikel 10bis en artikel 11bis wel het verhoor kan afnemen. De administrateur-generaal wordt vervolgens gevraagd wanneer hij verzoekster zou kunnen verhoren. 3.
  21. Op 9 januari 2020 wordt verzoekster door de administrateur-generaal met toepassing van artikel 78, § 2, van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 uitgenodigd voor een verhoor in het kader van een tuchtprocedure. Deze oproep luidt: “Gelet op het tuchtverhoor dd. 8 oktober 2018 en de beslissing om de tuchtprocedure te schorsen tot het uitbrengen van een arrest door het Hof van Beroep in het kader van de rechtszaak waarbij u in eerste aanleg veroordeeld bent geweest; IX-9961-6/25 Gelet op het arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen van 26 november 2019, stuur ik u hierbij een nieuwe oproeping voor een verderzetting van het verhoor inzake het volgende feit : Vonnis van 18 april 2018 van de rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen, (sectie burgerlijke rechtbank), waarin de rechter wijst op de maatschappelijk volstrekt onbetamelijke handelwijze van mevrouw XXXX, bovendien in hoofde van een fiscaal ambtenaar met een belangrijke leidende functie, bestaande in een geveinsde handelsactiviteit om daaruit fiscaal voordeel te kunnen putten, hetgeen onmogelijk door de beugel kan. De rechter voegde eraan toe dat het opzetten van een vals gebleken constructie, ook volgehouden gedurende langere tijd, terecht werd gesanctioneerd als ingegeven met patent ontduikingsopzet. Op 26 november 2019 heeft het Hof van beroep Antwerpen, kamer B6M burgerlijke zaken, het beroep tegen het voormelde vonnis ontvankelijk doch ongegrond verklaard. Het voormelde vonnis blijft bijgevolg behouden. Overeenkomstig artikel 78,§2, van het K.B. van 2.10.1937 houdende het statuut van het rijkspersoneel, verzoek ik u zich aan te bieden op woensdag 5 februari 2020, om 10 uur, in de vergaderzaal […] om te worden gehoord over dit feit, dat een schending uitmaakt van artikel 7, §1, 1°, van het statuut : […].” 3.
  22. Op 5 februari 2020 wordt verzoekster verhoord door de administrateur-generaal van de algemene administratie van de Fiscaliteit, bijgestaan door een adviseur bij de stafdienst Personeel en Organisatie. 3.
  23. Met brieven van 3 juli 2020 en 5 augustus 2020 wordt verzoekster opgeroepen om te verschijnen voor het directiecomité. 3.
  24. Na verzoekster op 28 augustus 2020 te hebben gehoord, stelt het directiecomité op 7 september 2020 voor om verzoekster de tuchtstraf ‘ontslag van ambtswege’ op te leggen. 3.
  25. Tegen dat voorstel stelt verzoekster op 11 september 2020 beroep in bij de raad van beroep inzake tuchtzaken voor ambtenaren (hierna: de raad van beroep). 3.
  26. Na verzoekster te hebben gehoord, adviseert de raad van beroep op 18 februari 2021 unaniem om het voorstel van tuchtstraf te vernietigen. De raad van beroep is van oordeel dat de tuchtprocedure van bij de aanvang – met de uitnodigingen voor een tuchtverhoor door verzoeksters hiërarchische overste – is IX-9961-7/25 opgestart met miskenning van de bestuurstaalwet die van openbare orde is. Daaruit volgt dat de gevoerde tuchtprocedure en het eruit voortvloeiend tuchtvoorstel nietig zijn. 3.
  27. Bij koninklijk besluit van 31 augustus 2021 wordt aan verzoekster de tuchtstraf ‘ontslag van ambtswege’ opgelegd, met ingang van 1 september
  28. Dat is de bestreden beslissing. IV. Toepassing kortedebattenprocedure A. Vooraf
  29. Het auditoraat heeft geoordeeld dat de beslechting van het geschil kan worden afgedaan met korte debatten in de zin van artikel 93, eerste lid, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’. Het heeft het eerste en het derde middel gegrond bevonden. B. Eerste middel Standpunt van de partijen
  30. Het eerste middel is genomen uit de schending van artikel 81, § 3, van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 doordat de tuchtfeiten op het moment van het instellen van de tuchtvordering reeds waren verjaard. Verzoekster voert aan dat de tuchtoverheid in kennis is gesteld van de feiten die het voorwerp vormen van de tuchtprocedure met een e-mail van 6 november 2015 van de adviseur-generaal gewestelijk directeur aan verzoeksters hiërarchisch meerdere. In die e-mail wordt gesteld dat een bericht van wijziging is verzonden voor het aanslagjaar 2013 met toepassing van een belastingverhoging IX-9961-8/25 van 50 % wegens fraude en dat op 6 november 2015 een kennisgeving artikel 333 WIB 1992 voor de uitbreiding van de onderzoekstermijn op basis van een vermoeden van fraude is verzonden. Die e-mail heeft de in artikel 81, § 3, van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 bedoelde verjaringstermijn van zes maanden doen aanvangen. De tuchtoverheid had op dat moment voldoende kennis van de feiten om de tuchtprocedure te starten. Binnen het bestuur was de overtreding immers een vaststaand gegeven, gelet op het bericht van wijziging met een belastingverhoging wegens fraude. Minstens beschikte de tuchtoverheid op dat moment over voldoende gegevens om desgevallend een onderzoek te gelasten. De feiten verjaarden derhalve op 6 mei
