← België

Arrest 254165 - Varia (ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu) - 30/06/2022

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 30 juni 2022 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.254.165 Rolnummer: A. 235755/VII-41313 Zaak: Arrest 254165 - Varia (ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu) - 30/06/2022 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2022-07-07 Raadplegingen: 69 - laatst gezien 2026-06-10 07:11 Fiche Arrest nr 254.165 van 30 juni 2022 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Varia (ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER nr. 254.165 van 30 juni 2022 in de zaak A. 235.755/VII-41.313 In zake: de BV QUIRYNEN ENERGY FARMING bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Ilse Cuypers kantoor houdend te 2600 Antwerpen Posthofbrug 6, bus 1 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Willem Slosse en Stijn Brusselmans kantoor houdend te 2018 Antwerpen Mechelsesteenweg 64, bus 201 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering

  1. De vordering, ingesteld op 18 februari 2022, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging van “het besluit van de Vlaamse Minister voor Justitie en Handhaving, Omgeving, Energie en Toerisme van 14 december 2021 tot intrekking van het Ministerieel Besluit van 18 juni 2021 en houdende uitspraak over het administratief beroep, aangetekend tegen het besluit houdende bestuurlijke maatregelen van 9 maart 2021 van Omgevingsinspectie Antwerpen, en houdende de bevestiging van de bestuurlijke maatregelen met als toevoeging de verplichting om de aanwezige eindproducten, afvalstoffen en de inhoud van de vergisters af te voeren en te laten verwerken als een afvalstof die is gecontamineerd met categorie 1-materiaal en niet voldoet aan de samenstellingsvoorwaarden van bijlage 2.3.1 van Vlarema tegen 1 september 2022”. VII-41.313-1/14 II. Verloop van de rechtspleging
  2. De verwerende partij heeft een nota ingediend. Eerste auditeur-afdelingshoofd Peter Provoost heeft op 11 mei 2022 een verslag opgesteld. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 9 juni
  3. Staatsraad Peter Sourbron heeft verslag uitgebracht. Advocaat Ilse Cuypers, die verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Stijn Brusselmans, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Peter Provoost heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  4. III. Feiten 3.
  5. Het bedrijf van de verzoekende partij maakt het voorwerp uit van een strafrechtelijk onderzoek naar mestfraude. Het persbericht dat het openbaar ministerie omtrent dit onderzoek heeft gepubliceerd op 11 februari 2021 luidt: “In beide onderzoeken zijn tot nu aanwijzingen gevonden van grootschalige fraude met mest, onder meer door het uitvoeren van grote aantallen niet-geregistreerde mesttransporten en het manipuleren van analyseresultaten van staalnames van mest. […] Uit de aard van de vermoede misdrijven volgt dat er mogelijk risico’s kunnen bestaan voor het milieu of de volksgezondheid. Daarom werden VII-41.313-2/14 ook de bevoegde bestuurlijke overheden ingelicht, zodat zij eventueel de nodige maatregelen zouden kunnen treffen. Het verdere onderzoek, onder andere door aangestelde deskundigen, zal moeten uitwijzen of deze risico’s zich ook werkelijk hebben voorgedaan. De feiten zijn op dit moment gekwalificeerd als criminele organisatie, valsheid in geschriften, oplichting, inbreuken op het mestdecreet, op het omgevingsvergunningsdecreet, op het decreet algemene bepalingen milieubeleid en op het materialendecreet, inbreuken op de Europese Verordening inzake overbrenging van afvalstoffen en inbreuken op de Europese Verordening inzake dierlijke bijproducten”. 3.
  6. Op 15 februari 2021 verbiedt de Vlaamse Landmaatschappij alle transporten van dierlijke mest of andere meststoffen van of naar de betrokken inrichting, met inbegrip van de bedrijfsinterne transporten. Van dit verbod kan enkel worden afgeweken “na voorafgaande en schriftelijke toestemming van de Mestbank en indien [het transport] geen inbreuk vormt tegen andere [aan het bedrijf opgelegde] maatregelen”. 3.
