id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 30 juni 2022 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.254.193 Rolnummer: A. 236674/X-18180 Zaak: Arrest 254193 - Stedenbouw en ruimtelijke ordening - Reglementen - 30/06/2022 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2022-07-05 Raadplegingen: 73 - laatst gezien 2026-06-10 07:12 Fiche Arrest nr 254.193 van 30 juni 2022 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Stedenbouw en ruimtelijke ordening - Reglementen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE Xe KAMER nr. 254.193 van 30 juni 2022 in de zaak A. 236.674/X-18.180 In zake: de GEMEENTE ALKEN, vertegenwoordigd door het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Alken bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Tom Swerts kantoor houdend te 2800 Mechelen Antwerpsesteenweg 16-18 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de PROVINCIE LIMBURG bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Jens Debrièvre en Kyoto Van Herreweghe kantoor houdend te 1000 Brussel Havenlaan 86c, 113b bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering
- De vordering, ingesteld op 21 juni 2022, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van het “besluit van de deputatie van de provincie Limburg van 18 mei 2022 tot schorsing van het besluit van de gemeenteraad van de gemeente Alken van 31 maart 2022 tot definitieve vaststelling van het gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan Sport- en recreatievelden”. II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een nota ingediend. X-18.180-1/33 De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 30 juni 2022, om 10.00 uur. Staatsraad Stephan De Taeye heeft verslag uitgebracht. Advocaat Willem-Jan Ingels, die loco advocaat Tom Swerts verschijnt voor de verzoekende partij, en advocaat Tobias Burms, die loco advocaten Jens Debrièvre en Kyoto Van Herreweghe verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Tom De Waele heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, ge- coördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- Op 14 juni 2017 vindt een startoverleg plaats over het voorgenomen gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan ‘Sport- en recreatievelden’ van de gemeente Alken (hierna: het GRUP). Het GRUP omvat de deelplannen ‘Broosveld’, ‘Terkoest’, ‘Eendracht St.-Joris’ en ‘Vallei van de Herk’. De doelstellingen van het GRUP worden in de toelichtingsnota bij dit plan als volgt omschreven: “Het ruimtelijke uitvoeringsplan (RUP) heeft als doelstelling om de ontwikkeling van een voetbalsite voor de nieuwe fusieclub mogelijk te maken. Het RUP omvat echter verschillende deelplannen. De deelplannen houden onderling verband, in die zin dat het samenbrengen van de voetbalactiviteiten op één locatie leidt tot het vrijkomen van huidige voetbalsites i.f.v. andere ontwikkelingen. Bijkomend moet – omdat X-18.180-2/33 ‘herbevestigd agrarisch gebied’ wordt herbestemd i.f.v. de nieuwe voetbalsite – dit planologisch gecompenseerd worden. Elk deelplan zal uiteindelijk op zich een eigen doel hebben: voetbalsite voor de nieuwe fusieclub, herontwikkeling van een vrijgekomen locatie, planologische compensatie door aansnijden van herbevestigd agrarisch gebied.” 3.
- Op 18 april 2018 keurt het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Alken de startnota met betrekking tot het GRUP goed. 3.
- Van 1 mei 2019 tot en met 30 juni 2019 vindt een publieke consultatie plaats tijdens dewelke de start- en procesnota kunnen geraadpleegd worden en het advies van meerdere adviesinstanties wordt ingewonnen. 3.4 Op grond van een scopingnota beslist de dienst Milieueffectrapportage van de Vlaamse overheid op 1 juli 2020 dat voor het voorgenomen GRUP geen planmilieueffectrapport (plan-MER) moet worden opgemaakt. 3.
- Op 26 augustus 2020 vindt een plenaire vergadering over een eerste voorontwerp van het GRUP plaats. 3.
- Op 24 februari 2021 vindt een plenaire vergadering over een tweede voorontwerp van het GRUP plaats. 3.
- Op 12 maart 2021 beslist het Team Milieueffectrapportage van de Vlaamse Overheid op basis van een scopingnota dat er geen plan-MER moet worden opgesteld. 3.
- Op 25 maart 2021 stelt de gemeenteraad van de gemeente Alken het ontwerp-GRUP voorlopig vast. 3.
- Van 3 mei 2021 tot en met 1 juli 2021 vindt het openbaar onderzoek over het ontwerp-GRUP plaats. X-18.180-3/33 3.
- Op 25 augustus 2021 verleent de gemeentelijke commissie voor ruimtelijke ordening van de gemeente Alken een advies over het ontwerp-GRUP. 3.
- Op 25 november 2021 stelt de gemeenteraad van de gemeente Alken het GRUP definitief vast. 3.
- Met een besluit van 13 januari 2022 schorst de Vlaamse minister bevoegd voor ruimtelijke ordening de voormelde beslissing van 25 november 2021 tot definitieve vaststelling van het GRUP (hierna: de schorsingsbeslissing van 13 januari 2022). De schorsingsbeslissing van 13 januari 2022 is als volgt gemotiveerd: “Motivering De gemeenteraadsbeslissing met betrekking tot de definitieve vaststelling van het ruimtelijk uitvoeringsplan ‘Sport- en Recreatievelden’ van 25 november 2021 geeft aan dat het advies van de GECORO wordt gevolgd en volgt de daaraan toegevoegde behandeling van de bezwaren. De gemeenteraad verwijst daarbij o.m. naar enkele aanpassingen die werden doorgevoerd aan het RUP naar aanleiding van dat advies. In diverse bezwaren naar aanleiding van het openbaar onderzoek wordt gewezen op de zeer natte zones van het plangebied, de onmogelijkheid tot infiltratie, de bijkomende druk door de geplande verhardingen, bebouwing én de aanleg van kunstgrasvelden, met risico op bijkomende wateroverlast. Diverse bezwaren geven aan dat de aanleg van wadi’s de waterproblematiek onvoldoende zullen oplossen gezien de lage infiltratiecapaciteit van het plangebied en het verlies aan waterbergend vermogen ingevolge de geplande inrichting. In de toelichtingsnota bij het ruimtelijk uitvoeringsplan wordt verwezen naar wateroverlast ten gevolge van afstroming van hoger gelegen velden en de beperkte infiltratiecapaciteit van het plangebied. In haar advies heeft de GECORO ook uitdrukkelijk verwezen naar de waterproblematiek en de vraag gesteld of de wadi’s voldoende garantie bieden voor de opvang van het hemelwater. Bij de behandeling van de bezwaren met betrekking tot de waterhuishouding en de watertoets inzake het deelplan ‘Broosveld’ heeft de GECORO en vervolgens de gemeenteraad zich beperkt tot een verwijzing naar een (bijkomend) ecologisch onderzoek ‘op basis van kaartmateriaal, terreinwaarneming en bodemboringen’ en de toelichtingsnota bij het ruimtelijk uitvoeringsplan. In die toelichtingsnota wordt onder ‘7.1.9.4 Effecten op het watersysteem’ een deel van dat onderzoek overgenomen, waarbij ook de voorgestelde aanbevelingen voor optimalisatie van het plan/het project worden opgesomd. Hierbij wordt ook X-18.180-4/33 verwezen naar het advies van de VMM naar aanleiding van de startnota en de daarin geformuleerde aanbevelingen inzake infiltratie en buffering. De stedenbouwkundige voorschriften van het deelplan ‘Broosveld’ laten binnen artikel 1.1 ‘Recreatiegebied’ en artikel 1.2 ‘Zone voor recreatie en parking’ bijkomende verhardingen en bebouwing toe. Hieromtrent worden slechts minimale voorwaarden opgenomen inzake oppervlakte, doorlatend karakter en groendaken. Eveneens wordt vastgesteld dat binnen de ‘Zone voor groenbuffer’ (art. 1.3) bijkomende verhardingen en constructies zijn toegelaten en dat 2/3 van die zone moet ingericht worden als groenstrook. Op geen enkele wijze wordt aangetoond dat binnen deze zone voldoende ruimte beschikbaar zal blijven om de noodzakelijke wadi’s en water- buffering op te vangen, zoals voorgeschreven in het advies van de VMM. De plannende overheid lijkt ervan uit te gaan dat het gevoerde ecologisch onderzoek voldoende garanties biedt om bijkomende wateroverlast te voorkomen. De plannende overheid heeft hierbij evenwel nagelaten in concreto te oordelen omtrent de bezwaren. De aanbevelingen van het ecologisch onderzoek werden niet allemaal vertaald in de voorschriften. Ook de aanbevelingen en opmerkingen van het advies van de VMM werden niet of onvoldoende opgenomen in de Stedenbouwkundige voorschriften. Bijgevolg dient geoordeeld te worden dat onvoldoende maatregelen worden opgenomen in de stedenbouwkundige voorschriften om de schadelijke effecten van het voorgenomen plan of project te vermijden of te milderen. Het louter doorschuiven van de watertoets naar het projectniveau door een ‘waterstudie’ op te leggen in kader van concrete vergunningsaanvragen is strijdig met de direct werkende norm zoals opgenomen in het Decreet Integraal Waterbeleid, gecoördineerd op 15 juni 2018, en geeft daarom aanleiding tot schorsing van voormeld gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan ‘Sport- en Recreatievelden’.” 3.13.
