← België

Arrest 254131 - Overheidsopdrachten - 28/06/2022

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 28 juni 2022 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.254.131 Rolnummer: A. 228803/XII-8780 Zaak: Arrest 254131 - Overheidsopdrachten - 28/06/2022 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2022-07-05 Raadplegingen: 69 - laatst gezien 2026-06-10 07:09 Fiche Arrest nr 254.131 van 28 juni 2022 Overheidsopdrachten en openbare werken - Overheidsopdrachten Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK XIIe KAMER nr. 254.131 van 28 juni 2022 in de zaak A. 228.803/XII-8780 In zake: 1. de BV DE COCK & PARTNERS 2. de BV VERBRUGGEN samen vormend een tijdelijke maatschap bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Vicky Verlent kantoor houdend te 2600 Antwerpen Posthofbrug 6 bus 1 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de CV VLAAMSE MAATSCHAPPIJ VOOR WATERVOORZIENING bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Barteld Schutyser en Tom Villé kantoor houdend te 1050 Brussel Louizalaan 99 -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 12 augustus 2019, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van de cv Vlaamse maatschappij voor watervoorziening van 7 juni 2019 om de bv De Cock & Partners en de bv Verbruggen, samen vormend een tijdelijke maatschap, uit te sluiten van toekomstige door haar uitgeschreven overheidsopdrachten en dit voor een periode van drie jaar, met aanvang op 31 januari 2019. II. Verloop van de rechtspleging XII-8780-1/13 2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partijen hebben een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur Inge Vos heeft een verslag opgesteld. De verwerende partij heeft een laatste memorie, met verzoek tot voortzetting van het geding ingediend. De verzoekende partijen hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 26 april 2022. Staatsraad Patricia De Somere heeft verslag uitgebracht. Advocaat Vicky Verlent, die verschijnt voor de verzoekende partijen, en advocaat Barteld Schutyser, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Ann Eylenbosch heeft een met dit arrest eensluidend advies uitgebracht. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3. De feiten zijn uiteengezet in de arresten nrs. 252.475 tot 252.479 van 20 december 2021. Er wordt naar die uiteenzetting verwezen. Bij deze arresten worden de beroepen tot nietigverklaring verworpen die waren ingesteld tegen de vijf afzonderlijke beslissingen van de XII-8780-2/13 verwerende partij van 7 juni 2019 om de verzoekende partijen, in het kader van de lopende gunningsprocedures voor welbepaalde opdrachten waarvoor zij een offerte hebben ingediend, niet te selecteren op grond van de facultatieve uitsluitingsgrond van artikel 69, 3°, van de wet van 17 juni 2016 ‘inzake overheidsopdrachten’ (hierna: wet overheidsopdrachten 2016). De beslissing van de verwerende partij van 7 juni 2019 om de verzoekende partijen met ingang van 31 januari 2019, zijnde de datum waarop een einde werd gesteld aan de inbreuken op de besteksbepalingen van een vorige opdracht, en voor een periode van drie jaar, uit te sluiten van deelname aan toekomstige opdrachten op grond van artikel 69, 3°, van de wet overheidsopdrachten 2016, is de thans bestreden beslissing. IV. Onderzoek van het ambtshalve door het auditoraat aangevoerde middel Uiteenzetting van het middel 5. Aangezien een gebrek aan rechtsgrond de openbare orde aanbelangt, wordt in het auditoraatsverslag ambtshalve aangevoerd, doch ook “inpasbaar in de door de verzoekende partijen aangevoerde rechtsschendingen”, dat artikel 69, 3°, van de wet overheidsopdrachten 2016 geen rechtsgrond kan bieden voor een algemene beslissing tot uitsluiting van alle toekomstige overheidsopdrachten die de verwerende partij gedurende een periode van drie jaar zal uitschrijven. Toegelicht wordt dat in de eerste plaats uit de tekst zelf van artikel 69 van de wet overheidsopdrachten 2016 – bepaling die deel uitmaakt van hoofdstuk 4, ‘Verloop van de procedure’ – blijkt dat de aanbestedende dienst op