  7. Met toepassing van artikel 16.7.1 van het decreet van 5 april 1995 ‘houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid’ (hierna: DABM), legt de Omgevingsinspectie vervolgens op 17 februari 2021 een aantal veiligheidsmaatregelen op: “- Wij bevelen u om de aanvoer van afvalstoffen, meststoffen, energiegewassen en andere toevoegstoffen voor de vergistingsinstallatie meteen stop te zetten. - Wij bevelen u om de eindproducten, de afvalstoffen en de inhoud van de vergisters af te voeren en te laten verwerken als een afvalstof [die] is gecontamineerd met categorie l-materiaal en niet voldoet aan de samenstellingsvoorwaarden van bijlage 2.3.1 van VLAREMA. Alle afvoer dient te worden gestaafd aan de hand van de nodige afvoer- en verwerkingsattesten. De verwerker van de afvalstoffen dient te zijn geregistreerd en vergund voor de verwerking van dergelijke afvalstoffen. De afvoer van elke vracht dient minstens 5 dagen op voorhand te worden gemeld aan de afdeling Handhaving met aangifte van het tijdstip van transport en de ontvanger. - Een overzicht van de aanwezige producten met hun hoeveelheden op 11/2/2021 wordt ten laatste voor 20/2/2021 aan de afdeling Handhaving bezorgd”. De opgelegde veiligheidsmaatregelen kunnen worden opgeheven op voorwaarde dat: VII-41.313-3/14 “- De afvalstoffen, de eindproducten en de inhoud van de vergisters zijn afgevoerd als een afvalstof die niet voldoet aan de samenstellingscriteria van bijlage 2.3.1 van VLAREMA die is gecontamineerd met categorie l-materiaal. De afvoer naar- en verwerking van al deze afvalstoffen door een vergunde en geregistreerde inrichting kan worden gestaafd aan de hand van de nodige afvoerbewijzen. Elke afgevoerde vracht werd 5 dagen op voorhand gemeld aan de afdeling handhaving. - Men dient de afdeling handhaving in te lichten indien de vergisters, de opslagplaatsen voor afvalstoffen en de opslagplaatsen voor eindproducten volledig werden geledigd. De afdeling handhaving dient visueel te kunnen vaststellen dat de vergisters, de opslagplaatsen voor afvalstoffen en de opslagplaatsen voor eindproducten volledig werden geledigd. - Er wordt een duidelijke goed afgebakende scheiding voorzien tussen gehygiëniseerd en niet-gehygiëniseerd materiaal”. 3.
  8. Op 19 februari 2021 vordert de verzoekende partij bij uiterst dringende noodzakelijkheid de schorsing van de tenuitvoerlegging van het op 15 februari 2021 opgelegde transportverbod. Bij arrest nr. 249.951 van 2 maart 2021 verwerpt de Raad van State deze vordering. Het annulatieberoep zal later uitmonden in arrest nr. 250.935 van 17 juni 2021 waarbij de Raad van State de afstand van geding uitspreekt. 3.
  9. De verzoekende partij stelt op 19 februari 2021 tevens een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid in tegen het besluit van 17 februari 2021 waarbij veiligheidsmaatregelen worden opgelegd. Met arrest nr. 250.024 van 9 maart 2021 wordt ook deze vordering verworpen. 3.
  10. Op 9 maart 2021 legt de Omgevingsinspectie de volgende bestuurlijke maatregelen op: “- Wij bevelen u om de aanvoer van afvalstoffen, meststoffen, energiegewassen en andere toevoegstoffen voor de vergistingsinstallatie onmiddellijk stop te zetten. - Wij bevelen u om de eindproducten, de afvalstoffen en de inhoud van de vergisters af te voeren en te laten verwerken als een afvalstof die is gecontamineerd met categorie l-materiaal en niet voldoet aan de samenstellingsvoorwaarden van bijlage 2.3.1 van VLAREMA. Alle afvoer dient te worden gestaafd aan de hand van de nodige afvoer- en verwerkingsattesten. De verwerker van de afvalstoffen dient te zijn geregistreerd en vergund voor de verwerking van dergelijke afvalstoffen. De afvoer van elke vracht dient minstens 5 dagen op voorhand te worden VII-41.313-4/14 gemeld aan de afdeling Handhaving met aangifte van het tijdstip van transport en de ontvanger. Het transport dient te worden uitgevoerd door een transporteur die is erkend voor het vervoeren van afvalstoffen en categorie 1-materiaal inzake dierlijke bijproducten. - Deze maatregelen gaan onmiddellijk in”. 3.