- Het GRUP wordt vervolgens aangepast, teneinde tegemoet te komen aan de schorsingsgronden van de schorsingsbeslissing van 13 januari
- Met het besluit van 31 maart 2022 stelt de gemeenteraad van de gemeente Alken het gewijzigde GRUP definitief vast. 3.13.
- Met betrekking tot de doorgevoerde aanpassingen om tegemoet te komen aan de schorsingsbeslissing van 13 januari 2022 overweegt de gemeenteraad in zijn besluit van 31 maart 2022: “Wat betreft de behandeling van de in concreto beoordeling van de bezwaren m.b.t. de waterhuishouding en de watertoets voor deelplan Broosveld, en het aantonen dat binnen de zone voor groenbuffer voldoende X-18.180-5/33 ruimte beschikbaar zal blijven voor noodzakelijke wadi’s heeft de gemeenteraad kennis genomen van volgende overwegingen: - In het advies van provincie Limburg dienst Water en Domeinen (verkeerdelijk vermeld als advies van VMM in de mer-screening) wordt i.f.v. advisering bij omgevingsvergunningsaanvragen een nuttige buffering vooropgesteld van 250m³/ha verharding. Speelvelden in natuurgras moeten niet beschouwd worden als verhardingen. Voor velden in kunstgras dient 25% van de oppervlakte in rekening te worden gebracht om te bufferen. - De grondwaterstanden werden bepaald a.d.h.v. verschillende bodem- boringen die werden uitgevoerd n.a.v. de ecologische studie, waarbij de gleyverschijnselen een goede indicatie van de hoogste grondwaterstanden geven. - Een eventuele [drainage] van ‘kunstgrasvelden’ is meegenomen in de bepaling van de benodigde buffercapaciteit door dergelijke velden in te calculeren als 25% verharde oppervlakte cfr. de richtlijnen van de provinciale dienst Water en Domeinen. - Een concrete inrichting van de sportsite situeert zich op projectniveau en is in de fase van het RUP nog niet gekend. Om de benodigde ruimte voor waterbuffering in te schatten op planniveau is in de plan-mer-screening uitgegaan van gewenste infrastructuur die door de voetbalclub is vooropgesteld en de randvoorwaarden die de voorschriften van het RUP stellen, en wordt rekening gehouden met de richtlijnen van de provinciale dienst Water & Domeinen m.b.t. het gewijzigd afstromingsregime (advies n.a.v. het 2de voorontwerp) en de analyse van de bodemprofielen en bijhorende conclusies inzake grondwaterstanden uit de ecologische studie: 0 idealiter 4 volwaardige voetbalvelden (elk 115mx66m), waarvan 1 als kunstgrasveld. Als het niet anders kan 3 volwaardige voetbalvelden, waarvan 2 als kunstgrasveld. Voor kunstgrasvelden moet 25% van de oppervlakte in rekening worden gebracht om te bufferen. Het benodigde buffervolume bij 2 kunstgrasvelden bedraagt 2x115mx66mx0,25x250m³/ha = 94,88 m³ 0 de totaal bebouwde oppervlakte in zone art. 1.1 is beperkt tot max. 1.500m². Gebouwen met een dakoppervlakte groter dan 40m2 moeten worden voorzien van een groendak. De voetbalclub heeft i.f.v. de merscreening vooropgesteld dat een kantine/clubhuis en tribune ca. 1.000m² zou beslaan. Dit betreffen sowieso constructies met een dakoppervlakte van groter dan 40m². I.f.v. de berekening van het benodigde buffervolume is de dakoppervlakte met groendak te delen door twee, overeenkomstig de hemelwaterverordening. Het benodigde buffervolume bedraagt hiervoor 1.000m²/2 x 250m³/ha = 12,5m³ 0 De verhardingen moeten beperkt blijven tot het strikt noodzakelijke. Als worstcase i.f.v. een inschatting van het benodigde buffervolume wordt uitgegaan dat de volledige oppervlakte van de zone die niet ingenomen wordt door 4 voetbalvelden en kantine/clubhuis en tribune, volledig verhard is en/of bebouwd is met verschillende constructies kleiner dan 40m². Dit is een oppervlakte van 39.270 m² (oppervlakte zone) - 30.360m² X-18.180-6/33 (oppervlakte velden) - 1.000m² (oppervlakte kantine/clubhuis en tribune) = 7.910m². Het benodigde buffervolume bedraagt 7.910m²x250m³/ha = 197,75 m³ 0 in de zone art. 1.2 moet een parking worden voorzien met een voldoende capaciteit om de eigen parkeerbehoefte op te vangen. De parkeerbehoefte is begroot in de plan-mer-screening. Daaruit blijkt dat een parkeeraanbod van 200 plaatsen ruimschoots volstaat. In de gewenste situatie is rekening gehouden met een oppervlakte van de parking van 6.000 m². Daarvoor is een buffervolume nodig […] van 6.000m²x250m³/ha=150 m³. o Het totaal benodigde buffervolume in deze worstcase-inschatting op planniveau 94,88 +12,5+197,75+150 = 455,13 m³. o Bij een gemiddelde nuttig buffervolume van 0,5m³ per strekkende m lengte van een buffervoorziening, is een totale lengte aan buffervoorzieningen van 455,13m³/0,5m = 910,26m nodig. De totale lengte van de zone voor groenbuffer (art. 1.3) bedraagt ca. 1.036m. 0 Rekening houdend met het vooropgestelde typeprofiel voor de buffervoorziening in het advies van de provinciale dienst Water en Domeinen, betekent een gemiddelde nuttig buffervolume van 0,5m³ per strekkende meter, met een flauwe hellingsgraad van de taluds van open buffervoorzieningen (12/4), een hoogte van de knijpleiding 20cm boven de bodem, en de bodem op gemiddeld 45cm diepte (waargenomen hoogste grondwaterstanden a.d.h.v. de boringen uitgevoerd n.a.v. de studie ‘ecologisch onderzoek’ tussen 20 en 70 cm onder maaiveld). Dit levert een nuttig buffervolume met een hoogte van 25cm per strekkende meter. I.f.v. een nuttig buffervolume van 0,5m³ per strekkende meter, betekent dit dat de buffervoorziening gemiddeld 3,35 m breed moet zijn. 0 De zones voor groenbuffering moeten voor 2/3de dicht beplant worden. Deze zones zijn overwegend 15m breed, behoudens een klein deel in het zuidwesten van het plangebied met een breedte van 10m. In de 15m brede strook voor groenbuffer langs de Expressweg is er geen verplichting tot dichte beplanting. Er is dus zeker een ruimte van overwegend 5m breed (3,3m in het smallere deel van de bufferstrook en 15m in de bufferstrook langs N80) beschikbaar voor het voorzien van de buffervoorzieningen in de zones voor groenbuffer. - Voorgaande berekening, i.f.v. de toetsing op planniveau, ligt aan de grondslag van de conclusie uit de mer-screening, waarin wordt gesteld dat de voorziene groenbuffers ruim voldoende zijn om voldoende wadi-capaciteit te incorporeren. In de watertoets, uitgevoerd op planniveau i.f.v. de vaststelling van het RUP en zonder kennis van een concrete inrichting van de site, wordt verwezen naar deze conclusie uit de mer-screening en het advies van de waterbeheerder (provinciale dienst Water en Domeinen). De watertoets wordt dus niet doorgeschoven naar het projectniveau en is gebaseerd op een concrete inschatting op planniveau van de benodigd volume voor waterbuffering. Uit de berekening blijkt dat X-18.180-7/33 zelfs bij ondiepe wadi’s (boven grondwaterpeil) afdoende buffercapaciteit kan worden gecreëerd. Bijkomend wordt opgemerkt dat voorgaande berekening wordt beschouwd als een worstcase-inschatting, bij gebrek aan een concrete inrichting op projectniveau, om volgende redenen: 0 Ook in de zones art. 1.1 (recreatiegebied) en art. 1.2 (zone voor recreatie en parking) zijn werken en handelingen i.f.v. behoud en herstel van het waterbergend vermogen en voorkomen van wateroverlast. 