  31. De oproeping, met toepassing van artikel 78, § 2, van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937, om over de feiten te worden gehoord en waarmee de tuchtprocedure wordt opgestart, dateert echter pas van 9 juli
  32. De feiten waren op dat moment onmiskenbaar verjaard en de tuchtoverheid kon er dan ook geen tuchtstraf meer voor opleggen. Volgens verzoekster is er geen enkele rechtsregel of beginsel van behoorlijk bestuur waarop de tuchtoverheid zich kan beroepen om te stellen dat de verjaring zou zijn geschorst of gestuit en zij bespreekt vervolgens de gronden die de verwerende partij daartoe aanhaalt. Voorafgaandelijk merkt zij op dat in de bestreden beslissing niet wordt betwist dat de tuchtoverheid op 6 november 2015 in kennis is gesteld over welke feiten het ging en dat ook wordt bevestigd dat binnen de fiscale diensten de overtreding een vaststaande zaak was. Volgens verzoekster wordt in de bestreden beslissing dan echter ten onechte overwogen dat het niet is omdat de fiscale diensten fiscale fraude vaststellen dat er reeds tuchtrechtelijk kan worden opgetreden. De verjaringstermijn van zes maanden begint immers onherroepelijk te lopen vanaf de vaststelling of de kennisname van de feiten en de tuchtoverheid erkent dat de feiten duidelijk waren en dat de fiscale overtreding vaststond op 6 november
  33. Voorts wordt, aldus verzoekster, in de bestreden beslissing eveneens ten onrechte gesteld dat indien de ambtenaar de fiscale overtreding betwist de administratie niet tegelijk als partij en tuchtrechter kan optreden, reden waarom geen tuchtonderzoek is opgestart. Er is geen enkele rechtsgrond waaruit blijkt dat niet tuchtrechtelijk kan worden opgetreden indien het personeelslid de tuchtfeiten betwist. Een ontkenning van de IX-9961-9/25 feiten door het personeelslid belet niet dat de tuchtoverheid het bewijs van de tuchtfeiten levert, desgevallend na het voeren van een tuchtonderzoek. Bovendien is het zo dat de administratie geenszins optreedt als tuchtrechter, maar als tuchtoverheid. Volgens verzoekster kan de conclusie die in de bestreden beslissing uit die onjuiste premissen wordt getrokken, namelijk dat terecht een rechterlijke uitspraak is afgewacht, dan ook geenszins worden bijgevallen. Zij argumenteert dat de tuchtoverheid, die het bewijs voor de tuchtfeiten moet leveren, er vrijwillig voor heeft gekozen hiervoor te wachten op de uitkomst van de burgerlijke bezwaarprocedure. Dit belet niet dat de verjaringstermijn is aangevangen met de niet-betwiste kennisname van de feiten op 6 november 2015 en de burgerlijke bezwaarprocedure schorst geenszins de verjaringstermijn. Door haar keuze om te wachten op het resultaat van de burgerlijke bezwaarprocedure heeft de tuchtoverheid de tuchtfeiten onherroepelijk laten verjaren. Vervolgens stelt verzoekster dat in de bestreden beslissing ook onterecht wordt verwezen naar de ten tijde van de vaststelling van de feiten van toepassing zijnde regel dat de strafvervolging de tuchtvervolging schorst. In casu is er immers geen strafvordering uitgeoefend. De overweging in de bestreden beslissing dat fiscale strafmaatregelen voor fiscale fraude te beschouwen zijn als straffen in de zin van artikel 6, lid 1, van het Europees Verdrag over de Rechten van de Mens (hierna: EVRM) en dat “wanneer fiscale strafsancties kunnen worden opgelegd dit strafsancties blijven die onderworpen blijven aan de strafrechtelijke procedures ook wanneer zij door een burgerlijke rechter beoordeeld worden” is volgens verzoekster dan weer niet dienstig. De enige vraag die rijst om na te gaan of de tuchtoverheid zich kan beroepen op de schorsing van de tuchtprocedure – of na de wijziging van artikel 81 van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 in 2016 op de stuiting van de verjaring door de strafvordering – is of de feiten het voorwerp hebben uitgemaakt van de uitoefening van een strafvordering. Dit is te dezen geenszins het geval. Er is enkel een burgerrechtelijke procedure gevoerd. Op geen enkel ogenblik is het dossier aan de procureur des Koning, die als enige bevoegd is om de strafvordering in te stellen, bezorgd. En het loutere feit dat bepaalde fiscale sancties beschouwd kunnen worden als sancties in de zin van artikel 6, lid 1, EVRM impliceert nog niet dat er sprake is van een uitoefening van de strafvordering. Ten slotte wordt, aldus verzoekster, in de bestreden beslissing ten IX-9961-10/25 onrechte verwezen naar de toepassing van het zorgvuldigheidsbeginsel bij de feitenvinding. Volgens de tuchtoverheid staan de tuchtfeiten en hun kwalificatie als tuchtfeit enkel onbetwistbaar vast nadat ze door een onafhankelijke rechterlijke instantie zijn vastgesteld. Dit is manifest onjuist: de bewijslast van de feiten rust op de tuchtoverheid en niet op de burgerlijke rechter. Indien de tuchtoverheid op 6 november 2015 van oordeel was dat de ten laste gelegde feiten onvoldoende bewezen waren dan gebood de zorgvuldigheidsplicht haar om zelf bewijzen voor de vermeende feiten te verzamelen. De tuchtoverheid heeft er echter vrijwillig voor gekozen om de burgerlijke bezwaarprocedure af te wachten. Zoals uiteengezet, heeft dit niet belet dat de tuchtfeiten verjaard zijn. Een burgerlijke procedure schorst immers nooit de verjaringstermijn in tuchtzaken.