  11. Vervolgens dagvaardt de verzoekende partij de verwerende partij in kort geding voor de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen, afdeling Turnhout. Zij vraagt onder meer dat de besluiten van 17 februari 2021 en 9 maart 2021 buiten toepassing zouden blijven in afwachting van een uitspraak ten gronde door de Raad van State. Deze vordering wordt afgewezen bij beschikking van 2 april
  12. Het tegen deze beschikking ingestelde hoger beroep wordt op 14 juni 2021 verworpen. 3.
  13. Op 22 maart 2021 stelt de verzoekende partij bestuurlijk beroep in tegen de beslissing van 9 maart 2021 houdende het opleggen van bestuurlijke maatregelen. 3.
  14. Op dezelfde dag geeft de procureur des Konings te Antwerpen opdracht om een proces-verbaal met tussentijdse analyseresultaten van de op 11 februari 2021 verrichte staalnames te bezorgen aan de verbindingsofficier bij de Vlaamse regering, teneinde, gelet op het verontrustend karakter van de resultaten en het mogelijk potentieel gevaar voor de volksgezondheid en de openbare veiligheid (milieu), de bevoegde bestuurlijke overheden toe te laten om eventueel bijkomende maatregelen te nemen. 3.
  15. De verzoekende partij dient op 16 april 2021 bij de Raad van State een verzoekschrift tot nietigverklaring in tegen zowel de beslissing van 17 februari 2021 als tegen een beslissing haar meegedeeld met een e-mail van 6 april 2021 om niet in te gaan op haar vraag van 11 maart 2021 om dat besluit van 17 februari op te heffen (hangende zaak A. é.453/VII-41.088). 3.
  16. Op 12 mei 2021 adviseert de cluster sanctionering en advisering om het bestuurlijk beroep tegen de beslissing van 9 maart 2021 als ongegrond af te wijzen. Nadat de verzoekende partij op 4 juni een bijkomende nota met VII-41.313-5/14 stukkenbundel heeft ingediend wordt er op 14 juni 2021 een (digitale) hoorzitting gehouden. 3.
  17. Bij besluit van 18 juni 2021 wordt het bestuurlijk beroep tegen de beslissing van 9 maart 2021 verworpen. De bestuurlijke maatregelen worden bevestigd en er wordt een termijn voor de uitvoering ervan opgelegd: “De verplichting om de aanwezige eindproducten, afvalstoffen en de inhoud van de vergisters af te voeren en te laten verwerken als een afvalstof die is gecontamineerd met categorie 1-materiaal en niet voldoet aan de samenstellingsvoorwaarden van bijlage 2.3.1 van VLAREMA, moet integraal zijn uitgevoerd tegen 1 september 2021”. 3.
  18. Op 10 augustus 2021 dagvaardt de verzoekende partij de verwerende partij opnieuw in kort geding voor de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen, afdeling Turnhout. In hoofdorde vordert zij dat het voormelde besluit van 18 juni 2021 buiten toepassing zou blijven in afwachting van een uitspraak ten gronde door de Raad van State over de wettigheid ervan, of tot een uitspraak ten gronde door de rechtbank van eerste aanleg over het beweerd onrechtmatig handhavend optreden van de verwerende partij. Bij beschikking van 27 augustus 2021 oordeelt de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg dat de opgelegde uitvoeringstermijn geen toepassing kan vinden. 3.
  19. Op 18 augustus 2021 dient de verzoekende partij bij de Raad van State een beroep tot nietigverklaring in tegen het besluit van 18 juni 2021 (hangende zaak A. 234.350/VII-41.195). 3.
  20. In gevolge de voormelde beschikking van 27 augustus 2021 deelt de verwerende partij haar voornemen mee om het besluit van 18 juni 2021 in te trekken en een nieuwe beslissing met aangepaste uitvoeringstermijn te nemen. De verzoekende partij wordt uitgenodigd voor een (digitale) hoorzitting op 30 september 2021, waar zij “desgewenst (aanvullende) documenten en stukken [kan] neerleggen ter vervollediging van het dossier en ter staving van wat [...] als een redelijke uitvoeringstermijn wordt beschouwd”. VII-41.313-6/14 3.