0 Bij 4 volwaardige velden heeft de club behoefte aan slechts 1 kunstgrasveld, waardoor dan minder waterbergingsvolume nodig is. De 2 kunstgrasvelden zijn nodig indien slechts drie velden worden gerealiseerd, waardoor er meer ruimte voor waterberging is. 0 Meer dan 4 volwaardige voetbalterreinen zijn – gelet op de oppervlakte en configuratie van het plangebied – niet mogelijk in het plangebied. Als alle 4 de velden toch als kunstgrasveld (of gedraineerd) zouden worden aangelegd, is t.o.v. voorgaande berekening een extra buffervolume nodig van 94,88m³. Dit zou betekenen dat een verbreding van de wadi’s tot ca. 5m nodig is over lengte van ca. 230m. 0 Er is uitgegaan van een volledige verharding/bebouwing van de ruimte die niet ingenomen is door speelvelden. De voorschriften beperken de maximaal bebouwde oppervlakte tot 1500m² en de maximale verharding tot de strikt noodzakelijke voor circulatie tussen en omheen de sportterreinen en bebouwing. 0 Voor de parking is het benodigde buffervolume berekend a.d.h.v. 6.000 m² parkeerverharding. Gangbaar wordt 25m² per parkeerplaats (incl. circulatieruimte) gerekend. Voor een parking van 200 parkeerplaatsen zou dus slechts 5.000 m² nodig zijn. 0 De voorschriften voor de zone voor groenbuffer laten toe dat de groenaanplant kan gecombineerd worden met wadi’s, waardoor de beschikbare breedte voor wadi’s groter is dan 1/3de van de strook. Deze gedetailleerde berekening kan als bijlage opgenomen worden in de toelichtingsnota. De foutieve verwijzing naar het advies van VMM moet worden aangepast. Wat betreft de stedenbouwkundige voorschriften van het deelplan ‘Broosveld’ m.b.t. bijkomende verhardingen en bebouwing binnen art. 1.1 ‘recreatiegebied’ en artikel 1.2 ‘Zone voor recreatie en parking’ waarbij daaromtrent slechts minimale voorwaarden opgenomen zouden zijn inzake oppervlakte, doorlatend karakter en groendaken: - De oppervlakte aan bebouwing in zone art. 1.1 (recreatiegebied) is expliciet beperkt tot 1.500m². Bebouwing in zone art. 1.2 (recreatie en parking) is beperkt tot kleinschalige toegangsinfrastructuur i.f.v. het functioneren van de sportsite wat toelichtend is verduidelijkt tot een gebouwtje voor ticketverkoop en toegangscontrole. De verhardingen in zone art. 1.1 zijn beperkt tot de strikt noodzakelijke verhardingen voor de circulatie tussen en omheen de sportterreinen en bebouwing. In de berekening die aan de basis ligt van de watertoets is rekening gehouden met X-18.180-8/33 een volledige verharding/bebouwing van deze zones (behoudens de ruimte voor 4 voetbalvelden) zodat een bijkomende beperking niet nodig wordt geacht i.f.v. de realisatiemogelijkheden van voldoende waterbuffer- capaciteit. - Gelet op de beperkte infiltratiegevoeligheid van de bodem is in de studie ‘ecologisch onderzoek’ geadviseerd om ofwel waterdoorlatende, groene verhardingen ofwel niet-waterdoorlatende verhardingen met afvoer naar wadi te voorzien. Ook in het advies van de provinciale dienst Water en Domeinen wordt gesteld dat, gelet op de beperkte infiltratiecapaciteit, het verantwoord is om over te gaan naar buffering met vertraagde afvoer i.p.v. infiltratie. Bij regenweer zouden (verplichte) waterdoorlatende verhardingen, gelet op de beperkte infiltratiegevoeligheid van de bodem, niet meer optimaal bruikbaar kunnen zijn. Daarom is niet opgelegd dat verhardingen waterdoorlatend moeten zijn. Er is wel opgelegd dat ondoorlatende verhardingen mogen mits de nodige buffercapaciteit wordt voorzien binnen het plangebied. - Er is opgelegd dat alle dakoppervlaktes van 40m² of meer moeten voorzien zijn van een groendak. Dit is in overeenstemming met de hemelwaterverordening. Voor kleinere gebouwen/constructies wordt dit niet opgelegd. In de berekening die aan de basis ligt van de watertoets is rekening gehouden met een volledige verharding/bebouwing van deze zones zonder groendak (behoudens een kantine/clubhuis en tribune van 1.000m² met groendak) zodat een bijkomende beperking niet nodig wordt geacht i.f.v. de realisatiemogelijkheden van voldoende waterbufferings- capaciteit. In de toelichtende kolom bij de voorschriften kan verder verduidelijkt worden dat bebouwing en overdekte constructies kleiner dan 40 m² als ook alle verhardingen die niet onder vorm van zgn. grastegels worden aangelegd, moeten meegerekend worden als verharding voor het bepalen van de benodigde buffercapaciteit op projectniveau en dat de maximale bebouwde oppervlakte van 1.500 m² geldt voor het geheel van gebouwen in de zones art. 1.1 en art. 1.2 samen. Wat betreft de toegelaten bijkomende verhardingen en constructies in zone art. 1.3 ‘Zone voor groenbuffer’ waardoor niet zeker zou zijn dat binnen deze zone voldoende ruimte beschikbaar zal blijven voor de noodzakelijke wadi’s en waterbuffering: - In de zone art. 1.3 zijn enkel verhardingen mogelijk voor brandwegen indien dit om redenen van brandveiligheid wordt opgelegd. In de strook langsheen de N80 was een fietspad en/of aanhorigheden bij dat fietspad toegelaten. In de strook palend aan de Hoge Hofweg is een toegang naar de sportsite voor voetgangers en fietsers, dienstverkeer en hulpdiensten nodig. Qua constructies zijn afsluitingen mogelijk. Andere verhardingen en constructies laten de voorschriften niet toe. - Met betrekking tot de brandwegen is in de toelichtende kolom verduidelijkt dat de mogelijkheid restrictief te interpreteren is en brandwegen maximaal binnen art. 1.1 (zone voor recreatie) moeten worden voorzien en dat (plaatselijke) brandwegen in de zone art. 1.3 niet ten koste mag gaan van de gewenste functie van de bufferstroken en louter onder de vorm van zgn. grastegels kunnen worden aangelegd. In de voorschriften is X-18.180-9/33 deze gewenste functie omschreven door de bepaling dat de inrichting een groen karakter moet hebben en de visuele afscherming, geluids- afscherming, landschappelijke inpassing en buffering van afstromend hemelwater van de sportsite moet bewerkstelligen. - De strook voor groenbuffer langs N80 is 15m breed. Voor deze strook is expliciet gesteld dat hier maximaal ingezet moet worden op waterbuffering en is opgenomen dat de verplichting om min. 2/3de dicht te beplanten er niet van toepassing is. Aangezien ondertussen de deputatie van provincie Limburg op 4 februari 2022 een besluit heeft genomen tot wijziging van het bovenlokaal functioneel fietsroutenetwerk, zal het tracé van de fietssnelweg niet meer door het plangebied van het RUP lopen en kan de mogelijkheid tot verharding voor een fietspad en/of aanhorigheden in deze strook groenbuffer uit de voorschriften worden geschrapt, zodat de ruimte maximaal kan worden ingezet voor waterbuffering. - De voorschriften m.b.t. de onderbrekingen voor toegang naar de sportsite voor voetgangers en fietsers, dienstverkeer en hulpdiensten vanuit de Hoge Hofweg stellen uitdrukkelijk dat de onderbrekingen (en dus de hiertoe noodzakelijke verhardingen) zo smal mogelijk en beperkt in aantal