← België

Arrest 254068 - Varia (onderwijs en cultuur) - 22/06/2022

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 22 juni 2022 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.254.068 Rolnummer: A. 236084/IX-10030 Zaak: Arrest 254068 - Varia (onderwijs en cultuur) - 22/06/2022 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2022-06-30 Raadplegingen: 68 - laatst gezien 2026-06-10 07:06 Fiche Arrest nr 254.068 van 22 juni 2022 Onderwijs en cultuur - Varia (onderwijs en cultuur) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE IXe KAMER nr. 254.068 van 22 juni 2022 in de zaak A. 236.084/IX-10.030 In zake: de VZW INSPIROCOLLEGE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Greet Louwet kantoor houdend te 3800 Sint-Truiden Tongersesteenweg 60 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de VLAAMSE GEMEENSCHAP -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering

  1. De vordering, ingesteld op 13 april 2022, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging van de beslissing van de Vlaamse regering van 18 maart 2022 om de programmatieaanvraag van de vzw Inspirocollege – secundair onderwijs tweede graad Architecturale en beeldende vorming KSO 2022-2023 – niet toe te staan. De verzoekende partij vordert tevens “[t]e zeggen voor recht dat verwerende partij desgevallend een nieuwe beslissing dient te nemen binnen een termijn van 14 dagen na het tussengekomen schorsingsarrest”. II. Verloop van de rechtspleging
  2. Eerste auditeur Jurgen Neuts heeft een verslag opgesteld. IX-10.030-1/7 De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 13 juni
  3. Kamervoorzitter Geert Van Haegendoren heeft verslag uitgebracht. Advocaat Greet Louwet, die verschijnt voor de verzoekende partij, is gehoord. Eerste auditeur Jurgen Neuts heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, ge- coördineerd op 12 januari
  4. III. Ontvankelijkheid van de vordering Exceptie
  5. De vraag rijst, ambtshalve, of de vordering tot schorsing die is ingesteld vóór het beroep tot nietigverklaring, ontvankelijk is. Volgens verzoekster is dat het geval: - De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring zijn ingeschreven onder hetzelfde rolnummer. - Er is een precedent in de zaak met rolnummer A. 230.
  6. - Aan het bijkomstig karakter van de schorsingsvordering is voldaan, mits er tijdig en aldus een ontvankelijk beroep tot nietigverklaring is ingediend, hetgeen in casu het geval is. IX-10.030-2/7 - De eis dat er steeds éérst een beroep tot nietigverklaring moet worden ingediend, dat gekoppeld is aan een termijn van zestig dagen, doet naast het feit dat de wetgever dit niet heeft voorgeschreven, een spanningsveld ontstaan met de vordering tot schorsing die wettelijk wel dient te voldoen aan de voorwaarde van spoedeisendheid, waarbij er niet te lang gewacht mag worden, omdat er anders niet diligent wordt opgetreden en dit kan resulteren in een afwijzing van de schorsingsvordering. - De ratio legis van de in 2014 doorgevoerde hervorming van de schorsingsprocedure is “de toegang tot dit Hoog Rechtscollege te vergemakkelijken of het toe te laten zich te richten op de grond van de zaak in plaats van op onnodige formalistische onregelmatigheden” (Parl.St. Senaat 2012-13, nr. 5-2277/1, 3). De bewoordingen over het accessoir karakter worden door de wetgever enkel gekoppeld aan het geval dat de schorsingsvordering wordt ingediend na een vernietigingsberoep, hetgeen een mogelijkheid, doch geen verplichting is. Dit lijkt bevestigd te worden op pagina 14 van dezelfde memorie van toelichting: “Artikel 6 […] voorziet tevens dat het verzoek tot schorsing niet meer dient te worden opgenomen in het verzoekschrift tot nietigverklaring. Hoewel het een bijkomstig element blijft van de vernietigingsprocedure, kan het verzoek tot schorsing op elk moment van de procedure ten gronde worden ingediend, indien de spoedeisendheid dit rechtvaardigt”. Beoordeling
  7. Naar luid van artikel 17, § 1, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, is de afdeling Bestuursrechtspraak als enige bevoegd om bij arrest de schorsing te bevelen van de tenuitvoerlegging van een akte of een reglement, vatbaar voor nietigverklaring krachtens artikel 14, §§ 1 en 3, en om alle maatregelen te bevelen die nodig zijn om de belangen veilig te stellen van de partijen of de personen die een belang hebben bij de beslechting van de zaak. IX-10.030-3/7 Het tweede lid van dezelfde paragraaf preciseert dat deze schorsing of andere voorlopige maatregelen “op elk moment” kunnen worden bevolen.