  21. Na de hoorzitting bezorgt de verzoekende partij op 5 oktober 2021 nog een nota. 3.
  22. Met het thans bestreden besluit van 14 december 2021 trekt de Vlaamse minister van Justitie en Handhaving, Omgeving, Energie en Toerisme het ministerieel besluit van 18 juni 2021 in en verklaart zij het bestuurlijk beroep ingesteld tegen de beslissing van de Omgevingsinspectie van 9 maart 2021 ongegrond. Tot de verzoekende partij worden volgende bevelen gericht: “- Wij bevelen u om de aanvoer van afvalstoffen, meststoffen, energiegewassen en andere toevoegstoffen voor de vergistingsinstallatie onmiddellijk stop te zetten. - Wij bevelen u om de eindproducten, de afvalstoffen en de inhoud van de vergisters af te voeren en te laten verwerken als een afvalstof die is gecontamineerd met categorie I-materiaal en niet voldoet aan de samenstellingsvoorwaarden van bijlage 2.3.1 van VLAREMA. Alle afvoer dient te worden gestaafd aan de hand van de nodige afvoer- en verwerkingsattesten. De verwerker van de afvalstoffen dient te zijn geregistreerd en vergund voor de verwerking van dergelijke afvalstoffen. De afvoer van elke vracht dient minstens 5 dagen op voorhand te worden gemeld aan de afdeling Handhaving met aangifte van het tijdstip van transport en de ontvanger. Het transport dient te worden uitgevoerd door een transporteur die is erkend voor het vervoeren van afvalstoffen en categorie I-materiaal inzake dierlijke bijproducten. - Deze maatregelen gaan onmiddellijk in”. Volgens hetzelfde besluit is voor de opheffing van de opgelegde maatregelen vereist dat: “- De afvalstoffen. de eindproducten en de inhoud van de vergisters zijn afgevoerd als een afvalstof die niet voldoet aan de samenstellingscriteria van bijlage 2.3.1 van VLAREMA die is gecontamineerd met categorie I-materiaal. De afvoer naar en verwerking van al deze afvalstoffen door een vergunde en geregistreerde inrichting kan worden gestaafd aan de hand van de nodige afvoerbewijzen. Elke afgevoerde vracht werd 5 dagen op voorhand gemeld aan de afdeling Handhaving. - Men dient de afdeling Handhaving in te lichten indien de vergisters, de opslagplaatsen voor afvalstoffen en de opslagplaatsen voor eindproducten volledig werden geledigd. De afdeling handhaving dient visueel te kunnen vaststellen dat de vergisters, de opslagplaatsen voor afvalstoffen en de opslagplaatsen voor eindproducten volledig werden geledigd”. VII-41.313-7/14 De verplichting om de aanwezige eindproducten, afvalstoffen en de inhoud van de vergisters af te voeren en te laten verwerken als een afvalstof die is gecontamineerd met categorie 1-materiaal en niet voldoet aan de samenstellingsvoorwaarden van bijlage 2.3.1 van VLAREMA, moet integraal uitgevoerd zijn tegen 1 september
  23. De opgelegde uitvoeringstermijn wordt in het bestreden besluit als volgt gemotiveerd: “Uit de beschikbare gegevens blijkt dat nog niet eens een begin van uitvoering van deze maatregel is gegeven. Alle producten die moeten worden afgevoerd, zijn nog steeds aanwezig op de site. Dit ondanks de niet-schorsende werking van het administratief beroep (artikel 16.4.17 DABM). Omdat de beroepsindiener kennelijk geen uitvoering wenst te geven aan deze bestuurlijke maatregel komt het gepast voor om hieraan een uitdrukkelijke uitvoeringstermijn te verbinden. De bestuurlijke maatregel wordt in die zin dan ook aangepast. In het Ministerieel Besluit van 18 juni 2021 werd de uitvoeringstermijn bepaald op 1 september 202l. Na dagvaarding in kort geding door beroepsindiener besliste de voorzitter van de Rechtbank van Eerste Aanleg te Antwerpen, afdeling Turnhout bij beschikking van 27 augustus 2021 dat ‘deze uitvoeringstermijn van 1 september geen toepassing kan vinden’. Daarop werd op 23 september 