moeten zijn. In de toelichtende kolom is verduidelijkt dat dit in principe inhoudt: max. 4m per doorgang en max. 2 toegangen, en dat hiervan enkel kan afgeweken worden indien dit niet voldoet aan de eisen gesteld door de hulpdiensten. Dit zou beteken[en] dat de nuttige lengte voor wadi’s in de bufferstroken (art. 1.3) ca. 8m korter is dan de totale lengte van de bufferstroken. Met een berekende nodige lengte van waterbuffering van 910,26m t.o.v. een totale lengte van de zone voor groenbuffer (art. 1.3) van 1.036m, heeft een onderbreking van 8m geen impact op de mogelijkheden om voldoende buffercapaciteit te voorzien. Bovendien kan ook onder deze toegangen d.m.v. inbuizingen buffer- capaciteit behouden blijven. Wat betreft de aanbevelingen van het ecologisch onderzoek die niet allemaal werden vertaald in de voorschriften, zijn volgende elementen in het ecologisch onderzoek i.f.v. de waterhuishouding aangereikt en nagenoeg volledig doorvertaald in het oorspronkelijk vastgestelde plan: - Kiezen voor het inrichtingsalternatief uit de startnota dat in het ecologisch onderzoek als inrichtingsalternatief 2 wordt benoemd (figuur 29 in het ecologisch onderzoek). Dit advies vindt doorvertaling in het grafisch plan. De plancontour reikt zelfs minder ver in de open ruimte en vrijwaart de natte zones met kwelindicaties volledig. Bovendien is de zone voor recreatie verder van de N80 verwijderd – en dus buiten het potentieel overstroombaar gebied cfr fig. 13 uit het ecologisch onderzoek – dan de intekening van het zuidoostelijk voetbalveld in het inrichtingsalternatief. - Twee opties voor verhardingen: waterdoorlatende groene verhardingen of niet-waterdoorlatende verhardingen met afvoer naar wadi. Er is gekozen om niet-waterdoorlatende verhardingen toe te laten zodat verhardingen ook functioneel blijven bij hevige regenval. Dergelijke verhardingen vallen onder hemelwaterverordening. In de voorschriften is expliciet bepaald dat verhardingen onverhard mogen zijn mits de nodige X-18.180-10/33 buffercapaciteit wordt voorzien binnen het plangebied d.m.v. open wadi’s. Er kan bijkomend gespecifieerd worden dat alle niet-waterdoorlatende verhardingen moeten meegerekend worden om de benodigde buffercapaciteit voor het geheel van het plangebied te bepalen, zodat ook kleinere vrijliggende verhardingen – die buiten het toepassingsgebied van de hemelwaterverordening vallen maar plaatselijk de infiltratiecapaciteit van de bodem beperken – worden gecompenseerd. In de voorschriften kan ook toegevoegd worden dat waterdoorlatende verhardingen enkel onder de vorm van groene verhardingen (zgn. grastegels) mogelijk zijn om te voorkomen dat andere waterdoorlatende verhardingen (bv. poreuze betonklinkers of bestrating met brede voeg) buiten het toepassingsgebied van de hemelwaterverordening vallen maar toch een impact hebben op de beschikbare infiltratiecapaciteit van de bodem en niet zouden worden meegerekend i.f.v. te bufferen hemelwatervolume. Ook de tekstdelen in de toelichtende kolom dat infrastructurele behoeften en het voldoen aan de specifieke normen en richtlijnen voorrang hebben op de inrichtingsrandvoorwaarden moet worden genuanceerd. Dit kan enkel worden beschouwd als een verduidelijking van ‘het zoveel mogelijk bundel[en] van de noodzakelijke bebouwing in één gebouwencluster’ en ‘het zoveel mogelijk behouden van bestaande bomen in de delen die niet door sportvelden worden ingenomen’. Zo kan geen twijfel bestaan dat niet kan worden afgeweken van de inrichtingsvoorschriften die de impact op het waterhuishouding moeten beperken. - De aanleg van wadi’s voor lokale buffering van regenwater. Dit is opgenomen in de voorschriften. - De aanleg van groendaken op de gebouwen. Dit is opgenomen in de voorschriften voor dakoppervlaktes van 40m² of meer, overeenkomstig de hemelwaterverordening. Voor kleinere constructies kan in de voorschriften worden opgenomen dat deze als niet-waterdoorlatende verhardingen moeten meegerekend worden om de benodigde buffercapaciteit voor het geheel van het plangebied te bepalen. Wat betreft de aanbevelingen en opmerkingen van het advies van de VMM die niet of onvoldoende werden opgenomen in de stedenbouwkundige voorschriften wordt opgemerkt dat vermoedelijk het advies van de waterloopbeheerder (provinciale dienst Water en Domeinen) en niet VMM wordt bedoeld, wat ook verkeerdelijk in de plan-mer-screening was vermeld. Het advies van VMM op het 2de voorontwerp houdt immers geen aanbevelingen of opmerkingen m.b.t. deelplan Broosveld in. In dat laatste advies van VMM wordt wel verwezen naar eerdere adviezen (startnota en 1ste voorontwerp) waarin volgende algemene maatregelen worden vooropgesteld die ook van toepassing zijn voor deelplan Broosveld: - Schadelijke effecten inzake infiltratie kunnen worden ondervangen indien de aanvraag voldoet aan de hemelwaterverordening. Deze verordening is/blijft van toepassing op omgevingsvergunnings- aanvragen. X-18.180-11/33 - In alle zones moet het naast de hoofdbestemming toegelaten zijn om waterpartijen en afwateringsgrachten te voorzien t.b.v. de waterhuishouding in het gebied. Dit is opgenomen in de bestemmingsvoorschriften. In het advies van de provinciale dienst Water en Domeinen worden volgende voorwaarden m.b.t. deelplan Broosveld opgesomd: ‘Het bestaande overstromingsvolume onder het peil 37,00 m TAW moet behouden blijven. Een strook van 40 à 50 meter tegen de N80 moet sowieso overstroombaar blijven. De voorziene groenbuffer tegen de N80 wordt daarom bij voorkeur verbreed. Indien verbreding van de groenbuffer tegen de N80 niet mogelijk is, moet het RUP in ieder geval voorzien om in de andere zones de ruimte voor water te behouden: - Ophogingen in overstroombaar gebied worden niet toegelaten, of moeten elders in het plan gecompenseerd kunnen worden. - Uitgravingen worden wel toegelaten, eventueel om ingenomen overstromingsvolume elders te compenseren. - Er mag echter niet dieper uitgegraven worden dan het laagste punt van het terrein.’ Een verbreding van de groenbuffer langs N80 tot 40 à 50m zou de inrichtingsmogelijkheden van de zone in aanzienlijke mate beperken. Daarom is gekozen om de ruimte voor water in het plangebied als geheel te behouden, en een 50m strook t.o.v. de plangrens evenwijdig aan de Expressweg overstroombaar te houden. Dit voldoet aan de voorwaarden uit het advies en laat toe om op projectniveau een optimale inrichting i.f.v. de afstemming tussen gewenste voetbalinfrastructuur, de waterhuishouding en de overige randvoorwaarden qua parkeren en buffering. In de voorschriften voor deelplan Broosveld kunnen de voorwaarden uit het advies echter explicieter doorvertaald worden: dat het kombergend vermogen van het geheel van de zones art. 1.1, art. 1.2 en art. 1.3 als geheel niet verminderd mag worden, en waar mogelijk vergroot moet worden, wat inhoudt dat minstens het bestaande overstromingsvolume onder peil 37,00m TAW moet behouden blijven of gecompenseerd moet worden binnen het geheel van de zones art. 1.1, art. 1.2 en art. 1.
