← België

Arrest 254094 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 23/06/2022

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 23 juni 2022 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.254.094 Rolnummer: A. 231960/X-17811 Zaak: Arrest 254094 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 23/06/2022 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2022-07-01 Raadplegingen: 73 - laatst gezien 2026-06-10 07:08 Fiche Arrest nr 254.094 van 23 juni 2022 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK Xe KAMER nr. 254.094 van 23 juni 2022 in de zaak A. 231.960/X-17.811 In zake : de NV GROND- EN AFBRAAKWERKEN G. & A. DE MEUTER bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Filip De Preter kantoor houdend te 1000 Brussel Keizerslaan 3 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : het BRUSSELSE HOOFDSTEDELIJKE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Frédéric De Muynck en Camille Courtois kantoor houdend te 1000 Brussel Koningsgalerij 30 bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partij : de BVBA RECAMIX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Konstantijn Roelandt kantoor houdend te 2221 Heist-op-den-Berg Dorpsstraat 91 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het beroep, ingesteld op 7 oktober 2020, strekt tot de nietigverklaring van “het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 24 juli 2020 waarbij het beroep ingewilligd wordt dat ingediend was door bvba Recamix tegen de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de stad Brussel tot weigering van de stedenbouwkundige vergunning betreffende het inrichten van een site voor overslag en bewerking van materialen (maximaal getransporteerd via de waterweg), de nieuwbouw van burelen en het X-17.811-1/18 inrichten van een gedeelte van de site als parkeerplaats voor wagens en vrachtwagens, Vilvoordsesteenweg 7B”. II. Verloop van de rechtspleging
  2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. De tussenkomende partij heeft een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. De tussenkomst is toegestaan bij beschikking van 6 juni
  3. De tussenkomende partij heeft een memorie ingediend. Eerste auditeur An Van den broeck heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partij heeft een laatste memorie ingediend. De verwerende partij en de tussenkomende partij hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 17 juni
  4. Staatsraad Stephan De Taeye heeft verslag uitgebracht. Advocaat Filip De Preter, die verschijnt voor de verzoekende partij, advocaat Camille Courtois, die verschijnt voor de verwerende partij en advocaat Konstantijn Roelandt, die verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur An Van den broeck heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. X-17.811-2/18 Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  5. III. Feiten 3.
  6. Op 30 november 2011 dient de tussenkomende partij bij het college van burgemeester en schepenen van de stad Brussel een aanvraag in tot het verkrijgen van een stedenbouwkundige vergunning voor de inrichting van een site voor overslag en bewerking van recycleerbare materialen met burelen en parkeerplaatsen voor personen- en vrachtwagens, op percelen gelegen aan de Vilvoordsesteenweg 7b te Brussel, kadastraal bekend afdeling 1, sectie A, nrs. 241/k, 224/f3, 229/h en 126/u (hierna: de bouwplaats). Vermits het een gemengd project betreft, wordt tegelijkertijd de aanvraag van een milieuvergunning (klasse I.B) ingediend. Volgens de stedenbouwkundige voorschriften van het gewestelijk bestemmingsplan van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest, vastgesteld bij besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke regering van 3 mei 2001, is de bouwplaats gelegen in een gebied voor havenactiviteiten en vervoer. 3.
  7. Van 27 januari 2012 tot en met 10 februari 2012 wordt over de aanvraag voor het verkrijgen van een stedenbouwkundige vergunning en een milieuvergunning een openbaar onderzoek georganiseerd. Onder anderen de verzoekende partij dient een bezwaarschrift in. 3.
  8. In zitting van 10 mei 2012 weigert het college van burgemeester en schepenen van de stad Brussel de stedenbouwkundige vergunning. 3.
  9. Op 11 mei 2012 verleent het Brussels Instituut voor Milieubeheer (hierna: BIM) de gevraagde milieuvergunning. Deze vergunning is definitief. X-17.811-3/18 3.
  10. Op 14 juni 2012 dient de tussenkomende partij tegen de onder randnummer 3.3 vermelde weigeringsbeslissing van 10 mei 2012 van het college van burgemeester en schepenen van de stad Brussel een administratief beroep in bij de Brusselse Hoofdstedelijke regering (hierna: de beroepsinstantie). 3.
