id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 23 juni 2022 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.254.082 Rolnummer: A. 228102/IX-9545 Zaak: Arrest 254082 - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan - 23/06/2022 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2022-07-04 Raadplegingen: 76 - laatst gezien 2026-06-10 07:07 Fiche Arrest nr 254.082 van 23 juni 2022 Openbaar ambt - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Verwerping Depersonalisatie Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 254.082 van 23 juni 2022 in de zaak A. 228.102/IX-9545 In zake : XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Tom De Sutter kantoor houdend te 9000 Gent Koning Albertlaan 128 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën die woonplaats kiest bij de Centrale Rechtskundige Dienst van de FOD Financiën gevestigd te 1030 Brussel North Galaxy Koning Albert II-laan 33 bus 15 -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 13 mei 2019, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van de minister van Financiën van 4 maart 2019 waarbij de betrekking van adviseur-generaal (A4) waaraan de functie is verbonden van ‘adviseur-generaal douane en accijnzen – onderzoek en opsporing’, in competitie gesteld bij dienstorder bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 25 maart 2013, niet wordt toegekend en de bevorderingsprocedure wordt afgesloten. II. Verloop van de rechtspleging IX-9545-1/29
- De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur Melissa Celis heeft een verslag opgesteld. De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend. Met toepassing van artikel 26, § 2, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State’, heeft de voorzitter van de IXe kamer bij beschikking van 31 maart 2022 aan de partijen voorgesteld dat de zaak niet op een openbare terechtzitting wordt behandeld, tenzij één van de partijen hierom verzoekt. Geen van de partijen heeft om een terechtzitting gevraagd. Overeenkomstig bovenvermelde beschikking, werd het debat gesloten en werd de zaak in beraad genomen op 23 mei
- Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- Verzoeker is adviseur A3 bij de Algemene Administratie van de Douane en Accijnzen (AADA) – administratie Onderzoek en Opsporing – team Onderzoek en Opsporing Zaventem. 3.
- In het Belgisch Staatsblad van 25 maart 2013 wordt een aantal betrekkingen in competitie gesteld van adviseur-generaal (A41), waaronder een IX-9545-2/29 betrekking van ‘adviseur-generaal douane en accijnzen – onderzoek en opsporing’ (functieclassificatie DFI028) bij de centrale diensten van de administratie der douane en accijnzen. Daarbij wordt vermeld dat deze betrekking zal worden geïntegreerd in de AADA. 3.
- Verzoeker stelt zich kandidaat voor de voornoemde betrekking en neemt deel aan de selectieproeven. Hij behaalt een score van 13,5/20 voor de generieke competenties en wordt als tweede gerangschikt. 3.
- Op 19 juli 2013 wordt met een aantal koninklijke besluiten een reorganisatie doorgevoerd waarbij de FOD Financiën overgaat naar de nieuwe “Coperfin-structuur”. De uitvoering van die besluiten, die onder meer ertoe strekken de personeelsleden te integreren in de nieuwe structuur, heeft de zogenaamde ‘kanteling 2’ tot gevolg, die leidt tot een verstoring van het taalevenwicht op de tweede trap van de hiërarchie. 3.
- In het kader van de voornoemde reorganisatie van de FOD Financiën wordt bij beslissing van de voorzitter van het directiecomité van de FOD Financiën van 3 januari 2014 verzoeker geïntegreerd in de AADA, en dit met ingang van 1 september
- Ook VS, een collega van verzoeker, wordt geïntegreerd in de AADA. Bij beslissing van de administrateur-generaal douane en accijnzen van 10 december 2014 wordt verzoeker aangewezen voor de administratieve standplaats Zaventem in de administratie Onderzoek en Opsporing, met ingang van 1 januari
- VS wordt op haar vraag aangewezen voor de standplaats Brussel centrale diensten, eveneens met ingang van 1 januari
- 3.
- Op 15 mei 2014 doet de administrateur-generaal douane en accijnzen in een nota voor het directiecomité zijn voorstellen voor benoeming tot adviseur-generaal. IX-9545-3/29 Voor de betrekking van adviseur-generaal douane en accijnzen bij de centrale diensten van de AADA – onderzoek en opsporing (functieclassificatie: DFI028), wordt verzoeker voorgesteld voor benoeming. Daarbij wordt echter opgemerkt: IX-9545-4/29 “Om taalredenen is het evenwel niet mogelijk om betrokkene op dit moment te benoemen tot Adviseur-generaal douane en accijnzen bij de centrale diensten van de AADA – Onderzoek en Opsporing.” 3.
- Op 16 mei 2014 valt het directiecomité van de FOD Financiën dat voorstel bij. Die beslissing wordt samen met de nota van de administrateur- generaal van 15 mei 2014 aan verzoeker meegedeeld met een brief van 16 juni
- 3.
- Op 20 mei 2014 wordt aan de verwerende partij door de Vaste Commissie voor Taaltoezicht het volgende advies meegedeeld: “Ter zitting van 16 mei 2014 hebben de verenigde afdelingen van de Vaste Commissie voor Taaltoezicht (VCT) een onderzoek gewijd aan de klacht die ingediend werd door […] wegens overtreding van artikel 43ter, § 4, tweede lid, van de bij koninklijk besluit van 18 juli 1966 gecoördineerde wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken (SWT), welke de numerieke gelijkheid voor de betrekkingen van de eerste twee trappen van de hiërarchie oplegt. De klager maakt namelijk melding van de integratie van de bijzondere loopbanen van niveau A in de gemene loopbaan van de FOD Financiën, zegge de integratie van de personeelsleden van klasse A2 in klasse A3; operatie ‘kanteling K2’ genaamd, welke plaatsvond bij koninklijk besluit van 19 juli
- Er werd met name bepaald dat de ambtenaren bekleed met de titels van eerste attaché van financiën (A22 en A23), eerstaanwezend inspecteur bij een fiscaal bestuur (A22), eerstaanwezend inspecteur-dienstchef bij een fiscaal bestuur (A23), scheikundig adviseur (A23), en adviseur van financiën (A23) op de datum van inwerkingtreding van dit besluit – op 1 september 2013 – ambtshalve drager worden van de titel van adviseur (A3). Deze operatie impliceert een evenwichtsverstoring op het niveau van de tweede trap van de hiërarchie, en dit in strijd met artikel 43ter, § 4, tweede lid, van de STW, dat inderdaad in de numerieke gelijkheid voorziet. Zo telde de tweede trap, na de uitvoering van dit koninklijk besluit, 321 ambtenaren behorende tot het Nederlandse kader en 248 ambtenaren behorende tot het Franse kader. Bij brief van 28 april 2014 bevestigt u de evenwichtsverstoring op de 2e trap veroorzaakt door de uitvoering van genoemd koninklijk besluit, alsook uw wil om het nodige te doen om deze situatie recht te zetten. U stelt dan ook voor om geen bevorderingen meer door te voeren van ambtenaren behorende tot het Nederlandse kader die deze evenwichtsverstoring zouden IX-9545-5/29 vergroten. De klacht is ontvankelijk en gegrond.” 3.
