id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 23 juni 2022 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.254.075 Rolnummer: A. 228454/IX-9580 Zaak: Arrest 254075 - Media - 23/06/2022 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2022-06-30 Raadplegingen: 68 - laatst gezien 2026-06-10 07:07 Fiche Arrest nr 254.075 van 23 juni 2022 Onderwijs en cultuur - Media Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 254.075 van 23 juni 2022 in de zaak A. 228.454/IX-9580 In zake: de VLAAMSE RADIO- EN TELEVISIEOMROEP- ORGANISATIE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Bob Martens en Andi Zrza kantoor houdend te 1000 Brussel Wolstraat 70 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de VLAAMSE REGULATOR VOOR DE MEDIA bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Agnès Maqua en Katrien Maris kantoor houdend te 1170 Brussel Terhulpsesteenweg 166 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 25 juni 2019, strekt tot de nietigverklaring van beslissing 2019/008 van de Vlaamse Regulator voor de Media van 11 maart 2019. II. Verloop van de rechtspleging 2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. IX-9580-1/15 Eerste auditeur Alexander Van Steenberge heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partij en de verwerende partij hebben een verzoek tot voortzetting van de procedure ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 13 juni 2022. Kamervoorzitter Geert Van Haegendoren heeft verslag uitgebracht. Advocaten Bob Martens en Andi Zrza, die verschijnen voor de verzoekende partij en advocaat Katrien Maris, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Alexander Van Steenberge heeft een met dit arrest andersluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, ge- coördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten en regelgeving 3.1. Op 21 maart 2016 erkent de Vlaamse Regulator voor de Media (VRM) op vraag van dienstenverdeler bvba Telenet het coproductieproject “Over Water”, met toepassing van artikel 184/1 van het decreet van 27 maart 2009 ‘betreffende radio-omroep en televisie’ (“mediadecreet”), in het kader van de stimuleringsregeling voor de audiovisuele sector. Voormeld artikel 184/1, §§ 1 en 2, luidt: IX-9580-2/15 “§ 1. Iedere dienstenverdeler die een of meerdere omroepdiensten van een of meerdere televisieomroeporganisaties die vallen onder de bevoegdheid van de Vlaamse Gemeenschap, op lineaire of niet-lineaire wijze ter beschikking stelt van het publiek, neemt deel aan de productie van audiovisuele werken, ofwel onder de vorm van een financiële bijdrage aan de coproductie van audiovisuele werken, ofwel onder de vorm van een gelijkwaardige financiële bijdrage aan het Vlaams Audiovisueel Fonds vzw, opgericht bij het decreet van 13 april 1999 houdende machtiging van de Vlaamse Regering om toe te treden tot en om mee te werken aan de oprichting van de vereniging zonder winstgevend doel Vlaams Audiovisueel Fonds. Deze bijdrage wordt door het Vlaams Audiovisueel Fonds besteed aan Vlaamse, kwalitatieve onafhankelijke producties in reeksvorm, die tot stand komen in coproductie met de openbare omroeporganisatie van de Vlaamse Gemeenschap en/of de in Vlaanderen erkende en/of aangemelde televisieomroeporganisaties en waarover de Vlaamse Regering met het Vlaams Audiovisueel Fonds een beheersovereenkomst sluit. De dienstenverdeler brengt het Vlaams Audiovisueel Fonds, de Vlaamse Regulator voor de Media en de Vlaamse Regering ieder jaar vóór 15 februari met een ter post aangetekende brief op de hoogte van de door hem gekozen vorm van deelname, bij gebrek waaraan hij geacht wordt gekozen te hebben voor participatie door middel van een financiële bijdrage aan het Vlaams Audiovisueel Fonds. § 2. De in § 1 vermelde financiële bijdrage aan coproductie neemt de vorm aan van coproductieprojecten die voor beoordeling van de ontvankelijkheid en erkenning worden voorgelegd aan de Vlaamse Regulator voor de Media. De Vlaamse Regering bepaalt de nadere modaliteiten met betrekking tot de procedure voor indiening van de coproductieprojecten alsook met betrekking tot de beoordeling van de ontvankelijkheid en de erkenning van deze coproductieprojecten. De Vlaamse Regering bepaalt tevens de nadere modaliteiten met betrekking tot de procedure voor de financiële bijdrage aan het Vlaams Audiovisueel Fonds.” 