  11. Met een besluit van 17 oktober 2016 verleent de beroepsinstantie de gevraagde stedenbouwkundige vergunning “op basis van de van 1 tot 7 genummerde wijzigingsplannen d.d. 15/07/2011 die conform artikel 191 van het BWRO werden ingediend”. 3.
  12. Met zijn arrest nr. 246.324 van 6 december 2019 vernietigt de Raad van State op vordering van de vzw Beheerscomité De Groene Wandeling van Neder-Over-Heembeek het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke regering van 17 oktober 2016 wegens een gebrek aan formele motivering. 3.
  13. Met een 3 juli 2020 gedateerde brief richt de aanvrager een herinnering aan de beroepsinstantie. 3.
  14. Met het bestreden besluit van 24 juli 2020 verleent de beroepsinstantie de gevraagde stedenbouwkundige vergunning. IV. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel 4.
  15. Verzoeker voert in een eerste middel de schending aan van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’ (hierna: de motiveringswet), van artikel 6 van het Verdrag ‘betreffende de toegang tot informatie, inspraak bij besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden’ (hierna: Verdrag van Aarhus), van de artikelen 6, 147, 149 tot 151 van het Brussels Wetboek van Ruimtelijke Ordening (BWRO), alsook van het redelijkheids- en zorgvuldigheidsbeginsel als algemene beginselen van behoorlijk bestuur. X-17.811-4/18 Zij meent dat het openbaar onderzoek achterhaald is en wijst hiervoor op het lange tijdsverloop en diverse feitelijke ontwikkelingen die zich hebben voorgedaan in de omgeving, meer bepaald nieuwe bouwwerken (loods van Ziegler aan de Vilvoordsesteenweg 11, haar eigen uitbreiding, het shoppingcentrum “Dockx” aan de Van Praetbrug en het distributiecentrum van bpost aan de Vilvoordsesteenweg é), infrastructurele werken (de verplaatsing van de aansluiting van de Oorlogkruisenlaan – toegangsweg tot Nederoverheembeek – vanaf de R21, de Brussels Cruise Terminal ter hoogte van de Vilvoordsesteenweg 145), beleidsmatige ontwikkelingen (het Kanaalplan, het Richtschema Schaarbeek Vorming, het Gewestelijk Plan voor Duurzame Ontwikkeling), de evoluties inzake fijn stof en het “voorlopig” karakter van de voorgestelde invulling van de bouwplaats. De verzoekende partij besluit dat het op basis van die gegevens duidelijk is dat het openbaar onderzoek achterhaald is en niet langer de basis kon zijn van een zorgvuldige beoordeling. Minstens had de Brusselse Hoofdstedelijke regering zich de vraag moeten stellen of op basis van de voorliggende gegevens het openbaar onderzoek nog actueel was, hetgeen zij niet heeft gedaan. 4.
  16. In haar laatste memorie stelt de verzoekende partij dat van haar enkel in redelijkheid verlangd kan worden dat zij aannemelijk maakt dat de nieuwe ontwikkelingen een relevantie hebben. Zij betoogt dat de resultaten van het meetstation nabij haar site op de hele kanaalzone slaan. De vaststelling van te hoge concentraties fijn stof in 2015 is een nieuw gegeven dat een nieuw openbaar onderzoek noodzakelijk maakt. Beoordeling 5.
  17. Zoals gezien (randnummer 3.7) heeft de Raad van State met zijn arrest nr. 246.324 van 6 december 2019 de eerder op 17 oktober 2016 aan de tussenkomende partij verleende stedenbouwkundige vergunning vernietigd wegens een gebrek aan formele motivering. X-17.811-5/18 5.
  18. De overheid is er bij het nemen van de nieuwe beslissing niet van ontslagen om zich te baseren op gegevens die, gelet op het tijdsverloop sinds het door de Raad van State vernietigde besluit, niet achterhaald mogen zijn. 5.