- Op 10 februari 2015 beslist de minister van Financiën om de uitoefening van de hogere functie van adviseur-generaal onderzoek en opsporing bij de AADA toe te kennen aan verzoeker vanaf 1 december 2014 voor een periode van zes maanden. Dit wordt vervolgens verlengd: een eerste keer van 1 juni 2015 tot 30 november 2015, een tweede keer van 1 december 2015 tot 31 mei 2016 en een derde keer van 1 juni 2016 tot 30 november
- Op 9 oktober 2017 beslist de voorzitter van het directiecomité van de FOD Financiën om de uitoefening van de hogere functie van adviseur- generaal (A4) opsporing toe te kennen aan verzoeker vanaf 1 oktober 2017 tot 31 maart
- Dit wordt daarna verlengd van 1 april 2018 tot 30 september
- 3.
- Op 21 februari 2018 wordt de volgende parlementaire vraag gesteld: “Bij de aanstelling van de nieuwe administrateur-generaal van de douane werd de bestaande structuur omgegooid en werden nieuwe diensten opgericht met aanstelling van tijdelijke leidinggevenden.
- Kan een schema van de nieuwe en oude structuur worden medegedeeld?
- Welke is de wettelijke basis voor de nieuwe structuur?
- Wanneer zullen de leidinggevende ambtenaren definitief worden aangeduid? Zijn er reeds selectieprocedures gaande?” Het antwoord van de minister van Financiën luidt: “
- Zie tabel. De tabellen bij het antwoord op deze vraag zijn het geachte Kamerlid rechtstreeks toegestuurd. Gezien het louter documentaire karakter ervan worden zij niet in het Bulletin van Vragen en Antwoorden opgenomen maar liggen zij ter inzage bij de griffie van de Kamer van volksvertegenwoordigers (dienst Parlementaire vragen).
- De FOD Financiën en de Algemene Administratie van de Douane en Accijnzen nemen de nodige stappen om de nieuwe structuur te finaliseren: - in eerste instantie door het wijzigen van het koninklijk besluit van 19 juli 2013 tot vaststelling van het organiek reglement van de FOD Financiën en van de bijzondere bepalingen die van toepassing zijn op het statutair personeel; - en vervolgens door het wijzigen van het besluit van de Voorzitter van het directiecomité tot oprichting van de nieuwe diensten van de Algemene IX-9545-6/29 Administratie van de Douane en Accijnzen.
- De nieuwe departementen zullen geleid worden door ambtenaren bekleed met de graad van adviseur- generaal (profiel leidinggevende – A4). De ambtenaren die in afwachting van de officialisering van de nieuwe structuur werden aangeduid om deze functies op te nemen zijn allen laureaat van een selectieprocedure A4 georganiseerd door Selor. Er dienen bijgevolg hiervoor geen vergelijkende selecties te worden georganiseerd. In de nieuwe structuur zal aan het hoofd van de administraties ‘Opsporing’ en ‘Operations’ een N-2 functie voorzien worden. Zolang de nieuwe structuur niet werd geofficialiseerd en zolang deze functies niet gewogen zijn, kan de selectieprocedure niet gestart worden. Een concrete timing kan in deze fase van het dossier nog niet gegeven worden.” 3.
- Bij nota van 26 september 2018 stelt de administrateur-generaal van de AADA aan het directiecomité voor om de benoemingsprocedure in de klasse A4 in een betrekking waaraan de functie is verbonden van ‘adviseur- generaal douane en accijnzen – onderzoek en opsporing’ bij de centrale diensten van de AADA stop te zetten. De motivering van dit voorstel luidt: “Bij dienstorder gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 25 maart 2013 werd de volgende betrekking in competitie gesteld bij de centrale diensten van de Administratie der douane en accijnzen: een betrekking van adviseur- generaal (A41) waaraan de functie is verbonden van ‘Adviseur-generaal douane en accijnzen – Onderzoek en Opsporing’ (functieclassificatie DFI028). Deze betrekking werd meer dan vijf jaar geleden in competitie gesteld, dus vóór de kantelingen, vóór de oprichting van de Algemene Administratie van de Douane en Accijnzen, en vóór de operationalisering van de centrale diensten. Binnenkort wordt er binnen de diensten van de Algemene Administratie van de Douane en Accijnzen ook nog een belangrijke structurele wijziging voorzien. Op zich volstaan deze talrijke en belangrijke wijzigingen binnen de Algemene Administratie van de Douane en Accijnzen al om het voorstel om de huidige procedure stop te zetten te rechtvaardigen. Hetzelfde geldt voor de administratieve loopbaan en de technische en generieke competenties van de nog betrokken kandidaten: ook deze elementen rechtvaardigen op zich het voorstel om deze procedure te beëindigen. Aangezien de evaluatietesten van de generieke competenties en de interviews meer dan vier jaar geleden plaatsvonden, is het onzinnig om nu nog aan de heer Minister een voorstel te willen voorleggen dat gebaseerd is op de vergelijking van de titels en verdiensten van de nog betrokken kandidaten. Rekening houdende met de verstreken termijn en de hierboven vermelde IX-9545-7/29 overwegingen, wordt het Directiecomité verzocht om aan de heer Minister voor te stellen om de huidige procedure stop te zetten. Alvorens dit voorstel aan de heer Minister voor te leggen, zullen de bij deze procedure nog betrokken kandidaten in kennis worden gesteld van dit voorstel, opdat zij eventueel een klacht zouden kunnen indienen.” 3.
- Bij besluit van de voorzitter van het directiecomité van de FOD Financiën van 26 september 2018 worden de diensten van de AADA opgericht. Dit besluit treedt in werking op 1 oktober
- 3.
- Op 28 september 2018 maakt het directiecomité van de FOD Financiën het voorstel van de administrateur-generaal van 26 september 2018 tot het zijne. 3.
- Op 8 oktober 2018 wordt de beslissing van het directiecomité van de FOD Financiën van 28 september 2018 samen met de nota van de administrateur-generaal van 26 september 2018 aan verzoeker ter kennis gebracht. Er wordt hem meegedeeld dat hij binnen een termijn van tien werkdagen ingaand op de eerste werkdag volgend op de betekening klacht kan indienen bij het directiecomité tegen dit voorstel. 3.
- Op 22 oktober 2018 dient verzoeker een bezwaarschrift in tegen de beslissing van het directiecomité van 28 september
- 3.
- Op 30 oktober 2018 deelt de administrateur-generaal douane en accijnzen aan verzoeker mee dat een einde wordt gesteld aan zijn voorlopige tewerkstelling bij de centrale diensten van de administratie Opsporing van de AADA en dat hij met ingang van 1 november 2018 tewerkgesteld wordt bij DA opsporing Zaventem. 3.