grond van dat artikel enkel de mogelijkheid heeft een ondernemer van deelneming aan een welbepaalde plaatsingsprocedure uit te sluiten. Voorts blijkt ook uit artikel 57, lid 4, van richtlijn 2014/24/EU van het Europees Parlement en XII-8780-3/13 de Raad van 6 februari 2014 ‘betreffende het plaatsen van overheidsopdrachten en tot intrekking van Richtlijn 2004/18/EG’ (hierna: richtlijn 2014/24/EU), waarvan voornoemd artikel 69 de omzetting is, dat de aanbestedende diensten elke ondernemer van deelname “aan een aanbestedingsprocedure” kunnen uitsluiten. In het auditoraatsverslag wordt verwezen naar de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 24 oktober 2018, C-124/17, ‘Vossloh Laeis GmbH’, en 19 juni 2019, C-41/18, ‘Meca Srl’, waarin ook sprake is van uitsluiting van een ondernemer van deelneming “aan een aanbestedingsprocedure”. Volgens het auditoraat dient de mogelijkheid om aldus een beroep te doen op een facultatieve uitsluitingsgrond in het kader van een specifieke plaatsingsprocedure te worden onderscheiden van de “overige sancties” in het kader van de uitvoering van overheidsopdrachten zoals omschreven in artikel 48 van het koninklijk besluit van 14 januari 2013 ‘tot bepaling van de algemene uitvoeringsregels van de overheidsopdrachten’ (hierna: koninklijk besluit ‘algemene uitvoeringsregels overheidsopdrachten’). Er wordt verwezen naar arrest nr. 245.220 van 23 juli 2019 waarin de Raad van State het verschil in draagwijdte tussen beide categorieën van beslissingen heeft bevestigd. Standpunt van de partijen 5. In de laatste memorie betwist de verwerende partij het standpunt van het auditoraat, ook al heeft dit “geen aanwijsbare of concrete gevolgen […] voor [haar] rechtspositie [...], nu zij de zorg heeft genomen om haar beslissing tot uitsluiting in elk van haar beslissingen concreet te hernemen en te motiveren”. 5.1. De verwerende partij verwijst in de eerste plaats naar mededeling 2021/C91/01 van de Europese Commissie ‘over instrumenten ter bestrijding van de collusie bij overheidsopdrachten en over richtsnoeren van de desbetreffende uitsluitingsgrond’, aangenomen op 18 maart 2021, dit is na XII-8780-4/13 neerlegging van het auditoraatsverslag. Deze mededeling gaat weliswaar specifiek in op collusie maar legt de nadruk op de ruime beoordelingsmarge van de aanbestedende overheden om uitsluitingsgronden toe te passen en op regels inzake de bewijslast. Blijkens punt 5.9 ‘Vaststelling van de voorwaarden voor uitsluiting van een ondernemer overeenkomstig artikel 57, lid 7, van de Richtlijn [2014/24/EU]’, begrijpt de Commissie deze bepaling zo dat beslissingen tot uitsluiting weliswaar een bepaalde duur moeten hebben maar dat zij een algemeen karakter kunnen hebben en dus niet geval per geval moeten worden genomen. 5.2. Voorts betoogt de verwerende partij dat in artikel 57, lid 4 en lid 7, van richtlijn 2014/24/EU geen overtuigende tekstuele argumenten voor het standpunt in het auditoraatsverslag kunnen worden gevonden, veeleer sterke aanwijzingen voor het tegendeel. Vooreerst wordt gewag gemaakt van “de uitsluiting” en niet van meerdere uitsluitingen, zodat een beslissing tot uitsluiting waarbij de duurtijd ervan in een initiële, algemene beslissing wordt vastgesteld, voor de hand liggend is. Dat blijkt ook uit het vervolg van artikel 57, lid 7, waaruit de verwerende partij afleidt dat ingeval de duur van de uitsluiting niet is vastgesteld in een onherroepelijk vonnis, “er door de aanbesteder een beslissing [lijkt] te moeten worden genomen die de duurtijd van de uitsluiting op drie jaar kan bepalen ‘na de datum van de betrokken gebeurtenis’”. Bovendien wordt in die bepaling gesteld dat de duur van de uitsluitingsperiode “niet langer” mag zijn “dan drie jaren na de datum van de betrokken gebeurtenis in de gevallen bedoeld in lid 4”, wat impliceert dat er een beoordeling van de duurtijd door de aanbesteder is of kan zijn. Een initieel oordeel in de vorm van een algemene beslissing, waarbij algemeen de duurtijd van de uitsluiting wordt vastgesteld, wordt bijgevolg in het geheel niet uitgesloten maar eerder verondersteld. 