- Er mag niet dieper uitgegraven worden dan het laagste punt van het terrein. Daarnaast kan een verbod op bebouwing en het overstroombaar houden van constructies in een 50m-strook t.o.v. de plangrens parallel aan de Expressweg worden ingeschreven. Op die manier wordt gegarandeerd dat de absoluut noodzakelijke voetbalinfrastructuur – zoals aangegeven door de voetbalclub zelf: min. 3 velden en bijhorend kleedruimte/cafetaria – op de hogere terreindelen kan worden gerealiseerd en de laagst gelegen 50m-strook overstroombaar kan blijven bij extreme regenval. Zoals blijkt uit figuur met de pluviale overstromingskaart en bijhorende kleurlegende uit het advies van de provinciale dienst Water en Domeinen ligt de meest overstromingsgevoelige zone vooral t.h.v. de groenbuffer parallel aan de Expressweg en zal de infrastructuur in zone voor recreatie en parking (art. 1.2) enkel bij extreme regenval (terugkeerperiode T100 en T1000) overstromen, zodat dit de goede werking van de sportsite niet hypothekeert. X-18.180-12/33 Na terugkoppeling met de provinciale dienst Water en Domeinen is ook te voorzien dat er wel beschermende maatregelen mogelijk zijn tegen overstroming t.o.v. de aanpalende woning in de Stationsstraat. Tevens kan worden opgenomen dat de aanleg van de voetbalsite niet mag leiden tot bijkomend afstromend hemelwater naar de omgeving. Daarbij is te verduidelijken dat dit inhoudt dat voldoende buffering van afstromend hemelwater in het gebied zelf moet worden voorzien met vertraagde lozing naar het hydrografisch net, en dat ophoging niet mogen leiden tot stremming van de natuurlijke afstroming van hemelwater vanuit aanpalende percelen. Voor het berekenen van de benodigde buffercapaciteit moet de geldende regelgeving en richtlijnen van adviesinstanties in de omgevingsvergunningenprocedure worden gevolgd (hemelwaterverordening, adviezen wateradviesinstanties). De inrichting van de sportsite biedt ook een opportuniteit om de bestaande wateroverlast in de omgeving bij hevige buien te beperken. Dit kan ook opgelegd worden in de voorschriften door de vrije ruimte die niet wordt ingenomen door op te leggen dat de ontwikkeling van de voetbalinfrastructuur met bijhorende landschappelijke, water- en geluidsbuffering moet ingezet worden voor het vergroten van het kombergend vermogen t.o.v. de bestaande toestand. In het advies van de provinciale dienst Water en Domeinen is verder vermeld dat in het kader van een omgevingsvergunningsaanvraag advies zal moeten worden gevraagd aan de waterbeheerder vanaf een verharde oppervlakte van 1000m². In het kader daarvan zijn voorwaarden opgenomen waaraan moet worden voldaan (buffervolume per ha verharde oppervlakte, lozingsdebiet leegloop, typedwarsprofiel open bufferbekken). Deze adviesplicht blijft van toepassing voor omgevingsvergunnings- aanvragen in het plangebied. De concrete voorwaarden zijn niet opgenomen in de voorschriften van het RUP. Het betreft immers voorwaarden die bij advisering van omgevingsvergunningsaanvragen worden gehanteerd vanuit een ander beleidsdomein dan de ruimtelijke ordening. De geformuleerde voorwaarden zijn wel gehanteerd bij de toetsing van het benodigde ruimte voor waterbuffering op planniveau.” 3.13.
- Het besluit van 31 maart 2022 van de gemeenteraad van de gemeente Alken stelt verder dat de stedenbouwkundige voorschriften van het deelplan Broosveld naar aanleiding van de schorsingsbeslissing van 13 januari 2022 als volgt werden aangepast: “- In de voorschriften van art. 1.1 is verduidelijkt dat de maximale bebouwde oppervlakte van 1.500 m² geldt voor het geheel van gebouwen in de zones art. 1.1 en art. 1.2 samen; - De voorschriften m.b.t. het verplichte groendak voor gebouwen van 40m² of meer en de maximale bebouwde oppervlakte van 1.500m² voor het geheel van de sportsite (art. 1.1 en art. 1.2) is ook opgenomen bij art. 1.2; - In de voorschriften van art. 1.1 en art. 1.2 is opgenomen dat bebouwing niet mogelijk is in de 50m-strook t.o.v. de plangrens die evenwijdig loopt X-18.180-13/33 met de Expressweg en dat alle constructies overstroombaar moeten worden aangelegd, en dat beschermende maatregelen tegen overstroming van aanpalende woning in de Stationsstraat mogelijk zijn. - Bij de voorschriften van art. 1.1 en art. 1.2 is verduidelijkt dat bebouwing en overdekte constructies kleiner dan 40 m² en alle andere verhardingen dan grastegels moeten meegerekend worden als verharding voor het bepalen van de benodigde buffercapaciteit; - De mogelijkheid voor een fietspad en/of aanhorigheden in de strook langs de N80 is geschrapt uit de voorschriften van art. 1.3; - In de voorschriften van art. 1.3 is opgenomen dat ev. verhardingen i.f.v. brandwegen enkel onder de vorm van zgn. grastegels mogen worden aangelegd. - De tekstdelen in de toelichtende kolom bij de inrichtingsvoorschriften van art. 1.1 die stellen dat infrastructurele behoeften en het voldoen aan de specifieke normen en richtlijnen voorrang hebben op de inrichtingsrandvoorwaarden, zijn genuanceerd door te bepalen dat dit enkel betrekking heeft op de inrichtingsvoorwaarden m.b.t. het behoud van bestaande bomen en maximaal clusteren van bebouwing in deze zone. - In de voorschriften van art. 1.1, art. 1.2 en art. 1.3 is opgenomen dat de aanleg van de sportsite niet mag leiden tot bijkomend afstromend hemelwater naar de omgeving en dat het kombergend vermogen van de zones art. 1.1, art. 1.2 en art. 1.3 als geheel niet verminderd mag worden, en zo veel mogelijk vergroot moet worden, wat inhoudt dat minstens het bestaande overstromingsvolume onder peil 37,00m TAW moet behouden blijven of gecompenseerd moet worden binnen het geheel van de zones art. 1.1, art. 1.2 en art. 1.
