id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 27 juni 2022 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.254.117 Rolnummer: A. 228598/XIV-38100 Zaak: Arrest 254117 - Federale en lokale politie – Aanwerving en loopbaan - 27/06/2022 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2022-07-11 Raadplegingen: 69 - laatst gezien 2026-06-10 07:09 Fiche Arrest nr 254.117 van 27 juni 2022 Openbaar ambt - Federale en lokale politie – Aanwerving en loopbaan Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK XIVe KAMER nr. 254.117 van 27 juni 2022 in de zaak A. 228.598/XIV-38.100 In zake : XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Marlies De Raeve kantoor houdend te 3520 Zonhoven Spierhoofseweg 3 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken die woonplaats kiest bij de Federale Politie DGR/Legal/CTX gevestigd te 1050 Brussel Kroonlaan 145A -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 15 juli 2019, strekt tot de nietigverklaring van “de beslissing van 28.05.2019 van de Directeur-generaal waarbij vastgesteld wordt dat verzoekster niet geslaagd is voor de basisopleiding ‘Inspecteur van politie’ en waarbij verzoekster definitief afgewezen wordt voor de basisopleiding ‘Inspecteur van politie’ en haar de hoedanigheid van aspirant-inspecteur wordt ontnomen.” II. Verloop van de rechtspleging 2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoekster heeft een memorie van wederantwoord ingediend. XIV-38.100-1/20 Eerste auditeur Geert De Bleeckere heeft een verslag opgesteld. De verwerende partij heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. Verzoekster heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 16 maart 2022, om 14.00 uur. Staatsraad Kaat Leus heeft verslag uitgebracht. Advocaat Giovanni D’Hondt, die loco advocaat Marlies De Raeve verschijnt voor verzoekster en adviseur Kirsten Peeters, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Geert De Bleeckere heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3.1. Op 2 mei 2016 vat verzoekster de basisopleiding tot inspecteur van politie in de Limburgse politieschool (hierna: het PLOT) aan. 3.2. Tijdens de basisopleiding wordt tijdens Blok 1 van die opleiding een educatief opvolgingsrapport opgesteld (op 8 juni 2016) en vindt een eerste functioneringsgesprek plaats (op 6 juli 2016). Uit het educatief opvolgingsrapport blijkt dat de fysieke inzetbaarheid van verzoekster nog onvoldoende is en zij looptrainingen moet volgen. Uit de opgestelde functioneringsfiche blijkt dat er XIV-38.100-2/20 ernstige vragen zijn bij haar fysieke inzetbaarheid en het deeldomein ‘attitude’, wat de professionele bekwaamheden betreft. Uit een tweede educatief rapport (op 7 juli 2016) blijkt dat er ernstige werkpunten zijn op het vlak van de trainingen “dwang met en zonder vuurwapen” op het vlak van techniek en tactiek. Verzoekster slaagt niettemin (attest – Evaluatie blok 1 van 11 augustus 2016) voor het Blok 1 van de opleiding (13/20, 12/20, 13/20, 14/20 en 17/20) en krijgt voor de “Beoordeling professioneel functioneren” de beoordeling “Geen vermelding ‘onvoldoende’”. Zij is aldus “geslaagd voor blok 1”. 3.3. Tijdens Blok 2 van de opleiding worden er opnieuw educatieve opvolgingsrapporten en een functioneringsverslag opgesteld en krijgt verzoekster tijdens de tussentijdse evaluatie van het professioneel functioneren (op 22 december 2016) een algemene beoordeling ‘onvoldoende’. Zij slaagt ook niet op de nationale schiettest op 12 december 2016, noch op de nationale schiettest van 5 januari 2017 “ondanks een extra les op 04-01-2017” zodat het attest individuele bewapening tijdens Blok 2 niet kon worden afgeleverd. 3.4. Op 13 januari 2017 formuleert de directeur van het PLOT een voorstel om verzoekster “vroegtijdig” af te wijzen. De directeur van de politieschool stelt: “[…] Na diepgaand overleg met het begeleidend personeel ben ik als directeur van de politieschool van oordeel dat [verzoekster] niet geschikt is om de opleiding van politie verder te zetten. Wij zijn van oordeel dat [verzoekster] te weinig potentieel vertoont op te veel verschillende competenties van de opleiding. Waarbij het niet voldoende kunnen hanteren van wapens maar de spreekwoordelijke druppel is die de emmer deed overlopen. De attitude van [verzoekster] is het grootste probleem. [Verzoekster] kan zichzelf niet