5.3. De verwerende partij merkt nog op dat het Hof van Justitie in de aangehaalde arresten Vossloh Laeis GmbH en Meca Sprl uitsluitend artikel 57, lid 4, van richtlijn 2014/24/EU, dat het heeft over “deelname aan een aanbestedingsprocedure” heeft geciteerd, doch niet ingaat op de impact van XII-8780-5/13 artikel 57, lid 7, van de richtlijn op de toepassing van artikel 57, lid 4. De verwerende partij kan dan ook de interpretatie of draagwijdte die in het auditoraatsverslag aan die rechtspraak wordt gegeven, niet bijvallen. Ook de omstandigheid dat artikel 48 van het koninklijk besluit ‘algemene uitvoeringsregels overheidsopdrachten’ een aanbesteder toelaat te beslissen dat een in gebreke blijvende aannemer voor een duurtijd van drie jaar van deelname aan zijn opdrachten dient te worden uitgesloten, belet volgens de verwerende partij niet dat die beslissing ook in het kader van artikel 69 van de wet overheidsopdrachten 2016 kan worden genomen. Zij wijst erop dat het voormelde artikel 48 uitdrukkelijk verwijst naar artikel 69, tweede lid, van de wet overheidsopdrachten 2016. Er anders over oordelen zou betekenen dat een aanbesteder die geen voorafgaande contractuele verhoudingen heeft met een aannemer geen dergelijke, afzonderlijke algemene beslissing zou kunnen nemen. Die aanbesteder zou, ingevolge een specifieke keuze van de Belgische wetgever, opdracht per opdracht een uitsluiting moeten uitspreken, en telkens moeten nagaan of die beslissing geen betrekking heeft op feiten die in de tijd meer dan drie jaar teruggaan. De situatie in de precontractuele sfeer of context zou aldus anders behandeld worden dan eenzelfde situatie in de contractuele sfeer of context, terwijl het niet duidelijk is waarop die onderscheiden behandeling van twee categorieën van aanbestedende overheden zou zijn gesteund. Ten slotte stelt de verwerende partij dat arrest nr. 245.220 van 23 juli 2019, inzake de nv APC Leidingen, te dezen niet relevant is, nu dit betrekking heeft op een specifiek geschil van een aannemer voor één welbepaalde opdracht. Te dezen dient eerder toepassing te worden gemaakt van de leer van arrest nr. 185.410 van 15 juli 2008, inzake de nv Carlo Van Steenkiste-Mylle, waarin de Raad impliciet oordeelde dat het toenmalige artikel 17, 4°, van het koninklijk besluit van 10 januari 1996 een dergelijke algemene uitsluitingsbeslissing kon wettigen. Beoordeling XII-8780-6/13 6. Artikel 69 van de wet overheidsopdrachten 2016 luidt: “Tenzij in het geval waarbij de kandidaat of inschrijver, overeenkomstig artikel 70, aantoont toereikende maatregelen te hebben genomen om zijn betrouwbaarheid aan te tonen, kan de aanbestedende overheid, in elk stadium van de plaatsingsprocedure, een kandidaat of inschrijver van deelname aan deze procedure uitsluiten, in de volgende gevallen: […] 3° wanneer de aanbestedende overheid kan aantonen, met elk passend middel, dat de kandidaat of inschrijver in de uitoefening van zijn beroep een ernstige fout heeft begaan, waardoor zijn integriteit in twijfel kan worden getrokken; […] 7° wanneer de kandidaat of inschrijver blijk heeft gegeven van aanzienlijke of voortdurende tekortkomingen bij de uitvoering van een wezenlijk voorschrift tijdens een eerdere overheidsopdracht, een eerdere opdracht met een aanbesteder of een eerdere concessieovereenkomst en dit geleid heeft tot het nemen van ambtshalve maatregelen, schadevergoedingen of andere vergelijkbare sancties; […]. De in het eerste lid bedoelde uitsluitingen van deelname aan overheidsopdrachten gelden slechts voor een periode van drie jaar vanaf de datum van de betrokken gebeurtenis of, wanneer het een voortdurende inbreuk betreft, vanaf de beëindiging van de inbreuk. […]” Artikel 69 vormt de omzetting in het interne recht van artikel 57 van richtlijn 2014/24/EU, met als opschrift ‘Uitsluitingsgronden’, dat bepaalt: “[...] 4. De aanbestedende diensten kunnen elke ondernemer van deelname aan een aanbestedingsprocedure uitsluiten, of daartoe door de lidstaten worden verplicht, indien voldaan is aan één van de volgende voorwaarden: [...]