  34. De verwerende partij antwoordt dat verzoekster, die aanvoert dat de tuchtoverheid op 6 november 2015 kennis had van de tuchtfeiten, niet duidelijk maakt waarom het nieuwe artikel 81, § 3, van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 – zoals vervangen bij artikel 5 van het koninklijk besluit van 3 augustus 2016 ‘tot wijziging van diverse tuchtrechtelijke bepalingen betreffende het Rijkspersoneel’ dat op 1 oktober 2016 in werking is getreden – op het voorliggende geval van toepassing zou zijn. Zij erkent evenwel dat zowel de nieuwe als de oude verjaringsregel – vervat in artikel 81, § 5, van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 – bepalen dat de tuchtfeiten verjaren na verloop van zes maanden. Zij wijst vervolgens op de bewoordingen van beide bepalingen waaruit blijkt dat de tuchtfeiten “onomstootbaar moeten zijn vastgelegd door de tuchtoverheid opdat de termijn van zes maanden begint te lopen”. Volgens de verwerende partij begint de verjaring dan ook niet te lopen als de feiten nog niet met zekerheid vaststaan. Zij wijst er ook op dat de tuchtoverheid ertoe gehouden is de zorgvuldigheidsplicht te respecteren waardoor zij bepaalde feiten niet zonder meer als definitief vastgestelde tuchtfeiten kan beschouwen indien die feiten met klem worden betwist door de betrokkene. Voorts verwijst de verwerende partij ook naar het destijds van toepassing zijnde (oude) artikel 81, § 3, van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 dat bepaalde dat indien er samen met de tuchtprocedure een strafprocedure aan de gang was de tuchtprocedure automatisch moest worden opgeschort. Die bepaling is vervolgens gewijzigd bij artikel 5 van het koninklijk IX-9961-11/25 besluit van 3 augustus 2016 ‘tot wijziging van diverse tuchtrechtelijke bepalingen betreffende het Rijkspersoneel’ waardoor het ambtshalve karakter van de schorsing van de tuchtprocedure tijdens het verloop van de strafprocedure is weggenomen. Vervolgens argumenteert de verwerende partij dat de tuchtoverheid op 6 november 2015 door de gewestelijk directeur ervan in kennis is gesteld dat aan verzoekster een bericht van wijziging met toepassing van een belastingverhoging wegens fraude is verstuurd. Daarover bestaat geen discussie. Het ontvangen van een dergelijk bericht van wijziging kan volgens de verwerende partij echter niet zonder meer worden beschouwd als onomstootbaar bewijs omdat dit steeds kan worden aangevochten door de betrokken belastingplichtige. Verzoekster heeft trouwens de fiscale aanslag betwist, eerst voor de rechtbank van eerste aanleg en vervolgens voor het hof van beroep. In die omstandigheden kan de tuchtoverheid de feiten juridisch pas als voldoende vastgesteld beschouwen na de definitieve afloop van de gerechtelijke procedure. Het is dan ook pas vanaf de kennisname van het in kracht van gewijsde getreden arrest van 26 november 2019 van het hof van beroep te Antwerpen dat de verjaringstermijn bedoeld in artikel 81, § 3, van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 een aanvang heeft genomen. Verzoekster is op 9 januari 2020 opgeroepen om te worden gehoord, hetgeen binnen de verjaringstermijn van zes maanden is. Volgens de verwerende partij zou de tuchtoverheid, indien zij zou zijn vertrokken vanuit de vaststelling van de feiten zoals gedaan door de fiscale diensten terwijl die met klem worden betwist door verzoekster, zich in een positie plaatsen waarin zij zowel partij is als rechter met een schending van het recht van verdediging en het onpartijdigheidsbeginsel tot gevolg. Tot slot wijst de verwerende partij erop dat aan verzoekster een fiscale strafsanctie is opgelegd. Het feit dat zij deze strafsanctie voor de fiscale rechter heeft aangevochten verandert volgens haar niets aan het kenmerk van die sanctie, die een strafsanctie blijft in de zin van artikel 6, lid 1, EVRM. IX-9961-12/25 Beoordeling
  35. Artikel 81, § 3, van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 luidt: “De tuchtoverheid kan geen tuchtrechtelijke vervolging meer instellen na verloop van een termijn van zes maanden na de vaststelling of de kennisname door de tuchtoverheid van de daarvoor in aanmerking komende feiten. De tuchtvervolging wordt geacht te zijn ingesteld van zodra de tuchtoverheid de ambtenaar op de hoogte brengt van de tuchtprocedure zoals voorzien in artikel 78, § 2.” Artikel 78, § 2, eerste lid, van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 bepaalt: “De tuchtprocedure start door een oproeping gericht aan de ambtenaar door de bevoegde hiërarchische meerdere. In deze oproepingsbrief wordt de ambtenaar geïnformeerd over de feiten die hem ten laste worden gelegd en over het feit dat een tuchtprocedure tegen hem wordt opgestart.”