2021 een nieuwe uitnodiging bezorgd aan beroepsindiener om gehoord te worden over het ingestelde beroep, en in het bijzonder rond de uitvoeringstermijn. Beroepsindiener heeft, ondanks de concrete bevraging op dit punt en ondanks het feit dat men dit sinds februari 2021 kon uitzoeken, geen concrete informatie gegeven rond een realistische uitvoeringstermijn, en beperkte zich tot algemeenheden dat ‘geen suggestie werd gedaan van aangepaste uitvoeringstermijn’ en ‘onuitvoerbaarheid van de maatregel’. Wat dit laatste betreft, haalt beroepsindiener tijdens de hoorzitting op 5 oktober 2021 de technische onmogelijkheid aan om tot verwerking (verbranding) over te gaan. Beroepsindiener slaagt er echter niet in om dit argument in concreto te staven. Zij gaat o.a. uit van digestaat dat voor meer dan 90% uit water bestaat waardoor Indaver dit niet zou kunnen verwerken door middel van verbranding. Noch de bewering dat het digestaat voor meer dan 90% uit water zou bestaan, noch de reactie van Indaver, wordt evenwel gestaafd, zodat dit niet zonder meer kan worden aangenomen. Integendeel bezorgde de verwerende partij - in het kader van een eigen onderzoek naar verwerkingsmogelijkheden, inclusief termijnen en prijzen, - een overzicht van de verschillende op het bedrijf aanwezige stromen, telkens met een indicatief drogestofgehalte op basis van de analyseresultaten. Hieruit blijkt minstens een andere, minder vloeibare, consistentie van het digestaat dan hetgeen beroepsindiener ter analyse zou hebben voorgelegd. De gegevens van verwerende partij werden objectief VII-41.313-8/14 voorgelegd aan Indaver. Uit verder onderzoek blijkt dat de verwerking niet technisch onmogelijk is. Op basis van alle informatie die voorhanden is, zijnde het overzicht van aanwezige afvalstoffen dat beroepsindiener zelf aanleverde in de lopende procedures, de indicatieve drogestofgehaltes, en de e-mail van Indaver van 11 oktober 2021, wordt de verwerkingstermijn van alle verschillende aanwezige stromen geschat op een totale periode van 9 maanden. Indaver stelt immers: ‘Wij ontvingen eerder via OVAM (mail dd 28 sep 2021) het verzoek om aan te geven wat de best ingeschatte termijn is mbt verwerking van volgende afvalstromen, allen ingedeeld als cat 1 DBP materiaal, en allen afkomstig van een biogasinstallatie: l. Ruw digestaat (8-15% DS), ingeschat op +/- 17 kT
  24. Vloeibaar digestaat (3,5 - 8% DS), ingeschat op +/- 11 kT
  25. Droog digestaat (> 90% DS) ingeschat op +/- 0,2 kT INDAVER kan met de informatie waarover ze vandaag beschikt (mail OVAM dd 28 sep 2021) volgende reactie delen: • Mbt chemische karakteristieken komen alle stromen perfect in aanmerking voor verwerking op onze thermische verwerkingsinstallaties in Doel dan wel Antwerpen. Verwerking is an sich geen enkel probleem. • Mbt fysische consistentie voor de twee bulkstromen (ruw en vloeibaar digestaat) zijn er de volgende scenario’s a) De twee bulkstromen kunnen zonder voorbehandeling als slibfractie verwerkt worden op de Sleco wervelbedoven => termijn: 3 maanden b) Eén of beide bulkstromen moeten lokaal ontwaterd worden om ze als ‘verpompbaar slib’ te kunnen verwerken op Sleco werveldbedoven => termijn 6 maanden c) Eén of beide bulkstromen zijn obv proefondervindelijk onderzoek ‘NIET als verpompbaar slib’ te verwerken maar moeten als vloeistof op een draaitrommeloven verwerkt worden => termijn 9 maanden • Mbt fysische consistentie droog digestaat is er slechts één verwerkingsroute die ook in termijn van 3 maanden kan uitgevoerd worden”. IV. Regelmatigheid van de rechtspleging
  26. De verzoekende partij heeft op 1 juni 2022 een “aanvullende nota” ingediend. Ter terechtzitting vraagt de verwerende partij deze nota uit het debat te weren.
