id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 28 juni 2022 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.254.132 Rolnummer: A. 228993/XIV-38142 Zaak: Arrest 254132 - Federale en lokale politie – Aanwerving en loopbaan - 28/06/2022 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2022-07-12 Raadplegingen: 68 - laatst gezien 2026-06-10 07:09 Fiche Arrest nr 254.132 van 28 juni 2022 Openbaar ambt - Federale en lokale politie – Aanwerving en loopbaan Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK XIVe KAMER nr. 254.132 van 28 juni 2022 in de zaak A. 228.993/XIV-38.142 In zake : Bart DE NUL bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Dimitri Dedecker en Rob Trips kantoor houdend te 8000 Brugge Maria Van Bourgondiëlaan 33/A bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken die woonplaats kiest bij de Federale Politie DGR/JUR gevestigd te 1050 Brussel Kroonlaan 145A -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 30 augustus 2019, strekt tot de nietigverklaring van “[d]e beslissing van de algemene directie Federale gerechtelijke politie van de Federale Politie, in naam van de Directeur-generaal a.i., HCP Eric Snoeck, dd. 05/07/2019, tot weigering van de kandidaatstelling door eerste hoofdinspecteur Bart De Nul voor detacheringsaanbieding n° Fed/Loc – 339, betekend aan verzoeker op 16/072019, en drager van het uitgiftenummer DGJ/PLIF/P/2019/5819.”. II. Verloop van de rechtspleging 2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. XIV-38.142-1/13 Eerste auditeur Geert De Bleckere heeft een verslag opgesteld. Verzoeker heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 20 april 2022 om 14.00 uur. Staatsraad Kaat Leus heeft verslag uitgebracht. Advocaat Thomas Verstraete, die loco advocaten Rob Trips en Dimitri Dedecker verschijnt voor verzoeker en adviseur Jana Mouton, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Geert De Bleeckere heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3.1. Verzoeker is hoofdinspecteur van politie bij de Federale Gerechtelijke Politie Antwerpen. 3.2. Op 29 april 2019 maakt de directie van het Personeel van de Federale Politie, een “aanbieding tot detachering” bekend (onder referte “Nr. Fed/Lok-336”). Het betreft de “detachering van personeelsleden van het Operationeel kader (HINP of INP) van de Geïntegreerde Politie naar BelPIU (Belgische Passagiers Informatie Eenheid)”. XIV-38.142-2/13 BelPIU is een eenheid opgericht bij artikel 12 van de wet van 25 december 2016 ‘betreffende de verwerking van passagiersgegevens’ (hierna: de wet van 25 december 2016) binnen de FOD Binnenlandse Zaken. Naast een leidend ambtenaar is die eenheid samengesteld uit onder meer personeelsleden van de geïntegreerde politiedienst die worden gedetacheerd (artikel 14). Deze wet wordt verder uitgevoerd door het koninklijk besluit van 21 december 2017 ‘ter uitvoering van de wet van 25 december 2016 betreffende de verwerking van passagiersgegevens, houdende diverse bepalingen betreffende de Passagiersinformatie-eenheid en de functionaris voor de gegevensbescherming’ (hierna: het koninklijk besluit van 21 december 2017). In de “aanbieding tot detachering” van 29 april 2019 wordt verder verduidelijkt dat het drie bedieningen van INP of HINP betreft, en dat het om een “structurele detachering” gaat. Onder “administratieve voorwaarden” wordt het volgende bepaald: “- Deel uitmaken van de Federale Politie of van de Lokale Politie; - Bekleed zijn met de graad vereist voor de functie: HINP of INP; - GEEN evaluatie met eindvermelding “onvoldoende” hebben. De bevoegde hiërarchische overheid zal, in voorkomend geval, bevestigen dat de kandidaat aan de administratieve voorwaarden beantwoord. Belangrijke opmerking: de kandidatuur is enkel ontvankelijk mits akkoord van de Korpschef/Commissaris-generaal/betrokken Directeur-generaal.” 