  36. Opdat er sprake zou zijn van een ‘vaststelling’ of ‘kennisname’ van feiten door de tuchtoverheid die de in artikel 81, § 3, van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 bedoelde verjaringstermijn van zes maanden doet ingaan, is vereist dat de tuchtoverheid over voldoende precieze en bewijskrachtige gegevens beschikt met betrekking tot die feiten zodat zij met kennis van zaken kan oordelen of het opportuun is om een tuchtprocedure te voeren. Indien de tuchtoverheid over voldoende precieze en bewijskrachtige gegevens beschikt zodat de feiten als voldoende vaststaand kunnen worden beschouwd, heeft dit onherroepelijk tot gevolg dat de verjaringstermijn een aanvang heeft genomen.
  37. In de bestreden beslissing valt omtrent de verjaring van de feiten te lezen: “Overwegende dat op 6 november 2015 [de] directeur centrum P Mechelen, aan [verzoeksters hiërarchische overste] een e-mail heeft gestuurd om een mogelijke fiscale onregelmatigheid in hoofde van mevrouw XXXX te IX-9961-13/25 signaleren; dat op dat moment aan betrokkene een belastingverhoging van 50% wegens fraude ten laste werd gelegd; dat een kennisgeving art. 333 WIB’92 is verzonden; dat de tuchtoverheid op dat moment wist over welke concrete feiten het ging; dat daar geen betwisting over bestaat; Overwegende dat de tuchtoverheid die over voldoende aanwijzingen beschikt omtrent de feiten om een onderzoek te doen dit ook moet doen; dat de verjaring derhalve niet begint te lopen als de feiten nog niet met zekerheid vast staan; Overwegende dat binnen de fiscale diensten de overtreding een vaststaande zaak was: er was een bericht van wijziging verstuurd, een belastingverhoging, etc.; Overwegende dat het niet is omdat de fiscale diensten volgens hun inzicht een fiscale fraude vaststellen dat er ook reeds tuchtrechtelijk kan opgetreden worden; dat als de betrokken ambtenaar de fiscale overtreding betwist, de administratie niet als betrokken partij en als tuchtrechter kan optreden; dat er daarom ook niet dadelijk een tuchtonderzoek werd opgestart dat daarom terecht een rechterlijke uitspraak werd afgewacht; Gelet op de toen van toepassing zijnde reglementering die stelde dat strafrechtelijke procedures de tuchtprocedures schorsen (artikelen 28 en 29 van het koninklijk besluit van 3 augustus 2016 tot wijziging van diverse tuchtrechtelijke bepalingen betreffende het Rijkspersoneel); Overwegende dat fiscale strafmaatregelen, zeker degene die voor fiscale fraude kunnen worden opgelegd, te beschouwen zijn als straffen in de zin van artikel 6.1 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens; dat wanneer fiscale strafsancties kunnen worden opgelegd dit strafsancties blijven die onderworpen blijven aan de strafrechtelijke procedures ook wanneer zij door een burgerlijke rechter beoordeeld worden; Overwegende dat de beginselen van behoorlijk bestuur en inzonderheid het beginsel van de zorgvuldigheid vereisen dat de overheid bij het opleggen van tuchtsancties ten aanzien van ambtenaren-generaal een zorgvuldigheids- plicht wordt opgelegd zodat enkel sancties kunnen worden opgelegd voor inbreuken die niet voor redelijke betwisting vatbaar zijn; dat dit uiteraard in de voorliggende zaak enkel het geval is wanneer deze inbreuken door onafhankelijke rechterlijke instanties zijn vastgesteld; dat zolang daarover – gelet op de volgehouden betwisting van mevrouw XXXX - geen zekerheid bestond, geen tuchtmaatregel kon worden genomen.” 10.
  38. Verzoekster is van oordeel dat de tuchtoverheid op 6 november 2015 over voldoende gegevens beschikte zodat de feiten op dat moment als voldoende vaststaand konden worden beschouwd en de verjaringstermijn een aanvang heeft genomen. 10.
  39. Noch in de bestreden beslissing, noch in de nota, betwist de verwerende partij dat de feiten haar op 6 november 2015 bekend waren. De tuchtoverheid verwijst in de bestreden beslissing naar de e-mail van IX-9961-14/25 6 november 2015 aan verzoeksters hiërarchische overste waarmee hij ervan in kennis wordt gesteld dat aan verzoekster een bericht van wijziging is verzonden voor het aanslagjaar 2013 met toepassing van een belastingverhoging van 50 % wegens fraude en dat op 6 november 2015 een kennisgeving artikel 333 WIB 1992 is verzonden voor de uitbreiding van de onderzoekstermijn op basis van een vermoeden van fraude. Voorts overweegt de tuchtoverheid ook uitdrukkelijk “dat binnen de fiscale diensten de overtreding een vaststaande zaak was”. De tuchtoverheid wist derhalve op 6 november 2015 op welke feiten zij een eventuele tuchtrechtelijke vervolging van verzoekster kon steunen. 10.