autonoom in vraag stellen om haar handelen, op elk domein van de opleiding, bij te sturen. […] Het lukt [verzoekster] niet, na de vele bijsturingen en bijlessen, om te slagen in het nationaal schietparcours. Het slagen in dit parcours moet zorgen voor het verplichte attest individuele bewapening om te kunnen werkplekleren. Zoals voorzien in het KB van 24 september 2015 betreffende de basisopleiding van de personeelsleden van het basiskader van de politiediensten in bijlage 2 Leerplan, moeten een overgrote meerderheid van opdrachten werkplekleren uitgevoerd worden met attest XIV-38.100-3/20 individuele bewapening. Omdat deze opdrachten starten kan [verzoekster] niet aan het werkplekleren deelnemen. Ik zie dan ook geen andere mogelijkheid dan betrokkene op basis van artikel 36 van het KB van 24 september 2015 […] vroegtijdig af te wijzen.” Verzoekster neemt dezelfde dag kennis van dit voorstel. Het schooldossier wordt haar op 17 januari 2017 bezorgd. Op 23 januari 2017 dient verzoekster een verweerschrift tegen dit voorstel in, waarin zij tevens vraagt om door de directeur-generaal of diens afgevaardigde te worden gehoord. Op 30 januari 2017 formuleert de directeur van het PLOT een repliek op dit verweer. Op 8 februari 2017 dient verzoekster een bijkomend verweerschrift in, waarin zij nogmaals vraagt om “te worden gehoord door de overheid die de eindbeslissing zal nemen”. 3.5. In afwachting van een definitieve beslissing wordt verzoekster tewerkgesteld bij DRL Facility Management van de Federale Politie (onthaal RAC Brussel). 3.6. Op 25 september 2018 – dit is meer dan anderhalf jaar na haar laatste verweerschrift – wordt verzoekster gehoord door de afgevaardigde van de directeur-generaal. Bij die gelegenheid legt verzoekster een pleitnota neer. Van de hoorzitting wordt geen proces-verbaal opgesteld. 3.7. Op 28 mei 2019 – hetzij meer dan acht maanden na de hoorzitting – beslist de directeur-generaal a.i. verzoekster definitief af te wijzen voor de basisopleiding van inspecteur van politie en haar de hoedanigheid van aspirant-inspecteur te ontnemen met ingang van dezelfde datum om 24.00 uur. De beslissing vermeldt nog dat betrokkene “ambtshalve en zonder opzegging het voorwerp zal uitmaken van de definitieve ambtsontheffing (Art. 81, 6°, van de wet XIV-38.100-4/20 [van 26 april 2002 ‘houdende de essentiële elementen van het statuut van de personeelsleden van de politiediensten en houdende diverse andere bepalingen met betrekking tot de politiediensten’]”. Tot slot vermeldt de beslissing nog dat verzoekster “[o]danks deze beslissing”, indien zij dit wenst, “in aanmerking komt om zich kandidaat te stellen voor de selectieprocedure van het kader van beveiligingsagenten van politie (BAGP)”. Dit is de bestreden beslissing. Verzoekster neemt er dezelfde dag kennis van. IV. Onderzoek van het eerste en het tweede middel Vooraf 4. Het past het eerste en het tweede middel samen te beoordelen. Standpunt van de partijen 5. In het eerste middel voert verzoekster een schending aan van artikel 36 van het koninklijk besluit van 24 september 2015 ‘betreffende de basisopleiding van de personeelsleden van het basiskader van de politiediensten’ (hierna: het koninklijk besluit van 24 september 2015) omdat de verwerende partij de daarin bepaalde beslistermijn heeft overschreden. In het tweede middel van haar verzoekschrift roept verzoekster een schending in van “het beginsel van de redelijke termijn”. Wat het eerste middel betreft, zet verzoekster – met verwijzing naar de tekst van artikel 36 van het koninklijk besluit van 24 september 2015, waarin onder meer wordt bepaald dat de in artikel IV.II.44 van het RPPol bedoelde overheid binnen de zestig werkdagen beslist over het gemotiveerd voorstel tot afwijzing van de directeur van de politieschool – uiteen dat de directeur-generaal XIV-38.100-5/20 een beslissing diende te nemen over het voorstel van de directeur van de politieschool binnen de zestig werkdagen na ontvangst van het volledige dossier. Het is verzoekster niet duidelijk wanneer precies de directeur-generaal het volledig dossier van de directeur van de politieschool heeft ontvangen aangezien verzoekster geen kopie van het dossier heeft mogen ontvangen. Op 8 februari 2017 heeft verzoekster een bijkomend verweerschrift ingediend waarin zij opnieuw heeft gevraagd om te worden gehoord. Verzoekster gaat