- Bij nota van 10 december 2018 doet de administrateur-generaal van de AADA aan het directiecomité volgend voorstel over het bezwaarschrift van verzoeker: IX-9545-8/29 “Bij dienstorder gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 25 maart 2013 werd de volgende betrekking in competitie gesteld bij de centrale diensten van de Administratie der douane en accijnzen: • 1 betrekking waaraan de functie is verbonden van ‘Adviseur-generaal douane en accijnzen – Onderzoek en Opsporing’ (functieclassificatie: DFI028) bij de centrale diensten van de Administratie der douane en accijnzen Zoals ik reeds heb aangegeven in mijn nota van 26 september 2018, goedgekeurd door het Directiecomité van 28 september 2018, werd de bovenvermelde betrekking meer dan vijf jaar geleden in competitie gesteld. De dienstorder werd in het Belgisch Staatsblad van 25 januari 2013 gepubliceerd, dus vóór de kantelingen, vóór de oprichting van de Algemene Administratie van de Douane en Accijnzen en vóór de operationalisering van de centrale diensten. Op 1 oktober 2018 is een grote structurele wijziging doorgevoerd, waarbij de Algemene Administratie van de Douane en Accijnzen in plaats van uit 5 nog slechts uit 2 administraties bestaat. Men gaat over tot de officialisering van 8 centrale departementen. De structuur van de Administratie werd diepgaand gewijzigd. De heer XXXX heeft een bezwaarschrift ingediend op 22 oktober 2018 zonder te vragen om gehoord te worden. In zijn bezwaarschrift beklaagt de heer XXXX zich over het feit dat kanteling 2 is gebeurd in strijd met de taalwetten. Kanteling 2 werd uitgevoerd door het koninklijk besluit van 19 juli 2013 houdende de benoeming in de gemene loopbaan van de titularissen van een bijzondere titel in het niveau A en de toewijzing aan de personeelsleden van het niveau A van een functie opgenomen in de bijlage van het koninklijk besluit van 20 december 2007 houdende de classificatie van de functies van niveau A, waartegen geen beroep tot schorsing en/of nietigverklaring werd ingesteld bij de Raad van State. Kanteling 2 is dus definitief geworden en niet onwettig. Betrokkene verliest uit het oog dat hij in het kader van de kanteling nooit heeft gepostuleerd voor de centrale diensten en bijgevolg is aangewezen voor de buitendiensten bij beslissing van 10 december 2014 (Zaventem onderzoek en opsporing). Bijgevolg is hij niet opgenomen in de tweede taaltrap van de centrale diensten van de FOD Financiën waardoor bij benoeming, in geval van een onevenwicht, het onevenwicht in het taalkader nog vergroot zou worden. Op 1 oktober 2018 werd een grote structurele wijziging doorgevoerd. Zoals gesteld, de Algemene Administratie van de Douane en Accijnzen bestaat nog slechts uit 2 administraties en aan het hoofd van deze administraties komt een houder van een managementfunctie N-2 en niet langer een adviseur-generaal (A4). Deze wijzigingen leiden ertoe dat de functie die in competitie werd gesteld op centraal niveau niet langer nodig is. In afwachting van de aanwijzing van een N-2 heb ik de leiding genomen over de directie van de Administratie Opsporing. Op 30 oktober 2018 werd ook een einde gesteld aan de voorlopige tewerkstelling bij de centrale diensten van de Algemene Administratie van de Douane en Accijnzen van IX-9545-9/29 de heer XXXX. Hij werd toegewezen als Adviseur A3 aan Opsporing Zaventem. Hij oefent dus geen functie meer uit als A
- Artikel 54 van het koninklijk besluit van 19 juli 2013 tot vaststelling van het organiek reglement van de Federale Overheidsdienst Financiën en van de bijzondere bepalingen die van toepassing zijn op het statutair personeel betreft een overgangsregeling voor de lopende procedures houdende bevordering. Deze bepaling houdt geenszins de verplichting in om de procedure onvoorwaardelijk voort te zetten, zeker wanneer deze functie niet meer nodig is. Ten laatste kan erop gewezen worden dat de evaluatietesten en interviews 5 jaar geleden zijn georganiseerd. Dit heeft tot gevolg dat de technische en generieke competenties van betrokkene en de andere kandidaten die toen werden geëvalueerd, niet langer actueel zijn. De titels en verdiensten worden vergeleken op het ogenblik van benoeming in de hogere klasse en geenszins bij de officialisering van een nieuwe structuur. Om deze redenen dient het bezwaarschrift van de heer XXXX te worden geklasseerd zonder gevolg en is het opportuun dat het Directiecomité voorstelt aan de heer Minister om de huidige procedure stop te zetten. De betrokken kandidaten zullen vervolgens van deze beslissing door de heer Minister in kennis worden gesteld.” 3.
- Op 14 december 2018 maakt het directiecomité van de FOD Financiën dit voorstel tot het zijne. 3.
- Op 4 maart 2019 beslist de minister van Financiën dat de betrekking van adviseur-generaal (A4) waaraan de functie is verbonden van ‘adviseur-generaal douane en accijnzen – onderzoek en opsporing’ (functieclassificatie DFI028) bij de centrale diensten van de administratie der douane en accijnzen (te integreren bij de AADA), in competitie gesteld bij dienstorder bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 25 maart 2013, niet wordt toegekend en de bevorderingsprocedure, voor wat deze betrekking betreft, wordt afgesloten. Dat is de bestreden beslissing, waarvan de motivering luidt: “Gelet op de dienstorder gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 25 maart 2013, waarbij een betrekking in de klasse A4 waaraan de functie is verbonden van ‘Adviseur-generaal douane en accijnzen – Onderzoek en Opsporing’ (functieclassificatie DFI028) in competitie werd gesteld bij de centrale diensten van de Administratie der douane en accijnzen (te integreren bij de Algemene Administratie van de douane en accijnzen; IX-9545-10/29 Overwegende dat het Directiecomité in zijn zitting van 28 september 2018 heeft geoordeeld dat om de redenen die in het proces-verbaal van die zitting uitvoerig worden toegelicht, de voortzetting van de bevorderingsprocedure in kwestie voor wat deze betrekking betreft niet langer opportuun is en derhalve dient te worden afgesloten; Overwegende dat tegen dit advies van het Directiecomité, behoorlijk betekend aan alle betrokken ambtenaren, één enkel bezwaarschrift werd ingediend, Overwegende dat het Directiecomité, in zijn zitting van 14 december 2018, na onderzoek van alle bezwaren en argumenten die in het ingediende bezwaarschrift vervat liggen, heeft vastgesteld dat geen enkel nieuw element naar voren werd gebracht dat van aard is om het oorspronkelijk voorstel in vraag te stellen, en daarom heeft geoordeeld dit voorstel te moeten handhaven.” Deze beslissing wordt op 11 maart 2019 aan verzoeker ter kennis gebracht, samen met de beslissing van het directiecomité van 14 december
- IV. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel 4.