  40. De verwerende partij wijst er echter op dat verzoekster de feiten heeft betwist voor de rechtbank van eerste aanleg en voor het hof van beroep. In die omstandigheden zou de tuchtoverheid de feiten juridisch pas als voldoende vastgesteld kunnen beschouwen na de definitieve afloop van de gerechtelijke procedure. Die argumentatie kan niet worden bijgevallen. De loutere omstandigheid dat verzoekster het bestaan van de feiten betwist, dan wel de interpretatie of de kwalificatie ervan als inbreuk op de fiscale regelgeving of als tuchtfeit, en dit al dan niet via burgerrechtelijke weg, heeft op zich geen invloed op de aanvang van de verjaringstermijn. Artikel 81, § 3, van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 gaat uit van de kennisname of de vaststelling door de tuchtoverheid van (het bestaan van) de feiten die voor tuchtvervolging in aanmerking komen. Dit moet worden onderscheiden van de vraag of de feiten in juridisch opzicht terecht aanleiding geven tot een verhoogde aanslag (wegens fraude), hetgeen in casu ook het voorwerp uitmaakte van een betwisting voor de burgerlijke rechtbank. 10.
  41. In zoverre de verwerende partij stelt dat de feiten nog niet met zekerheid vaststonden, dan heeft zij het niet zozeer over de feitelijke omstandigheden op zich, maar wel over de interpretatie of de kwalificatie van de feiten door de belastingdiensten als zijnde frauduleus, hetgeen zij definitief bevestigd wil zien door de rechter. Een dergelijke kennisname of vaststelling van IX-9961-15/25 de feiten wordt evenwel niet beoogd door artikel 81, § 3, van het koninklijk besluit van 2 oktober
  42. 10.
  43. De argumentatie van de verwerende partij dat de tuchtvordering is uitgesteld omdat zij wilde vermijden zowel rechter als partij te zijn bij het gelijktijdige verloop van een tucht- en burgerlijke bezwaarprocedure kan evenmin worden aanvaard. Artikel 81, § 3, van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 voorziet namelijk niet in een dergelijke uitzondering. 10.
  44. In zoverre de verwerende partij verwijst naar het strafrechtelijk karakter van de door verzoekster gevoerde procedure die de schorsing van de tuchtprocedure zou verantwoorden, wordt met verzoekster vastgesteld dat in casu geen strafrechtelijke procedure is gevoerd die de opschorting van de tuchtrechtelijke procedure kan verantwoorden. 10.
  45. Tot slot kan ook het zorgvuldigheidsbeginsel waarnaar de verwerende partij verwijst de toepassing van artikel 81, § 3, van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 niet teniet doen.
  46. Er moet dan ook worden aangenomen dat de tuchtoverheid reeds op 6 november 2015 over voldoende gegevens beschikte zodat de feiten op dat moment als voldoende vaststaand konden worden beschouwd. Of die feiten dan werkelijk tot een tuchtstraf noopten, en welke dan wel, behoorde in de loop van de tuchtprocedure uitgeklaard te worden, waarbij ook verzoekster haar argumenten ter betwisting of ter interpretatie van de feiten kon doen gelden. De tuchtoverheid diende, indien zij de feiten tuchtrechtelijk wou beteugelen, in elk geval de tuchtprocedure op te starten binnen de zes maanden te rekenen vanaf 6 november
  47. Zoals hierna uit de beoordeling van het derde middel zal blijken, is de oproeping om te worden gehoord in het kader van een tuchtprocedure zoals bedoeld in artikel 78, § 2, eerste lid, van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937, aan verzoekster verstuurd op 9 juli
  48. Op dat moment waren de tuchtfeiten met IX-9961-16/25 toepassing van artikel 81, § 3, van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 reeds verjaard.
  49. Het eerste middel is gegrond. C. Derde Middel Standpunt van de partijen
  50. Het derde middel is genomen uit de schending van artikel 43ter, § 7, vijfde lid, van de bestuurstaalwet, artikel 78, § 2, eerste lid, van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 en artikel 6 van het ministerieel besluit van 30 november 2016 ‘tot aanwijzing, bij de Federale Overheidsdienst Financiën, van de bevoegde hiërarchische meerderen voor de toepassing van artikel 78 van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 houdende het statuut van het Rijkspersoneel’ (hierna: het ministerieel besluit van 30 november 2016). Verzoekster voert aan dat de tuchtprocedure is opgestart door haar hiërarchische overste – met de oproep tot verhoor van 9 juli 2018 – die op dat moment niet beschikte over het taalcertificaat vereist door artikel 43ter, § 7, vijfde lid, van de bestuurstaalwet om op te treden in een tuchtprocedure tegen een ambtenaar van de andere taalrol. Zij licht toe dat haar hiërarchische overste bij het opstarten van de tuchtprocedure slechts in het bezit was van een taalattest bedoeld in artikel 10bis van het koninklijk besluit van 8 maart