- Er mag niet dieper uitgegraven worden dan het laagste punt van het terrein. In de toelichtende kolom is nader verduidelijkt hoe dit moet worden geïnterpreteerd bij de beoordeling van concrete vergunningsaanvragen. Tevens is opgenomen dat de resterende beschikbare ruimte moet ingezet worden voor het vergroten van het kombergend vermogen van het gebied t.o.v. de huidige toestand. - Bij art. 1.2 zijn inrichtingsvoorschriften m.b.t. max. bouwhoogte en terreinaanleg van de delen van het terrein die niet ingenomen zijn door bebouwing, verhardingen en infrastructuur verplaatst van de titel ‘bestemming’ naar de titel ‘inrichting’; dit houdt geen inhoudelijke wijziging van het RUP in;” 3.13.
- Nog wordt in het besluit van 31 maart 2022 van de gemeenteraad van de gemeente Alken aangegeven dat in de toelichtingsnota bij het GRUP naar aanleiding van de schorsingsbeslissing van 13 januari 2022 de volgende aanpassingen werden aangebracht: “- Een rekennota ‘buffercapaciteit’ werd toegevoegd als bijlage. Doorheen de tekst zijn verwijzingen naar deze bijlage opgenomen. X-18.180-14/33 - De (foutieve) verwijzing naar het advies van VMM in pt. 7.1.9.4 van de mer-screening werd aangepast naar de (correcte) verwijzing naar het advies van de provinciale dienst Water en Domeinen. Er is verduidelijkt dat de oorspronkelijke optie van een fietssnelweg langsheen N80 als planoptie is verlaten, n.a.v. een beslissing van de deputatie tot verlegging van het tracé. De overige verwijzingen naar de fietssnelweg zijn geschrapt. Dit houdt geen wijziging in van de mer-screening, aangezien in de effectbeschrijving en -beoordeling geen rekening is gehouden met een eventuele fietssnelweg langs/doorheen het plangebied. Met voormelde wijzigingen wordt in afdoende mate tegemoet gekomen aan de bezwaren, het advies van de GECORO en de overwegingen in het schorsingsbesluit van de minister. Een aanpassing van de grafische plannen t.o.v. de versie die op [25 november 2021] definitief werden vastgesteld is niet nodig. Op 18 februari 2022 werd in naam van een aantal omwonenden of eigenaars van gronden in de omgeving een waterstudie bezorgd aan de gemeenteraadsleden waarin een analyse is gebeurd van de mogelijke effecten op de waterhuishouding ten gevolge van het RUP. Deze studie is buiten de procedurele inspraakmomenten ingediend, maar bouwt wel voort op ingediende bezwaren tijdens het openbaar onderzoek. De gemeenteraad heeft deze studie met aandacht bekeken en komt hierbij tot volgende conclusies: - De analyse van de bodem en grondwaterpeilen bevestigen de analyseresultaten uit het ecologisch onderzoek, nl. beperkte infiltratiegevoeligheid van de bodem, kans op stagnerend hemelwater (pluviale overstromingskans in het zuidwesten van het plangebied) en vrij hoge grondwaterpeilen. In functie van de waterstudie werden bijkomende grondboringen verricht (twee in/vlakbij het plangebied) waarbij een grondwaterpeil van 31 cm en 63 cm onder maaiveldniveau werd gemeten, in de meest natte periode van het jaar. In de boringen van de ecologische studie situeerde de waargenomen gleyverschijnselen zich in de bodemstalen tussen 20 tot 70 cm onder maaiveldniveau. De conclusie in de waterstudie – dat het grondwaterpeil over het grootste deel van het geplande sportterrein varieert tussen 0 en 40 cm – geeft een enigszins vertekend beeld, aangezien binnen het plangebied in de natste periode geen kwel (grondwater op maaiveldniveau) is waargenomen. Dit doet dan ook geen afbreuk aan het uitgangspunt uit de rekennota die werd toegevoegd aan het dossier, waarin rekening is gehouden met een nuttige bufferhoogte van wadi’s van gemiddeld 25 cm in het plangebied, aangezien in de delen met lagere grondwaterstanden t.o.v. het maaiveld ook diepere wadi’s kunnen worden gecreëerd. - In de beschrijving van de geplande aanpassingen in het gebied n.a.v. de aanleg van een sportsite wordt geen rekening gehouden met maatregelen inzake waterbuffering en behoud/compensatie van het overstromingsvolume die zijn ingeschreven in de stedenbouwkundige voorschriften en moeten doorwerken in de terreinaanleg. Hierdoor wordt de natuurlijke afvoer van het gebied niet afgesneden maar verlegd naar buffervoorzieningen (bv. wadi’s met vertraagde afvoer) in het gebied zelf. X-18.180-15/33 Bovendien wordt expliciet in de voorschriften opgenomen dat het overstromingsvolume onder peil 37,00m TAW moet behouden blijven of gecompenseerd in het plangebied, zodat de bergingscapaciteit voor stagnerend hemelwater bij extreme regenval in het gebied behouden blijft en niet afgewenteld wordt op de omgeving. - Bovendien wordt gesteld dat infiltratie niet evident is, maar in het plan is uitgegaan van buffering met vertraagde afvoer i.p.v. infiltratie. In de rekennota die werd toegevoegd aan het dossier blijkt dat er voldoende buffercapaciteit kan voorzien worden binnen het plangebied, rekening houdend met de richtlijnen van de provinciale dienst Water & Domeinen inzake te voorziene buffercapaciteit. - Er wordt verondersteld dat grootschalige nivelleringen moeten worden uitgevoerd om hoogteverschillen van 1 à 2 m te overwinnen binnen hetzelfde voetbalveld. Nochtans stelt het bondsreglement van Voetbal Vlaanderen dat speelvelden voor wedstrijden een hellingspercentage mogen hebben tot 2% (boek B titel 6 artikel B6.10). Op een veldlengte van 100m betekent dit een niveauverschil van 2m, zodat de noodzaak tot nivelleringen veeleer beperkt zal zijn. - Navraag bij één van de grote ondernemingen gespecialiseerd in de aanleg en onderhoud van o.a. sportterreinen, leert dat de opbouw van een wedstrijdveld gelijkaardig is voor kunstgrasvelden of natuurgrasvelden, en niet sterk afhankelijk van de aard van de ondergrond. De opbouw omvat een zanderige onderlaag (of steenpuin, lava,...) die een drainage omvat, en een toplaag met geovlies en het gras. De totale opbouwhoogte is ongeveer 40 à 45 cm vanaf de ondergrond, waarbij de ondergrond gangbaar het huidig maaiveld -20 cm is (dus 20 à 25 cm ophoging tov huidig maaiveldniveau). Enkel indien grondwaterstanden hoger zijn dan 20 cm onder maaiveldniveau ter hoogte van de aan te leggen velden, zal de ophoging tot max. 45 cm boven huidig maaiveldniveau nodig zijn. De [drainage] van de velden wordt gecompenseerd in het plangebied. De richtlijnen van de provinciale dienst Water & Domeinen vragen dat kunstgrasvelden (gedraineerde velden) voor 25% als verharde oppervlakte worden gerekend, met een nuttig buffervolume van 250m³/ha verharde oppervlakte. Uit de rekennota die aan het dossier is toegevoegd, blijkt dat zelfs bij 4 dergelijke velden voldoende buffervolume in het plangebied kan worden voorzien. - De conclusie dat ophoging en nivellering het waterbergend vermogen van het terrein sterk zal verminderen, is een conclusie die geen rekening houdt met de bepalingen in de stedenbouwkundige voorschriften dat de aanleg van de sportsite niet mag leiden tot bijkomend afstromend hemelwater naar de omgeving en het overstromingsvolume onder peil 37,00 TAW moet behouden blijven of gecompenseerd in het plangebied. In de concrete inrichting van het terrein […] zijn afdoende maatregelen te nemen om het waterbergend vermogen van het terrein te behouden of te compenseren. Bovendien zijn maatregelen die nodig of nuttig zijn voor het behoud en herstel van het waterbergend vermogen van het plangebied en het X-18.180-16/33 voorkomen van wateroverlast in aanpalende gebieden toegelaten in alle bestemmingszones van de sportsite, niet enkel in de bufferstrook.” 3.