  1. c)wanneer de aanbestedende dienst op enige passende wijze aannemelijk kan maken dat de ondernemer in de uitoefening van zijn beroep een ernstige fout heeft begaan, waardoor zijn integriteit in twijfel kan worden getrokken; […]
  2. g)wanneer de ondernemer blijk heeft gegeven van aanzienlijke of voortdurende tekortkomingen bij de uitvoering van een wezenlijk XII-8780-7/13 voorschrift tijdens een eerdere overheidsopdracht, een eerdere opdracht met een aanbestedende dienst of een eerdere concessieovereenkomst en dit geleid heeft tot vroegtijdige beëindiging van die eerdere opdracht, schadevergoeding of andere vergelijkbare sancties; […] 7. De lidstaten bepalen bij wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen en met inachtneming van het Unierecht de voorwaarden voor de toepassing van dit artikel. Zij bepalen met name de maximumduur van de uitsluiting als de ondernemer geen in lid 6 omschreven maatregelen heeft getroffen om zijn betrouwbaarheid aan te tonen. Wanneer de duur van de uitsluiting niet is vastgesteld bij onherroepelijk vonnis, mag deze niet langer zijn dan vijf jaar vanaf de datum van de veroordeling bij onherroepelijk vonnis in de gevallen bedoeld in lid 1, en drie jaar na de datum van de betrokken gebeurtenis in de gevallen bedoeld in lid 4.” Artikel 48 van het koninklijk besluit ‘algemene uitvoeringsregels overheidsopdrachten’ luidt: “Onverminderd de in artikel 70 van de wet bedoelde mogelijkheid om corrigerende maatregelen te laten gelden en de in dit besluit bedoelde sancties, kan de in gebreke gebleven opdrachtnemer door de aanbesteder voor een periode van drie jaar van deelname aan haar opdrachten worden uitgesloten, meer bepaald wanneer hij blijk heeft gegeven van een aanzienlijke of voortdurende tekortkoming bij de toepassing van een wezenlijk voorschrift in de loop van de uitvoering van de opdracht, dan wel wanneer de opdrachtnemer de bepalingen van artikel 5, § 1, tweede lid, van de wet of van artikel 10 van de wet defensie en veiligheid, al naargelang, niet heeft geëerbiedigd. De betrokkene wordt vooraf gehoord om zich te verdedigen en de gemotiveerde beslissing wordt hem betekend. In de schorsingsbeslissing moet verwezen worden naar het onderhavig artikel. De periode van uitsluiting bedraagt drie jaar. Voor de berekening van de termijn van drie jaar is artikel 69, tweede lid, van de wet van toepassing. De in onderhavige bepaling vermelde sanctie is van toepassing onverminderd de in artikel 19 van de wet van 20 maart 1991 houdende regeling van de erkenning van aannemers van werken bedoelde sancties. De in onderhavige bepaling vermelde sanctie moet aanzien worden als een ‘vergelijkbare sanctie’ in de zin van artikel 69, tweede lid, 7°, van de wet.” 7. De Raad van State stelt met de auditeur vast dat artikel 69, eerste lid, van de wet overheidsopdrachten 2016 voorziet in de mogelijkheid voor de aanbestedende overheid om “in elk stadium van de plaatsingsprocedure” een XII-8780-8/13 inschrijver onder bepaalde voorwaarden uit te sluiten van “deelname aan deze procedure”, onder meer in het geval van een ernstige beroepsfout (artikel 69, eerste lid, 3°), dat hier aan de orde is. Overigens maakt deze bepaling deel uit van hoofdstuk 4, ‘Verloop van de procedure’, en heeft zij dus betrekking op het verloop van de gunningsprocedure bij een specifieke opdracht. De bewoordingen van artikel 57, lid 4, van richtlijn 2014/24/EU spreken eveneens van een uitsluiting van deelname “aan een aanbestedingsprocedure”. De omstandigheid dat in punt 5.9 van de aangehaalde mededeling van de Europese Commissie, die betrekking heeft op “instrumenten ter bestrijding van collusie bij overheidsopdrachten”, wordt gesteld dat de richtlijn zich niet ertegen verzet dat de lidstaten bepalen