  51. Uit het advies van de VCT van 19 juni 2019 blijkt echter dat de hiërarchische meerdere die de tuchtprocedure start in principe in bezit moet zijn van een taalcertificaat bedoeld in artikel 7 of artikel 12 van het koninklijk besluit van 8 maart 2001, maar dat op dat moment ook een taalcertificaat bedoeld in artikel 10bis en artikel 11bis van het koninklijk besluit van 8 maart 2001 was toegestaan. Een taalattest artikel 10bis volstaat echter niet en met toepassing van artikel 6 van het ministerieel besluit van 30 november 2016 diende haar hiërarchische meerdere te worden vervangen. Dit is echter niet meteen IX-9961-17/25 gebeurd. Pas vanaf de oproeping van 9 januari 2020 is de hiërarchische meerdere vervangen door de administrateur-generaal. De naleving van artikel 78, § 2, van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 mag echter geen afbreuk doen aan de bestuurstaalwet. Een ambtenaar van de Franse taalrol die niet de vereiste kennis van het Nederlands bewijst, kan niet optreden als hiërarchische meerdere in de zin van artikel 78, § 2, van het koninklijk besluit van 2 oktober
  52. Aangezien de tuchtprocedure is gestart in strijd met de bestuurstaalwet die de openbare orde raakt, moet worden vastgesteld dat geen geldige tuchtvervolging is gestart. Verzoekster merkt op dat de raad van beroep in zijn advies van 18 februari 2021 unaniem heeft geoordeeld dat de tuchtprocedure is opgestart met miskenning van de bestuurstaalwet. Ook de administrateur-generaal is volgens verzoekster die mening toegedaan, reden waarom hij haar heeft uitgenodigd voor een verhoor op 5 februari
  53. Verzoekster is van oordeel dat in de bestreden beslissing ten onrechte wordt overwogen dat zij niet heeft aangevoerd dat zij de vragen tijdens het verhoor niet zou hebben begrepen, dat zij geen taalkundige opmerkingen heeft geformuleerd en dat haar recht van verdediging niet is geschonden. Het is niet alleen de bedoeling van de bestuurstaalwet dat zij de hiërarchische overste begrijpt, maar ook dat de hiërarchische overste verzoekster ten volle begrijpt in alle nuances van haar verweer. Bij gebrek aan de door de bestuurstaalwet vereiste taalcertificaten op het moment van het verhoor wordt het bewijs daarvan niet geleverd. Bovendien heeft verzoekster misleidende informatie gekregen doordat haar met een e-mail van 15 juni 2018 is meegedeeld dat de hiërarchische overste de vereiste taalcertificaten heeft behaald. Haar belangen zijn dus wel degelijk geschaad. Daarenboven is de bestuurstaalwet van openbare orde. Een loutere schending ervan volstaat om tot de nietigheid van de tuchtprocedure te besluiten en belangenschade moet niet worden aangetoond. Voorts is volgens verzoekster de overweging in de bestreden beslissing dat zij nadien ook door de administrateur-generaal – die wel over de vereiste taalcertificaten beschikt – is gehoord, niet dienstig. Het feit dat latere stappen in de tuchtprocedure correct zijn verlopen, doet immers geen afbreuk aan het feit dat de tuchtprocedure is opgestart IX-9961-18/25 in strijd met de bestuurstaalwet. Ten slotte wordt, aldus verzoekster, in de bestreden beslissing ook nog ten onrechte overwogen dat het verhoor door haar hiërarchische meerdere geen echt verhoor was, maar een gesprek dat neerkwam op het polsen naar haar intenties met betrekking tot de burgerrechtelijke procedure. Dit wordt tegengesproken door de stukken van het tuchtdossier waaruit duidelijk blijkt dat zij is opgeroepen met toepassing van artikel 78, § 2, van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 en dat het niet om een vrijblijvend gesprek ging.
  54. De verwerende partij antwoordt dat de uitnodiging van verzoekster op 8 oktober 2018 door haar hiërarchische overste kaderde in een bevraging van verzoekster met betrekking tot haar voornemen inzake de fiscale aanslag. Het betrof louter een onderzoeksdaad met als doel inzicht te krijgen in de juiste toedracht van de feiten en er kan dan ook niet worden ingezien hoe verzoeksters belangen geschaad kunnen zijn door deze bevraging. Volgens de verwerende partij is de tuchtprocedure daadwerkelijk ingeleid met de oproeping van verzoekster op 9 januari 2020 door de administrateur-generaal van de algemene administratie van de Fiscaliteit. Die oproeping is gebeurd in overeenstemming met de bestuurstaalwet en met artikel 6 van het ministerieel besluit van 30 november
  55. De oproeping is immers gebeurd door een houder van een managementfunctie in plaats van de hiërarchische overste, die op dat moment niet beschikte over de vereiste taalattesten. De administrateur-generaal voldoet wel aan de taalvereisten, wat niet wordt betwist. Beoordeling
  56. Artikel 43ter, § 7, van de bestuurstaalwet, dat de functionele kennis van de andere taal betreft, luidt: “Om ambtenaren van de andere taalrol te kunnen evalueren, moet de ambtenaar vooraf, voor een examencommissie samengesteld door de afgevaardigd bestuurder van SELOR - Selectiebureau van de Federale Overheid, het bewijs leveren van de aan de aard van de taak, met name de uitoefening van de evaluatietaak, aangepaste kennis van de tweede taal. Dit examen omvat, in die volgorde, enerzijds, een proef mondelinge expressie in de tweede taal en, anderzijds, een proef begrijpend lezen van en controle van IX-9961-19/25 de inhoud van een tekst, opgesteld in die tweede taal. Worden van dit examen vrijgesteld, de ambtenaren die geslaagd zijn in het examen waarvan sprake in § 5, eerste lid, in fine. Om een managementfunctie te kunnen uitoefenen, moet de kandidaat uiterlijk zes maanden na zijn aanstelling, op straffe van een voortijdige beëindiging van zijn mandaat, het bewijs leveren van de kennis van de tweede taal, bedoeld in het vorig lid. Met die functionele kennis van de andere taal aangepast aan de evaluatie wordt bedoeld een actieve en passieve mondelinge kennis en een passieve schriftelijke kennis van