3.2. Op 18 december 2018 wordt bekendgemaakt dat de nv Vlaamse Radio- en Televisieomroeporganisatie (VRT) na de lineaire uitzending van de tweede aflevering van “Over Water” op zondag 23 december 2018 alle afleveringen van de tiendelige reeks tegelijkertijd op aanvraag zou aanbieden via zowel Telenet als Proximus en het platform VRT NU en dit tot 31 december 2018. De geplande lineaire uitzendingen zouden daarnaast doorlopen. 3.3. Volgens de onderzoekscel van de VRM gaat dit initiatief in tegen artikel 6, 6°, a), van het besluit van de Vlaamse regering van 21 maart 2014 IX-9580-3/15 ‘betreffende de stimuleringsregeling voor de audiovisuele sector, vermeld in artikel 184/1 van het decreet van 27 maart 2009 betreffende radio-omroep en televisie’ (“uitvoeringsbesluit stimuleringsregeling”) vermits de platformen VRT NU en de on-demand-diensten van Telenet en Proximus niet-lineaire televisiediensten zijn. Artikel 6, inleidende zin en 6°, van het uitvoeringsbesluit stimuleringsregeling luidt: “Om in aanmerking te komen als vorm van bijdrage tot de productie van audiovisuele werken via een coproductie, moeten de coproductieprojecten aan de volgende ontvankelijkheidsvoorwaarden voldoen: […] 6° de rechten van de participerende dienstenverdeler op de audiovisuele productie worden als volgt geregeld:
- a)de gerealiseerde coproductieprojecten kunnen alleen lineair en alleen door een televisieomroeporganisatie in open net worden uitgezonden;
- b)elke voorafgaande uitzending door de dienstenverdeler van het coproductieproject aan de uitzending in open net is verboden;
- c)alleen nadat alle andere financiers hun investeringsbedrag, verhoogd met een marktconform rendement dat in casu bepaald wordt op 10% per jaar gekapitaliseerd, hebben gerealiseerd, kan de dienstenverdeler delen in de winst van het coproductieproject. In afwijking hiervan en in afwijking van punt 6° a), kan de dienstenverdeler verzaken aan deelname in de winst van het coproductieproject en in plaats daarvan kiezen voor een verplichting in hoofde van de televisieomroeporganisatie bedoeld in 6°
- a)om toe te laten dat het desbetreffende coproductieproject na de eerste lineaire uitzending in open net, voor een periode van 12 maanden via een eigen platform aangeboden kan worden, mits betaling van een marktconforme bijkomende financiële bijdrage.” 3.4. Op 28 januari 2019 beslist de algemene kamer van de VRM om in dat verband tegen Telenet en tegen de VRT een procedure op tegenspraak te starten. Op 11 maart 2019 beslist de VRM: “1. Geen inbreuk vast te stellen in hoofde van bvba Telenet. 2. In hoofde van nv Vlaamse Radio- en Televisieomroeporganisatie een inbreuk vast te stellen op artikel 6, 6°,
- a)van het Uitvoeringsbesluit; Overeenkomstig artikel 228, 1°, van het Mediadecreet nv Vlaamse Radio- en Televisieomroeporganisatie hiervoor te waarschuwen.” IX-9580-4/15 Hij motiveert zijn beslissing als volgt: “12. Algemeen 12.1. De stimuleringsregeling, ingevoerd bij decreet van 17 januari 2014, wil via de bijdrageplicht van de dienstenverdeler in de audiovisuele sector de leefbaarheid van het omroepbestel en de audiovisuele productiehuizen in Vlaanderen verhogen: ‘Bovendien is de concrete marktsituatie vandaag zo dat audiovisuele producenten soms moeilijkheden ondervinden om hun producties te