dat een uitsluiting voor een bepaalde duur krachtens artikel 57, lid 7, kan worden opgelegd door een aanbestedende dienst met betrekking tot zijn eigen toekomstige gunnings- procedures, verandert daaraan niets. Van de mogelijkheid die de betrokken bepaling biedt, is immers niet op die wijze en met betrekking tot de uitsluitingsgrond zoals die welke thans in het geding is, door de Belgische wetgever gebruik gemaakt. De verwerende partij leidt ten onrechte uit artikel 57, lid 7, volgens hetwelk de lidstaten de maximumduur van de uitsluiting bepalen, de mogelijkheid af van “een beoordeling van de duurtijd door de aanbesteder”. 8. Artikel 69, tweede lid, van de wet overheidsopdrachten 2016 bepaalt, ter uitvoering van artikel 57, lid 7, van de richtlijn, de maximale termijn waarin de in het eerste lid bedoelde uitsluitingsgronden gelden en vanaf welk ogenblik deze dient te worden berekend. Aldus kan de aanbestedende overheid de inschrijver uitsluiten van een specifieke opdracht op grond van een ernstige beroepsfout voor zover die werd begaan –in geval van een eenmalige gebeurtenis– of werd beëindigd –in geval van een voortdurende inbreuk– binnen de drie jaar voorafgaand aan de beslissing tot uitsluiting. XII-8780-9/13 Uit die bepaling kan niet worden afgeleid dat een aanbestedende overheid, buiten het kader van een lopende procedure voor een specifieke overheidsopdracht, een inschrijver op grond van een ernstige beroepsfout op algemene wijze zou kunnen uitsluiten van deelname aan al haar toekomstige opdrachten gedurende een periode van drie jaar. Een dergelijke interpretatie komt overigens in strijd met het evenredigheidsbeginsel, aangezien bij een algemene beslissing van uitsluiting voor een periode van drie jaar de aanbestedende overheid niet op voorhand weet hoeveel en welke opdrachten (aard en omvang) zij gedurende die periode nog zal uitschrijven en zij bijgevolg de verhouding van de ernst van de beroepsfout tot de zwaarte van de sanctie van de uitsluiting niet kan inschatten. Bovendien dient een ondernemer, ter uitvoering van artikel 70 van de wet overheidsopdrachten 2016, de kans te krijgen om te bewijzen dat hij inmiddels corrigerende maatregelen heeft genomen en dat die voldoende zijn om zijn betrouwbaarheid aan te tonen. 9. Artikel 48 van het koninklijk besluit ‘algemene uitvoerings- regels overheidsopdrachten’ voorziet wel in de mogelijkheid voor de aanbesteder om een in gebreke gebleven opdrachtnemer voor een periode van drie jaar “van deelname aan haar opdrachten” uit te sluiten, namelijk “wanneer hij blijk heeft gegeven van een aanzienlijke of voortdurende tekortkoming bij de toepassing van een wezenlijk voorschrift in de loop van de uitvoering van de opdracht”. De verwerende partij voert in haar laatste memorie aan dat een dergelijke algemene beslissing ook in het kader van artikel 69 van de wet overheidsopdrachten 2016 moet kunnen worden genomen, zo niet worden twee categorieën van aanbestedende overheden ten aanzien van eenzelfde situatie verschillend behandeld, namelijk de overheden die met de tekortschietende ondernemer een contractuele verhouding hebben (“contractuele” context), enerzijds, en de overheden die met een dergelijke aannemer geen contractuele verhouding hebben (“precontractuele” context), anderzijds. Volgens de verwe- rende partij blijkt niet waarop die onderscheiden behandeling zou zijn gesteund. XII-8780-10/13 Dit argument kan niet worden bijgevallen. De verwerende partij heeft blijkens de bestreden beslissing, die is genomen in een “precontractuele” context, de vastgestelde inbreuken op de besteksbepalingen in het kader van een vorige opdracht gekwalificeerd als een ernstige beroepsfout in de zin van artikel 69, eerste lid, 3°, van de wet overheidsopdrachten 