  19. Het openbaar onderzoek is voorgeschreven, eensdeels, om aan de bevoegde overheden de nodige inlichtingen en gegevens te verstrekken opdat zij met kennis van zaken zouden kunnen oordelen, anderdeels, om degenen die bezwaren zouden hebben tegen de aanvraag tot stedenbouwkundige vergunning de mogelijkheid te bieden hun bezwaren en opmerkingen te doen gelden. 5.
  20. In haar verzoekschrift voert de verzoekende partij aan dat het toentertijd over de aanvraag gevoerde openbaar onderzoek ondertussen achterhaald is om reden van “diverse feitelijke ontwikkelingen […] in de omgeving, die een belangrijke impact hebben op onder meer het aandachtspunt mobiliteit”. Zij wijst daarbij onder meer op bepaalde beleidsmatige ontwikkelingen zoals het Kanaalplan, het Richtschema Schaarbeek Vorming en het Gewestelijk Plan voor Duurzame Ontwikkeling. Anders dan de verzoekende partij dit blijkbaar ziet, heeft de bestreden beslissing echter wel degelijk oog gehad voor deze beleidsmatige ontwikkelingen, hetgeen blijkt uit de motivering ervan onder het punt ‘Wat betreft de locatie, integratie en goede plaatselijke ordening’. Er valt verder niet in te zien welk belang de verzoekende partij er bij heeft dat deze beleidsvisies niet bij het openbaar onderzoek werden betrokken, aangezien zij niet aantoont of aannemelijk maakt dat deze beleidsmatige ontwikkelingen geleid hebben tot gewijzigde feitelijke omstandigheden in de omgeving van de vergunningsaanvraag, in het bijzonder met betrekking tot de door haar aangekaarte mobiliteits- en stofproblematiek. 5.
  21. Verder somt de verzoekende partij weliswaar een aantal nieuwe bouwwerken op – een nieuwe loods van Ziegler aan de Vilvoordsesteenweg 11, haar eigen uitbreiding, het shoppingcenter ‘Dockx’, het distributiecentrum van Bpost aan de Vilvoordsesteenweg nr. é – en een aantal infrastructurele aanpassingen – verplaatsing aansluiting van de Oorlogskruisenlaan vanaf de R21, X-17.811-6/18 Brussels Cruise Terminal ter hoogte van de Vilvoordsesteenweg 145 – die volgens haar een belangrijke impact zouden hebben op de mobiliteit, maar beperkt zij zich er in haar verzoekschrift toe louter te poneren dat deze ontwikkelingen “een belangrijke impact hebben op onder meer het aandachtspunt mobiliteit”. Zij brengt hiervan geen concrete gegevens bij. Van de verzoekende partij, die blijkens het bestreden besluit een “gelijkaardig” project heeft en thans aankaart dat de mobiliteit in de omgeving dermate gewijzigd is dat het openbaar onderzoek achterhaald is, mag verwacht worden dat zij concrete gegevens bijbrengt omtrent de bestaande verkeersdruk in de omgeving van haar site en de impact die de door haar aangehaalde nieuwe bouwwerken en infrastructurele aanpassingen op de mobiliteit in de omgeving van haar site zouden hebben. Wat bijvoorbeeld haar eigen uitbreiding betreft, stelt zij in haar verzoekschrift dat de uitbreiding tot doel had de werking van de site te verbeteren en de stof- en lawaaihinder voor de buren te beperken, hetgeen geen uitstaans lijkt te hebben met de mobiliteit. Het enige concrete element dat de verzoekende partij bijbrengt, is de aanplakking van een bevel van de burgemeester van 4 mei 2020, waaruit blijkt dat er ingevolge de quarantainemaatregelen ter bestrijding van de COVID-19-pandemie een belangrijke toename is van het aantal pakjes dat wordt verstuurd, hetgeen heeft geleid tot verkeersproblemen rond het verdeelcentrum van bpost aan de Vilvoordsesteenweg é. Om reden van dit gevaar voor de openbare veiligheid wordt bpost ertoe verplicht om de nodige maatregelen te nemen om dit gevaar te verminderen en het terrein aan de Vilvoordsesteenweg 7b te gebruiken als tijdelijke parking. Het blijkt dat dit bevel betrekking heeft op een tijdelijke situatie. Er wordt niet mee aangetoond dat het openbaar onderzoek in het kader van de voorliggende vergunningsaanvraag achterhaald zou zijn. 5.5.