financieren, gelet ook op het moeilijke financieel-economische klimaat en de terughoudendheid van de financiële sector om financieringen in de culturele/creatieve sector te verstrekken. Dit en het feit dat er gestreefd wordt naar evenwichtige marktverhoudingen tussen enerzijds de dienstenverdelers en anderzijds de televisieomroeporganisaties en audiovisuele producenten, noopt de Vlaamse overheid er toe de kwetsbaarheid van deze laatste groep te beperken. Indien dienstenverdelers aldus structureel deelnemen aan het productieproces in de audiovisuele sector, zal dit de leefbaarheid van het omroepbestel en de audiovisuele productiehuizen ten goede komen.’ (Ontwerp van decreet betreffende de radio-omroep en televisie, houdende invoering van een stimuleringsregeling voor de audiovisuele sector Parl. St. Vl. Parl. 2013-2014, nr. 2294/1, 3-4). Het door de Vlaamse overheid nemen van ‘beschermende’ maatregelen naar een bepaalde groep toe in haar streven naar evenwichtige marktverhoudingen in de audiovisuele sector, betekent niet zonder meer dat die maatregelen uitsluitend verplichtingen voor de ene groep en rechten voor de andere groep zouden inhouden. In die zin volgt de VRM het verweer van de VRT ook niet als zou de stimuleringsregeling uitsluitend regels aan de dienstenverdelers opleggen maar niet aan de omroeporganisaties terwijl de VRT er wel haar recht om lineair in open net uit te zenden op steunt. Uit artikel 6, 6°, c), van het Uitvoeringsbesluit blijkt bijvoorbeeld ook dat een dienstenverdeler in bepaalde omstandigheden kan kiezen ‘voor een verplichting in hoofde van een omroeporganisatie bedoeld in 6° a)’, die de omroeporganisatie dan ook zal dienen na te leven. 12.2. Artikel 6, 6°, van het Uitvoeringsbesluit omvat de rechtenregeling van de participerende dienstenverdeler op de audiovisuele productie waarbij het uitgangspunt in artikel 6, 6°, a), verwoord wordt: het gerealiseerde coproductieproject mag 1) ‘alleen lineair’ en 2) ‘alleen door een omroeporganisatie in open net’ worden uitgezonden. Er wordt door artikel 6, 6°, b), verboden/voorkomen dat er via overeenkomst geregeld zou worden dat de dienstenverdeler het coproductieproject voorafgaand aan de lineaire uitzending in open net zou mogen uitzenden. Artikel 6, 6°, c), laat wel toe dat de dienstenverdeler onder welbepaalde voorwaarden achteraf na de eerste lineaire uitzending van het coproductieproject in open net, de afleveringen via een eigen platform kan aanbieden. IX-9580-5/15 Het Uitvoeringsbesluit omschrijft dus nauwkeurig wanneer er kan worden afgeweken van de regel en er toch 1) niet-lineair mag worden uitgezonden en 2) het principe dat geen uitzending voorafgaand aan de lineaire uitzending in open net (door de dienstenverdeler) toegelaten is. Hieruit afleiden dat een niet-lineaire aanbieding door een omroeporganisatie voorafgaand aan de lineaire uitzending van het volledige coproductieproject, toegelaten is, gaat volgens de VRM, in het licht van de beoogde doelstelling van de regeling, te ver. Bij toepassing van artikel 6, 6°, c), van het Uitvoeringsbesluit kan de dienstenverdeler dus onder bepaalde voorwaarden, waaronder betaling van een marktconforme bijkomende financiële bijdrage, kiezen voor een verplichting in hoofde van de omroeporganisatie om toe te laten dat de dienstenverdeler het coproductieproject gedurende twaalf maanden na de eerste lineaire uitzending in open net via een eigen platform kan aanbieden. Indien de omroeporganisatie voorafgaand aan de lineaire uitzending van het gehele coproductieproject in open net, (alle) afleveringen reeds niet-lineair zou mogen/kunnen aanbieden, zullen de rechten van de participerende en zelfs een niet-participerende dienstenverdeler voor een uitzending achteraf via eigen platform minder waard zijn. Telenet heeft in deze zaak verklaard dat deze