- Het grafisch plan van het te dezen relevante deelplan ‘Broosveld’ van het GRUP is het volgende: X-18.180-17/33 De legende bij dit plan luidt: 3.
- Met het bestreden besluit van 18 mei 2022 schorst de deputatie van de provincieraad van de provincie Limburg het onder randnummer 3.13.1 vermelde besluit van de gemeenteraad van de gemeente Alken van 31 maart 2022 tot definitieve vaststelling van het gewijzigde GRUP. Het bestreden besluit bevat de volgende overwegingen: “Overwegende dat de schorsing alleen kan worden doorgevoerd omwille van redenen zoals exhaustief opgesomd in artikel 2.2.
- §2 van de VCRO; Overwegende dat het provinciebestuur op 2 april 2022 het GRUP-Sport- en recreatievelden te Alken heeft ontvangen, zoals definitief vastgesteld door de gemeenteraad van Alken op 31 maart 2022; Overwegende dat het GRUP-Sport- en recreatievelden te Alken als doel heeft de benodigde sportinfrastructuur voor één voetbalclub (fusie van drie plaatselijke voetbalclubs) op één locatie planologisch mogelijk te maken en een planologische herbestemming van de huidige voetballocaties door te voeren; Overwegende dat het GRUP-Sport- en recreatievelden te Alken gemotiveerd afwijkt van de richtinggevende bepalingen van het GRS en dit omwille van de nieuwe ruimtelijke behoeften van een fusie-voetbalclub en omwille van de uitwerking van het masterplan voor De Alk (Alken Valley 2020) en de aanduiding van WORG; Overwegende dat het GRUP-‘Sport- en recreatievelden’ in zijn globaliteit kadert binnen de doelstellingen van het RSPL (en het RSV); Overwegende dat de doorgevoerde wijzigingen in functie van de tweede definitieve vaststelling niet enkel verduidelijkingen of eenvoudige wijzigingen betreffen, maar dat er essentiële en substantiële aanpassingen werden doorgevoerd in de verordenende stedenbouwkundige voorschriften; Overwegende dat deze wijzigingen individueel, maar vooral cumulatief een bijzondere impact hebben op zowel het voorziene programma dat X-18.180-18/33 onderzocht werd in het MER en het RUP, maar vooral op de effectieve realisatiemogelijkheden en bouwprogramma op het terrein; Overwegende dat de aanpassingen, de gewijzigde planopties en de onduidelijke realisatiemogelijkheden aanleiding kunnen geven tot verwarring en onzekerheid bij het brede publiek, in het bijzonder bij de rechtstreeks betrokkenen; de voetbalclubs, de directe buren van het plangebied en de individuele perceeleigenaars; Overwegende dat deze onduidelijkheden aanleiding kunnen geven tot een verdere juridische procedure; Overwegende dat enkel een nieuwe publieke raadpleging, via de organisatie van een openbaar onderzoek, duidelijkheid kan creëren over de door het gemeentebestuur aangebrachte wijzigen inzake planopties en voorschriften; Overwegende dat de meeste van de aangebrachte wijzigingen een rechtstreekse doorvertaling zijn van het gevoerde ecologische onderzoek ‘Ecologisch onderzoek zoekzone Broosveld’; dat deze studie geen onderdeel uitmaakte van het eerste georganiseerde openbaar onderzoek, maar later in de procedure als bijlage 10.3 werd toegevoegd in functie van de eerste definitieve vaststelling; dat de publieke kennisgeving van dit document een gewichtig element is in functie van het vermijden van extra procedureslagen; Overwegende dat de deputatie van oordeel is dat zowel het vernoemde ecologisch onderzoek als de aangebrachte wijzigingen in functie van de tweede definitieve vaststelling ter kennis gegeven dienen te worden aan het brede publiek, waarbij de nodige inspraakmogelijkheden worden gecreëerd en in alle openbaarheid de bedoelde planaanpassingen worden weergegeven; Overwegende dat de deputatie op basis van de gewijzigde stukken niet langer kan oordelen of het gewenste project nog effectief realiseerbaar is binnen de voorgestelde planopties, dat de opportuniteitsafweging ontbreekt en dat de gewijzigde planopties niet opnieuw worden afgewogen binnen het te voeren alternatievenonderzoek; Overwegende dat de deputatie, op basis van voorgaande argumenten, beslist tot schorsing van de uitvoering van het besluit van 31 maart 2022 van de gemeenteraad van Alken houdende de definitieve vaststelling van het GRUP-Sport- en recreatievelden, conform artikel 2.2,23 van de VCRO; Gehoord het verslag van Inge Moors, lid van het college; […]” 3.
- Op 18 mei 2022 wordt het bestreden besluit aan de verzoekende partij betekend, die het bestreden besluit op 19 mei 2022 ontvangt. X-18.180-19/33 IV. Ontvankelijkheid van de vordering
- De verwerende partij betwist in haar nota het belang van de verzoekende partij bij haar vordering. Vooralsnog bestaat er geen noodzaak om over de door de verwerende partij opgeworpen ontvankelijkheidsexceptie uitspraak te doen. Een onderzoek van en een uitspraak over die exceptie zouden alleen nodig zijn indien de beide grondvoorwaarden voor het toewijzen van de vordering tot schorsing vervuld zijn, wat, zoals hierna zal blijken, niet het geval is. V. Herinnering aan de schorsingsvoorwaarden
- Krachtens artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid slechts worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden en dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is die onverenigbaar is met de behandelingstermijn van de gewone vordering tot schorsing. VI. Uiterst dringende noodzakelijkheid Standpunt van de partijen 6.
- De verzoekende partij zet uiteen dat de bestreden beslissing er op grond van artikel 2.2.23, § 3, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening (VCRO) toe verplicht om een nieuwe definitieve vaststellingsbeslissing over het GRUP te nemen binnen een periode van 90 dagen. Gelet op de verzending en de betekening van het bestreden schorsingsbesluit op respectievelijk 18 en 19 mei 2022 dient een definitieve vaststellingsbeslissing ten laatste op dinsdag 16 augustus 2022 te worden genomen. Gelet op deze “hakbijltermijn” kan noch een vernietigingsprocedure noch een gewone schorsingsprocedure worden afgewacht. Laatstgenoemde procedure vereist immers een doorlooptijd van minstens vijf X-18.180-20/33 maanden. De verzoekende partij kan “de urgentie evenmin verhelpen”. Bij de uiteenzetting van haar belang werd reeds uiteengezet dat het volstrekt onmogelijk is om tegemoet te komen aan de thans onwettige schorsingsgrond inzake het vereiste bijkomende openbaar onderzoek. Ingeval niet zou worden gepoogd om de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van het bestreden schorsingsbesluit te vorderen, “dreigt de kans te ontstaan dat eveneens een verlies aan belang zou worden vastgesteld ingeval het RUP bij gebrek aan een nieuw vaststellingsbesluit van rechtswege is vervallen”. De verzoekende partij stelt ten slotte: “Onderhavig verzoekschrift wordt ingesteld ruim voor dat de beroepstermijn om een verzoekschrift tot nietigverklaring in te stellen bij Uw Raad van State verstrijkt. Verzoekende [partij handelt] bijgevolg diligent en alert en [kent] zichzelf geenszins een ruimere termijn toe dan nodig voor de redactie van [haar] verzoekschrift.” 6.
