id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 30 juni 2022 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.254.172 Rolnummer: A. 228615/XIV-38101 Zaak: Arrest 254172 - Federale en lokale politie – Aanwerving en loopbaan - 30/06/2022 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2022-08-30 Raadplegingen: 71 - laatst gezien 2026-06-10 07:11 Fiche Arrest nr 254.172 van 30 juni 2022 Openbaar ambt - Federale en lokale politie – Aanwerving en loopbaan Beslissing : Bevolen Depersonalisatie Aanvullend verslag Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK XIVe KAMER nr. 254.172 van 30 juni 2022 in de zaak A. 228.615/XIV-38.101 In zake : XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Joost Bosquet kantoor houdend te 2650 Edegem (Antwerpen) Mechelsesteenweg 326 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de STAD ANTWERPEN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Karel De Schoenmaeker kantoor houdend te 1930 Zaventem Gateway Building Luchthaven Brussel Nationaal 1J bij wie woonplaats wordt gekozen eveneens bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Thomas De Donder kantoor houdend te 2018 Antwerpen Lange Lozanastraat 270 -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 16 juli 2019, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van de burgemeester van de stad Antwerpen van 16 mei 2019 waarbij aan verzoeker de zware tuchtstraf van het ontslag van ambtswege is opgelegd. II. Verloop van de rechtspleging
- Bij arrest nr. 245.945 van 28 oktober 2019 is de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing verworpen. XIV-38.101-1/6 Verzoeker heeft een verzoekschrift tot voortzetting van de rechtspleging ingediend. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur Geert De Bleeckere heeft een verslag opgesteld met toepassing van artikel 12 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’. Verzoeker heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 2 februari
- Advocaat Joost Bosquet, die verschijnt voor verzoeker, en advocaat Liesbet Vandendriessche, die loco advocaten Karel De Schoenmaeker en Thomas De Donder verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Geert De Bleeckere heeft advies gegeven. Ter terechtzitting wordt de behandeling van de zaak uitgesteld naar de zitting van 15 juni
- Eerste auditeur Geert De Bleeckere heeft een verslag opgesteld met toepassing van artikel 51 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’. XIV-38.101-2/6 Kamervoorzitter Geert Debersaques heeft verslag uitgebracht. Advocaat Joost Bosquet, die verschijnt voor verzoeker, en advocaat Liesbet Vandendriessche, die loco advocaten Karel De Schoenmaeker en Thomas De Donder verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Geert De Bleeckere heeft advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten
- De feiten zijn uiteengezet in het arrest nr. 245.945 van 28 oktober
- Er wordt naar verwezen. IV. Tussengeschil overeenkomstig artikel 51 van de algemeneprocedureregeling Uiteenzetting van het tussengeschil
- Met een brief van 1 februari 2022 deelt verzoeker mee dat in de voorliggende zaak een strafklacht werd ingediend “die de bestreden beslissing doorkruist en die ondermeer een klacht wegens valsheid in geschrifte inhoudt tegen het stuk nr. 5 van de verwerende partij”, alsook dat “in die omstandigheden toepassing zal worden gevraagd van art. 51 van het procedurereglement”. Uit de overgelegde stukken blijkt dat het een klacht met burgerlijkepartijstelling betreft van 8 april
- Ter terechtzitting van 2 februari 2022 bevestigt de verwerende partij dat zij volhardt in haar bedoeling van dat stuk verder gebruik te maken. XIV-38.101-3/6
- Ter terechtzitting van 15 juni 2022 is gebleken dat de door verzoeker aanhangig gemaakte procedure nog steeds lopende is. Bij het sluiten van het debat is derhalve nog geen definitieve uitspraak over de valsheid. Beoordeling
- Artikel 51 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’ (hierna: de algemeneprocedureregeling) bepaalt: “Zo een partij een overgelegd stuk van valsheid beticht, wordt de partij die het stuk heeft overgelegd door de staatsraad of het lid van het auditoraat belast met het onderzoek, of door de kamer bij dewelke de zaak aanhangig is, verzocht zonder verwijl te verklaren of zij volhardt in haar bedoeling ervan gebruik te maken. Zo de partij op deze vraag niet ingaat, of zo zij verklaart dat zij van het stuk geen gebruik wenst te maken, wordt het verworpen. Zo zij verklaart dat zij er gebruik wil van maken, wordt er zonder verwijl verslag over uitgebracht bij de kamer bij dewelke de zaak aanhangig is. Wanneer deze oordeelt dat het van valsheid beticht stuk geen invloed heeft op haar eindbeslissing, wordt er geen rekening mede gehouden. Zo zij, integendeel, oordeelt dat het stuk van wezenlijk belang is voor de oplossing van het geschil, dan schorst zij het geding tot het bevoegd rechtscollege over de valsheid uitspraak heeft gedaan.”