situatie zich hier voordoet. Wanneer de exploitatierechten minder opbrengen, komt dat uiteindelijk ten nadele van de groep wiens kwetsbaarheid net diende beperkt te worden met deze regeling. De VRM ziet dan ook niet in hoe dergelijke interpretatie van de regels kan bijdragen in het streven naar evenwichtige marktverhoudingen in de audiovisuele sector. In de huidige stand van de regelgeving lijken er volgens de VRM in het kader van de stimuleringsregeling dan ook geen voorafgaande uitzendingen van het coproductieproject in Vlaanderen mogelijk, niet door de participerende partijen maar ook niet door derde partijen zoals niet-participerende omroeporganisaties en niet-participerende dienstenverdelers. Het tegendeel verdedigen zou de bescherming die men met de regeling beoogt te bereiken, ondermijnen: de mogelijkheid voor een niet-participerende televisieomroeporganisatie of niet-participerende dienstenverdeler tot al dan niet gratis uitzenden of aanbieden van het coproductieproject, voorafgaand aan de lineaire uitzending in open net door de participerende televisieomroeporganisatie, zal de bereidheid tot (financiële) participatie door een dienstenverdeler en een televisieomroeporganisatie in coproductieprojecten aanzienlijk doen dalen. Bovendien zal de participerende dienstenverdeler ook geneigd zijn minder te betalen om het coproductieproject na de lineaire uitzending ervan nog via eigen platformen te mogen aanbieden. 13. Telenet 13.1. Uit het onderzoek is gebleken dat de zogenaamde ‘bingeweek’ een marketingactie was die eenzijdig van de VRT uitging. 13.2. Het onderzoek toont ook aan dat het de omroeporganisatie zelf is die de betrokken afleveringen heeft opgeladen in haar eigen ruimte IX-9580-6/15 binnen de Telenet-interface en dat […] deze niet beschikbaar waren via het eigen niet-lineaire platform van de dienstenverdeler. Voor de abonnees van Telenet waren de afleveringen uitsluitend beschikbaar via de VRT-diensten die onder de redactionele verantwoordelijkheid van de VRT vallen. Het ter beschikking stellen van de afleveringen vereiste met andere woorden geen tussenkomst of daad van de dienstenverdeler en gebeurde dan ook uitsluitend via een dienstenverdeler (Telenet en Proximus) maar niet door een dienstenverdeler via diens eigen niet-lineaire platform. Voor zoveel als nodig wordt opgemerkt dat Telenet geen rechten bezat om deze content voorafgaand al ter beschikking te stellen. Telenet heeft noch via zijn eigen niet-lineaire platform, noch voorafgaand aan de lineaire uitzending door een omroeporganisatie in open net afleveringen van het gerealiseerde coproductieproject beschikbaar gesteld. 13.3. Hieruit volgt dat Telenet geen inbreuk heeft begaan. 14. VRT 14.1. Uit het onderzoek blijkt dat de VRT, na de lineaire uitzending in open net van de tweede aflevering van ‘Open Water’, alle overige acht afleveringen van het coproductieproject via VRT NU en via ‘Net Gemist’, en dus niet-lineair, ter beschikking heeft gesteld. De VRM stelt vast dat dit niet beantwoordt aan artikel 6, 6°, a), van het Uitvoeringsbesluit volgens hetwelk het gerealiseerde coproductieproject alleen lineair en alleen in open net kan worden uitgezonden. Voor de beoordeling daarvan speelt het daarbij geen rol of de lineaire uitzendingen in open net reeds gestart waren of niet en of de ter beschikkingstelling kosteloos is gebeurd of niet. Het is een feit dat de VRT meerdere afleveringen van het gerealiseerde coproductieproject niet-lineair heeft aangeboden, terwijl die afleveringen pas later lineair werden uitgezonden. 