← België

Arrêt / Arrest 254186 - Règlements fédéraux (institutions, intérieur et pouvoirs locaux) / Federale reglementen (binnenlandse zaken en lokale besturen

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 30 juni 2022 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.254.186 Rolnummer: A. 222475/Abis-14 Zaak: Arrêt / Arrest 254186 - Règlements fédéraux (institutions, intérieur et pouvoirs locaux) / Federale reglementen (binnenlandse zaken en lokale besturen) - 30/06/2022 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2022-07-07 Raadplegingen: 132 - laatst gezien 2026-06-15 04:01 Versie(s): Versie FR Fiche Arrest nr 254.186 van 30 juni 2022 Instellingen, Binnenlandse zaken en lokale besturen - Federale reglementen (binnenlandse zaken en lokale besturen) Beslissing : prejudiciële vraag Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK ALGEMENE VERGADERING nr. 254.186 van 30 juni 2022 in de zaak A. 222.475/Abis-14 In zake : de GEMEENTE LINKEBEEK bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Nicolas Bonbled en Sebastiaan De Meue kantoor houdend te 1000 Brussel Bisschoffsheimlaan 33 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bart Staelens kantoor houdend te 8000 Brugge Stockhouderskasteel, Gerard Davidstraat 46/1 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het beroep, ingesteld op 22 juni 2017, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van de Vlaamse minister van Binnenlands Bestuur, Inburgering, Wonen, Gelijke Kansen en Armoedebestrijding van 21 april 2017 ‘betreffende de vernietiging van het gemeenteraadsbesluit van Linkebeek van 6 maart 2017 houdende kennisneming en beslissing over de agendapunten van de algemene vergadering van 6 april 2017 van de EVA vzw Hoeve ’t Holleken’. Gevraagd wordt, in het opschrift van het verzoekschrift, dat het overeenkomstig artikel 93 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State door de algemene vergadering van de afdeling Bestuursrechtspraak behandeld zou worden. Abis-14n-1/13 II. Verloop van de rechtspleging
  2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur Jurgen Neuts en auditeur Muriel Vanderhelst hebben een verslag opgesteld. De verzoekende partij heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting van de algemene vergadering van de afdeling Bestuursrechtspraak, die heeft plaatsgevonden op 22 maart
  3. Kamervoorzitters Johan Lust en Luc Detroux hebben verslag uitgebracht. Advocaat Sebastiaan De Meue, die verschijnt voor de verzoekende partij, en advocaat Bart Staelens, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeurs Erik Bosquet en Jurgen Neuts hebben advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  4. Abis-14n-2/13 III. Feiten
  5. Op 6 maart 2017 neemt de gemeenteraad van Linkebeek “kennis van de agendapunten van de algemene vergadering van 6 april 2017 van de EVA[extern verzelfstandigd agentschap]-vzw Hoeve ’t Holleken” en draagt hij “[d]e vertegenwoordigers van de gemeente in de algemene vergadering op […] de voorgelegde agendapunten goed te keuren”. Omtrent de aan dat gemeenteraadsbesluit voorafgaande bespreking vermelden de notulen van de gemeenteraadszitting van 6 maart 2017 het volgende: “De dd. Voorzitter geeft het woord aan mevr. Leblon die het punt toelicht. Zo stelt zij dat de voorgestelde agendapunten de gewoonlijke agendapunten van de algemene vergadering zijn. Nadien gaat zij in het Frans verder. Voor een woordje uitleg over de rekeningen geeft ze het woord aan dhr Schwarts die, ook in het Frans, bevestigt dat de rekeningen in orde zijn. Vervolgens leest mevr. Leblon nog een mail van dhr Thiéry voor, eveneens in het Frans, waarin hij de mensen van de Hoeve feliciteert voor hun goede werk. De heer Otten stelt vast dat er wel handig gebruik gemaakt wordt van het feit dat de vertegenwoordiger van de gouverneur er (nog) niet is en vraagt dat in het PV van de zitting wordt opgenomen dat er Frans wordt gesproken. Hierop repliceert dhr Opoczynski, opnieuw in het Frans, dat volgens een arrest van het Arbitragehof (nu: Grondwettelijk Hof) de gemeenteraadsleden zich in het Frans mogen uitdrukken.” Met een brief van 6 maart 2017 dient Rik Otten, lid van de gemeenteraad van Linkebeek, klacht in