- Het eerste middel is genomen uit de schending van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’ (“formelemotiveringswet”), het materiëlemotiveringsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel. 4.
- Verzoeker voert aan dat de motieven die aan de bestreden beslissing ten grondslag liggen ondeugdelijk en onwettig zijn. 4.2.
- Inzake het motief dat deze betrekking “meer dan vijf jaar geleden in competitie [werd] gesteld […], dus vóór de kantelingen, vóór de oprichting van de Algemene Administratie van de Douane en de Accijnzen en vóór de operationalisering van de centrale diensten”, argumenteert verzoeker dat IX-9545-11/29 het uitdrukkelijk de bedoeling was dat het in competitie stellen van betrekkingen op 25 maart 2013 voorafgaand gebeurde aan de oprichting van de AADA, de kantelingen K1, K2 en K3 en de operationalisering van de centrale diensten, mede vanuit de bekommernis om op die gebeurtenissen te anticiperen. Hij wijst erop dat in andere op 25 maart 2013 in competitie gestelde betrekkingen voor adviseur-generaal A4 wel Nederlandstalige kandidaten werden benoemd, en dit met ingang van 1 mei 2014 of 1 december
- Collega VS – die zich in een volledig gelijkaardige situatie bevond als verzoeker en die ook niet kon worden benoemd met ingang van 1 december 2014 omwille van taalredenen – is alsnog benoemd bij koninklijk besluit van 30 juni
- Deze benoeming is voorgesteld ruim vier jaar na de incompetitiestelling en de kantelingen, na de oprichting van de AADA en na de operationalisering van de centrale diensten. Er wordt niet verantwoord waarom dit een jaar later niet meer zou kunnen. Volgens verzoeker had de incompetitiestelling zelfs als enig doel om de voorziene betrekkingen na de kanteling en na de oprichting van de AADA in te vullen. Bij elke betrekking in de incompetitiestelling van 25 maart 2013 staat ook uitdrukkelijk vermeld dat “[d]eze betrekking […] geïntegreerd [zal] worden in de Algemene Administratie van de Douane en Accijnzen”. Het gaat dan ook niet op dat thans wordt beweerd dat het gerechtvaardigd is om de procedure stop te zetten omdat de betrekking in competitie werd gesteld vóór de oprichting van de AADA en vóór de operationalisering van de centrale diensten. Verzoeker merkt ook op dat hij tussen 1 december 2014 en 30 september 2018 de functie heeft uitgeoefend en hiervoor jaarlijks positief is geëvalueerd. Hij is van oordeel dat met toepassing van de overgangsbepalingen in het koninklijk besluit van 19 juli 2013 ‘tot vaststelling van het organiek reglement van de Federale Overheidsdienst Financiën en van de IX-9545-12/29 bijzondere bepalingen die van toepassing zijn op het statutair personeel’ de benoemingsprocedure “onvoorwaardelijk” moet worden voortgezet. 4.2.
- Vervolgens reageert verzoeker op het motief “Binnenkort wordt er binnen de diensten van de Algemene Administratie van de Douane en Accijnzen ook nog een structurele wijziging voorzien. Op zich volstaan deze talrijke en belangrijke wijzigingen binnen de Algemene Administratie van de Douane en Accijnzen al om het voorstel om de huidige procedure stop te zetten te rechtvaardigen”. Hij argumenteert dat de structurele wijziging inmiddels is doorgevoerd met de wijziging van het koninklijk besluit van 19 juli 2013 ‘tot vaststelling van het organiek reglement van de Federale Overheidsdienst Financiën en van de bijzondere bepalingen die van toepassing zijn op het statutair personeel’ en de publicatie van het besluit van de voorzitter van het directiecomité van 26 september
- De wijzigingen zijn volgens verzoeker geenszins talrijk en evenmin belangrijk wat de administratie Onderzoek en Opsporing betreft en in relatie tot de betrekking waarvoor hij sinds 2014 laureaat is. De structuur van de AADA verandert van vijf administraties naar twee: de administratie Operaties en de administratie Opsporing, wat de nieuwe naam is van de administratie Onderzoek en Opsporing. Het betreft in wezen enkel een naamswijziging, voor het overige blijft alles ongewijzigd. Zo blijven de Coperfin- processen volgens dewelke er binnen de administratie moet worden gewerkt dezelfde. De taken en opdrachten blijven dezelfde. De bevoegdheden zijn ongewijzigd. De structuur van een centrale component blijft dezelfde. De structuur van de regionale component bevat dezelfde teams met dezelfde standplaatsen. Ze krijgen regionaal een directie Vlaanderen en een directie Wallonië die respectievelijk de Nederlandstalige en de Franstalige teams groepeert. Tot slot blijft de administratie geplaatst onder de verantwoordelijkheid van een houder van een managementfunctie -2 die de titel draagt van administrateur. IX-9545-13/29 Verzoeker ziet dan ook niet in hoe de “structurele wijzigingen” het voorstel tot stopzetting van de selectieprocedure kunnen rechtvaardigen. Dat een functie N-2 zou worden “gecreëerd”, is volgens verzoeker onjuist. Deze functie heeft altijd al bestaan sinds hij de functie van adviseur-generaal A4 onderzoek & opsporing is beginnen uitoefenen op 1 december
- Op die datum werden ook verschillende collega’s die laureaat waren van de incompetitiestelling van 14 maart 2013 benoemd. Ook zij stonden aan het hoofd van een administratie in afwachting van het feit dat er nog een functie hiërarchisch boven hen zou worden gecreëerd. Op geen enkel moment is er gewag van gemaakt dat zij hun benoeming tot adviseur-generaal zouden verliezen omdat er een N-2 boven hen zou worden gecreëerd. Die functie was trouwens al gecreëerd met het koninklijk besluit van 19 juli 2013 dat het organiek reglement wijzigde. Dat er nooit een selectieprocedure voor is georganiseerd, is enkel toe te schrijven aan de AADA. Voorts is een loutere naamswijziging naar ‘administratie Opsporing’ naar het oordeel van verzoeker evenmin een belangrijke verandering die kan rechtvaardigen dat de selectieprocedure wordt stopgezet. 4.2.