14.2. Het verweer dat een strikte interpretatie van artikel 6, 6°, a), van het Uitvoeringsbesluit catch-up tv niet meer zou toelaten terwijl de beheersovereenkomst dit nochtans aan de VRT oplegt, overtuigt niet. Een strikte interpretatie laat catch-up tv van alle andere uitzendingen door de VRT gewoon ongemoeid. De VRM wil in haar interpretatie bovendien zelfs niet zo ver gaan dat de omroeporganisatie de reeds lineair in open net uitgezonden afleveringen van het coproductieproject niet in catch-up tv zou mogen aanbieden, ook al valt dergelijke dienst onder het label niet-lineaire televisiedienst. In het licht van de beoogde doelstelling van de regelgever is echter problematisch de combinatie van 1) het niet-lineair ter beschikking stellen van 2) afleveringen die nog niet lineair in open net waren uitgezonden. Zoals hoger uiteengezet benadeelt dergelijke werkwijze de rechten van dienstenverdelers die beroep willen doen op de afwijking van artikel 6, 6°, c), van het Uitvoeringsbesluit en dus ook de rechten van de productiehuizen. 14.3. De VRM ziet bovendien helemaal niet in hoe het kosteloos ter beschikking stellen van afleveringen van een gerealiseerd coproductieproces, de precaire financiële situatie van de omroeporganisaties en productiehuizen ten goede zou kunnen komen. IX-9580-7/15 14.4. Uit het bovenstaande volgt dat VRT een inbreuk heeft begaan op artikel 6, 6°, a), van het Uitvoeringsbesluit door de afleveringen 3 tot en met 10 van het coproductieproject niet-lineair aan te bieden en vervolgens pas lineair uit te zenden. 14.5. Bij het bepalen van de sanctie houdt de VRM rekening met het gegeven dat voor de eerste keer een inbreuk van deze aard wordt gesanctioneerd. Daarom is een waarschuwing in dit geval een gepaste sanctie.” IX-9580-8/15 IV. Onderzoek van het enige middel Uiteenzetting van het middel 4. Het enige middel wordt afgeleid uit een schending van artikel 6, 6°, a), van het uitvoeringsbesluit stimuleringsregeling, van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’ en van het zorgvuldigheidsbeginsel, het legaliteitsbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel: “Doordat de verwerende partij in de bestreden beslissing verkeerdelijk een inbreuk vaststelt jegens de verzoekende partij op grond van artikel 6, 6°,
- a)van het Uitvoeringsbesluit om reden dat de VRT, na de lineaire uitzending in open net van de tweede aflevering van ‘Open Water’, de overige afleveringen niet-lineair ter beschikking heeft gesteld, Terwijl artikel 6, 6°,
- a)van het Uitvoeringsbesluit de VRT geenszins verbiedt om gerealiseerde co-productieprojecten niet-lineair uit te zenden; En terwijl het administratief legaliteitsbeginsel bepaalt dat elk overheidsoptreden een juridische grondslag dient te hebben; En terwijl de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen overheidsinstanties verplichten om beslissingen te voorzien van een motivering die draagkrachtig en pertinent is; En terwijl het zorgvuldigheidsbeginsel als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur vereist dat overheidsinstanties bij de feitenvinding pas na een behoorlijk onderzoek van de zaak en met kennis van alle relevante gegevens een beslissing nemen; En terwijl het rechtszekerheidsbeginsel inhoudt dat het recht voorzienbaar en toegankelijk moet zijn, zodat eenieder in redelijke mate de gevolgen van een bepaalde handeling kan voorzien op het tijdstip dat die handeling wordt verricht Zodat de beslissing nr. 2019/008 de in het middel aangehaalde bepalingen en beginselen schendt.” Verzoekster licht toe dat artikel 6, 6°, van het uitvoeringsbesluit stimuleringsregeling voorziet in de regeling van “de rechten van de participerende dienstenverdeler op de audiovisuele productie”. Onderdeel