bij de provinciegouverneur wegens “een weloverwogen overtreding van de taalwetgeving”: “drie leden van de meerderheid [namen] het woord in het Frans”. Door de gouverneur gevraagd naar zijn “zienswijze ter zake”, antwoordt schepen Ghequiere op 20 maart 2017 als volgt: “Ik verwijs dienaangaande naar het proces-verbaal van de gemeenteraadszitting van 6 maart 2017, dat -conform de taalwetgeving- in Abis-14n-3/13 het Nederlands werd aangenomen. Voor de goede orde hebben noch ikzelf, noch enig lid van het college, in een andere taal dan het Nederlands geantwoord op de interpellaties van de betrokken gemeenteraadsleden. In tegenstelling tot hetgeen in de klacht van Prolink wordt aangegeven, is er om bovenvermelde redenen dan ook geen sprake van een ‘weloverwogen overtreding van de taalwetgeving’. Iedere andere interpretatie die minister Homans erop zou nahouden in het Vlaams Parlement (zoals bijvoorbeeld op 14 maart jl.), is uitsluitend voor haar rekening en wordt hierbij voor de goede orde formeel betwist.” Op 21 april 2017 vernietigt de Vlaamse minister van Binnenlands Bestuur, Inburgering, Wonen, Gelijke Kansen en Armoedebestrijding “[d]e beslissing van de gemeenteraad van Linkebeek van 6 maart 2017 houdende kennisneming en beslissing over de agendapunten van de algemene vergadering van 6 april 2017 van de EVA vzw Hoeve ’t Holleken”. Die beslissing is als volgt gemotiveerd: “Artikel 23 SWT bepaalt: ‘Iedere plaatselijke dienst die gevestigd is in de gemeenten Drogenbos, Kraainem, Linkebeek, Sint-Genesius-Rode, Wemmel en Wezembeek-Oppem, gebruikt uitsluitend de Nederlandse taal in zijn binnendiensten, in zijn betrekkingen met de diensten waaronder hij ressorteert en zijn betrekkingen met de diensten uit het Nederlandse taalgebied en die uit Brussel-Hoofdstad.’ Het arrest van de Raad van State van 29 juni 2001 bepaalt: ‘Overwegende dat luidens artikel 23 van de bij KB van 18 juli 1966 gecoördineerde wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken iedere plaatselijke dienst die is gevestigd in onder meer de gemeente Linkebeek uitsluitend de Nederlandse taal gebruikt in zijn binnendiensten, in zijn betrekkingen met de diensten waaronder hij ressorteert en zijn betrekkingen met diensten uit het Nederlandse taalgebied en die uit Brussel-Hoofdstad; dat, aangezien de gemeenteraad een plaatselijke dienst is in de zin van de gecoördineerde wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, uit voormeld artikel 23 volgt dat in de gemeente Linkebeek bij de totstandkoming van de beslissingen binnen de gemeenteraad uitsluitend het Nederlands mag gebruikt worden; dat dit ook voor de mondelinge tussenkomsten geldt.’ De omzendbrief BA-2005/3 stelt eveneens duidelijk dat de vergadering van de gemeenteraad aanzien wordt als een binnendienst en dat daarom alleen de Nederlandse taal mag gebruikt worden. De gemeenten met een speciale taalregeling behoren onverkort tot het grondgebied van Vlaanderen. Mandatarissen van die gemeenten (zowel de burgemeester en de schepenen als de raadsleden) kunnen bij de uitoefening van het bestuur alleen het Nederlands gebruiken. De gemeenteraad zelf is een dienst in de zin van artikel 23 van de SWT: op vergaderingen en bij beraadslagingen mag de raad dus alleen het Nederlands gebruiken. Abis-14n-4/13 Overeenkomstig de vaste rechtspraak van de Raad van State en de omzendbrieven BA 97/22 en BA-2005/3 vallen ook de individuele gemeenteraadsleden onder de toepassing van artikel 23 SWT. Ook zij dienen bij hun mondelinge tussenkomsten in de gemeenteraad het Nederlands te gebruiken. Het arrest van de Raad nr. 42.716 van 17 april 1996 en het arrest van de Raad van State nr. 43.029 van 30 april 1997 […] bepalen: ‘Overwegende dat die nietigheidssanctie zich wel opdringt wanneer de begane onwettigheid geacht moet worden het genomen besluit inhoudelijk te hebben beïnvloed, op zijn minst vermoed moet worden zulks te hebben kunnen doen.’ Het arrest van de Raad van State nr. 42.716 […] van 17 april 1996 bepaalt: ‘Overwegende, te dezen, dat in het bestreden besluit wordt overwogen dat de inleiding op en de toelichting van een agendapunt door de burgemeester of door een ander lid van het college van burgemeester en schepenen ten behoeve van de leden van de gemeenteraad een wezenlijk onderdeel vormt van een besluitvorming; dat de verheldering die zulk een inleiding en zulk een toelichting verschaffen inderdaad het stemgedrag van de gemeenteraadsleden kan beïnvloeden en daar normaal trouwens toe strekt; dat van de door de toezichthoudende overheid vastgestelde onwettigheden dus vermoed mag worden dat zij de vernietigde beslissingen inhoudelijk hebben kunnen beïnvloeden.’ Uit de stukken van het dossier blijkt dat het betreffende agendapunt naast de akteneming, ook een beslissing betrof waarover gestemd werd (met eenparigheid van stemmen). Uit de notulen blijkt dat mevrouw Leblon het agendapunt heeft ingeleid, deels in het Nederlands en deels in het Frans en dat de heer Schwarts een woordje uitleg heeft gegeven over de rekeningen in het Frans. Vervolgens heeft mevrouw Leblon een mail voorgelezen in het Frans waarin de vzw wordt gefeliciteerd door de heer Thiéry, wat een waardeoordeel inhoudt. Een inleidend woord en een toelichting bij het betreffende agendapunt vormen een wezenlijk onderdeel van de besluitvorming en kan het stemgedrag van de gemeenteraadsleden beïnvloeden. Men kan niet anders dan stellen dat deze Franstalige tussenkomsten op zijn minst een vermoeden doen rijzen dat ze een inhoudelijke bijdrage (kunnen) leveren tijdens de bespreking van dit agendapunt en dat deze tussenkomsten het stemgedrag van de gemeenteraadsleden hebben kunnen beïnvloeden. Dit verantwoordt de vernietiging van de beslissing van de gemeenteraad van Linkebeek van 6 maart 2017.” IV. Onderzoek van het enige middel Standpunt van de partijen
  6. Verzoekster put een enig middel uit machtsoverschrijding, en schending van artikel 23 van de gecoördineerde wetten van 18 juli 1966 ‘op het Abis-14n-5/13 gebruik van de talen in bestuurszaken’ (hierna: de bestuurstaalwet), van artikel 30 van de Grondwet, van artikel 16bis van de bijzondere wet tot hervorming der instellingen, van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, en van het materiële motiveringsbeginsel als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur. In een eerste middelonderdeel beklaagt verzoekster zich erover, samengevat, dat de bestreden beslissing steun zoekt in een “onrechtmatige en onwettige interpretatie van artikel 23 van de bestuurstaalwet”. De toezichthoudende overheid acht artikel 23 van de bestuurstaalwet geschonden omdat enkele gemeenteraadsleden zich tijdens de zitting van 6 maart 2017 in het Frans hebben uitgedrukt. Nochtans, zo stelt verzoekster, geldt volgens de rechtspraak van het Grondwettelijk Hof (arrest nr. 26/98 van 10 maart 1998 en arrest nr. 17/86 van 26 maart 1986) de verplichting tot het gebruik van het Nederlands niet voor de gemeenteraadsleden, andere dan de burgemeester en de schepenen. De verwerende partij maakt in de bestreden beslissing ten onrechte melding van andersluidende rechtspraak van de Raad van State en omzendbrieven van de Vlaamse Regering. Verzoekster betoogt voorts, in een tweede middelonderdeel, dat de bestreden beslissing artikel 23 van de bestuurstaalwet interpreteert op een wijze die afbreuk doet aan “voorheen bestaande waarborgen die de Franstaligen in de randgemeenten genieten, met name het recht voor individuele gemeenteraadsleden om zich tijdens de gemeenteraadszitting uit te drukken in het Frans”, wat zij strijdig acht met artikel 16bis van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 ‘tot hervorming der instellingen’. Verzoekster verwijst andermaal naar het arrest van 10 maart 1998 van het Grondwettelijk Hof en stelt dat die interpretatie van artikel 23 van de bestuurstaalwet volgens dat arrest – “die toeliet dat de individuele gemeenteraadsleden alsnog de taalvrijheid genoten in zoverre zij ten persoonlijke titel mondelinge opmerkingen maakten tijdens de gemeenteraad” – een dergelijke waarborg inhoudt. Abis-14n-6/13 In een derde middelonderdeel zet verzoekster uiteen dat, wanneer de Raad van State zou oordelen dat de bestreden beslissing artikel 23 van de bestuurstaalwet correct interpreteert, er “verschillende vragen [rijzen] omtrent de grondwettigheid van deze bepaling”. Zij dringt erop aan dat in dat geval het Grondwettelijk Hof prejudicieel zou worden bevraagd.