- Verzoeker heeft ook kritiek op het motief “Hetzelfde geldt voor de administratieve loopbaan en de technische en generieke competenties van de nog betrokken kandidaten: ook deze elementen rechtvaardigen op zich […] het voorstel om deze procedure te beëindigen. Aangezien de evaluatietesten van de generieke competenties en interviews meer dan vier jaar geleden plaatsvonden, is het onzinnig om nu nog aan de heer Minister een voorstel te willen voorleggen dat gebaseerd is op de vergelijking van de titels en verdiensten van de nog betrokken kandidaten”. Hij betoogt dat recent wél nog een voorstel aan de minister is voorgelegd, namelijk voor de benoeming van VS bij koninklijk besluit van 30 juni
- Ook hier was er reeds geruime tijd verlopen tussen de IX-9545-14/29 incompetitiestelling en de benoeming, zonder dat daar een probleem van werd gemaakt. Verzoeker merkt op dat hij de functie van adviseur-generaal opsporing en onderzoek uitoefent sedert 1 december 2014 en hiervoor steeds positief is geëvalueerd. Daarmee is bevestigd dat hij beschikt over de vereiste technische en generieke competenties om de functie uit te oefenen. Het is dan ook weinig geloofwaardig dat nu plots het voldoen aan de generieke competenties in vraag wordt gesteld terwijl slechts een half jaar geleden de uitoefening van de hogere functie door verzoeker is verlengd. In het nieuwe organigram van 15 oktober 2018 wordt verzoeker ook aangeduid als hoofd van de administratie Opsporing. Ten slotte wijst verzoeker erop dat door middel van de recente wijzigingen aan het koninklijk besluit van 19 juli 2013 de oprichting van acht departementen werd geofficialiseerd. Aan het hoofd van die departementen werden laureaten A4 geplaatst die werden benoemd na de incompetitiestelling van 25 maart
- Ook de evaluatietesten van de generieke competenties en de interviews van die personen vonden meer dan vier jaar geleden plaats. Op een parlementaire vraag van 21 februari 2018 wanneer de tijdelijk aangewezen leidinggevende ambtenaren van deze nieuw opgerichte diensten definitief zullen worden aangesteld of reeds selectieprocedures lopende zijn, antwoordde de minister van Financiën dat “[d]e nieuwe departementen zullen […] worden [geleid] door ambtenaren bekleed met de graad van adviseur-generaal (profiel leidinggevende – A4)”, dat “de ambtenaren die in afwachting van de officialisering van de nieuwe structuur werden aangeduid om deze functies op te nemen […] allen laureaat [zijn] van een selectieprocedure A4 georganiseerd door Selor” en dat er “bijgevolg hiervoor geen vergelijkende selecties [dienen] te worden georganiseerd”. Verzoeker stelt dat hij eveneens laureaat is van een selectie A4 die dateert van 25 maart 2013 en dat het dan ook niet opgaat, wat hem betreft, plots te beweren dat het onzinnig is om aan de minister een voorstel te willen voorleggen dat steunt op de vergelijking van de titels en verdiensten van IX-9545-15/29 de nog betrokken kandidaten. De titels en verdiensten van de benoemde laureaten uit 2013 worden door de minister uitdrukkelijk als nog steeds geldig bestempeld, zelfs indien zij functies opnemen in een totaal ander departement dan datgene waarvoor zij eerder werden getest. Verzoeker besluit dat de bestreden beslissing op geen enkel deugdelijk motief steunt.
- In zoverre de verwerende partij stelt dat verzoeker, in tegenstelling tot de benoemde personeelsleden, geen personeelslid is van de centrale diensten, repliceert verzoeker in de memorie van wederantwoord dat de benoemde personeelsleden deel uitmaakten van de centrale diensten door er boventallig in te zijn “gekanteld” en daar een onevenwicht te creëren, hetgeen toen geen probleem was. Deze personeelsleden vormden het taalonevenwicht sedert de inkanteling en waren dus de oorzaak van het probleem. Desalniettemin genieten zij wel een boventallige benoeming en blijven zij dit doen. Verzoeker betwist ook het standpunt van de verwerende partij dat de betrekkingen waarvoor deze personeelsleden hebben gepostuleerd nog actueel waren en hij doet gelden dat de bewuste personeelsleden veelal functies uitoefenen waarvoor zij nooit zijn getest. Volgens verzoeker heeft de verwerende partij steeds het bestaande taalonevenwicht ingeroepen om hem niet te benoemen, terwijl dit taalonevenwicht voor de verwerende partij geen probleem vormde voor de andere Nederlandstalige laureaten van de centrale diensten die sinds de kanteling het onevenwicht vormden. Verzoeker benadrukt voorts dat de administratie Onderzoek en Opsporing en de administratie Opsporing exact dezelfde taken en doelstellingen hebben, met dezelfde processen en werkmethodes. De bewoordingen waarmee de administratie Opsporing wordt omschreven, bevatten geen enkel element dat de taken, bevoegdheden of verantwoordelijkheden ervan wijzigt ten opzichte van de beschrijving van de administratie Onderzoek en Opsporing. IX-9545-16/29 Wat het volgen van de prioriteiten van de administrateur- generaal betreft, wijst verzoeker erop dat deze altijd de leidraad vormen voor het beleid en de taken van de administraties van de FOD. De herformulering van de taken van de administratie Opsporing ten opzichte van de administratie Onderzoek en Opsporing verandert daar noch juridisch noch feitelijk iets aan. Voor beide is een N-2 aan het hoofd voorzien, zowel vroeger als nu. Dat die N-2 nooit is ingevuld, doet geen afbreuk aan de functie van een A4 adviseur-generaal daaronder. De laureaten A4 van andere administraties van de AADA die intussen zelfs niet meer bestaan, blijven actief en benoemd in totaal andere functies. Verzoeker merkt tot slot ook op dat de verwerende partij uit het antwoord van de minister op de parlementaire vraag conclusies trekt die noch in de vraagstelling van het parlement voorkwamen, noch uit het antwoord kunnen worden afgeleid. Hij stelt dat het louter éénmalig laureaat zijn van een functie A4 voldoende is om daarna een andere functie A4 uit te oefenen die niet opnieuw in competitie moet worden gesteld met een actuele beoordeling van de generieke of de technische competenties die bij die nieuwe functie horen. Beoordeling a. formelemotiveringsplicht
- Het volstaat vanuit het oogpunt van de formelemotiveringsplicht, dat verzoeker de redenen kan achterhalen die het bestuur tot zijn oordeel hebben gebracht opdat hij zich op het vlak van de motieven ertegen kan verweren met de middelen die het recht hem ter beschikking stelt.
- De minister van Financiën verwijst in de bestreden beslissing met bijval naar de gemotiveerde beslissingen van het directiecomité van 28 september 2018 en 14 december
- Uit wat verzoeker in het eerste middel aanvoert blijkt voorts dat hij goed weet om welke redenen de bestreden beslissing is genomen en hij verweert zich daartegen. IX-9545-17/29
- Van een schending van de formelemotiveringsplicht is dan ook geen sprake, minstens is verzoeker niet in zijn belangen geschaad. b. materiëlemotiveringsplicht
- Wat verzoeker in wezen betwist is de deugdelijkheid van de motieven van de bestreden beslissing, wat neerkomt op een schending van de materiëlemotiveringsplicht. Het eerste middel wordt hierna vanuit dat oogpunt onderzocht.