- a)van artikel 6, 6°, bepaalt vervolgens dat de gerealiseerde coproductieprojecten alleen lineair en alleen door een televisieomroeporganisatie in open net kunnen worden uitgezonden. De verwerende partij geeft aan voormeld onderdeel “een uiterst IX-9580-9/15 bizarre draagwijdte” door de bepaling niet op te vatten – zoals de bepaling nochtans letterlijk voorschrijft – als een omschrijving van de rechten van de dienstenverdelers voor wat de lineaire uitzending betreft in open net van coproductieprojecten – zijnde géén rechten want het recht om coproductieprojecten lineair en in open net uit te zenden wordt uitsluitend aan verzoekster en derhalve niet aan de dienstenverdeler toebedeeld. De verwerende partij gaat echter veel verder, door aan voormeld onderdeel een betekenis te geven waarin niet voorzien was door de decreetgever en die in strijd is met het maatschappelijk doel van de VRT. De verwerende partij meent immers uit deze bepaling ook te moeten afleiden dat de rechten van de omroeporganisatie beknot worden en er een verbod wordt ingevoerd voor deze omroeporganisatie om in bepaalde gevallen niet-lineair uit te zenden. Door deze interpretatie creëert de verwerende partij een verplichting voor de open-netomroep waarin de regelgever niet heeft voorzien en die in strijd is met de expliciete bewoordingen en het toepassingsgebied van het uitvoeringsbesluit. Bovendien creëert de verwerende partij hiermee een inconsistentie: als zij ervan uitgaat dat het uitvoeringsbesluit stimuleringsregeling een verplichting creëert voor de VRT om de coproductie enkel lineair en in open net uit te zenden, dan valt niet te begrijpen waarom de VRT wel de reeks en zijn individuele afleveringen in een “catch up” niet-lineaire dienst kan aanbieden. De omroeporganisatie en de producent in kwestie zouden het coproductieproject ook niet niet-lineair kunnen laten aanbieden door andere partijen nu het volgens de interpretatie van de verwerende partij “alleen lineair en alleen door een televisieomroeporganisatie in open net” kan worden uitgezonden. Dit leidt ertoe dat zowat elke verdere exploitatie onmogelijk is en zal ertoe leiden dat elk coproductieproject dat wordt ondersteund door de stimuleringsregeling de facto verlieslatend zal zijn. Noch het mediadecreet, noch het uitvoeringsbesluit verleent aan de verwerende partij, als regulerende instantie, de bevoegdheid om een eigen IX-9580-10/15 beleidsmatige nadere invulling te geven aan de stimuleringsregeling van artikel 184/1 van het mediadecreet of aan artikel 6, 6°, a), van het uitvoeringsbesluit stimuleringsregeling. De interpretatie van de verwerende partij die erin bestaat aan verzoekster niet-lineaire uitzendmogelijkheden te ontnemen is allerminst verenigbaar met het door de decreetgever vooropgestelde doel om evenwichtige marktverhoudingen te creëren tussen de dienstenverdelers en de televisieomroeporganisaties. Meer nog, het zou de open-netomroepen die al substantieel investeren in lokale content ernstig ontraden om nog te investeren in coproducties die financiële ondersteuning krijgen van dienstenverdelers in het kader van hun verplichtingen onder de stimuleringsplicht, of minstens hen ertoe aanzetten om hun investering te verlagen rekening houdend met de beperkte “exploitatiewindows” die zij kunnen verwerven. Ook voor productiehuizen is dit nadelig aangezien zij dan bepaalde niet-lineaire rechten niet kunnen valoriseren. Kortom, deze interpretatie door de verwerende partij zou het tegenovergestelde resultaat opleveren van wat de regelgever voor ogen had. Verzoekster werkt haar zienswijze uit aan de hand van, achtereenvolgens, de systematische interpretatiemethode, de wetsteleologische interpretatiemethode en door aan te voeren dat de lezing van de verwerende partij het maatschappelijk doel en de beheersovereenkomst van verzoekster schendt. Wat dit laatste betreft, wijst zij erop dat het mediadecreet haar opdraagt “een zo groot mogelijk aantal mediagebruikers te bereiken met een diversiteit aan hoogkwalitatieve programma’s die de belangstelling van de mediagebruikers wekken en eraan voldoen” en “de technologische ontwikkelingen op de voet [te volgen] zodat [zij