  7. In de memorie van antwoord repliceert de verwerende partij met betrekking tot het eerste middelonderdeel onder meer dat uit de rechtspraak van de Raad van State duidelijk blijkt dat de gemeenteraad als een plaatselijke dienst moet worden beschouwd en dat de verplichting van artikel 23 van de bestuurstaalwet om bij het tot stand komen van beslissingen binnen de gemeenteraad uitsluitend Nederlands te spreken niet alleen voor de burgemeester en schepenen geldt, maar eveneens voor de overige gemeenteraadsleden. Dat is volgens de verwerende partij ook logisch. Zoals het Grondwettelijk Hof bevestigt, zijn de vergaderingen van de gemeenteraad binnendiensten, waardoor het niet in strijd is met het gelijkheidsbeginsel dat het aan de burgemeester en de schepenen verboden wordt een andere taal dan het Nederlands te gebruiken. Die gemeenteraadsvergaderingen zijn dan eveneens een binnendienst voor de gemeenteraadsleden die er het woord nemen en bijgevolg moeten ook zij zich houden aan artikel 23 van de bestuurstaalwet. Tevens werpt de verwerende partij tegen dat in zoverre verzoekster ervan uitgaat dat gemeenteraadsleden in de gemeenteraad van een gemeente gelegen in het eentalige, Nederlandstalige taalgebied, zich mogen bedienen van een andere taal dan het Nederlands, zij aldus vereist dat een gemeenteraadslid dat de debatten in de eigen gemeenteraad wil volgen niet enkel de taal van het taalgebied kent, maar ook een andere taal. Daarbij vraagt de verwerende partij zich af, gezien het volgens verzoekster niet nodig is om zich in de gemeenteraad te bedienen van de taal van het taalgebied, of de gemeenteraadsleden zich ook mogen bedienen van het Engels of eventueel nog een andere taal dan het Frans. Abis-14n-7/13 Met betrekking tot het tweede middelonderdeel argumenteert de verwerende partij dat de interpretatie van artikel 23 van de bestuurstaalwet dat de gemeenteraadsleden in de randgemeenten een andere dan de Nederlandse taal mogen spreken tijdens de gemeenteraad “nooit bestaan [heeft]”. Er wordt dan ook geen voorheen bestaande waarborg geschonden. Aangaande het derde middelonderdeel meent de verwerende partij dat ingeval er aan het Grondwettelijk Hof een prejudiciële vraag moet worden gesteld, het “een compleet andere vraag” dient te zijn dan verzoekster wenst.
