← België

Arrest 254104 - Dierenwelzijn - 24/06/2022

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 24 juni 2022 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.254.104 Rolnummer: A. 236615/VII-41528 Zaak: Arrest 254104 - Dierenwelzijn - 24/06/2022 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2022-06-28 Raadplegingen: 67 - laatst gezien 2026-06-10 07:08 Fiche Arrest nr 254.104 van 24 juni 2022 Sociale zaken en volksgezondheid - Dierenwelzijn Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER nr. 254.104 van 24 juni 2022 in de zaak A. 236.615/VII-41.528 In zake: Wim DE SMET woonplaats kiezend te 1080 Brussel Mettewielaan 46 bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Christ’l Verleyen kantoor houdend te 1050 Brussel Ridderstraat 10 tegen: het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Jean-François De Bock en Valérie De Schepper kantoor houdend te 1180 Brussel Bosveldweg 70 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering

  1. De vordering, ingesteld op 14 juni 2022, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van “het besluit van 1 april 2022, betekend op 22 april 2022 aan Mevrouw Loosveld waarbij een bestemmingsbeslissing wordt gegeven aan de hond van verzoeker, in die zin dat de hond in volle eigendom wordt gegeven aan het asiel”. II. Verloop van de rechtspleging
  2. De verwerende partij heeft een nota ingediend. VII-41.528-1/6 De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 23 juni
  3. Staatsraad Pierre Lefranc heeft verslag uitgebracht. Advocaat Christ’l Verleyen, die verschijnt voor verzoeker en advocaat Valérie De Schepper, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Anja Somers heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, ge- coördineerd op 12 januari
  4. III. Feiten
  5. Op 21 maart 2022 stelt de lokale politie van de zone Oostende op het adres Troonstraat 289 in Oostende overtredingen op de dierenwelzijns-wetgeving vast, neemt een hond van het ras Bichon Maltais in administratief beslag, laat de hond ophalen door het Blauwe Kruis van de Kust en wordt de hond overgebracht naar een erkend dierenasiel. Op basis van het dierenartsenverslag, het fotodossier, een telefonisch contact met het dierenasiel en na verhoor van de bewoonster op voormeld adres, neemt het afdelingshoofd van de afdeling Dierenwelzijn van het departement Omgeving de bestreden bestemmingsbeslissing waarbij in toepassing van artikel 42, § 1, van de wet van 14 augustus 1986 ‘betreffende de bescherming en het welzijn der dieren’ de hond “in volle eigendom [wordt] gegeven aan het asiel waar de hond verblijft, dat daarmee instemt”. VII-41.528-2/6 IV. Ontvankelijkheid
  6. De verwerende partij betwist de ontvankelijkheid van de vordering. Een onderzoek van en een uitspraak over de ontvankelijkheid zouden zich alleen opdringen indien mocht blijken dat aan de grondvoorwaarden voor een schorsing voldaan is, wat, zoals hierna zal blijken, niet het geval is. V. Uiterst dringende noodzakelijkheid
  7. Krachtens artikel 17, §§ 1 en 4, van de RvS-wet kan tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid slechts worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden en dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is die onverenigbaar is met de behandelingstermijn van de gewone vordering tot schorsing.
  8. De verzoeker stelt “[a]angaande het schorsingsverzoek” wat betreft het “moeilijk te herstellen ernstig nadeel” dat “het beroep tot nietigverklaring van de bestreden beslissing […] geen schorsende werking” heeft.
  9. De verwerende partij “stelt vast dat het verzoekschrift van verzoekende partij geen begin van uiteenzetting bevat omtrent het bestaan van een uiterst dringende noodzakelijkheid. Laat staan dat zij op duidelijke en onomstootbare wijze aantoont dat er sprake zou zijn van uiterst dringende noodzakelijkheid. Verzoekende partij brengt geen aan haar zaak eigen, specifieke gegevens bij die in concreto aantonen waarom de afloop van de gewone schorsingsprocedure niet kan afgewacht worden. Er is geen enkele reden voorhanden om aan te nemen dat de schorsing van de tenuitvoerlegging, indien ze pas na het afwikkelen van de gewone schorsingsprocedure zou worden VII-41.528-3/6 uitgesproken, onherroepelijk te laat zou komen om een eventueel nadeel op te vangen of de belangen van verzoeker veilig te stellen. […] Ten overvloede merkt de verwerende partij op dat verzoekende partij niet alert en diligent heeft