er vanuit dat op het tijdstip van de hoorzitting van 25 september 2018 de directeur-generaal in ieder geval over het volledig dossier moest beschikken, terwijl deze vervolgens pas op 28 mei 2019, dit is meer dan acht maanden later, de bestreden beslissing heeft genomen zodat de termijn van zestig werkdagen, zoals voorgeschreven door artikel 36 van het koninklijk besluit van 24 september 2015, ruimschoots is overschreden. Wat het tweede middel betreft, licht verzoekster toe dat de verplichting om binnen een redelijke termijn uitspraak te doen een beginsel van behoorlijk bestuur is waarvan het doel erin is gelegen rechtszekerheid te garanderen aan de betrokkene die een rechtmatig belang heeft om haar lot te kennen. Te dezen heeft de directeur-generaal pas een beslissing genomen meer dan twee jaar na het voorstel tot afwijzing van de directeur van de politieschool. In afwachting was verzoekster tewerkgesteld bij het onthaal van de federale politie (RAC-Brussel), in complete onzekerheid over het feit of ze ooit haar basisopleiding tot inspecteur van politie zou kunnen hervatten, hetgeen geleid heeft tot een volledig gebrek aan rechtszekerheid in hoofde van verzoekster. Bovendien werd haar op die manier de kans ontnomen om ofwel bij de politie, ofwel in een andere job, anciënniteit op te bouwen. In haar memorie van wederantwoord betwist verzoekster dat zij, zoals de verwerende partij voorhoudt, geen belang heeft bij het inroepen van het eerste en het tweede middel. Wat het eerste middel betreft beklemtoont ze dat zij gedurende meer dan twee jaar in volledige onzekerheid heeft verkeerd over haar loopbaan bij de politie en haar loopbaan in het algemeen. Verzoekster stelt dat ze een rechtmatig belang heeft om haar lot te kennen binnen de door de wet bepaalde termijn en niet in het ongewisse te blijven. Door het ruimschoots overschrijden van XIV-38.100-6/20 de wettelijke termijn heeft ze persoonlijk en ernstig nadeel geleden. Verzoekster was de opleiding als aspirant-inspecteur niet gestart om onthaalmedewerkster te zijn. Het lijkt er eerder op dat het de verwerende partij goed uitkwam verzoekster zo lang mogelijk in die functie te laten werken omdat ze deze functie niet ingevuld kreeg. In zoverre de verwerende partij stelt dat de termijn van artikel 36 van het koninklijk besluit van 24 september 2015 slechts een ordetermijn is, repliceert verzoekster dat deze termijn, in dat geval toch “juridisch bindend is”. De wettelijke termijn bedraagt zestig dagen, en deze werd niet met een aantal dagen, maar meer dan vier keer overschreden, zodat zeker de redelijke termijn werd overschreden. Wat het tweede middel betreft benadrukt verzoekster nog dat in zoverre de verwerende partij verwijst naar rechtspraak waaruit moet blijken dat een vernietiging op grond van de schending van de redelijke termijn niet betekent dat de betrokkene automatisch geacht moet worden te zijn geslaagd in een test (deel uitmakend van een opleiding), zij niet inziet waarom zij, in geval van vernietiging op grond van de schending van de redelijke termijn-eis, haar opleiding niet terug zou mogen aanvangen. Dit betekent niet dat zij automatisch geslaagd zou zij, maar enkel dat zij de opleiding terug mag aanvangen, waarbij zij nog steeds moet slagen om tot inspecteur te worden benoemd. Verzoekster neemt er tot slot nota van dat de verwerende partij de gegrondheid van het tweede middel niet betwist. In haar laatste memorie herhaalt verzoekster dat de vernietiging van de bestreden beslissing wegens schending van de redelijke termijn-eis tot gevolg heeft dat zij de basisopleiding kan hervatten of herstarten. Ze betwist het standpunt van de verwerende partij dat een hervatten of herstarten niet mogelijk zou zijn. Wanneer de bestreden beslissing vernietigd wordt, ligt geen eindbeslissing over de basisopleiding (meer) voor zodat in dat geval “het geheel van de besluitvorming komt te vervallen” en dan “gewoonweg geen beslissing is genomen” wat inhoudt dat verzoekster haar hoedanigheid van aspirant-inspecteur behoudt. Volgens verzoekster volgt daaruit dat zij in dat geval hetzij haar opleiding kan hervatten, hetzij herstarten. Zij is immers nog steeds aspirant-inspecteur en de directeur kan “ten allen tijde” een voorstel opstellen over het professioneel functioneren van verzoekster (artikel 36, eerste lid, b)). Zij kan dan ook haar