2016 en niet als “aanzienlijke of voortdurende tekortkomingen bij de uitvoering van een wezenlijk voorschrift tijdens een eerdere overheidsopdracht […][die] geleid [hebben] tot het nemen van ambtshalve maatregelen […]” in de zin van artikel 69, eerste lid, 7°, van dezelfde wet. Enkel in de laatstgenoemde situatie kan overeenkomstig voornoemd artikel 48, in een “contractuele” context, de meer ingrijpende sanctie van een algemene uitsluiting worden opgelegd. Anders dan de verwerende partij betoogt, is er te dezen bijgevolg geen sprake van eenzelfde situatie waarin twee categorieën van aanbestedende overheden verschillend worden behandeld. 10. De verwerende partij verwijst nog naar arrest nr. 185.410 van 15 juli 2008, inzake de nv Carlo Van Steenkiste-Mylle. In de zaak die aanleiding heeft gegeven tot dat arrest was de betrokken aannemer wegens een ernstige beroepsfout voor een duurtijd van zes maanden geschrapt uit de lijst van geselecteerde aannemers. Gelet op de verschillende juridische en feitelijke context doet dat arrest geen afbreuk aan de voorgaande beoordeling. 11. Het ambtshalve ingeroepen middel is gegrond. Dit middel leidt tot een ruimere vernietiging dan de in het verzoekschrift aangevoerde middelen, zodat deze niet nader worden onderzocht. V. Kosten 12. De kosten dienen ten laste van de verwerende partij te worden gelegd. XII-8780-11/13 Deze kosten omvatten het rolrecht van 200 euro per verzoekende partij en, overeenkomstig artikel 66, 6°, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’, de bijdrage van 20 euro bedoeld in artikel 4, § 4, van de wet van 19 maart 2017 tot oprichting van een Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand. Bij arrest nr. 22/2020 van 13 februari 2020 heeft het Grondwettelijk Hof evenwel in het kader van het beroep tot vernietiging van de wet van 19 maart 2017 ‘tot oprichting van een Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand’ en van de wet van 26 april 2017 ‘houdende de regeling van de oprichting van een Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand voor wat de Raad van State en de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen betreft’, de woorden “per verzoekende partij” vernietigd in artikel 4, § 4, eerste en derde lid, van de wet van 19 maart 2017, zoals het is ingevoegd bij artikel 2 van de wet van 26 april 2017. Bijgevolg is er, op grond van het erga omnes karakter en de retroactieve werking van het voormelde arrest, aanleiding om de terugbetaling te bevelen van de ten onrechte betaalde bedrage. BESLISSING 1. De Raad van State vernietigt de beslissing van de cv Vlaamse maatschappij voor watervoorziening van 7 juni 2019 om de bv De Cock & Partners en de bv Verbruggen, samen vormend een tijdelijke maatschap, uit te sluiten van toekomstige door haar uitgeschreven overheidsopdrachten en dit voor een periode van drie jaar, met aanvang op 31 januari 2019. 2. De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 400 euro, een bijdrage van XII-8780-12/13 20 euro, en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verzoekende partijen. De ten onrechte betaalde bijdrage ten bedrage van 20 euro dient aan de verzoekende partijen te worden terugbetaald. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van achtentwintig juni tweeduizend tweeëntwintig, door de Raad van State, XIIe kamer, samengesteld uit: Paul Lemmens, kamervoorzitter, Peter Sourbron, staatsraad, Patricia De Somere, staatsraad, bijgestaan door Silja Doms, griffier. De griffier De voorzitter Silja Doms Paul Lemmens XII-8780-13/13 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.254.131 Gerelateerde publicatie(
  3. s)voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.252.092 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.