- De in geding zijnde bevordering is een benoeming naar keuze, waarvoor het bestuur over een discretionaire bevoegdheid beschikt. De overheid is niet verplicht te benoemen en mag dus tot het laatste ogenblik ervan afzien enige benoeming te doen. Wanneer een ambt evenwel vacant verklaard wordt, ook in het geval zoals te dezen wanneer de overheid niet verplicht is om in het ambt te benoemen, moet het in beginsel wel effectief begeven worden, tenzij er om dat niet te doen pertinente redenen zijn, waarvan het bestaan aangetoond moet kunnen worden. De thans bestreden stopzettingsbeslissing moet dan ook, zoals iedere administratieve rechtshandeling, zijn ingegeven door op een correcte feitelijke grondslag berustende en in rechte aanvaardbare motieven. Krachtens de materiëlemotiveringsplicht die op het bestuur rust, moeten de in de beslissing aangegeven motieven aan de hand van het administratief dossier controleerbaar zijn.
- Het is een feitelijk juiste vaststelling dat de betrekking van adviseur-generaal douane en accijnzen – onderzoek en opsporing op het ogenblik IX-9545-18/29 van de bestreden beslissing meer dan vijf jaar voordien in competitie is gesteld, vóór de kantelingen, vóór de oprichting van de AADA en vóór de operationalisering van de centrale diensten.
- Verzoekers argumentatie dat bij het in competitie stellen van die betrekking rekening is gehouden met toekomstige wijzigingen en dat het de bedoeling was van de verwerende partij om die betrekking in te vullen ondanks die op handen zijnde wijzigingen, kan worden bijgevallen. Een en ander blijkt immers onder meer uit de incompetitiestelling. Dat betekent evenwel niet, dat de verwerende partij rekening kon houden met álle toekomstige ontwikkelingen. Evenmin betekent dit, dat het de verwerende partij verboden is om haar beleidsdoelstellingen aan te passen als zij daartoe reden heeft. Het zogenaamde veranderlijkheidsbeginsel houdt integendeel in dat de overheid haar beleid en de uitvoering ervan mag aanpassen aan de evoluties van de feitelijke omstandigheden en de wisselende eisen van het algemeen belang. De omstandigheid dat de nood aan het begeven van de betrekking inmiddels is teloorgegaan, zou een deugdelijke reden kunnen zijn voor een beslissing tot beëindiging van de aangevatte bevorderingsprocedure.
- Welnu, het motief dat op 1 oktober 2018 een structurele wijziging binnen de AADA heeft plaatsgevonden en dat de functie van verzoeker hierdoor niet langer nodig is, vormt wezenlijk het motief voor de bestreden beslising. In de nota van de administrateur-generaal van 10 december 2018 luidt dit zo: “Op 1 oktober 2018 werd een grote structurele wijziging doorgevoerd. Zoals gesteld, de Algemene Administratie van de Douane en Accijnzen bestaat nog slechts uit 2 administraties en aan het hoofd van deze administraties komt een houder van een managementfunctie N-2 en niet langer een adviseur-generaal (A4). Deze wijzigingen leiden ertoe dat de functie die in competitie werd gesteld op centraal niveau niet langer nodig is.” IX-9545-19/29 Vóór die structurele wijziging bestond de AADA uit vijf administraties die weliswaar de iure ook onder de verantwoordelijkheid van een houder van een managementfunctie N-2 stonden, maar de facto werden geleid door een adviseur-generaal. De managementfuncties zijn destijds nooit ingevuld geweest. Na de structurele wijziging bestaat de AADA nog slechts uit twee administraties waarvan de verwerende partij uitdrukkelijk te kennen geeft dat deze voortaan daadwerkelijk geleid moeten worden door een houder van een managementfunctie N-2 en niet meer door een adviseur-generaal. In die omstandigheden mocht de verwerende partij in redelijkheid oordelen dat er niet langer nood was aan een adviseur-generaal douane en accijnzen – onderzoek en opsporing en dat de bevorderingsprocedure stopgezet diende te worden. Er kan overigens niet worden aangenomen dat de verwerende partij bij het in competitie stellen van de betrekking in 2013 al op de hoogte was van die wijziging, waartoe pas in 2018 is beslist en desondanks toch de bedoeling zou hebben gehad om die betrekking na die wijziging nog in te vullen. Het gegeven dat de bedoelde nieuwe administratie Opsporing in wezen nog dezelfde taken vervult als de vroegere administratie Onderzoek en Opsporing, doet hieraan geen afbreuk.
- Verzoeker heeft tussen 1 september 2014 en 30 september 2018 de hogere functie (tijdelijk) uitgeoefend en is daarvoor jaarlijks positief geëvalueerd. Dat doet geen afbreuk aan het feit dat het bestuur vanaf 1 oktober 2018 geen behoefte meer heeft aan een adviseur-generaal douane en accijnzen – onderzoek en opsporing ingevolge de structurele wijziging binnen de AADA. Dat verklaart ook waarom de aan verzoeker toegekende uitoefening van die hogere functie na die datum niet meer is verlengd. IX-9545-20/29 In de memorie van wederantwoord merkt verzoeker zelf op dat de laureaten A4 van andere administraties van de AADA “die intussen zelfs niet meer bestaan”, actief blijven “in totaal andere functies”. Het mag de verwerende partij niet kwalijk worden genomen dat zij afziet van een bevorderingsprocedure voor de betrekking adviseur-generaal douane en accijnzen – onderzoek en opsporing, die anders tot dadelijk gevolg zou hebben dat zij de betrokkene moet herplaatsen in een andere functie.
- Voorts houden de overgangsbepalingen van het koninklijk besluit van 19 juli 2013 waarnaar verzoeker verwijst niet de absolute verplichting in voor het bestuur om de selectieprocedure voort te zetten, zeker niet wanneer de in competitie gestelde betrekking niet meer nodig is, zoals in casu.
- Dit motief rechtvaardigt op zich dat de bevorderingsprocedure wordt stopgezet. Het motief in verband met de ouderdom van de evaluatietesten en de interviews is dan een overtollig motief. De kritiek van verzoeker hierop, zelfs al ware ze gegrond, kan niet tot nietigverklaring leiden – zodat ze onontvankelijk is.
- Uit wat voorafgaat blijkt dat de stopzetting van de bevorderingsprocedure voor de betrekking van adviseur-generaal douane en accijnzen – onderzoek en opsporing deugdelijk gemotiveerd is. De materiëlemotiveringsplicht is niet geschonden. c. zorgvuldigheidsbeginsel
- Verzoeker voert nog de schending van het zorgvuldigheidsbeginsel aan, maar brengt dit beginsel in de concrete toelichting van het middel zelfs niet meer ter sprake. IX-9545-21/29 In zoverre is het middel niet ontvankelijk. d. conclusie
- Het eerste middel, voor zover ontvankelijk, is ongegrond. B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel
- Het tweede middel is genomen uit de schending van het gelijkheidsbeginsel, het vertrouwensbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel. 20.