  22. Inzake de stofproblematiek zij er vooreerst op gewezen dat het bestreden besluit aandacht besteedt aan deze problematiek: er zijn in dit verband aangepaste plannen gevraagd en ook ingediend, zodat een systeem voor waterbehandeling en een vaporisatiesysteem om te voorkomen dat er stof X-17.811-7/18 overwaait naar de naburige woonwijken voorzien is (zie ook de beoordeling van het tweede middel, onder randnummer 7.4.1). 5.5.
  23. Waar de verzoekende partij wijst op “evoluties inzake fijn stof” en stelt dat haar milieuvergunningsvoorwaarden zijn gewijzigd, “waarbij extra voorwaarden werden opgelegd inzake fijn stof, met name teneinde de opslagplaatsen in open lucht te beperken en alle opslagplaatsen van stuifgevoelige stoffen te overkappen”, en opwerpt dat zij niet de kans heeft gehad om er tijdens het openbaar onderzoek op te wijzen dat zijzelf en andere gelijkaardige inrichtingen wegens de fijnstofproblematiek verplicht werden om de opslaghopen te overkappen, moet haar het belang bij het middel worden ontzegd. Immers heeft zij nagelaten om de beslissing van 10 juni 2021 tot wijziging van de uitbatingsvoorwaarden van deze laatste vergunning met betrekking tot het beheer van fijn stof te bestrijden, ofschoon zij zich erover beklaagt dat dit besluit de tussenkomende partij er niet toe verplicht om, zoals dit voor haar het geval is, de opslaghopen die uit stuifgevoelig materiaal bestaan te overkappen. 5.
  24. Waar de verzoekende partij tenslotte wijst op het “voorlopig” karakter van de voorgestelde invulling van de bouwplaats, overtuigt zij er niet van dat dit beschouwd moet worden als belangrijke nieuwe informatie of omstandigheden. 5.
  25. De loutere opwerping in de memorie van wederantwoord van de verzoekende partij dat “[ten slotte ook] kan aangehaald worden dat de inrichting niet langer complementair zal zijn met twee andere inrichtingen in het Vlaams Gewest, nu die niet langer door de aanvrager worden uitgebaat”, zonder enige nadere toelichting, is ten slotte evenmin van aard om de onwettigheid van het bestreden besluit aan te tonen. 5.
  26. Gelet op wat voorafgaat, toont de verzoekende partij niet aan dat “de gegevens op basis waarvan de vernietigde beslissing werd genomen dermate achterhaald zijn dat het besluitvormingsproces in een eerdere fase moet worden hervat” . X-17.811-8/18 5.
  27. Het middel is hoe dan ook niet gegrond. X-17.811-9/18 B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel 6.
  28. De verzoekende partij voert in een tweede middel de schending aan van de motiveringswet en van het redelijkheids- en zorgvuldigheidsbeginsel als algemene beginselen van behoorlijk bestuur. 6.1.
  29. In een eerste middelonderdeel betoogt zij dat met het bestreden besluit afgeweken wordt van het standpunt van de overlegcommissie en van het college van burgemeester en schepenen, dat de vergunning onder meer heeft geweigerd om reden van de impact inzake mobiliteit. Het bestreden besluit stelt hierover dat de aanvrager “de intentie heeft zoveel mogelijk gebruik te maken van de waterweg, waardoor er slechts weinig bijkomende verkeershinder wordt verwacht; dat het maximale gebruik van de waterweg voor een deel gewaarborgd wordt in de concessieovereenkomst tussen de verzoekers en de haven van Brussel waarin een jaarlijkse minimumtrafiek van goederen via de waterweg overeengekomen wordt”. De verzoekende partij is de mening toegedaan dat de motivering inzake maximalisatie van het transport over water geen afdoende antwoord biedt op de bezorgdheid die geuit is inzake de toename van de mobiliteit over de weg, zodat de vergunning om die reden niet afdoende is gemotiveerd. De Brusselse Hoofdstedelijke regering miskent hiermee dat een verhoging van het gebruik van de waterweg ter plaatse helemaal niet tot gevolg heeft dat de verkeershinder beperkt wordt. Elk extra schip leidt ter plaatse juist tot extra verkeer, omdat de producten die via de waterweg worden aangevoerd via de weg worden afgevoerd, en omgekeerd. De verkeersimpact is door het bestreden besluit op geen enkele wijze concreet beoordeeld. Als de aanvraag daarover al gegevens bevatte, dan zijn die achterhaald of niet door de bestreden beslissing beoordeeld geweest. 6.1.