3.3. Verzoeker meldt zich kandidaat voor deze detachering via het formulier dat als bijlage bij de bekendmaking van de “aanbieding tot detachering” is gevoegd. Verzoekers leidinggevende, Dir Jud. Antwerpen, adviseert deze kandidatuur op 16 mei 2019 “ongunstig” op grond van de overweging dat “FGP Antwerpen met een ernstig personeelstekort [kampt], elke detachering out verhoogt dit deficit.” XIV-38.142-3/13 De directeur-generaal van de Federale Gerechtelijke Politie sluit zich hier op 28 mei 2019 bij aan en beslist dat hij niet kan instemmen met verzoekers kandidatuur. 3.4. Op 11 juni 2019 wordt, onder referte “Nr. Fed/Lok-339” een nieuwe “aanbieding tot detachering” naar BelPIU bekendgemaakt. Er wordt verduidelijkt dat het één bediening van HINP of INP betreft. Verzoeker is opnieuw kandidaat voor deze detachering. Zijn leidinggevende, Dir Jud Antwerpen, adviseert deze kandidatuur op 2 juli 2019 opnieuw “ongunstig” omdat “FGP Antwerpen met een (
- te)zwaar personeelstekort [kampt]. Dit advies dient te worden gelezen los van de bekwaamheden van de kandidaat waaraan dit ongunstig advies zeker geen afbreuk wil doen.” De directeur-generaal van de Federale Gerechtelijke Politie sluit zich hier op 5 juli 2019 bij aan en beslist dat hij niet kan instemmen met verzoekers kandidaatstelling. Dit is de bestreden beslissing. IV. Onderzoek van het enig middel Uiteenzetting van het middel 4. In het enig middel van zijn verzoekschrift voert verzoeker een schending aan “van de motiveringsplicht”. Door louter te verwijzen naar een “(
- te)zwaar personeelstekort” wordt geen rekening gehouden met de concrete omstandigheden waarin verzoeker verkeert en biedt men hem geen enkel toekomstperspectief aangaande het verwezenlijken van zijn voorgenomen detachering. Met verwijzing naar de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen’ en de “materiële motiveringsplicht” stelt verzoeker dat de bestreden beslissing “onvoldoende [wordt] gemotiveerd”. Volgens verzoeker is er een “gebrekkige XIV-38.142-4/13 binding tussen de beslissing en de feiten die als grondslag dienen”. Hij wijst erop dat het personeelsgebrek binnen de Federale Politie al jaren aanhoudt, ondanks eerdere beloften van de betrokken ministers. Hij verwijst daartoe naar de mandaatbrief van de gerechtelijke directeur (Dir Jud) Antwerpen 2014-2019 en naar het Nationaal Veiligheidsplan 2016-2019. Ook de ‘Algemene beleidsnota veiligheid en Binnenlandse Zaken’ van de Kamer van Volksvertegenwoordigers van 18 oktober 2017 beklemtoont de operationalisering van BelPIU via detachering, ook vanuit de politie. Verzoeker ziet dan ook geen grond in de algemene argumentatie van de overheid om zijn detacheringsaanvraag te weigeren. Hoewel men beleidsmatig aangeeft personeelstekorten te zullen wegwerken en diensten ter bestrijding van terrorisme (waaronder de dienst BelPIU hoort) prioritair te zullen bevolken, ziet verzoeker zich onheus behandeld door de bestreden wegeringsbeslissing, “louter gebaseerd op een op algemene wijze omschreven capaciteitsgebrek. Verzoeker onderkent hierin dat men duidelijk prioriteit wil geven aan de bestrijding van terrorisme en dat de dienst BelPIU onder die noemer thuis hoort. Verzoeker voert voorts aan dat de bestreden beslissing niet berust op de juiste feitelijke gegevens. De bestreden beslissing is niet geïndividualiseerd: verzoeker behoort als HINP tot het middenkader en dit kader blijkt niet zozeer deficitair te zijn. Hij verwijst daartoe vooreerst naar het verslag van het BOC van de Federale Politie Antwerpen van 27 april 2017 waaruit blijkt dat de DirJud zelf heeft bevestigd “geen HINP terro” nodig te hebben. Hieruit blijkt dat het middenkader (HINP) niet deficitair is, minstens dat dit niet de reden kan zijn voor het ongunstig advies over verzoekers kandidatuur. Uit het personeelsoverzicht binnen FGP Antwerpen blijkt verder dat overeenkomstig “OT3” er 80 HINP ‘bijzondere specialisatie’ en 109 (gewone) HINP zijn voorzien en dat er “effectief” 80 HINP ‘bijzondere specialisatie’ en 104 (gewone) HINP zijn. De reden van het personeelstekort wordt niet gemotiveerd, specifiek naar het operationeel kader waartoe verzoeker behoort. Verzoeker wijst er verder op dat overeenkomstig artikel 96 van de wet van 7 december 1998 ‘tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus’ (hierna: de wet