- In een eerste middelonderdeel voert verzoeker aan dat hij erop mocht vertrouwen dat hij zou worden benoemd tot adviseur-generaal douane en accijnzen bij de centrale diensten van de AADA – onderzoek en opsporing. Op 16 juni 2014 is hij unaniem naar voren geschoven als laureaat voor de betreffende functie door het directiecomité. Enkel omwille van taalredenen kon hij niet worden benoemd. Verzoeker merkt op dat hij sedert 1 december 2014 de functie uitoefent als interimaris, dat hij telkens gunstig werd geëvalueerd en dat de uitoefening van de hogere functie keer op keer werd verlengd. Volgens verzoeker mocht hij er rechtmatig op vertrouwen dat zijn hogere functie opnieuw verlengd zou worden met ingang van 1 oktober
- Op 28 september 2018 is echter impliciet duidelijk geworden dat dit niet zou gebeuren aangezien werd meegedeeld dat de selectieprocedure volledig zou worden stopgezet. Een dergelijke handelwijze druist volledig in tegen het vertrouwensbeginsel. De verwerende partij ontneemt verzoekers rechtmatige verwachtingen dat hij alsnog zou worden benoemd zonder dat hiervoor enige redelijke verantwoording bestaat. 20.
- In het tweede middelonderdeel voert verzoeker aan dat na de incompetitiestelling van 25 maart 2013 diverse Nederlandstalige ambtenaren zijn IX-9545-22/29 benoemd tot de graad van adviseur-generaal A4 bij koninklijke besluiten van 25 april 2014 en 11 november
- Het zijn allen Nederlandstalige laureaten die op het moment van de kanteling al op de centrale diensten werkten als eerste attaché niveau A klasse 2 en door de kanteling naar de klasse A3 als adviseur “kantelden” en zo in taaltrap A2 het taalonevenwicht hebben veroorzaakt. Sedert het advies van de Vaste Commissie voor Taaltoezicht beschouwt het bestuur Nederlandstaligen uit de buitendiensten die laureaat zijn van een selectie voor betrekkingen op de centrale diensten uit taaltrap 2 (klassen A3, A4 en A5) als personen die de evenwichtsverstoring vergroten en ambtenaren uit het Nederlandstalig kader die al op de centrale diensten werkten en sinds het koninklijk besluit van 19 juli 2013 (organiek reglement FOD Financiën) al boventallig in trap 2 zitten (bijvoorbeeld als A3-adviseur) als ambtenaren die het onevenwicht niet vergroten indien zij bevorderd worden naar de klasse A
- Dit klemt des te meer daar de evenwichtsverstoring is veroorzaakt door het kantelingsbesluit dat in strijd is met de bestuurstaalwet. Op het moment van de kanteling is geen rekening gehouden met de taalwetgeving voor het Nederlandstalige personeel dat op de centrale diensten werkte en boventallig het onevenwicht in taaltrap 2 veroorzaakte. Zij kunnen blijvend voordeel halen uit de onwettige situatie die de kanteling heeft gecreëerd en blijven de bevorderingsmogelijkheid genieten binnen taaltrap 2, namelijk van A3 naar A
- Die mogelijkheid wordt een laureaat uit de buitendiensten ontzegd. Aldus worden de Nederlandstaligen van de centrale diensten en de buitendiensten ongelijk behandeld, hetgeen een schending vormt van het gelijkheidsbeginsel. Daarbij komt nog dat collega VS – die op het moment van de kanteling niet op een centrale dienst werkte – ondertussen wel tot A4 is benoemd. Verzoeker wordt dan ook anders behandeld dan iemand die zich in een volledig gelijkaardige situatie bevindt. Ook hierdoor wordt het gelijkheidsbeginsel miskend. 20.
- In het derde middelonderdeel voert verzoeker aan dat in het Belgisch Staatsblad van 14 november 2018 zesentwintig nieuwe selecties voor de centrale diensten van de FOD Financiën werden bekendgemaakt in de klassen A3 (adviseur) en A4 (adviseur-generaal), behorend tot taaltrap 2, waarvan ook enkele IX-9545-23/29 bij de douane. Een functie voor adviseur-generaal klasse A4 administratie Opsporing is niet vacant verklaard. Hoewel zowel Nederlandstaligen als Franstaligen aan de voornoemde selecties mogen deelnemen, zullen geen Nederlandstalige laureaten van de buitendiensten benoemd kunnen worden op de centrale diensten. Het onevenwicht binnen trap 2 geldt sinds 18 december 2017 – de datum van inwerkingtreding van het koninklijk besluit van 10 december 2017 ‘tot vaststelling van de taalkaders van de Federale Overheidsdienst Financiën’ dat het vorige taalkader van het koninklijk besluit van 10 april 2015 vervangt – opnieuw voor de volledige FOD Financiën. In de periode dat de douane nog een apart taalkader had, kon er stilaan een evenwicht ontstaan bij de andere administraties. Na 18 december 2017 vormen de laureaten die wachten op een benoeming bij de AADA opnieuw een bedreiging voor het stilaan bereikte evenwicht bij de andere algemene administraties. In plaats van te opteren voor laureaten die al jaren wachten op een benoeming, zoals verzoeker, eens er een evenwicht is, doet de FOD Financiën door de nieuwe selectie opnieuw een situatie ontstaan die het onevenwicht in trap 2 kan doen toenemen. Het getuigt allesbehalve van zorgvuldig bestuur dat de verwerende partij opnieuw diverse functies en een nieuwe selectie openstelt, terwijl zij nu reeds weet dat er voor diverse Nederlandstalige laureaten niet tot benoeming zal kunnen worden overgegaan. Zo handelen, terwijl nog laureaten van de vorige incompetitiestelling uit 2013 wachten op een benoeming, is in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel.
- In de memorie van wederantwoord betoogt verzoeker dat zijn situatie vergelijkbaar is met die van collega VS. Zij is bij koninklijk besluit van 30 juni 2017 benoemd in de klasse A4 als adviseur-generaal en dit met terugwerkende kracht tot 1 januari
- Vervolgens is zij met ingang van 1 juli 2017 aangewezen in een betrekking bij de centrale diensten van de AADA. Voor zover de verwerende partij stelt dat VS in het kader van de kanteling heeft gekozen voor de centrale diensten en er dus deel van uitmaakte zodat haar benoeming geen enkel probleem vormde, repliceert verzoeker dat de inkanteling van VS in bovental is gebeurd waarbij een onevenwicht is gecreëerd dat voor de kanteling geen probleem vormde maar wel voor zijn benoeming. Bovendien is IX-9545-24/29 VS niet benoemd op hetzelfde ogenblik als de andere laureaten die op de centrale diensten werkten. Zij heeft net als verzoeker de hogere functie uitgeoefend waarvan zij – net als verzoeker – laureaat was en waarvoor zij unaniem is voorgesteld door het directiecomité in
- Dat de verwerende partij met de benoeming van VS heeft gewacht tot juli 2017 bevestigt dat haar benoeming even problematisch was als die van verzoeker, maar niettemin werd zij toch benoemd en verzoeker niet. Beoordeling a. eerste middelonderdeel
- De niet-verlenging van de uitoefening van de hogere functie is niet het voorwerp van dit beroep, zodat het antwoord op de vraag of verzoeker erop mocht vertrouwen na 1 oktober 2018 een dergelijke verlenging te krijgen niet onderzocht hoeft te worden.
