← België

Arrest 254063 - O.C.M.W. - 22/06/2022

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 22 juni 2022 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.254.063 Rolnummer: A. 229349/IX-9631 Zaak: Arrest 254063 - O.C.M.W. - 22/06/2022 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2022-06-30 Raadplegingen: 69 - laatst gezien 2026-06-10 07:07 Fiche Arrest nr 254.063 van 22 juni 2022 Sociale zaken en volksgezondheid - O.C.M.W. Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 254.063 van 22 juni 2022 in de zaak A. 229.349/IX-9631 In zake: Gerdy BOUSARD bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Alexander De Becker kantoor houdend te 9051 Gent Drie Koningenstraat 3 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen:

  1. de STAD ZOTTEGEM
  2. het OPENBAAR CENTRUM VOOR MAATSCHAPPELIJK WELZIJN VAN ZOTTEGEM bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Tom Peeters kantoor houdend te 2600 Antwerpen Borsbeeksebrug 36 bus 9 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp
  3. Het beroep, ingesteld op 15 oktober 2019, strekt tot de nietigverklaring van “de afwijzingsbeslissing (impliciete weigeringsbeslissing) tot aanstelling van [Gerdy Bousard] als adjunct-financieeldirecteur of in een passende functie overeenkomstig artikel 589 § 2 Decreet Lokaal Bestuur na ingebrekestelling met vermelding van artikel 14 § 3 van de Raad van State-wet bij aangetekend schrijven dd. 18 april 2019”.
  4. Tevens is op 18 maart 2022 een verzoek ingediend tot het verkrijgen van een schadevergoeding tot herstel “in de hangende zaak”. IX-9631-1/8 II. Verloop van de rechtspleging
  5. Bij arrest nr. 253.709 van 11 mei 2022 is het debat heropend en is de zaak opgeroepen op de openbare terechtzitting van 13 juni
  6. Staatsraad Bert Thys heeft verslag uitgebracht. Advocaat Alexander De Becker, die verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Tom Peeters, die verschijnt voor de verwerende partijen, zijn gehoord. Eerste auditeur Iris Verheven heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördi- neerd op 12 januari
  7. III. Feiten
  8. De feitelijke gegevens van de zaak zijn uiteengezet in tussenarrest nr. 253.
  9. IV. Tussenarrest nr. 253.709
  10. In tussenarrest nr. 253.709 heeft de Raad van State geoordeeld dat de eerste verwerende partij met het door haar overgelegde besluit van het college van burgemeester en schepenen van de stad Zottegem van 29 maart 2021 waarbij verzoeker “met onmiddellijke ingang” wordt aangesteld in de graad van adjunct-financieeldirecteur, uitdrukkelijk de beslissing heeft genomen die verzoeker met zijn aanmaning van 18 april 2019 beoogde te verkrijgen, dat dit besluit inmiddels definitief is geworden ten aanzien van verzoeker en hoe dan ook IX-9631-2/8 de fictieve weigeringsbeslissing heeft opgeslorpt die, desgevallend, krachtens artikel 14, § 3, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State is voortgekomen uit het volgehouden stilzitten van de verwerende partijen gedurende vier maanden te rekenen vanaf de voormelde aanmaning en dat aldus het voorwerp van het voorliggende beroep alleszins is teloorgegaan, wat impliceert dat dit beroep onontvankelijk is. Voor zover verzoeker in zijn laatste memorie doet gelden dat de Raad van State de gegrondheid van de middelen zal moeten onderzoeken naar aanleiding van de vordering tot schadevergoeding tot herstel die hij op grond van artikel 11bis van de gecoördineerde wetten op de Raad van State nog zal indienen, heeft de Raad van State in het voormelde tussenarrest overwogen: “[…] dat verzoeker inderdaad op 4 november 2021 een verzoek tot het verkrijgen van een schadevergoeding tot herstel bij de Raad van State heeft ingediend. Hij is evenwel niet ingegaan op de uitnodiging van de griffie van de Raad van State overeenkomstig artikel 71, vierde lid, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’ om daarvoor het verschuldigde recht en de verschuldigde bijdrage te betalen, zodat de Raad bij arrest nr. 253.708 van heden met toepassing van artikel 71, vijfde lid, van het voormelde besluit van de Regent heeft beslist dat het bedoelde verzoek tot het verkrijgen van een schadevergoeding tot herstel als ‘niet verricht’ wordt beschouwd. Voorts moet worden vastgesteld dat verzoeker in de voorliggende zaak op 18 maart 2022 een nieuw verzoek – overigens gelijkluidend aan het vorige – tot het verkrijgen van een schadevergoeding tot herstel bij de Raad van State heeft ingediend waarvoor hij het verschuldigde recht en de verschuldigde bijdrage wel tijdig heeft betaald. Aangezien deze ontwikkelingen zich hebben voorgedaan ná de sluiting van het debat over het beroep tot nietigverklaring op de openbare terechtzitting van 22 november 2021, is er aanleiding om het debat te heropenen teneinde de partijen de mogelijkheid te bieden hun respectieve standpunten over de gevolgen daarvan voor het onderzoek van het beroep tot nietigverklaring te laten kennen.” IX-9631-3/8 V. Vraag van verzoeker om de gegrondheid van de middelen te onderzoeken Standpunt van verzoeker
  11. Ter terechtzitting doet verzoeker gelden dat hij zijn “belang” behoudt, aangezien toen het college van burgemeester en schepenen van de stad Zottegem de beslissing betreffende zijn aanstelling in de graad van adjunct-financieeldirecteur nam, hij vervroegd op pensioen werd gesteld om medische redenen die te maken hadden met een “psychische decompensatie ten gevolge van de werksituatie”. Volgens verzoeker was er voor hem aanleiding om een verzoek tot het verkrijgen van een schadevergoeding tot herstel in te dienen, aangezien in het auditoraatsverslag een door hem aangevoerd middel gegrond werd bevonden en aldus een onwettigheid werd vastgesteld. Beoordeling
  12. Reeds in tussenarrest nr. 253.709 heeft de Raad van State geoordeeld dat verzoekers uiteenzetting met betrekking tot zijn “persoonlijk belang” bij het beroep niet dienstig is, omdat alleszins het voorwerp van het beroep is teloorgegaan door de uitdrukkelijke beslissing van het college van burgemeester en schepenen van 29 maart 2021 betreffende de aanstelling van verzoeker tot adjunct-financieeldirecteur. Hoe dan ook geeft verzoeker met zijn voormelde uiteenzetting ter terechtzitting geen antwoord op de specifieke vraag van het tussenarrest naar de gevolgen van “[de] ontwikkelingen [die] zich hebben voorgedaan ná de sluiting van het debat over het beroep tot nietigverklaring op de openbare terechtzitting van 22 november 2021 […] voor het onderzoek van het beroep tot nietigverklaring”. Met die “ontwikkelingen” wordt gedoeld, zoals vermeld in het tussenarrest, op het niet vereffenen van het verschuldigde recht en de verschuldigde bijdrage voor het verzoek tot schadevergoeding tot herstel van 4 IX-9631-4/8 november 2021 en op de indiening van een – overigens gelijkluidend – verzoek tot het verkrijgen van een schadevergoeding tot herstel op 18 maart
  13. 8.
  14. In arrest nr. 244.015 van 22 maart 2019 heeft de algemene vergadering van de afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State geoordeeld dat wanneer een verzoekende partij haar belang bij de gevorderde nietigverklaring heeft verloren, zodat deze moet worden afgewezen, het indienen van een verzoek tot het verkrijgen van een schadevergoeding tot herstel met toepassing van artikel 11bis van de Raad van State-wet in voorkomend geval de Raad wel voor de verplichting plaatst om niettemin – voor zover het ingestelde annulatieberoep initieel ontvankelijk was en voor zover het verlies van het belang niet het gevolg is van een handeling die de verzoekende partij zelf heeft gesteld of heeft nagelaten te stellen en die haar persoonlijk verwijtbaar is – een onderzoek van de middelen te verrichten en de eventuele onwettigheid van de bestreden beslissing vast te stellen voor zover dat nodig is om over het ingediende verzoek tot schadevergoeding tot herstel uitspraak te kunnen doen. Aldus verschaft artikel 11bis van de Raad van State-wet aan een verzoekende partij, wier belang in de annulatieprocedure buiten haar tekortkoming om evolueerde van een belang bij de nietigverklaring naar alleen nog een belang om de bestreden beslissing onwettig te horen verklaren met het oog op het verkrijgen van een schadevergoeding tot herstel, het nodige instrument om toch nog een beoordeling door de Raad van State te verkrijgen van de middelen die zij in het kader van haar annulatieberoep aanvoerde. 8.