XIV-38.100-7/20 opleiding met succes overdoen zodat een vernietiging van de bestreden beslissing in haar belang is. Verzoekster kan “ook zeker haar basisopleiding hervatten”. De argumentatie van de verwerende partij dat de aanvang van de opleiding dateert van 2016 en dat verzoekster deze opleiding niet kan afronden, is volgens verzoekster “een loutere bewering en op niets gestoeld”. Met verwijzing naar de regelgeving beklemtoont zij dat ze haar hoedanigheid van aspirant-inspecteur is blijven behouden en dat ze die derhalve “kan blijven opeisen om een opleiding te volgen”. De opleiding wordt georganiseerd in verschillende politiescholen en verdeeld over verschillende lichtingen. Verzoekster werd aangewezen voor het volgen van de opleiding in het PLOT, lichting 2016. Wordt de bestreden beslissing vernietigd, dan keert zij terug naar haar vroegere toestand die haar het recht op opleiding dat is vastgelegd in artikel 3.4.1. RPPol garandeert. Het is precies die herstart die verzoekster, zoals zij in haar verzoekschrift heeft uiteengezet, nastreeft met name in de politieschool te Brussel en, “ondergeschikt”, de hervatting in het PLOT. Hoe dan ook blijkt aldus dat zij wel degelijk voordeel haalt uit de bestreden beslissing. 6. De verwerende partij repliceert in haar memorie van antwoord dat verzoekster belang ontbeert bij het inroepen van zowel het eerste als het tweede middel omdat niet valt in te zien welk nadeel verzoekster heeft geleden van het feit dat de bestreden beslissing buiten de termijn van artikel 36 van het koninklijk besluit van 24 september 2015 is genomen. In tussentijd was verzoekster immers tewerkgesteld als onthaalmedewerkster bij de federale politie (RAC Brussel) zodat zij al die tijd haar loon als aspirant-inspecteur heeft ontvangen. Indien de bestreden beslissing vroeger was genomen, zou zij veel sneller ontslagen zijn geweest zodat zij dan ook geen loon meer kon ontvangen. Bovendien leidt de nietigverklaring op deze grond er toe dat de overheid geen nieuwe beslissing meer kan nemen vermits de bestreden beslissing al laattijdig is. Een vernietiging op die grond impliceert evenmin dat verzoekster de opleiding zou mogen herdoen. “Ondergeschikt” meent de verwerende partij dat het eerste middel ongegrond is aangezien de termijn in het genoemde artikel 36 geen vervaltermijn maar een termijn van orde is: de loutere overschrijding van een termijn van orde is onvoldoende om tot de onwettigheid XIV-38.100-8/20 van de bestreden beslissing te besluiten. Wat het tweede middel betreft, biedt zij, wat de gegrondheid ervan betreft, geen enkele repliek. In haar laatste memorie volhardt de verwerende partij wat het gebrek aan belang bij het middel betreft. Het feit dat verzoekster definitief wordt afgewezen en haar de mogelijkheid wordt ontnomen om een loopbaan als inspecteur van politie uit te bouwen, is niet het gevolg van het feit dat de bestreden beslissing niet binnen de voorgeschreven termijn, noch binnen de redelijke termijn werd genomen. De verwerende partij doet gelden dat, mocht de bestreden beslissing wel tijdig zijn genomen, het gevolg hetzelfde was geweest. Verzoekster heeft voorts geen enkel nadeel geleden door het uitblijven van de bestreden beslissing. Gedurende de hele periode heeft ze haar loon als aspirant-inspecteur ontvangen, werd zij binnen de Federale Politie tewerkgesteld, heeft ze jaren opgebouwd voor het bekomen van een overheidspensioen. De verwerende partij bestrijdt voorts het standpunt dat verzoekster bij een eventuele nietigverklaring haar opleiding “zomaar” kan herstarten of hervatten. De directeur van de politieschool heeft immers, op grond van artikel 36 van het koninklijk besluit van 24 september 2015 (zoals toen van kracht) een gemotiveerd voorstel tot afwijzing van verzoekster opgesteld omwille van de ernstige twijfels die er waren met betrekking tot haar professioneel functioneren, alsook omwille van het feit dat ze niet slaagde voor de nationale schiettest (met inbegrip van de hertest). Verzoekster beschikte dus niet over een attest individuele bewapening, waardoor ze veel opdrachten tijdens het werkplekleren niet kon uitvoeren en bijgevolg verschillende doelstellingen van het werkplekleren niet kon behalen. Voor het werkplekleren van vier clusters is volgens de verwerende partij vereist dat de aspirant-inspecteur over een attest individuele