← België

Arrest 254091 - Federale en lokale politie – Aanwerving en loopbaan - 23/06/2022

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 23 juni 2022 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.254.091 Rolnummer: A. 230898/XIV-38366 Zaak: Arrest 254091 - Federale en lokale politie – Aanwerving en loopbaan - 23/06/2022 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2022-06-29 Raadplegingen: 74 - laatst gezien 2026-06-10 07:07 Fiche Arrest nr 254.091 van 23 juni 2022 Openbaar ambt - Federale en lokale politie – Aanwerving en loopbaan Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER nr. 254.091 van 23 juni 2022 in de zaak A. 230.898/XIV-38.366 In zake: Dirk JACOBS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Marlies De Raeve kantoor houdend te 3520 Zonhoven Spierhoofseweg 3 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de POLITIEZONE 5381 BILZEN-HOESELT-RIEMST -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het beroep, ingesteld op 4 juni 2020, strekt tot de nietigverklaring van “de afwijzende beslissing van de Politiezone Bilzen-Hoeselt-Riemst die afgeleid dient te worden uit haar stilzwijgen na het verstrijken van een termijn van vier maanden vanaf de haar door verzoeker betekende aanmaning conform artikel 14, § 3 van de Gecoördineerde wetten van 12 januari 1973 op de Raad van State om een definitieve beslissing te nemen omtrent de valorisatie van zijn dienstjaren voor de berekening van zijn geldelijke anciënniteit”. II. Verloop van de rechtspleging
  2. Verzoeker heeft een toelichtende memorie ingediend. Eerste auditeur Geert De Bleeckere heeft een verslag opgesteld overeenkomstig artikel 93, eerste lid, van het besluit van de Regent van XIV-38.366-1/5 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’. Overeenkomstig artikel 26, § 2, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State’, heeft de voorzitter van de XIVe kamer bij beschikking van 22 april 2022 aan de partijen voorgesteld dat de zaak niet op een openbare terechtzitting wordt behandeld, tenzij één van de partijen hierom verzoekt. Geen van de partijen heeft om een terechtzitting gevraagd. Overeenkomstig bovenvermelde beschikking, werd het debat gesloten en werd de zaak in beraad genomen op 15 juni
  3. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  4. III. De feiten 3.
  5. Met een aangetekende brief van 12 december 2019 maant verzoeker de verwerende partij als volgt aan: “[…]. Zoals u weet heeft mijn cliënt reeds op 11.09.2014 een aanvraag tot valorisatie van voorgaande diensten ingediend. In de beslissing van de politieraad d.d. 14.10.2015 werd het dossier, alvorens een definitieve beslissing te nemen, overgemaakt voor wettelijk advies conform artikel XI.II.5 RPPol, §3 tweede lid. Door middel van huidig schrijven wens ik u namens mijn cliënt aan te manen tot het nemen van een definitieve beslissing in dit dossier. Bij het uitblijven van een tijdige beslissing, zal ik een beroep tot nietigverklaring indienen op grond van artikel 14, §3 RvS-wet.” XIV-38.366-2/5 3.
  6. Op 7 oktober 2020 beslist de politieraad om niet in te gaan op de vraag van verzoeker tot het valoriseren van zijn dienstjaren bij zijn vorige werkgevers voor de berekening van zijn geldelijke anciënniteit. Het door verzoeker tegen die beslissing ingediende beroep tot nietigverklaring (G/A. 232.448/XIV-38.543) is verworpen bij arrest nr. 253.548 van 22 april
  7. III. Toepassing kortedebattenprocedure
  8. Het voorliggende beroep is gericht tegen de impliciet afwijzende beslissing van de verwerende partij, die volgens verzoeker “afgeleid dient te worden uit haar stilzwijgen na het verstrijken van een termijn van vier maanden vanaf de haar door verzoeker betekende aanmaning conform artikel 14, § 3, van de gecoördineerde wetten van 12 januari 1973 op de Raad van State om een definitieve beslissing te nemen omtrent de valorisatie van zijn dienstjaren voor de berekening van zijn geldelijke anciënniteit.” De Raad van State stelt vast dat de politieraad op 7 oktober 2020 een uitdrukkelijke afwijzende beslissing heeft genomen over verzoekers verzoek tot valorisatie van zijn voorgaande diensten voor de berekening van zijn geldelijke anciënniteit. Deze beslissing is in de plaats gekomen van de stilzwijgende afwijzende beslissing die de verwerende partij volgens verzoeker eerder heeft genomen en ze is ondertussen definitief geworden (supra, punt 3.2). Het voorliggende beroep heeft derhalve zijn voorwerp verloren en is aldus doelloos geworden in de zin van artikel 93 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’.
  9. Het beroep is niet ontvankelijk. XIV-38.366-3/5 Het auditoraat heeft terecht gemeend dat de zaak met korte debatten een oplossing kan krijgen. IV. De rechtsplegingsvergoeding
  10. Vermits het teloorgaan van het voorwerp van het beroep is toe te schrijven aan een beslissing van de verwerende partij, is het gepast de kosten van het beroep ten laste te leggen van deze partij. Wat de begroting van de omvang van de rechtsplegings- vergoeding betreft, is er echter geen reden om de door verzoeker gevorderde - verhoogde - rechtsplegingsvergoeding van 840 euro toe te kennen. Dit verzoek wordt door verzoeker immers op geen enkele wijze gemotiveerd. Aan verzoeker wordt derhalve een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro toegekend. BESLISSING
  11. De Raad van State verwerpt het beroep.
  12. De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 20 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan verzoeker. XIV-38.366-4/5 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van drieëntwintig juni tweeduizend tweeëntwintig, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Geert Debersaques, kamervoorzitter bijgestaan door Johan Pas, griffier. De griffier De voorzitter Johan Pas Geert Debersaques XIV-38.366-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.254.091 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.