  30. In een tweede middelonderdeel zet de verzoekende partij uiteen dat met het bestreden besluit afgeweken wordt van het standpunt van de overlegcommissie en het college van burgemeester en schepenen om de vergunning ook te weigeren om reden van de stofimpact. Het bestreden besluit stelt X-17.811-10/18 hierover dat “de milieuvergunning afgeleverd werd onder strikte exploitatievoorwaarden”. De verzoekende partij meent dat deze motivering geen afdoende antwoord biedt op de bezorgdheid die geuit is inzake de hinder door stof, nu sinds het afleveren van de milieuvergunning is gebleken dat er te hoge concentraties van fijn stof in de omgeving zijn waargenomen, reden waarom aan de verzoekende partij, die een gelijkaardige inrichting uitbaat, voorwaarden werden opgelegd om het aantal opslaghopen in open lucht te beperken en deze te overkappen indien deze stuifgevoelig zijn. Zij benadrukt dat metingen die kort voor 2015 zijn uitgevoerd blijkbaar hebben uitgewezen dat er een probleem is inzake fijn stof in de omgeving van de inrichting van de verzoekende partij, reden waarom zij een verplichting kreeg opgelegd om de opslagplaatsen in open lucht te beperken en alle opslagplaatsen van stuifgevoelige stoffen te overkappen. In het licht van dit gegeven kan de beoordeling van stofhinder door de regering niet als afdoende beschouwd worden. In de mate dat zou aangevoerd worden dat de Brusselse Hoofdstedelijke regering in 2020 niet kon of niet behoorde te weten dat de overkappingen in 2016 door het BIM noodzakelijk werden geacht omdat de aanvraag in 2011 werd ingediend, toont dit aan dat het openbaar onderzoek uit 2012 achterhaald was. Evenmin kan een en ander volgens de verzoekende partij worden opgelost door te verwijzen naar de mogelijkheid om de voorwaarden van de milieuvergunning aan te vullen. Immers, een overkapping van de installaties maakt deze minder “voorlopig”, terwijl het voorlopig karakter juist een van de elementen was om de installatie toe te staan. 6.
  31. In haar laatste memorie betwist de verzoekende partij dat het gebruik van de waterweg op de “bewuste locatie” leidt tot een vermindering van het verkeer. Elk schip dat de site aandoet, leidt tot meer verkeer op de weg. De verzoekende partij spreekt in dit verband van “pure logica”. De verwijzing naar de voorwaarden van de milieuvergunning acht zij niet afdoende om de bezwaren inzake fijn stof te weerleggen, nu is gebleken dat “de omgeving” een concrete problematiek van fijn stof kent. X-17.811-11/18 Beoordeling 7.
  32. De verzoekende partij zet in haar verzoekschrift niet uiteen op welke wijze het bestreden besluit volgens haar in strijd is met het zorgvuldigheids- en redelijkheidsbeginsel. Het middel is in die mate onontvankelijk. 7.