van 7 december 1998) en het koninklijk besluit van 26 maart 2005 ‘tot regeling van de structurele detacheringen van personeelsleden van de politiediensten en van XIV-38.142-5/13 soortgelijke toestanden en tot invoering van verschillende maatregelen’ (hierna: het koninklijk besluit van 26 maart 2005) de overheid de mogelijkheid heeft om nieuwe aanwervingen te verrichten voor het personeelslid dat op basis van artikel 96 structureel werd gedetacheerd. De detachering van verzoeker sorteert dus geen effecten op de personeelsbezetting van het middenkader van de FGP Antwerpen. Verzoeker meent nog dat dit alles impliceert “niet alleen dat leden van de Federale eenheden niet zouden kunnen postuleren voor betrekkingen binnen de mobiliteitscyclus, maar ook dat leden van de lokale politiezones (die niet-deficitair zijn) dit wel zouden kunnen en creëert bijgevolg een niet-geoorloofde statutaire ongelijkheid”. Dit betekent te dezen nog dat, op basis van een loutere verwijzing naar een structureel personeelstekort, geen enkele detachering vanuit de FGP Antwerpen naar een externe entiteit mogelijk zou zijn, wat ingaat tegen de “verduidelijkte principes van de mobiliteit, in concreto de structurele detacheringen.” In zijn memorie van wederantwoord herneemt verzoeker zijn eerdere uiteenzetting in het verzoekschrift. Hij stelt nog dat in de mate de verwerende partij “laat uitschijnen dat verzoeker een aanvraag via de mobiliteitscyclus van de geïntegreerde politie dient te doen i.p.v. een aanvraag tot detachering naar BelPIU”, de verwerende partij zou moeten weten dat dergelijke oproepen tot kandidaatstelling voor structurele detacheringen altijd gepubliceerd worden buiten een reguliere mobiliteitscyclus. Verzoeker kan zich niet kandidaat stellen voor enige betrekking te begeven bij mobiliteit naar BeIPlU, anders had verzoeker zich hiervoor uiteraard ingeschreven. Hij benadrukt dat hij een schending aanvoert van zowel de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 als van de materiële motiveringsplicht. Daar de wetgever eist dat de formele motivering afdoende moet zijn, “zijn de materiële en de formele motiveringsplicht verweven met elkaar”. De verwerende partij slaagt er nog steeds niet in om de motivering van de overheid op afdoende wijze te staven. Verzoeker beklemtoont dat hij voldoet aan de objectief toetsbare administratieve vereisten, hoewel de overheid deze niet in haar motivering betrekt. De verwerende partij gaat enkel in op de zogenaamde “belangrijke opmerking” in de administratieve voorwaarden. XIV-38.142-6/13 Verzoeker gaat er van uit dat deze niet-aftoetsbare voorwaarde van “akkoord” nergens vooraf werd veruitwendigd zodat hij ook niet kon weten wat ermee wordt bedoeld. Het betreft “een volstrekt arbitraire voorwaarde”. Zoals eerder gesteld, adviseerde de gerechtelijk directeur te Antwerpen beide aanvragen van verzoeker negatief telkens met verwijzing naar een ernstig personeelstekort. Zulk advies is niet conform de “administratieve voorwaarden” van de aanbiedingen tot detachering. Verzoeker voldoet daaraan. In plaats van zich te baseren op de administratieve voorwaarden, introduceert de gerechtelijk directeur hier plots een personeelstekort als maatstaf zodat een schending van het beginsel ‘patere legem quam ipse fecisti’ voorligt wat hij verder toelicht. Hij stelt nog dat de directeur-generaal a.i. de van de Federale Gerechtelijke Politie in zijn advies van 5 juli 2019 enkel verwijst naar het door de gerechtelijk directeur aangehaalde argument van personeelsgebrek, zodat het voor verzoeker onmogelijk is om uit te maken of de overheid uitgegaan is van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan binnen de perken van de redelijkheid tot haar besluit is kunnen komen. Aangezien de hiërarchische verantwoordelijke van verzoeker - de gerechtelijk directeur (“Dirjud”) te Antwerpen - zich niet hield aan de bevestiging dat verzoeker aan de administratieve voorwaarden voldeed, maar plots een niet-weergegeven criterium van personeelsgebrek vermeldt en aangezien de directeur-generaal dit criterium zonder meer overneemt in zijn advies “toont aan dat de overheid op die basis geen grond heeft tot weigering van de door verzoeker geambieerde detachering naar BelPIU.”