  8. Uit die laatste bepaling volgt dat een (gewone) vordering tot schorsing of een (gewone) vordering tot het opleggen van andere voorlopige maatregelen niet in dezelfde akte als het beroep tot nietigverklaring moet zijn opgenomen en zelfs niet samen met zo een beroep tot nietigverklaring moet worden ingesteld. Maar evenzeer is duidelijk dat de (gewone) vordering tot schorsing of tot het opleggen van voorlopige maatregelen slechts kan worden ingesteld ten vroegste samen met het beroep tot nietigverklaring of in de loop van de annulatieprocedure, dit wil zeggen nadat het beroep tot nietigverklaring aanhangig werd gemaakt. Dat volgt immers uit het feit dat deze vorderingen “een bijkomstig element [blijven] van de vernietigingsprocedure” en dat ze “op elk moment van de procedure ten gronde [kunnen] worden ingediend, indien de spoedeisendheid dit rechtvaardigt” (Parl.St. Senaat 2012-13, nr. 5-2277/1, 14), wat het bestaan van een “procedure ten gronde” vooronderstelt. Een en ander wordt nog eens bevestigd nu artikel 17, § 4, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, op dat vlak net uitdrukkelijk in een uitzondering voorziet “[i]n geval van een uiterst dringende noodzakelijkheid”. In dat geval – en enkel in dat geval – kunnen de schorsing of voorlopige maatregelen worden bevolen, “zelfs voordat een beroep tot nietigverklaring werd ingediend”.
  9. Wat er ook van weze in de zaak waaraan verzoekster refereert, de overwegingen sub 4 sporen met ’s Raads arresten nrs. 236.198 van 20 oktober 2016, 237.223 van 31 januari 2017 en 251.992 van 28 oktober
  10. De Raad sluit zich voor de huidige zaak ook aan bij die rechtspraak. IX-10.030-4/7
  11. Ook het “spanningsveld” waarvan verzoekster gewag maakt, doet niet anders besluiten. Opgemerkt mag worden, in de thans voorliggende zaak, dat het feitenrelaas en de uiteenzetting van de middelen in het verzoekschrift tot vernietiging woordelijk identiek zijn aan het verzoekschrift waarbij de schorsing is gevorderd, wat verzoeksters betoog op dit punt wel zeer academisch maakt. Hoe dan ook is dit beleidskritiek op de wil van de wetgever. Voorts geldt in het kader van de gewone schorsingsvordering in beginsel geen dwingende voorwaarde om diligent en voortvarend op te treden, zoals bij een procedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid. De regelgeving laat immers net toe dat de schorsing “op elk moment” wordt gevorderd. Het ligt dan ook op de weg van de verzoekende partij die meent geen beroep te moeten doen op de uiterst dringende noodzakelijkheid, maar die niettemin vaststelt dat de spoedeisendheid van haar zaak onverenigbaar is met de normale verjaringstermijn van het beroep, om het instellen van haar annulatieberoep daarop af te stemmen.
  12. Het besproken procedurevoorschrift raakt naar het oordeel van de Raad van State niet aan het recht van verzoekster op toegang tot de rechter. Niet alleen vormen dergelijke procedurele ontvankelijkheidsvereisten op zichzelf beschouwd geen inbreuk op dat recht, evenmin valt in te zien in welke mate het van verzoekster bovenmatige inspanningen zou hebben gevergd om aan deze specifieke ontvankelijkheidsvoorwaarde te voldoen. Bovendien wordt haar hoe dan ook niet het recht op toegang tot de rechter ontzegd, aangezien artikel 17, § 1, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State precies toestaat dat de schorsing of voorlopige maatregelen “op elk moment” kunnen worden bevolen. Daartoe is dan wel vereist dat de verzoekende partij op dat ogenblik nog belang heeft bij de schorsing en dat kan worden aangenomen dat zij heeft gehandeld in overeenstemming met de door haar aangevoerde spoedeisendheid. IX-10.030-5/7
  13. Verzoekster heeft op 13 april 2022 bij de Raad van State een “verzoekschrift inhoudende een vordering tot schorsing” ingediend, waarbij zij ook verzocht om een voorlopige maatregel op te leggen. Zij heeft in die gedinginleidende akte niet om de schorsing ‘bij uiterst dringende noodzakelijkheid’ verzocht. Op het ogenblik van het indienen van die gewone vordering tot schorsing, gecombineerd met een vordering tot het opleggen van een voorlopige maatregel, had zij (nog) geen beroep tot nietigverklaring ingediend. Een en ander doet besluiten, desnoods ambtshalve, dat de door verzoekster op 13 april 2022 ingestelde vordering tot schorsing en tot het opleggen van een voorlopige maatregel, onontvankelijk is. Dat zij nadien, namelijk op 28 april 2022, een beroep tot nietigverklaring tegen dezelfde beslissing heeft ingesteld, doet hieraan geen afbreuk. Er moet immers worden geoordeeld, dat ook na het indienen van het beroep tot nietigverklaring blijft vaststaan dat verzoekster het accessoire karakter van de vordering tot schorsing en de vordering tot het opleggen van een voorlopige maatregel heeft miskend.
  14. De vordering is niet ontvankelijk. BESLISSING De Raad van State verwerpt de vordering. IX-10.030-6/7 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van tweeëntwintig juni tweeduizend tweeëntwintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, bijgestaan door Tiny Temmerman, griffier. De griffier De voorzitter Tiny Temmerman Geert Van Haegendoren IX-10.030-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.254.068 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.254.144 ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.255.208 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.