  8. In haar memorie van wederantwoord blijft verzoekster erbij dat arrest nr. 26/98 van het Grondwettelijk Hof van 10 maart 1998 inhoudt dat het voor gemeenteraadsleden van de randgemeenten niet verboden is om zich tijdens de vergadering van de gemeenteraad uit te drukken in een andere taal dan het Nederlands. Rechtspraak van de Raad van State die dateert van vóór dit arrest, is niet relevant. Volgens verzoekster blijkt uit arrest nr. 79.431 van 23 maart 1999 van de Raad van State niet uitdrukkelijk dat afstand wordt genomen van het standpunt van het Grondwettelijk Hof. Dat doet de Raad wel, volgens haar, in arrest nr. 97.257 van 29 juni
  9. Zij stelt daarbij de vraag of de rechtsorde daarmee wel gediend is. Verzoekster is alleszins van oordeel dat het gezag van de arresten van het Grondwettelijk Hof moet worden erkend. Voorts betoogt verzoekster nog dat als de overwegingen van het Grondwettelijk Hof ter zake als een obiter dictum moeten worden beschouwd, dit ook geldt voor de overwegingen in het voormelde arrest nr. 97.257 van de Raad van State. Verzoekster doet ook gelden dat het van een “billijk evenwicht” getuigt dat “[a]ls principe” geldt dat de gemeenteraad in het Nederlands verloopt, maar dat “niet elk individueel gemeenteraadslid als dusdanig gehouden is tot het gebruik van het Nederlands”. Er moet een onderscheid gemaakt worden tussen gemeenteraadsleden die optreden als een ‘individuele bestuursautoriteit’ – de Abis-14n-8/13 burgemeester, de vertegenwoordiger van een collegiaal orgaan, zoals het college van burgemeester en schepenen – en de “gemeenteraadsleden die als democratisch verkozen [vertegenwoordigers] in eigen naam spreken”. Die laatsten moeten zich volgens verzoekster op de taalvrijheid kunnen beroepen. Op geen enkel ogenblik wordt daarmee afbreuk gedaan aan artikel 4 van de Grondwet, zo besluit verzoekster.
  10. In haar laatste memorie volhardt verzoekster in de door haar voorgestelde prejuduciële vraag aan het Grondwettelijk Hof.
  11. Van haar kant beklemtoont de verwerende partij in haar laatste memorie dat als er al een prejudiciële vraag wordt gesteld, het er een moet zijn die vertrekt vanuit het oogpunt dat wanneer gemeenteraadsleden in het Frans kunnen participeren, terwijl zij nochtans vermoed worden het Nederlands te kennen, dit gevolgd moet worden door een Nederlandstalig raadslid van het Nederlandse taalgebied, waar er geen vermoeden van kennis van het Frans bestaat. Beoordeling
  12. Artikel 23 van de bestuurstaalwet luidt als volgt: “Iedere plaatselijke dienst die gevestigd is in de gemeenten Drogenbos, Kraainem, Linkebeek, Sint-Genesius-Rode, Wemmel en Wezembeek-Oppem, gebruikt uitsluitend de Nederlandse taal in zijn binnendiensten, in zijn betrekkingen met de diensten waaronder hij ressorteert en zijn betrekkingen met de diensten uit het Nederlandse taalgebied en die uit Brussel-Hoofdstad.”
  13. Er wordt door partijen niet betwist dat de gemeenteraad van Linkebeek een ‘plaatselijke dienst’ is in de zin van de voormelde bepaling. Wél wordt door verzoekster betwist dat daaruit zou voortvloeien, zoals de verwerende partij meent, dat de leden van haar gemeenteraad – andere dan de leden van het college van burgemeester en Abis-14n-9/13 schepenen – zich in hun (mondelinge) tussenkomsten tijdens een gemeenteraadszitting uitsluitend in het Nederlands zouden mogen uitdrukken.
  14. Dit verschil in zienswijze wordt nog aangescherpt ingeval het gemeenteraadslid, ander dan een lid van het college van burgemeester en schepenen, niettemin zoals een lid van het college van burgemeester en schepenen een agendapunt op de gemeenteraad inleidt of toelicht, al dan niet namens dit college. In dat verband wordt vastgesteld dat te dezen, de voorzitter van de gemeenteraad voor de toelichting van het betrokken agendapunt het woord heeft verleend aan minstens één vertegenwoordiger van de gemeente in de vzw Hoeve ’t Holleken. Die vzw is een extern verzelfstandigd agentschap. Blijkens het ten tijde van de bestreden beslissing geldende artikel 246 van het gemeentedecreet van 15 juli 2005, beschikt de gemeente steeds over een meerderheid van de stemmen in de algemene vergadering van de gemeentelijke vereniging en draagt de gemeente steeds een meerderheid van de leden van de raad van bestuur voor, worden de vertegenwoordigers van de gemeente in de algemene vergadering door de gemeenteraad uit zijn leden gekozen en handelen die vertegenwoordigers van de gemeente in de algemene vergadering overeenkomstig de instructies van de gemeenteraad.