. Hij herhaalt dat, enerzijds, de aanbieding tot detachering open staat voor alle leden van de lokale en/of de Federale politie die aan de gestelde voorwaarden voldoen en, anderzijds, lijnrecht wordt ingegaan tegen de basisfilosofie van een geïntegreerde politie, gestructureerd op twee niveaus. De weigeringsbeslissing is dan ook kennelijk onredelijk. Los van enige discretionaire bevoegdheid in de organisatie van haar interne personeelsbezetting, kan de verwerende partij niet aannemelijk maken dat het middenkader - waarvan de overheid zelf stelt dat het niet deficitair is - moet instaan voor de tekorten bij het basiskader. Aansluitend hierop kan men zich “dan ook de stelling eigen maken dat niet alleen het middenkader, maar zeker ook het officierenkader -waarbij een groot surplus blijkt- XIV-38.142-7/13 evenzeer de negatieve gevolgen van de onderbezetting van het basiskader zou kunnen opvangen”. De verwerende partij kan voorts bezwaarlijk blijven uitgaan van een chronisch deficit. Zij heeft de verplichting om te blijven investeren in de nodige aanvullingen van het basiskader door middel van plaatsaanbiedingen of affectaties. Wanneer zij verzuimt dat te doen, geeft dit haar financiële ruimte op de niet-aangewende loonmassa zodat een structurele detachering, voor zover al niet mogelijk binnen de beleidsvrije ruimte, geen extra financiële belasting oplevert. De stelling dat de Federale Politie de globale loonkost van gedetacheerden ten laste blijft nemen, zoals verwerende partij in haar verweer met verwijzing naar artikel 17 van het koninklijk besluit van 21 december 2017 stelt, is dan ook redundant aangezien de bepalingen inzake loonkost bij structureel gedetacheerden een verplichting inhoudt voor de overheid. Het feit “dat men niet staat te springen om haar personeelsleden te laten vertrekken via een structurele detachering”, zoals in het verweer geopperd, impliceert niet dat er geen detacheringen gebeuren vanuit de FGP Antwerpen, wat verzoeker nog illustreert. Deze aanbiedingen tot detachering berusten op dezelfde grond als de aanvragen van verzoeker en werden ook aangeboden binnen de eenheid van verzoeker, namelijk de FGP Antwerpen. Verzoeker merkt verder op dat deze aanbiedingen ook toegankelijk waren voor onder meer inspecteurs van de FGP Antwerpen (basiskader) waarover de verwerende partij nochtans zelf opmerkt dat het basiskader (het grootste kader binnen de FGP Antwerpen) “zeer zwaar deficitair [is]”. In zijn laatste memorie “volhardt” verzoeker in het middel. Beoordeling 5. Het auditoraat besluit tot de ongegrondheid van het enig middel op grond van de volgende overwegingen: “1.3.1. In het middel voert de verzoeker in essentie aan dat de bestreden beslissing de formele en materiële motiveringsplicht schendt doordat ze louter gebaseerd wordt op de vaststelling dat er bij de FGP Antwerpen ‘een (
- te)zwaar personeelstekort is’,
(1)terwijl dit geen argument kan zijn nu beleidsmatig reeds jaren aangekondigd wordt dat dit personeelstekort zal weggewerkt worden en nu XIV-38.142-8/13 de te begeven betrekking zich situeert in de terrorismebestrijding waaraan het beleid stelt prioriteit te willen geven,
(2)en terwijl dit argument feitelijk onjuist is, minstens niet voldoende op de concrete situatie van de verzoeker betrokken wordt nu hij tot het middenkader behoort en er in dit kader geen of nauwelijks een personeelsdeficit is,