  15. In de voorliggende zaak is de verwerping van het beroep tot nietigverklaring weliswaar geen gevolg van een verlies van belang in hoofde van verzoeker, maar wel van het teloorgaan van het voorwerp van het beroep ten gevolge van een uitdrukkelijke beslissing van de verwerende partij. Aangezien dat teloorgaan niet kan worden toegeschreven aan verzoeker, is er reden om de leer van het voormelde arrest van de algemene vergadering van de afdeling Bestuursrechtspraak ook in dit geval toe te passen. IX-9631-5/8 8.
  16. Zoals de Raad van State ook reeds heeft geoordeeld in zijn arrest nr. 253.132 van 1 maart 2022 en hij nu bevestigt voor de thans voorliggende zaak, vereist een onderzoek van de door verzoeker aangevoerde middelen met het oog op de vaststelling van een onwettigheid voor het verkrijgen van een schadevergoeding tot herstel, overeenkomstig de leer van het voormelde arrest van de algemene vergadering van de afdeling Bestuursrechtspraak, dat het verzoek tot het verkrijgen van een schadevergoeding tot herstel is ingediend vóór de sluiting van het debat over het beroep tot nietigverklaring. 8.
  17. In dit geval heeft verzoeker weliswaar op 4 november 2021, dus vóór de sluiting van het debat over het beroep tot nietigverklaring op 22 november 2021, een verzoek tot het verkrijgen van een schadevergoeding tot herstel ingediend, maar dat verzoek werd inmiddels bij arrest nr. 253.708 van 11 mei 2022 als “niet verricht” beschouwd wegens de niet-betaling van het verschuldigde recht en de verschuldigde bijdrage. Dat verzoek kan derhalve geen aanleiding geven tot alsnog een onderzoek van de middelen die verzoeker in het kader van zijn beroep tot nietigverklaring heeft aangevoerd. Op 18 maart 2022 heeft verzoeker een nieuw verzoek tot het verkrijgen van een schadevergoeding tot herstel ingediend, waarvoor hij het verschuldigde recht en de verschuldigde bijdrage wel heeft vereffend. Aangezien dat verzoek evenwel dateert van ná de sluiting van het debat over het beroep tot nietigverklaring kan het evenmin aanleiding geven tot een dergelijk onderzoek van de middelen. VI. Slotsom
  18. Gelet op wat voorafgaat en hetgeen is overwogen in tussenarrest nr. 253.709, moet worden besloten tot de verwerping van het beroep tot nietigverklaring wegens het teloorgaan van het voorwerp ervan en is er geen aanleiding om de aangevoerde middelen te onderzoeken met het oog op een schadevergoeding tot herstel. IX-9631-6/8 Met toepassing van artikel 25/3, § 3, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’ wordt het verzoek tot het verkrijgen van een schadevergoeding tot herstel, ingediend op 18 maart 2022, eveneens verworpen. VII. Kosten van het beroep
  19. In de gegeven omstandigheden waarin het voorwerp van het beroep is teloorgegaan, past het de kosten van het beroep ten laste te leggen van de verwerende partijen. BESLISSING
  20. De Raad van State verwerpt het beroep tot nietigverklaring.
  21. De Raad van State verwerpt het verzoek tot het verkrijgen van een schadevergoeding tot herstel.
  22. De verwerende partijen worden, elk voor de helft, verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 20 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verzoekende partij. De onverschuldigde kosten in verband met het verzoek tot schadevergoeding tot herstel, begroot op een rolrecht van 200 euro en een bijdrage van 22 euro, dienen te worden terugbetaald aan de verzoekende partij. IX-9631-7/8 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van tweeëntwintig juni tweeduizend tweeëntwintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, Bruno Seutin, staatsraad, Bert Thys, staatsraad, bijgestaan door Tiny Temmerman, griffier. De griffier De voorzitter Tiny Temmerman Geert Van Haegendoren IX-9631-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.254.063 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.253.708 ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.253.709 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.