die taal. Die kennis strekt ertoe de communicatie en de samenwerking tussen het management, de evaluator en zijn medewerkers te verbeteren. In afwijking van artikel 39, § 1, kunnen de evaluatoren en de houders van een managementfunctie in de gecentraliseerde federale overheidsdiensten beroep doen op vertalers voor het opstellen van elk document met betrekking tot de evaluatie van een ambtenaar. Met het oog op de uitoefening van een taak die de eenheid in de rechtspraak moet verzekeren, moeten de ambtenaren bovenop het bewijs van de kennis van de tweede taal, bedoeld in het eerste lid, vooraf, voor een examencommissie samengesteld door de afgevaardigd bestuurder van SELOR - Selectiebureau van de Federale overheid, het bewijs leveren van de kennis, aangepast aan een taak, die de eenheid van de rechtspraak moet verzekeren. Dit houdt in het bewijs van de kennis van de administratieve en juridische woordenschat in die tweede taal. Hiertoe wordt door SELOR - Selectiebureau van de Federale overheid een syllabus vooraf ter beschikking gesteld. Worden van dit examen vrijgesteld, de ambtenaren die geslaagd zijn in het examen waarvan sprake in § 5, eerste lid, in fine. De Koning bepaalt voor elke gecentraliseerde federale overheidsdienst, bij besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, de functies die de eenheid in de rechtspraak verzekeren. De voorwaarden en het programma van het examen bedoeld in het eerste en het vijfde lid, alsmede de samenstelling van de examencommissie bedoeld in het eerste en het vijfde lid worden bepaald bij een koninklijk besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad. Tot de inwerkingtreding van deze paragraaf, geldt het examen bedoeld in artikel 43, § 3, derde lid als bewijs van de kennis van de tweede taal, bedoeld in het eerste en vijfde lid.” Het koninklijk besluit van 8 maart 2001 bepaalt in de artikelen 10bis, 11bis, § 1, en 11ter: - Artikel 10bis: “Het taalexamen over de functionele kennis – evaluatie bedoeld in artikel 43ter, § 7, eerste lid, van de gecoördineerde wetten omvat twee proeven: IX-9961-20/25 1°een eerste proef mondelinge expressie; 2° een tweede proef begrijpend lezen en controle van de inhoud van een tekst. De eerste proef is mondeling. De tweede proef is computergestuurd. De eerste proef bestaat uit de simulatie van een evaluatiegesprek waarin de kandidaat de rol van evaluator op zich neemt. De rol van geëvalueerde medewerker wordt door een in artikel 4, § 2 bedoelde assessor gespeeld. De voorafgaandelijke instructies met betrekking tot het verloop van deze proef worden schriftelijk in de taal van de kandidaat gegeven. De simulatie van het evaluatiegesprek verloopt in de tweede taal. De tweede proef betreft het begrijpen en controleren van de inhoud van gebruikelijke teksten opgesteld in de tweede taal.” -Artikel 11bis, § 1: “Het taalexamen, bedoeld in artikel 43ter, § 7, vijfde lid, van de gecoördineerde wetten, heeft betrekking op het begrijpen en actief mondeling kunnen weergeven in de tweede taal van de administratieve en juridische woordenschat. De proef betreffende de functionele kennis – eenheid in de rechtspraak verloopt mondeling.” - Artikel 11ter: “Het examen functionele kennis – eenheid in de rechtspraak – wordt afgelegd door de ambtenaar die een functie uitoefent die de eenheid in de rechtspraak verzekert. Ambtenaren die functies uitoefenen die de eenheid in de rechtspraak verzekeren, zijn: 1°de voorzitter van het directiecomité; 2°de voorzitter; 3°de houder van een managementfunctie; 4°de functioneel directeur van de stafdienst Personeel en Organisatie; 5°voor zover deze evaluator is, de ambtenaar belast met de leiding van de juridische dienst; 6° degenen die enige functie uitoefenen die bepaald is bij een koninklijk besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, na advies van de voorzitter van het directiecomité.” Artikel 78, § 2, eerste lid, van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 luidt: “De tuchtprocedure start door een oproeping gericht aan de ambtenaar door de bevoegde hiërarchische meerdere. In deze oproepingsbrief wordt de ambtenaar geïnformeerd over de feiten die hem ten laste worden gelegd en over het feit dat een tuchtprocedure tegen hem wordt opgestart. […].” IX-9961-21/25 Artikel 6 van het ministerieel besluit van 30 november 2016 bepaalt: “Indien een hiërarchische meerdere bedoeld in de artikelen 2 tot 5, overeenkomstig de gecoördineerde wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, niet over de vereiste wettelijke taalkennis beschikt wordt als bevoegde hiërarchische meerdere aangewezen de houder van een management- of een staffunctie of de ambtenaar behorend tot dezelfde of een hogere klasse dan deze bedoeld in kolom 2 van genoemde artikelen, die over de vereiste wettelijke taalkennis beschikt en die in de organisatiestructuur in de opklimmende orde van de hiërarchie de plaats bekleedt welke het dichtst staat bij de ambtenaar die het voorwerp uitmaakt van een tuchtprocedure. Wanneer in de hiërarchische lijn niemand over de vereiste wettelijke taalkennis beschikt, wordt, bij een individuele ministeriële beslissing, een ambtenaar of een houder van een managementfunctie of een staffunctie die over de vereiste wettelijke taalkennis beschikt, aangewezen als bevoegde hiërarchische meerdere in de zin van dit besluit.”