(3)en terwijl de detachering van verzoeker geen effecten op de personeelsbezetting sorteert nu de overheid op grond van artikel 96 WGP en het KB van 26 maart 2005 de mogelijkheid heeft om nieuwe aanwervingen te verrichten in geval van de hier bedoelde detachering (waarbij hij ook verwijst naar de mobiliteitsregels). In fine van het middel geeft de verzoeker het nog een bijkomende wending door te stellen dat de bestreden beslissing een niet geoorloofde statutaire ongelijkheid creëert in vergelijking met de personeelsleden van de lokale politiezones die niet deficitair zijn. In zijn memorie van wederantwoord geeft de verzoeker nog aan dat het personeelstekort “een volstrekt arbitraire voorwaarde” is en zet hij ook nog uiteen dat hij op grond van de formulering van de bestreden beslissing niet kan uitmaken of de overheid uitgegaan is van de juiste feitelijke gegevens en of zij deze correct heeft beoordeeld. Ook brengt hij gegevens bij over detacheringen van personeelsleden van FGP Antwerpen in 2018. 1.3.2 Vooreerst kan de verwerende partij niet bijgevallen worden waar zij in haar memorie van antwoord stelt dat de verzoeker blijkbaar alleen beoogt de schending van de materiële motiveringsplicht aan te voeren. Weliswaar wordt het middel aangekondigd als de schending van ‘de motiveringsplicht’, maar in het middel zoals uiteengezet wordt ook uitdrukkelijk verwezen naar de plicht tot afdoende motivering zoals die voortvloeit uit de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen. Het middel dient derhalve onderzocht te worden, vanuit het oogpunt van zowel de formele motiveringsplicht, als de materiële motiveringsplicht. 1.3.3 In zoverre de verzoeker de formele en materiële motiveringsplicht geschonden acht doordat het opgegeven motief niet strookt met de beleidsmatige aankondigingen: De artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 verplichten de administratieve overheid in de akte de juridische en feitelijke overwegingen op te nemen die aan de beslissing ten grondslag liggen, en dat op “afdoende” wijze. Het afdoend karakter van de motivering betekent dat de motivering pertinent moet zijn, dit wil zeggen dat ze duidelijk met de beslissing te maken moet hebben, en dat ze draagkrachtig moet zijn, dit wil zeggen dat de aangehaalde redenen moeten volstaan om de beslissing te dragen. De belangrijkste bestaansreden van de motiveringsplicht, zoals die wordt opgelegd door de voormelde wet van 29 juli 1991, bestaat erin dat de betrokkene in de hem aanbelangende beslissing zelf de motieven moet kunnen aantreffen op grond waarvan ze werd genomen, opdat de betrokkene met kennis van zaken zou kunnen uitmaken of het aangewezen is de beslissing met een annulatieberoep te bestrijden (vaste rechtspraak, o.a. RvS, 20 april 2017, nr. 237.958). De Raad heeft ook reeds geoordeeld dat een weigeringsbeslissing, om aan de formele motiveringswet te voldoen, zich ertoe kan beperken één reden aan te geven ter verantwoording van de weigering, als dat motief afdoende is in de zin van de wet van 29 juli 1991 (RvS, 17 september 2001, nr. 98.887). De materiële motiveringsplicht houdt in dat iedere administratieve rechtshandeling moet steunen op motieven waarvan het feitelijk bestaan naar behoren is bewezen en die in rechte ter verantwoording van die handeling in aanmerking kunnen worden genomen (vaste rechtspraak, o.a. RvS, 2 juli 2018, nr. 242.046). XIV-38.142-9/13 De verzoeker acht hier het motief van het (
- te)zwaar personeelstekort niet afdoende/deugdelijk omdat het niet strookt met het beleid zoals het aangekondigd werd. De verzoeker betwist niet dat de Directeur-generaal FGP de kandidaatstelling moest adviseren en dat de kandidaatstelling niet ontvankelijk is als de Directeur-generaal zich daarmee niet akkoord verklaart. De Directeur-generaal beschikt daarbij over een discretionaire bevoegdheid, waarbij de Raad bij de wettigheidscontrole enkel de bevoegdheid heeft om na te gaan of het (
- te)zwaar personeelstekort werkelijk bestaat en als motief kan ingeroepen worden. In zoverre de verzoeker de Raad vraagt dit personeelstekort te toetsen aan het aangekondigde beleid is het middel onontvankelijk vermits de Raad op die manier gevraagd wordt zich uit te spreken over de opportuniteit van de bestreden beslissing en de beleidskeuzes van de overheid, terwijl de Raad enkel bevoegd is om de wettigheid van de bestreden beslissing te beoordelen (vgl. RvS, 29 mei 2008, nr. 183.523; RvS, 4 november 2014, nr. 229.033). 