  27. Het koninklijk besluit van 5 december 1991 ‘tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State’ (hierna: procedurereglement kort geding) voorziet niet in de mogelijkheid om na de kennisgeving van het verslag van de auditeur een aanvullende nota als processtuk neer te leggen. VII-41.313-9/14 Met het oog op een efficiënte behandeling van een procedure in kort geding, is het de partijen evenwel toegestaan om nieuwe feiten, die een invloed kunnen hebben op de ontvankelijkheid van de vordering en/of de ernst van de aangevoerde middelen, aan de Raad van State ter kennis te brengen. In zoverre de aanvullende nota de aandacht wenst te vestigen op dergelijke feiten, kan ze dan ook bij de beoordeling van de zaak worden betrokken. In zoverre de aanvullende nota nieuwe argumenten bevat die reeds bij het instellen van de vordering tot schorsing hadden kunnen worden aangevoerd, wordt de nota uit het debat geweerd. V. Ontvankelijkheid van de vordering
  28. De verwerende partij betwist dat de verzoekende partij met haar vordering een wettig belang nastreeft.
  29. Er bestaat vooralsnog geen noodzaak om over de opgeworpen exceptie uitspraak te doen. Een onderzoek van en een uitspraak over deze exceptie dringt zich immers slechts op indien zou blijken dat de grondvoorwaarden voor schorsing vervuld zijn, hetgeen, zoals hierna zal blijken, te dezen niet het geval is. VI. Onderzoek van de vordering
  30. Krachtens artikel 17, § 1, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan de schorsing van de tenuitvoerlegging slechts worden bevolen onder de dubbele voorwaarde dat de zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een beroep tot nietigverklaring en indien minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden. VII-41.313-10/14 Spoedeisendheid Uiteenzetting van de verzoekende partij
  31. De verzoekende partij laat gelden dat de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing leidt tot “desastreuze” gevolgen omdat door het verbod op de aanvoer van materialen de exploitatie stil ligt, met alle gevolgen van dien, zoals het derven van inkomsten, het lijden van grote verliezen, de onmogelijkheid om lopende overeenkomsten na te komen en het verlies aan cliënteel. Zij beklemtoont dat deze toestand “nefast [is] voor de overleefbaarheid van de vennootschap, die dreigt failliet te gaan”. Bovendien ziet zij door de verplichting om 28.000 ton aan materialen af te voeren als afvalstof, de voor haar in geld waardeerbare materialen verloren gaan. Aangezien die materialen moeten worden afgevoerd als afvalstoffen die gecontamineerd zijn met categorie 1 dierlijke bijproducten en die niet voldoen aan de samenstellingsvoorwaarden van bijlage 2.3.1 bij het besluit van de Vlaamse regering van 17 februari 2012 ‘tot vaststelling van het Vlaams reglement betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen’ (hierna: Vlarema) wordt zij geconfronteerd met “torenhoge verwerkingskosten”. De kwalificatie van de af te voeren materialen als afvalstof die gecontamineerd zijn met categorie 1 dierlijke bijproducten, impliceert ook dat er slechts twee verwerkingsmethoden toegelaten zijn, namelijk storten of verbranden. In dit verband wijst de verzoekende partij erop dat het gaat om de twee meest milieuvervuilende verwerkingsmethoden die heel erg duur zijn. Zij schat de verwerkingskost, na bevraging van de nv Indaver op 9.660.000,00 euro (345,00 euro per ton digestaat). Zij stelt dergelijke verwerkingskosten niet te kunnen dragen en meent dan ook dat de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing zal leiden tot een negatief vermogen van de vennootschap en dus tot haar faillissement. Voorts wijst zij erop dat overeenkomstig artikel 4 van de bestreden beslissing de verplichting om “de aanwezige eindproducten, afvalstoffen en de inhoud van de vergisters af te voeren en te laten verwerken als een afvalstof die is gecontamineerd met categorie I-materiaal en [die] niet voldoe[n] aan de samenstellingsvoorwaarden van bijlage 2.3.1 van Vlarema”, integraal moet zijn VII-41.313-11/14 uitgevoerd tegen 1 september