  33. Uit het advies van de overlegcommissie blijkt dat een verdeeld advies werd uitgebracht, waarbij in het ongunstig meerderheidsadvies met betrekking tot de mobiliteit wordt gesteld “dat ondanks het maximale gebruik van de waterweg, dit soort activiteit nog steeds voor een stijging van het vrachtwagenverkeer zorgt” en met betrekking tot stof “dat dit soort activiteit vaak voor overlast (lawaai, stof, geuren) zorgt”. In het gunstig minderheidsadvies wordt aangaande de mobiliteit gesteld “dat het project een vermindering van het wegverkeer toelaat ten opzichte van de actuele toestand door het gebruik van de waterweg” en met betrekking tot de hinder “dat er strikte regels gevolgd zullen worden om de impact van deze te beperken”. Op 1 maart 2012 besliste het college van burgemeester en schepenen van de stad Brussel om een ongunstig advies over de aanvraag uit te brengen en het dossier voor advies aan de gemachtigde ambtenaar over te maken. In het advies van de gemachtigde ambtenaar wordt overwogen “dat het project, door het gebruik van de waterweg, een vermindering van het wegverkeer toelaat ten opzichte van de actuele toestand” en dat er om reden van de overslag en of bewerking van bouwmaterialen “strikte regels gevolgd zullen worden om de impact van deze te beperken”. 7.3.
  34. In het bestreden besluit wordt aangaande de mobiliteit overwogen dat watertransport volgens het richtschema Schaarbeek-Vorming noodzakelijk is voor een duurzame ontwikkeling van het goederentransport, rekening houdend met het feit dat elke boot gelijkstaat aan tientallen vrachtwagens minder op de wegen en dat de aanvrager van de vergunning maximaal zal gebruikmaken van het kanaal voor het vervoer van materialen. Er wordt tevens op gewezen dat de zone waarbinnen het project ligt, wordt gereserveerd voor logistiek die zal profiteren van de positie nabij de water- en spoorinfrastructuren en dat het gebied bestemd is voor industriële activiteiten. Er wordt vermeld dat de aanvrager van de vergunning de intentie heeft om zoveel mogelijk gebruik te maken van de X-17.811-12/18 waterweg, waardoor er slechts weinig bijkomende verkeershinder wordt verwacht en dat het maximaal gebruik van de waterweg voor een deel gewaarborgd wordt in de concessieovereenkomst tussen de aanvrager en de Haven van Brussel waarin een jaarlijkse minimumtrafiek van goederen via de waterweg overeengekomen wordt. Rekening houdend met de motieven zoals veruitwendigd in het bestreden besluit kan niet ingestemd worden met verzoeksters betoog dat uit het bestreden besluit niet kan worden afgeleid waarom andersluidende adviezen of de beslissing in eerste administratieve aanleg niet worden gevolgd. Het bestreden besluit is ter zake afdoende formeel gemotiveerd. 7.3.
  35. De verzoekende partij gaat met haar kritiek niet in op het feit dat er een garantie is voor het gebruik van de waterweg via de concessieovereenkomst met de Haven van Brussel. Het louter poneren dat “[e]lk extra schip […] ter plaats[e] juist [leidt] tot extra verkeer, omdat de producten die via de waterweg worden aangevoerd, via de weg worden afgevoerd, en omgekeerd” volstaat niet om aan te tonen dat de mobiliteitsimpact niet voldoende onderzocht is. Zo geeft de verzoekende partij ook geen cijfers over de mobiliteitsimpact van haar eigen, vergelijkbaar, bedrijf, noch licht zij toe wat de actuele verkeerssituatie ter plaatse is. Het betoog in de laatste memorie van de verzoekende partij dat het “pure logica” is dat elk schip dat de site aandoet, leidt tot meer verkeer, kan niet overtuigen, temeer gezien het betoog in de laatste memorie van de tussenkomende partij dat “[i]n de concessieovereenkomst […] een jaarlijks minimum trafiek van goederen over de waterweg [wordt] gewaarborgd van 185.000 ton”, wat “ongeveer 9.250 vrachtwagens [vertegenwoordigt] die niet meer langs de weg moeten gaan”, en dat zij zich zelfs geëngageerd heeft “tot 320.000 ton […] vervoer per jaar langs de waterweg” als de site volledig operationeel is, en gezien het betoog in de laatste memorie van de verwerende partij dat “[d]e tussenkomende partij zal aangemoedigd worden om de waterweg te gebruiken voor aan- en afvoer, aangezien ze een korting krijgt als de jaartrafiek hoger ligt dan de gewaarborgde minimumtrafiek (of integendeel een schadeloosstelling betaalt)”. X-17.811-13/18 7.3.
  36. Gelet op wat voorafgaat, toont de verzoekende partij hoe dan ook niet aan dat het bestreden besluit inzake de mobiliteitsproblematiek niet afdoende formeel zou zijn gemotiveerd. 7.3.