1.3.4 In zoverre de verzoeker de formele en materiële motiveringsplicht geschonden acht doordat het opgegeven motief niet afdoende/deugdelijk is omdat het niet concreet betrokken wordt op het personeelskader waartoe verzoeker behoort: De verzoeker wijst er op dat hij als HINP behoort tot het middenkader en dat dit kader niet deficitair is. Hij verwijst daarbij naar OT3 dat 109 HINP voorziet, terwijl er effectief 104 HINP zijn. Op die grond besluit hij dat het motief van het personeelstekort niet afdoende/deugdelijk is. In zoverre de verzoeker aanvoert dat het middenkader niet deficitair is mist het middel reeds grondslag vermits er ook binnen het middenkader een, weliswaar klein, deficit aan HINP is ( - 5). In haar memorie van antwoord wijst de verwerende partij er verder op dat vooral het basiskader zwaar deficitair is en dat er bij de FGP Antwerpen een structureel personeelstekort is van 30,8 %. Gelet op dit personeelstekort, terwijl de opdrachten van FGP Antwerpen dezelfde blijven, is het evident dat het effectief aanwezig personeel minstens gedeeltelijk ook moet instaan voor het uitvoeren van de opdrachten die door het personeelstekort niet uitgevoerd zouden worden. De Directeur-generaal FGP oordeelt in die context noch kennelijk onjuist, noch kennelijk onredelijk door het personeelstekort bij FGP Antwerpen in zijn geheel in aanmerking te nemen bij zijn besluitvorming. Dat het motief van het personeelstekort enkel zou mogen betrokken worden op het middenkader waar verzoeker deel van uitmaakt is een eigen appreciatie van verzoeker die verschilt van deze van de Directeur-generaal, die over een beoordelingsvrijheid beschikt die slechts begrensd wordt door de redelijkheid. Het is niet kennelijk onredelijk dat de Directeur-generaal het globaal personeelstekort van FGP Antwerpen in aanmerking neemt bij zijn besluitvorming. Dat het motief van het personeelstekort niet afdoende/deugdelijk zou zijn kan bijgevolg niet aangenomen worden. Eén motief kan volstaan om een beslissing te verantwoorden indien het draagkrachtig is. In zoverre uit het middel ook moet begrepen worden dat verzoeker meent dat de Directeur-generaal ook zou moeten motiveren waarom het personeelstekort een reden is om de kandidaatstelling te weigeren, vraagt hij naar de motieven van de motieven. Volgens de vaste rechtspraak van de Raad verplicht de formele motiveringsplicht de overheid er niet toe de motieven van haar motieven te veruitwendigen (o.a. RvS, 5 mei 2003, nr. 118.960; RvS, 9 maart 2010, nr. 201.768; RvS, 16 januari 2018, nr. 240.425). 1.3.5 In zoverre de verzoeker de formele en materiële motiveringsplicht geschonden acht doordat het opgegeven motief niet afdoende/deugdelijk is omdat XIV-38.142-10/13 een detachering geen impact heeft op het personeelsbestand nu een nieuwe aanwerving mogelijk is: De verzoeker is van oordeel dat zijn detachering geen effect heeft op de personeelsbezetting vermits een nieuwe aanwerving mogelijk is op grond van artikel 96 WGP en het KB van 26 maart 2005. Dit standpunt mist juridische grondslag. Artikel 96 WGP bepaalt: ‘Leden van de lokale politie kunnen, voor een éénmaal hernieuwbaar mandaat, worden gedetacheerd in de algemene directies en in de diensten van de federale politie belast met de steun aan de lokale politie, alsook in de andere diensten van de federale politie van wie de bevoegdheden een weerslag hebben op de werking van de lokale politie. De Koning bepaalt, bij een in Ministerraad overlegd besluit, de in het eerste lid bedoelde functies waarin leden van de lokale politie voor leidinggevende functies worden aangewezen, evenals de duur van het mandaat en de nadere regels betreffende de detacheringen bedoeld in dit artikel. De leden van de lokale politie bedoeld in het eerste lid worden door de minister van Binnenlandse Zaken aangewezen na advies van de Vaste Commissie van de lokale politie en van de raad van burgemeesters. Voor de leden van de lokale politie aangewezen bij de algemene directie gerechtelijke politie, wordt het eensluidend advies van de minister van Justitie eveneens ingewonnen. De leden van de lokale politie bedoeld in het eerste lid onderhouden met de Vaste Commissie van de lokale politie en met de raad van de burgemeesters geregelde dienstbetrekkingen aangaande hun aanwending binnen de federale politie.’ Artikel 96 WGP heeft bijgevolg alleen betrekking op detacheringen vanuit de lokale politie naar de federale politie. Weliswaar bepaalt artikel 21, § 1, 7° van het KB van 26 maart 2005 tot regeling van de structurele detacheringen van personeelsleden van de politiediensten en van soortgelijke toestanden en tot invoering van verschillende maatregelen, onder Titel II ‘soortgelijke toestanden’ dat de artikelen 13 tot 19, en 23 tot 28, in voorkomend geval van overeenkomstige toepassing zijn op ‘7° de personeelsleden van de federale politie of van de lokale politie die gedetacheerd zijn naar de Federale Overheidsdienst Binnenlandse Zaken’, maar deze bepalingen (de artikelen 13-19 en 23-28) betreffen enkel de rechtspositie van de gedetacheerde personeelsleden. Zij hebben geen betrekking op de voorwaarden tot detachering. Voor de detachering naar BelPIU gelden enkel de voorwaarden zoals ze opgenomen zijn in het (hoger aangehaalde) het KB van 21 december 2017. Uit dit KB blijkt dat de detachering tijdelijk is en dat bij het beëindigen van de detachering het personeelslid terugkeert naar de dienst van oorsprong (artikelen 20 en 21), en tevens dat die dienst van oorsprong gedurende de detachering de globale loonkost van het gedetacheerde personeelslid blijft ten laste nemen (artikel 17). Dat de detachering van verzoeker geen impact zou hebben op de personeelsbezetting aangezien een nieuwe aanwerving mogelijk zou zijn kan bijgevolg niet aangenomen worden. In zoverre bij dit argument ook voorgehouden wordt dat de structurele detacheringen onderworpen zijn aan de principes inzake mobiliteit is ook dit standpunt niet correct gelet op het tijdelijk karakter van de detachering. 1.3.6 In zoverre de verzoeker kennelijk ook het gelijkheidsbeginsel geschonden acht doordat de bestreden beslissing een niet geoorloofde statutaire ongelijkheid creëert: XIV-38.142-11/13 Dit argument wordt geënt op het uitgangspunt dat de detachering geen impact zou hebben op de personeelsbezetting vermits een nieuwe aanwerving mogelijk zou zijn op grond van artikel 96 WGP en het KB van 26 maart 2005. Zoals hierboven aangetoond is dit uitgangspunt niet correct. 1.3.7 In zoverre de verzoeker in zijn memorie van wederantwoord voor het eerst aanvoert dat het personeelstekort een volstrekt arbitraire voorwaarde is, dat de formulering van de bestreden beslissing ontoereikend is, en dat verwezen wordt naar detacheringen uit 2018, geeft hij het middel een andere bijkomende wending. Deze kritiek is onontvankelijk vermits hij aan het recht op tegenspraak door verwerende partij onttrokken werd.”. 6. Verzoeker betwist deze conclusie niet. Na kennisneming van het verslag van het auditoraat, heeft hij immers niet de gelegenheid benut die een laatste memorie biedt om nog een andere visie op de beoordeling door het auditoraat weer te geven. Hij verzuimt immers om op de bespreking van het middel in het auditoraatsverslag nog inhoudelijk te reageren en beperkt zich ter zake “te volhard[en] in het eerste en enig middel in [zijn] verzoekschrift tot vernietiging en [zijn] memorie van wederantwoord” om vervolgens te besluiten dat “niet voldaan is aan de formele- en de materiële motiveringsplicht”. In die omstandigheden en na een eigen onderzoek, ziet de Raad van State geen reden om het anders te zien dan het auditoraat en bevindt aldus, de redenering van het auditoraatsverslag bijvallend, het enig middel ongegrond. BESLISSING 1. De Raad van State verwerpt het beroep. 2. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro en een bijdrage van 20 euro. XIV-38.142-12/13 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van achtentwintig juni tweeduizend tweeëntwintig, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Geert Debersaques, kamervoorzitter, Carlo Adams, kamervoorzitter, Kaat Leus, staatsraad, bijgestaan door Johan Pas, griffier. De griffier De voorzitter Johan Pas Geert Debersaques XIV-38.142-13/13 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.254.132 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div