- Het van valsheid beschuldigde stuk betreft een aanvankelijk proces-verbaal nr. AN.20.LB.[XXX] van 24 augustus
- Uit de bestreden beslissing blijkt dat het bewijs van de aan verzoeker ten laste gelegde tuchtvergrijpen in belangrijke mate steunt op dit stuk (zie punt 3.
- van het tussenarrest nr. 245.945 van 28 oktober 2019) en dat de Raad van State zich bij zijn prima facie beoordeling in het voornoemde tussenarrest (punt 8), inzonderheid op dat proces-verbaal heeft gesteund om het (eerste) middel van verzoeker als niet ernstig te beoordelen. De klacht met burgerlijkepartijstelling inzake (onder meer) valsheid hangt aldus samen met de beoordeling van het voorliggende beroep tot nietigverklaring van de bestreden beslissing en kan derhalve een invloed hebben op de eindbeslissing omtrent de wettigheid van de bestreden beslissing. Indien met XIV-38.101-4/6 een in kracht van gewijsde gegane uitspraak van de bevoegde rechter de valsheid van dat proces-verbaal wordt vastgesteld, mag de Raad van State tijdens het verdere verloop van het geding immers geen rekening houden met het vals bevonden stuk. In het tegenovergestelde geval, of wanneer aan de klacht geen gevolg werd gegeven, is het desbetreffende proces-verbaal wel degelijk bewijskrachtig. Het van valsheid betichte stuk is derhalve van wezenlijk belang voor de oplossing van het geschil. Er bestaat derhalve reden om, in toepassing van het aangehaalde artikel 51, vijfde lid, van het algemeen procedurereglement, het geding te schorsen totdat uitspraak is gedaan over de valsheid van het overgelegde stuk.
- Onverminderd de mogelijkheid voor het auditoraat om zich daartoe ambtshalve te bevragen bij de partijen wanneer het dit gepast acht, behoort het de partijen om de Raad van State en het auditoraat op geregelde tijdstippen en minstens om de zes maanden te informeren over de stand van zaken en om hen onverwijld over die uitspraak in te lichten. Vervolgens dient de zaak opnieuw aan het auditoraat te worden voorgelegd met het oog op een aanvullend verslag, inzonderheid inzake de weerslag van die uitspraak op het voorliggende beroep en de gegrondheid ervan. BESLISSING
- De Raad van State schorst de behandeling van het beroep tot nietigverklaring totdat de meest gerede partij kennis geeft van de uitspraak over de valsheid, onverminderd de mogelijkheid voor het auditoraat om zich daartoe ambtshalve te bevragen en de plicht van de partijen om de Raad van State en het auditoraat op geregelde tijdstippen en minstens om de zes maanden te informeren over de stand van zaken.
- Het door de auditeur-generaal aangewezen lid van het auditoraat wordt belast met het aanvullend onderzoek. XIV-38.101-5/6
- Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van verzoeker weggelaten. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van dertig juni tweeduizend tweeëntwintig, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Geert Debersaques, kamervoorzitter, Carlo Adams, kamervoorzitter, Kaat Leus, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Geert Debersaques XIV-38.101-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.254.172 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.342 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.