haar] programma’s, als dat nodig en wenselijk is, ook via nieuwe mediatoepassingen aan [haar] kijkers en luisteraars kan aanbieden” (artikel 6, § 2, van het mediadecreet). De bestreden beslissing brengt het omgekeerde met zich mee. IX-9580-11/15 5. In haar memorie van wederantwoord herhaalt verzoekster, geheel overbodig, woordelijk het middel en de toelichting bij het middel. Op de memorie van antwoord komt dan weer geen enkele afzonderlijke reactie. Beoordeling 6. Verzoekster laat na om in de toelichting bij het middel uit te leggen op welke wijze de bestreden beslissing volgens haar strijdt met de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’, het zorgvuldigheidsbeginsel, het legaliteitsbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel. In die mate is het middel onontvankelijk. 7. Verzoekster leest in artikel 6 van het uitvoeringsbesluit stimuleringsregeling enkel beperkingen die worden opgelegd aan de dienstenverdeler. Artikel 6, 6°, evenwel is een rechtenregeling: het regelt “de rechten van de participerende dienstenverdeler op de audiovisuele productie”. Die regeling omvat, onder a), de zekerheid voor de dienstenverdeler dat het gerealiseerde coproductieproject alleen lineair en alleen door een televisieomroeporganisatie in open net mag worden uitgezonden. Die bepaling kan als “rechtenregeling” voor de dienstenverdeler enkel zin hebben, zo ze – als andere zijde van éénzelfde medaille – de plicht omvat voor de participerende televisieomroeporganisatie en de producent om dat recht te (doen) respecteren. 8. De VRM geeft in de bestreden beslissing aan artikel 6, 6°, a), van het uitvoeringsbesluit stimuleringsregeling dan ook geen verkeerde uitlegging door erin te lezen dat de VRT het betreffende coproductieproject niet niet-lineair en niet in open net mag ter beschikking stellen, zoals zij dat tijdens de “bingeweek” heeft gedaan. IX-9580-12/15 Die bestreden beslissing laat voorts het recht van verzoekster om als enige de coproductie lineair en in open net uit te zenden onverlet. 9. Met de opmerking over de catch-up aanbieding is de VRM niet inconsistent, zoals verzoekster beweert. Integendeel, de VRM erkent dat catch-up aanbieding een vorm van niet-lineaire aanbieding is, maar hij laat verstaan “niet zo ver [te] gaan” om met dezelfde strengheid daartegen te zullen optreden, omdat zulke catch-up aanbieding niet in dezelfde mate problematisch is in het licht van de doelstelling van artikel 6, 6° (bestreden beslissing sub 14.2 en 14.3). Bovendien is bij catch-up aanbieding de betreffende aflevering reeds lineair uitgezonden, terwijl het in de voorliggende zaak net gaat om het niet-lineair ter beschikking stellen van afleveringen die nog niet lineair in open net zijn uitgezonden. 10. De opmerking van verzoekster over de weerslag van de rechtenregeling op de winstgevendheid van de coproducties omdat de omroeporganisatie en de producent het coproductieproject niet kunnen laten aanbieden door andere partijen, is beleidskritiek die verzoekster desgevallend onder de aandacht van de Vlaamse regering moet brengen maar die niet dienstig is voor de beoordeling van het middel. 11. Het enige middel is deels onontvankelijk, deels ongegrond. BESLISSING 1. De Raad van State verwerpt het beroep. 2. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 20 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. IX-9580-13/15 IX-9580-14/15 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van drieëntwintig juni tweeduizend tweeëntwintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, Bruno Seutin, staatsraad, Bert Thys, staatsraad, bijgestaan door Tiny Temmerman, griffier. De griffier De voorzitter Tiny Temmerman Geert Van Haegendoren IX-9580-15/15 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.254.075 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div