  37. Het eerste middelonderdeel is ongegrond. 7.4.
  38. Verder dient te worden herhaald (zie randnummer 5.5.1) dat het bestreden besluit wel degelijk overwegingen bevat die betrekking hebben op de stofhinder. Tijdens de beroepsprocedure werden aangepaste plannen gevraagd waarbij onder meer geëist werd “een sofistisch systeem voor waterbehandeling te ontwerpen en een vaporisatiesysteem om te voorkomen dat er stof overwaait naar naburige woonwijken”, een eis waaraan de aanvrager blijkens het bestreden besluit tegemoet is gekomen. In het bestreden besluit wordt overwogen “dat het evenwel mogelijk is dat er een zeer plaatselijke verhoging van stof in de lucht ontstaat tijdens de breek- en zeefwerken, maar dat teneinde deze verontreiniging in te perken, er mobiele sproeikoppen geplaatst worden die tijdens de werkzaamheden het stof zullen laten neerslaan op het eigen terrein; dat men ook aan stofbestrijding zal doen op de ‘stockage’ die veroorzaakt wordt door wind en dit ook door middel van besproeiing; dat tenslotte in de asbestzone door middel van een luchtextractor 100% zuivere lucht wordt uitgestoten”. De verzoekende partij betwist niet dat de vergunde plannen in overeenstemming zijn met deze eisen. 7.4.
  39. De verzoekende partij heeft verder geen belang bij haar kritiek op de “gunstige” voorwaarden in de milieuvergunning van de tussenkomende partij, nu zij, zoals hoger gezien (randnummer 5.5.2), de wijziging van de uitbatingsvoorwaarden van de milieuvergunning van de tussenkomende partij van 11 mei 2012 bij besluit van 10 juni 2021 met betrekking tot het beheer van fijn stof niet heeft bestreden. 7.4.
  40. De verzoekende partij toont gezien het voormelde evenmin aan dat de motieven van het bestreden besluit inzake de stofproblematiek niet afdoende zouden zijn. X-17.811-14/18 7.4.
  41. Het tweede middelonderdeel wordt verworpen. 7.
  42. Het middel wordt in zijn geheel verworpen. C. Derde middel Uiteenzetting van het middel 8.
  43. De verzoekende partij voert in een derde middel de schending aan van de motiveringswet en van het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke regering van 29 januari 2004 ‘betreffende de stedenbouwkundige vergunningen van beperkte duur’ (hierna: het besluit van 29 januari 2004), alsook van het redelijkheids- en zorgvuldigheidsbeginsel als algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Zij licht toe dat de Brusselse Hoofdstedelijke regering in haar besluit van 23 mei 2014 oordeelde dat het terrein “geen mix bevat van functies zoals wordt aangeprezen in de doelstellingen van het kanaalplan en dat men slechts kan toestaan dat het terrein zo wordt bevroren tot het einde van de overeenkomst tussen de haven van Brussel en de aanvrager”, een bekommernis die aansluit bij de beoordeling van het college van burgemeester en schepenen van de stad Brussel en de overlegcommissie, die beiden oordeelden dat dit type van bedrijf op de bewuste locatie niet aanvaardbaar is. 8.2.
  44. In een eerste middelonderdeel voert de verzoekende partij aan dat het tegenstrijdig is om, enerzijds, te oordelen dat de aanvraag slechts “voorlopig” kan worden toegelaten, om dan de vergunning definitief te vergunnen om reden dat een vergunning voor beperkte termijn niet mogelijk is. Indien een definitieve vergunning niet aanvaardbaar is, dringt zich een weigering op. 8.2.
  45. In een tweede middelonderdeel betwist de verzoekende partij het standpunt van de Brusselse Hoofdstedelijke regering dat een tijdelijke vergunning niet mogelijk zou zijn, nu dit volgens haar op grond van het besluit van 29 januari 2004 wel degelijk mogelijk is. Voor de opslagplaatsen voor materialen X-17.811-15/18 of afval, voor de stallingen voor vrachtwagens en andere voertuigen en voor de bureaucontainers kon de vergunning wel degelijk tijdelijk verleend worden. 8.