  32. Om die reden kan zij niet wachten op het resultaat van het beroep tot nietigverklaring om een faillissement te vermijden, te meer omdat uit het derde middel blijkt dat volgens de nv Indaver de verwerking van de betrokken materialen verre van evident is en haast onmogelijk is tegen 1 september 2022 omdat de vereiste vergunning voor slibontwatering op de verwerkingsinrichting thans niet voorhanden is. Tot slot, zo stelt de verzoekende partij, bestaat er voor de waterzuivering geen oplossing, zodat de uitvoering van de bestreden beslissing tegen uiterlijk 1 september 2022 volstrekt onmogelijk is. Beoordeling
  33. Overeenkomstig artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State moet het verzoekschrift “een uiteenzetting van de feiten [bevatten] die, volgens de indiener ervan, de spoedeisendheid verantwoorden die ter ondersteuning van dit verzoekschrift wordt ingeroepen”. Hetzelfde is te lezen in artikel 8, eerste lid, 4°, van het procedurereglement kort geding. Dit houdt in dat het aan verzoeker toekomt aan de zaak eigen, specifieke gegevens bij te brengen die in concreto aantonen dat de zaak spoedeisend is, gelet op de gevolgen van een voortdurende tenuitvoerlegging van het bestreden besluit. Een zaak is spoedeisend, en dus vatbaar voor beoordeling in kort geding, zodra de vrees voor schade van enig belang, of zelfs voor ernstige nadelen, een onmiddellijke beslissing wenselijk maakt. Bijgevolg mag het kort geding worden gehanteerd wanneer het geschil niet met de gewone procedure binnen de gewenste tijdspanne opgelost kan worden.
  34. Bij besluit van 17 februari 2021 heeft de Omgevingsinspectie aan de verzoekende partij veiligheidsmaatregelen opgelegd die nagenoeg identiek zijn aan de bestuurlijke maatregelen die met voorliggende vordering bestreden worden. Het voormelde besluit van 17 februari 2021 verbiedt immers met onmiddellijke ingang de aanvoer van alle afvalstoffen, meststoffen, energiegewassen en andere toevoegstoffen voor de vergistingsinstallatie. Met hetzelfde besluit van 17 februari 2021 wordt tevens de verplichting opgelegd om de eindproducten, de afvalstoffen en de inhoud van de vergisters af te voeren en te VII-41.313-12/14 laten verwerken. De af te voeren materialen dienen volgens het meervermelde besluit eveneens te worden beschouwd als een afvalstof die niet voldoet aan de samenstellingsvoorwaarden van bijlage 2.3.1 van Vlarema die is gecontamineerd met categorie I-materiaal. Bij arrest nr. 250.024 van 9 maart 2021 heeft de Raad van State de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van het besluit van 17 februari 2021 verworpen. Derhalve dient de verzoekende partij nog steeds de opgelegde veiligheidsmaatregelen na te leven. Die maatregelen staan er aan in de weg dat de betrokken co-vergistingsinstallatie wordt geëxploiteerd. De gebeurlijke schorsing van de tenuitvoerlegging van de thans bestreden beslissing zou dus niet meebrengen dat de door de verzoekende partij beschreven “desastreuze” gevolgen zouden worden afgewend. De discussie omtrent de termijn die nodig is om de afvalstoffen af te voeren naar een gespecialiseerde verwerkingsinrichting is ondergeschikt aan de vaststelling dat de verzoekende partij, zelfs na een in deze zaak gewezen schorsingsarrest, haar activiteiten niet onmiddellijk kan hervatten. De spoedeisendheid van de vordering wordt niet aangetoond.
  35. Er is niet voldaan aan één van de voorwaarden gesteld in artikel 17, § 1, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die cumulatief vervuld moeten zijn wil een vordering tot schorsing worden toegewezen. Deze vaststelling volstaat om de vordering af te wijzen. BESLISSING De Raad van State verwerpt de vordering. VII-41.313-13/14 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van dertig juni tweeduizend tweeëntwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Peter Sourbron, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier. De griffier De voorzitter Elisabeth Impens Peter Sourbron VII-41.313-14/14 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.254.165 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.256.975 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.