bewapening beschikt. Zij verwijst daartoe naar bijlage 2 bij het ministerieel besluit van 24 september 2015 ‘houdende het onderwijs- en examenreglement betreffende de basisopleiding van de personeelsleden van het basiskader van de politiediensten’ (hierna: het ministerieel besluit van 24 september 2015). Vermits verzoekster deze doelstellingen niet kon behalen, kon zij, zoals de directeur van de politieschool het stelde, “niet meer verder in haar voorziene opleidingstraject”. Op het ogenblik dat de directeur van de politieschool het voorstel tot definitieve afwijzing opstelde, “was het voor verzoekster al XIV-38.100-9/20 onmogelijk om nog te slagen voor de basisopleiding van inspecteur van politie van de promotie mei 2016”. Zelfs indien verzoekster haar basisopleiding had verdergezet, dan nog had de jury op het einde van de basisopleiding enkel een advies kunnen geven tot of een definitieve afwijzing of het overdoen van het geheel of een gedeelte van de basisopleiding. Het nemen van de beslissing tot een definitieve afwijzing, dan wel het overdoen van het geheel of een gedeelte van de basisopleiding, komt toe aan de directeur-generaal van de algemene directie van het Middelenbeheer en de Informatie op grond van artikel IV.II.44 RPPol (zoals toen van kracht). Mocht de bestreden beslissing worden vernietigd omwille van een schending van de redelijke termijn-eis, houdt dit in dat de directeur-generaal geen nieuwe beslissing meer kan nemen op basis van het voorstel van de directeur van de politieschool. Met andere woorden, de directeur-generaal kan niet meer beslissen tot een definitieve afwijzing noch dat verzoekster het geheel, dan wel een gedeelte van de basisopleiding opnieuw mag doen. Het standpunt dat verzoekster in de mogelijkheid zou zijn om de opleiding te herstarten, klopt niet “vermits de grond tot vernietiging van de bestreden beslissing een nieuwe beslissing op het niveau van de directeur-generaal uitsluit”, en deze beslissingsbevoegdheid enkel toekomt aan de directeur-generaal. Elke beslissing die de directeur-generaal ter zake neemt zou een schending uitmaken van de redelijke termijn, dus ook de beslissing om de basisopleiding opnieuw aan te vatten. Een hervatten van de basisopleiding behoort evenmin tot de mogelijkheden gegeven de redenen voor het voorstel tot definitieve afwijzing, alsook het feit dat verzoekster de basisopleiding tot inspecteur van politie in 2016 (bijna 5 jaar geleden) aanvatte, zodat het onmogelijk is dat verzoekster de opleiding zou hervatten. Omwille van het ontbreken van het attest individuele bewapening, kan de opleiding niet worden hervat vermits verzoekster het werkplekleren niet kan uitvoeren en haar opleiding dan ook niet kan afronden. Beoordeling 7. Overeenkomstig het koninklijk besluit van 24 september 2015 zoals het destijds van toepassing was, duurt de basisopleiding van het basiskader XIV-38.100-10/20 één jaar (artikel 12). Die basisopleiding omvat theoretische en praktische opleidingsactiviteiten. De algemene directie roept de kandidaten op en bepaalt de plaats van de opleiding waarbij “in de mate van het mogelijke” rekening wordt gehouden met één van de door de kandidaat uitgedrukte voorkeuren (artikel 11). Voorts wordt de basisopleiding opgedeeld in twee blokken die, samen, 15 clusters waaronder transversale clusters, omvatten (artikel 15). De aspirant-inspecteur neemt gedurende de hele basisopleiding (Blok 1 en Blok 2) deel aan “werkplekleren” waarbij de politieschool verantwoordelijk is voor de organisatie ervan (artikelen 16 en 17). Een aspirant wordt “enkel tot de examenperiode op het einde van Blok 2 toegelaten, als hij geslaagd is voor Blok 1”. Om te slagen voor Blok 1 dient de betrokkene 12/20 te behalen voor elke cluster van Blok 1 en geen vermelding “onvoldoende” hebben voor zijn professioneel functioneren (artikel 32). Het eindexamen wordt georganiseerd op het einde van Blok 2 en bestaat uit examens “over de clusters van Blok 2 en over de transversale clusters, een geïntegreerde proef en uit de eindevaluatie van het professioneel functioneren” (artikel 33). Om te slagen op het einde van de basisopleiding, moet de aspirant-inspecteur geschikt worden bevonden door een zevenhoofdige jury (waarvan de samenstelling wordt bepaald in artikel 38) en moet hij ten minste (
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.