  57. Verzoekster behoort tot de Nederlandse taalrol, terwijl haar hiërarchische overste tot de Franse taalrol behoort. Er wordt niet betwist dat verzoeksters hiërarchische meerdere, om op te treden in de tuchtprocedure tegen verzoekster die tot een andere taalrol behoort, minstens over de taalcertificaten bedoeld in de artikelen 10bis en 11bis van het koninklijk besluit van 8 maart 2001 dient te beschikken en dat verzoeksters hiërarchische overste, toen hij het initiatief nam voor de oproepingen voor het eerste verhoor van verzoekster, enkel over het taalattest bedoeld in artikel 10bis van het koninklijk besluit van 8 maart 2001 beschikte zodat hij niet het bewijs levert van de kennis van de andere landstaal in de zin van artikel 43ter, § 7, vijfde lid, van de bestuurstaalwet.
  58. De verwerende partij stelt echter dat de oproepingsbrieven van 9 juli 2018 en 22 augustus 2018 en het verhoor van 8 oktober 2018 geen deel uitmaken van de tuchtprocedure en dat dit enkel kaderde in een bevraging van verzoekster met betrekking tot haar voornemen over de fiscale aanslag. Volgens de verwerende partij is de tuchtprocedure pas opgestart door de IX-9961-22/25 administrateur-generaal met de oproepingsbrief van 9 januari 2020, in overeenstemming met de bestuurstaalwet. Die argumentatie kan niet worden bijgevallen. Uit het administratief dossier blijkt immers dat de oproepingsbrieven van 9 juli 2018 en 22 augustus 2018, ondertekend door verzoeksters hiërarchische overste, volledig beantwoorden aan de voorschriften van artikel 78, § 2, van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937, dat bepaalt op welke wijze de tuchtprocedure formeel wordt opgestart en hoe het daaropvolgende verhoor moet verlopen. Voorts blijkt uit de notulen van het verhoor op 8 oktober 2018 dat verzoeksters oproeping erop gericht is een stuiting van de verjaring van de tuchtfeiten te bewerkstelligen in afwachting van een definitieve uitspraak van het hof van beroep. Ten slotte wordt in de oproepingsbrief van 9 januari 2020 en het proces-verbaal van het verhoor door de administrateur-generaal vermeld dat de tuchtprocedure reeds is opgestart, maar geschorst is in afwachting van een arrest van het hof van beroep. In de oproepingsbrief van 9 januari 2020 wordt ook uitdrukkelijk vermeld dat het een “verderzetting van het verhoor” betreft. Dat de oproepingsbrieven van 9 juli 2018 en 22 augustus 2018 en het verhoor van 8 oktober 2018 geen deel uitmaken van de tuchtprocedure maar kaderen in een bevraging van verzoekster met betrekking tot haar voornemen inzake de fiscale aanslag en dat het aldus louter om een onderzoeksdaad zou gaan met als doel inzicht te krijgen in de juiste toedracht van de feiten, wordt derhalve tegengesproken door de stukken van het administratief dossier. Uit het administratief dossier blijkt daarentegen dat de tuchtprocedure wel degelijk is opgestart door verzoeksters hiërarchische overste met de oproepingsbrief van 9 juli
  59. De oproeping waarmee de tuchtprocedure wordt opgestart en waarbij de betrokkene met toepassing van artikel 78, § 2, van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 voor het eerst wordt uitgenodigd om geconfronteerd te worden met de ten laste gelegde tuchtfeiten betreft een substantieel onderdeel van de tuchtvervolging, te meer daar die oproeping bepalend is voor het beoordelen van IX-9961-23/25 de verjaring van de tuchtfeiten in het licht van artikel 81, § 3, van het koninklijk besluit van 2 oktober
  60. Uit wat voorafgaat blijkt dat die oproeping is gebeurd door een hiërarchische overste die niet het vereiste bewijs van taalkennis van de andere landstaal – de taal van verzoekster – kon voorleggen. De tuchtprocedure is aldus opgestart in strijd met de bestuurstaalwet, die van openbare orde is, en is dienvolgens nietig.
  61. Ten overvloede wordt opgemerkt dat de verwerende partij in de bestreden beslissing bezwaarlijk verzoekster voor de voeten kan werpen tijdens het eerste verhoor geen opmerkingen te hebben gemaakt met betrekking tot de taalkennis van haar hiërarchische overste, nu zij verzoekster ten onrechte had meegedeeld dat de hiërarchische overste wel over de vereiste taalkennis beschikte.
  62. Het derde middel is gegrond. D. Conclusie
  63. Uit wat voorafgaat volgt dat het auditoraat terecht heeft geoordeeld dat de beslechting van het geschil kan worden afgedaan met korte debatten in de zin van artikel 93, eerste lid, van het voornoemde besluit van de Regent van 23 augustus
  64. V. Vordering tot schorsing
  65. De nietigverklaring van de bestreden beslissing heeft tot gevolg dat de door verzoekster ingediende vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing geen voorwerp meer heeft. BESLISSING
  66. De Raad van State vernietigt het koninklijk besluit van 31 augustus 2021 waarbij aan XXXX de tuchtstraf ‘ontslag van ambtswege’ wordt opgelegd. IX-9961-24/25
  67. De Raad van State verwerpt de vordering tot schorsing.
  68. De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 20 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verzoekende partij.
  69. Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van de verzoekende partij niet bekendgemaakt. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van eenentwintig juni tweeduizend tweeëntwintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Bruno Seutin, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Vera Wauters, griffier. De griffier De voorzitter Vera Wauters Bruno Seutin IX-9961-25/25 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.254.049 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.