- Het feit dat het directiecomité verzoeker unaniem heeft voorgesteld als laureaat voor de functie van adviseur-generaal douane en accijnzen – onderzoek en opsporing en het feit dat verzoeker met toepassing van het koninklijk besluit van 8 augustus 1983 vanaf 1 december 2014 voor een ruime periode met meerdere verlengingen die hogere functie heeft uitgeoefend – wat per definitie tijdelijk is en de betrokkene geen aanspraak verleent op een daadwerkelijke benoeming in dat ambt – impliceert nog niet dat hij rechtmatig erop mocht vertrouwen dat de verwerende partij hem hoe dan ook en ongeacht eventuele structurele wijzigingen binnen de AADA zou benoemen tot adviseur- generaal douane en accijnzen – onderzoek en opsporing. Al op 16 juni 2014 is verzoeker ervan in kennis gesteld dat de taalwetgeving “op dit moment” zijn bevordering in de weg stond, zodat hij toen al wist dat zijn bevordering verre van evident, laat staan een toegezegde zaak was. Hij heeft overigens de weigering om hem “op [dat] moment” – of op enig IX-9545-25/29 navolgend moment – te bevorderen, niet bestreden. Verzoeker geeft bovendien aan dat het bestaande taalonevenwicht op de tweede trap van de hiërarchie nog steeds niet is hersteld, wat dan een eventuele bevordering in de weg blijft staan. Zoals hiervóór is uiteengezet, heeft er op 1 oktober 2018 een structurele wijziging plaatsgevonden binnen de AADA waarbij het aantal administraties is teruggebracht van vijf naar twee, waarvan de verwerende partij uitdrukkelijk wenst dat ze de iure en de facto onder de verantwoordelijkheid van een houder van een managementfunctie N-2 zouden vallen. In die omstandigheden is de door verzoeker geambieerde functie van adviseur-generaal douane en accijnzen – onderzoek en opsporing niet langer nodig en de verwerende partij kan om die reden de bevorderingsprocedure voor die functie stopzetten zonder het vertrouwensbeginsel te miskennen.
- Het eerste middelonderdeel is ongegrond. b. tweede middelonderdeel
- In het tweede middelonderdeel voert verzoeker aan dat een aantal laureaten van de incompetitiestelling wel is benoemd tot de graad van adviseur-generaal A4, meer bepaald personeelsleden van de centrale diensten waarvan wordt aangenomen dat hun benoeming het onevenwicht op de tweede taaltrap van de hiërarchie niet vergroot. Voor hem als personeelslid van de buitendiensten wordt echter geoordeeld dat zijn benoeming wel het onevenwicht op de tweede taaltrap zou vergroten. Volgens verzoeker worden Nederlandstalige personeelsleden van de centrale diensten en van de buitendiensten ongelijk behandeld, hetgeen in strijd is met het gelijkheidsbeginsel.
- Verzoeker is ten onrechte van oordeel dat zijn situatie vergelijkbaar is met die van de personeelsleden die na het opstarten van de bevorderingsprocedure wel zijn benoemd tot de graad van adviseur-generaal. IX-9545-26/29 Hiervóór is bij de bespreking van het eerste middel vastgesteld dat de stopzetting van de thans in geding zijnde procedure verband houdt met de reorganisatie van de diensten vanaf 1 oktober
- Dat betekent dat er geen strijdigheid is tussen die stopzetting en bevorderingen die aan deze datum voorafgaan, zoals deze van collega VS. De betrokken personeelsleden bevinden zich in een verschillende situatie. Verzoeker gaat eraan voorbij dat de bestreden beslissing is genomen omdat de door hem geambieerde betrekking niet langer nodig is binnen de centrale diensten. De betrekkingen waarin andere personeelsleden destijds zijn benoemd waren op het ogenblik van hun bevordering wel nog actueel.
- Voorts verwijst verzoeker naar personeelsleden die op het moment van hun benoeming deel uitmaken van de centrale diensten en die waren opgenomen in de tweede taaltrap van de hiërarchie, zoals andermaal het geval is voor collega VS. Hun bevordering leidt niet tot een vergroting van het bestaande onevenwicht tussen de taalkaders. Verzoeker is daarentegen een personeelslid van de buitendiensten en aldus niet opgenomen in de tweede taaltrap van de centrale diensten. Zijn benoeming vergroot het bestaande onevenwicht tussen de taalkaders wel. Verzoeker kan dit allicht als onbillijk ervaren, maar het bestuur moet nu eenmaal de bestuurstaalwet naleven, wat inhoudt dat het rekening moet houden met de feitelijke bezetting van de taalkaders zoals deze zich bij het nemen van zijn beslissing aandient, met inbegrip dus van de “ingekantelde” ambtenaren. In geen geval mag het bestuur een bestaand onevenwicht versterken. Dat verzoeker niet werd bevorderd, is bijgevolg in rechte verantwoord; de kritiek hierop van verzoeker is kritiek op de taalwetgeving zelf, die niet aan de Raad van State ter beoordeling staat. De benoeming van de voormelde collega’s dan weer, vormt niet het voorwerp van dit beroep zodat de Raad van State in het kader van de huidige rechtsstrijd geen uitspraak moet doen over de wettigheid ervan.
- Het middelonderdeel kan niet tot de gevraagde nietigverklaring leiden. IX-9545-27/29 c. derde middelonderdeel
- In het derde middelonderdeel formuleert verzoeker kritiek op een incompetitiestelling van een aantal betrekkingen in de klasse A4, waarvan enkele ook bij de AADA, die de verwerende partij in het Belgisch Staatsblad van 14 november 2018 heeft bekendgemaakt. Er moet worden vastgesteld, eensdeels, dat die incompetitiestelling niet het voorwerp is van huidig beroep en, anderdeels, dat ze geen betrekking bevat van adviseur-generaal douane en accijnzen – onderzoek en opsporing. Met zijn kritiek toont verzoeker niet aan dat de verwerende partij onzorgvuldig heeft gehandeld door de bevorderingsprocedure voor die betrekking van adviseur-generaal douane en accijnzen – onderzoek en opsporing stop te zetten omdat die functie niet langer nodig was. Verzoekers argumentatie kan niet tot de nietigverklaring van de bestreden beslissing leiden.
- Ook het derde middelonderdeel wordt verworpen. d. conclusie
- Het tweede middel is in genen dele gegrond. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het beroep.
- De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro en een bijdrage van 20 euro. IX-9545-28/29
- Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van de verzoekende partij niet bekendgemaakt. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van drieëntwintig juni tweeduizend tweeëntwintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, Bruno Seutin, staatsraad, Bert Thys, staatsraad, bijgestaan door Vera Wauters, griffier. De griffier De voorzitter Vera Wauters Geert Van Haegendoren IX-9545-29/29 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.254.082 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div