  46. De verzoekende partij stelt in haar laatste memorie dat het duidelijk is dat “zowel de bureaus, de parkeerplaatsen als de opslag van materialen, afval en schroot in aanmerking komen voor een tijdelijke vergunning”. Hetzelfde geldt voor “de verwerkingsinstallatie, mits dit ‘tijdelijke modulaire constructies’ zijn”. Beoordeling 9.1.
  47. Volgens het tweede middelonderdeel is een tijdelijke vergunning voor het gevraagde overeenkomstig het besluit van 29 januari 2004 mogelijk. In het bijzonder wijst de verzoekende partij er in haar verzoekschrift op dat een tijdelijke vergunning kan worden verleend voor: “- Het doorgaans gebruik van een niet-bebouwd terrein voor het opslaan van ‘een of meer gebruikte voertuigen, van schroot, van materialen of afval’ (9 jaar) - Het parkeren van voertuigen, uitgezonderd de in het gewestelijk bestemmingsplan gedefinieerde overstapparkings, de bij een gebouw bijhorende parkings of de parkings langs de weg (9 jaar) - Tijdelijke ‘modulaire constructies 15 à 20 jaar naargelang de afschrijvingsduur[’].” 9.1.
  48. In dit verband dient te worden opgemerkt dat een vergunning in beginsel één en ondeelbaar is. De vergunningsaanvraag heeft betrekking op “het inrichten van een site voor overslag en bewerking van materialen (maximaal getransporteerd via de waterweg), de nieuwbouw van burelen en het inrichten van een gedeelte van de site als parkeerplaats voor wagens en vrachtwagens”. Het blijkt niet dat de vergunningsaanvraag in zijn geheel kan beschouwd worden als een vergunning waarvan de duur kan beperkt worden, nu deze aanvraag niet beperkt is tot het gebruik van een niet-bebouwd terrein voor het opslaan van materialen of het parkeren van voertuigen of enkel betrekking heeft op tijdelijke modulaire constructies. De vergunning betreft hoofdzakelijk het X-17.811-16/18 inrichten van een site voor overslag en bewerking van materialen, waarbij tevens burelen en parkeerplaatsen worden voorzien. 9.1.
  49. Het tweede middelonderdeel is niet gegrond. 9.2.
  50. In het licht van het voorgaande ziet de Raad van State het niet als prohibitief voor het verlenen van de bestreden vergunning om, enerzijds, vast te stellen dat het project geen mix bevat van functies zoals wordt aangeprezen in de doelstellingen van het Masterplan voor het Kanaal en daarom de wil uit te drukken om een voorlopig karakter te geven aan de ingebruikname tot het einde van de ondertekende overeenkomst tussen de Haven van Brussel en de aanvrager, en, anderzijds, voor het project, gelegen in een gebied voor havenactiviteiten en vervoer dat volgens het Richtschema Schaarbeek-Vorming en het Kanaalplan bestemd is voor industriële activiteiten, een vergunning te verlenen voor onbepaalde termijn om reden dat het project niet in aanmerking komt voor een vergunning van bepaalde duur, en het project bijgevolg te beschouwen is als een stadswerf die verplaatst kan worden. Gelet op dit laatste worden de bureaus in containers voorzien in plaats van in gebouwen en worden alle installaties gerealiseerd met materialen die verplaatst en hergebruikt kunnen worden, en is een nota opgesteld die de omkeerbaarheid van de voorgestelde inrichtingen verzekert. 9.2.
  51. Het eerste middelonderdeel is niet gegrond. 9.
  52. Het middel wordt in zijn geheel verworpen. BESLISSING
  53. De Raad van State verwerpt het beroep.
  54. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 20 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. X-17.811-17/18 De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 150 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van drieëntwintig juni tweeduizend tweeëntwintig, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Johan Lust, kamervoorzitter, Jan Clement, staatsraad, Stephan De Taeye, staatsraad, bijgestaan door Silvan De Clercq, griffier. De griffier De voorzitter Silvan De Clercq Johan Lust X-17.811-18/18 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.254.094 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.