  15. Met de besproken betwisting hangt evident de vraag nauw samen of, in de visie dat een gemeenteraadslid een andere taal dan het Nederlands mag gebruiken, dan ogenschijnlijk zijn collega-gemeenteraadsleden en de inwoners verplicht zijn die taal te kennen opdat zij het debat kunnen volgen.
  16. De betwisting tussen partijen stelt de grondwettigheid van artikel 23 van de bestuurstaalwet aan de orde. Ze geeft aanleiding tot het stellen, aan het Grondwettelijk Hof, van de in het dictum weergegeven prejudiciële vragen. BESLISSING Abis-14n-10/13
  17. De Raad van State heropent het debat.
  18. Aan het Grondwettelijk Hof worden de volgende vragen gesteld: 1) Schendt artikel 23 van de gecoördineerde wetten op het taalgebruik in bestuurszaken de artikelen 10, 11 en 30 van de Grondwet, in de interpretatie dat de verplichting om in de randgemeenten tijdens de gemeenteraadszitting de taal van het taalgebied te gebruiken ook geldt voor de leden van de gemeenteraad en niet uitsluitend voor de burgemeester en de andere leden van het college van burgemeester en schepenen? 2) Schendt artikel 23 van de gecoördineerde wetten op het taalgebruik in bestuurszaken de artikelen 10, 11 en 30 van de Grondwet, in de interpretatie dat de verplichting om in de randgemeenten tijdens de gemeenteraadszitting de taal van het taalgebied te gebruiken ook geldt voor het lid van de gemeenteraad, ander dan een lid van het college van burgemeester en schepenen, dat het woord neemt om een agendapunt in te leiden of toe te lichten? 3) Schendt artikel 23 van de gecoördineerde wetten op het taalgebruik in bestuurszaken de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet gelezen in samenhang met de artikelen 4 en 30 van de Grondwet, in de interpretatie dat het een lid van de gemeenteraad toelaat in de gemeenteraad een andere taal dan het Nederlands te gebruiken, in zoverre dit in voorkomend geval kan meebrengen dat andere gemeenteraadsleden en de inwoners die deze taal niet kennen, het debat in de gemeenteraad niet kunnen volgen?
  19. Na de ontvangst van het antwoord van het Grondwettelijk Hof wordt de zaak aan de bevoegde leden van het auditoraat bezorgd voor het neerleggen, binnen dertig dagen, van een aanvullend verslag. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van 30 juni 2022 van de algemene vergadering van de afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State, die was samengesteld als volgt: de HH. Roger Stevens, eerste voorzitter van de Raad van State, voorzitter van de algemene vergadering, Abis-14n-11/13 Johan Lust, kamervoorzitter, Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, Paul Lemmens, kamervoorzitter, Mevr. Colette Debroux, kamervoorzitter, Pascale Vandernacht, kamervoorzitter, de HH. Yves Houyet, kamervoorzitter, Luc Detroux, kamervoorzitter, Bruno Seutin, staatsraad, Pierre Lefranc, staatsraad, Jan Clement, staatsraad, Stephan De Taeye, staatsraad, Bert Thys, staatsraad, Peter Sourbron, staatsraad, David De Roy, staatsraad, Mevr. Anne-Françoise Bolly, staatsraad, Kaat Leus, staatsraad, de heer Frédéric Gosselin, staatsraad, Mevr. Patricia De Somere, staatsraad, Nathalie Van Laer, staatsraad, De HH. Marc Joassart, staatsraad, Luc Donnay, staatsraad, Mevr. Florence Piret, staatsraad, de heer Raphaël Born, staatsraad, bijgestaan door de heer Gregory Delannay, hoofdgriffier. De hoofdgriffier De eerste voorzitter Abis-14n-12/13 Gregory Delannay Roger Stevens Abis-14n-13/13 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.254.186 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.038 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

Explication IA à partir du texte officiel de la loi. Indicatif, ne remplace pas un conseil juridique.