gereageerd. De bestemmingsbeslissing is genomen op 1 april 2022 en deze dag zowel per aangetekende zending als per gewone post verstuurd naar mevrouw Loosveld. Stuk4 van het administratief dossier toont aan dat de bestreden beslissing aangetekend is verstuurd op 1 april en dat mevrouw Loosveld de aangetekende nooit is komen ophalen op het postkantoor te Mariakerke. Op 22 april 2022 is de aangetekende zending terug aangekomen bij verwerende partij. Verzoekende partij, die niet de bestemmeling van de bestreden beslissing is, heeft minstens kennis genomen van de beslissing bij de besluiten van verwerende partij zoals neergelegd op 9 mei 2022 in de procedure hangende voor de Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg te Brussel, zetelend in kortgeding, met rolnummer 22/27/C. Het verzoekschrift tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid is neergelegd bij uw Raad op 14 juni 2022 en dus minstens 35 dagen na de kennisname van de bestreden beslissing. Dit brengt met zich mee dat verzoekende partij niet alert en diligent heeft gereageerd en dat er ook in de feiten geen sprake is van het bestaan van de uiterst dringende noodzakelijkheid”. Beoordeling
  10. Luidens artikel 16, § 1, eerste lid, 7°, van het koninklijk besluit van 5 december 1991 ‘tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State’, bevat het verzoekschrift waarin de uiterst dringende noodzakelijkheid wordt aangevoerd daartoe “een uiteenzetting van de feiten die de uiterst dringende noodzakelijkheid rechtvaardigen”.
  11. Daaruit volgt de vaststelling dat de uiterst dringende noodzakelijkheid een afzonderlijke schorsingsvoorwaarde vormt die niet kan worden gelijkgesteld met en in beginsel niet volgt uit de ernst van de middelen die verzoeker aanvoert. Van de Raad van State kan niet worden verondersteld enige VII-41.528-4/6 toelichting van de veronderstelde uiterst dringende noodzakelijkheid af te leiden uit de aangevoerde middelen.
  12. Het komt er voor een verzoekende partij, die beweert dat in haar zaak een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is die onverenigbaar is met de behandelingstermijn van de gewone vordering tot schorsing, op aan om van die uiterst dringende noodzakelijkheid te overtuigen aan de hand van de concrete feiten die zij in haar vordering aanvoert. Dit houdt in dat het aan de verzoekende partij toevalt om aan haar zaak eigen, specifieke gegevens bij te brengen die in concreto aantonen waarom de nadelige gevolgen die een onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing voor haar persoonlijk veroorzaakt, niet kunnen gedragen worden gedurende de behandelingstermijn van de gewone vordering tot schorsing en waarom de afloop van de gewone schorsingsprocedure bijgevolg niet kan worden afgewacht. Die gegevens moeten door de verzoekende partij worden onderbouwd op een wijze die de Raad van State toelaat om ze te verifiëren, zodat hij kan aftoetsen of ze de uiterst dringende noodzakelijkheid inderdaad kan verantwoorden. De uiterst dringende noodzakelijkheid wordt niet vermoed, welke ook de aard van de bestreden beslissing is. In beginsel mag alleen rekening worden gehouden met hetgeen in het verzoekschrift “bij uiterst dringende noodzakelijkheid” wordt uiteengezet én gestaafd.
  13. Verzoeker voert in het inleidend verzoekschrift drie middelen aan, maar laat na uiteen te zetten dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is die onverenigbaar is met de behandelingstermijn van de gewone vordering tot schorsing. Verzoeker kan er volledigheidshalve niet van overtuigen dat aan deze laatste schorsingsvoorwaarde zou worden voldaan louter omdat een annulatieberoep “geen schorsende werking” heeft. VII-41.528-5/6 Conclusie
  14. Er is niet voldaan aan één van de voorwaarden gesteld in artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die cumulatief vervuld moeten zijn om een vordering bij uiterst dringende noodzakelijkheid te kunnen inwilligen. BESLISSING De Raad van State verwerpt de vordering. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van vierentwintig juni tweeduizend tweeëntwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Pierre Lefranc, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier. De griffier De voorzitter Bart Tettelin Pierre Lefranc VII-41.528-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.254.104 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.255.530 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.