- De verwerende partij betwist in haar nota de uiterst dringende noodzakelijkheid van de vordering. Zij meent dat de verzoekende partij aan haar diligentieplicht heeft verzaakt door meer dan een maand sinds de kennisgeving van de bestreden beslissing te hebben getalmd alvorens haar vordering in te dienen, en dit zonder enige motivering in haar verzoekschrift. De verwerende partij wijst erop dat zij slechts over 3,5 werkdagen voor de voorbereiding van haar nota beschikte en gewaagt van een deloyale wijze van procesvoeren en procesmisbruik. De verzoekende partij laat ook geheel na om te verduidelijken welk nadeel zij specifiek vreest te ondervinden in geval van niet-schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de bestreden beslissing, wetende dat het haar vrijstaat om binnen de voorgeschreven wettelijke termijn van negentig dagen een nieuwe beslissing te nemen en een nieuw openbaar onderzoek te organiseren. Beoordeling 7.
- De procedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid houdt een ernstige verstoring in van het normale verloop van de rechtspleging voor de Raad van State, herleidt de mogelijkheden tot onderzoek van de zaak tot een strikt X-18.180-21/33 minimum en beperkt in aanzienlijke mate de uitoefening van het recht van verdediging van de verwerende partij. Het is om die reden dat de Raad van State met een zekere gestrengheid de voorwaarden beoordeelt die vervuld moeten zijn opdat deze vordering kan worden ingewilligd. De aanwending van die procedure moet dan ook zeer uitzonderlijk blijven, in die zin dat ze slechts mag worden aangewend in die enkele gevallen dat het uiterst dringende karakter van de zaak door de verzoekende partij op onbetwistbare wijze wordt aangetoond. Een verzoekende partij moet diligent optreden bij het inleiden van een vordering tot schorsing wegens uiterst dringende noodzakelijkheid. Diligent optreden – dit wil zeggen dat de eisende partij al het nodige heeft gedaan om de schade te voorkomen en om de zaak zo spoedig mogelijk aanhangig te maken bij de Raad van State – is immers een vereiste dat vervat is in de voorwaarde van de uiterst dringende noodzakelijkheid. 7.
- De verzoekende partij had op 19 mei 2022 van de bestreden beslissing kennis, terwijl het verzoekschrift tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid pas op 21 juni 2022 werd ingediend. De verzoekende partij heeft dus meer dan een maand gewacht om haar vordering in te stellen. Er wordt hiervoor in haar verzoekschrift geen enkele verklaring gegeven, enkel wordt aangegeven dat de vordering “wordt ingesteld ruim voor dat de beroepstermijn om een verzoekschrift tot nietigverklaring in te stellen bij [de] Raad van State verstrijkt”, en dat de “verzoekende [partij …] bijgevolg diligent en alert [handelt] en […] zichzelf geenszins een ruimere termijn toe[kent] dan nodig voor de redactie van [haar] verzoekschrift”. Op de terechtzitting geeft de verzoekende partij ter zake evenmin enige verduidelijking. 7.
- De verzoekende partij overtuigt er gezien het voormelde niet van dat zij haar verzoekschrift tot schorsing bij wege van uiterst dringende noodzakelijkheid met de vereiste diligentie heeft ingediend. X-18.180-22/33 7.
- Aan de grondvoorwaarde van de uiterst dringende noodzakelijkheid is niet voldaan. VII. Ernst van het enig middel Standpunt van de partijen 8.
- De verzoekende partij voert in een enig middel de schending aan van artikel 2.2.21, § 6, VCRO en artikel 2.2.23 VCRO, alsook van het materiëlemotiverings-, zorgvuldigheids- en redelijkheidsbeginsel als algemene beginselen van behoorlijk bestuur. De verzoekende partij wijst erop dat de verwerende partij geen strijdigheid met de geldende structuurplannen aanneemt, evenmin als een schending van een direct werkende norm. De bestreden beslissing is gestoeld op motieven die niet kaderen binnen artikel 2.2.23, § 2, VCRO, die geen legaliteitsaspecten betreffen en die niet afdoende zijn om een schorsing te rechtvaardigen, en is tevens onzorgvuldig voorbereid. Het is “een raadsel” welke elementen uit het GRUP verwarring zouden stichten of een aanleiding zouden geven tot juridische procedures. De bestreden beslissing schrijft de verplichting voor tot het houden van een nieuw openbaar onderzoek, maar laat na om “het essentieel en substantieel karakter van de wijzigingen in concreto te duiden” en omvat “zelfs geen analyse […] van de link tussen de aanpassingen en de schorsingsbeslissing van 13 januari 2022”. Een openbaar onderzoek is niet vereist indien enkel aanpassingen doorgevoerd worden die gebaseerd zijn op, of voortvloeien uit, een schorsingsbesluit. Uit het geschorste besluit van 31 maart 2022 blijkt voorts een zorgvuldige motivering. Dat daarbij volledig tegemoet- gekomen werd aan de schorsingsbeslissing van 13 januari 2022 blijkt ontegensprekelijk uit het feit dat de bevoegde Vlaamse minister niet opnieuw tot een schorsing is overgegaan. Uit de bestreden beslissing blijkt ten slotte niet waarom de ecologische studie in openbaar onderzoek moest liggen. Het bijkomend X-18.180-23/33 ecologisch onderzoek werd uitgevoerd naar aanleiding van de inspraakreacties op de startnota en werd wel degelijk bij het navolgend openbaar onderzoek betrokken. 8.
- De verwerende partij stelt in haar nota dat het organiseren van een openbaar onderzoek een substantiële vormvereiste betreft, zoals bedoeld in artikel 2.2.23, § 2, VCRO. Ten gevolge van de schorsingsbeslissing van 13 januari 2022 werd het ontwerp van GRUP aangepast en voor een tweede maal definitief vastgesteld op 31 maart
- In casu zijn er essentiële wijzigingen gebeurd aan het oorspronkelijke ontwerp-GRUP, waardoor een nieuw openbaar onderzoek had moeten worden georganiseerd. Met name op het vlak van de waterhuishouding zijn er substantiële wijzigingen gebeurd. Het is niet omdat de wijzigingen betrekking hebben op de waterhuishouding, dat ze per definitie beperkt zijn. De aanleg van de sportsite mag niet leiden tot bijkomend afstromend hemelwater naar de omgeving en het kombergend vermogen van het geheel van de zones recreatiegebied, de zone voor recreatie en parking en de groenbuffer mag niet verminderd worden. Daarom werden de volgende maatregelen opgelegd: “- In een strook van 50,00 m t.o.v. de plangrens langsheen de Expressweg mogen geen gebouwen worden geplaatst en moeten alle constructies overstroombaar worden voorzien. Bij de eerste definitieve vaststelling was enkel een ‘zone voor groenbuffer’ met een breedte van 15,00 m opgenomen. - Het bestaande overstromingsvolume onder peil 37,00 m TAW moet behouden blijven of gecompenseerd worden in deze zones. In functie van het overstromingsvolume mag niet dieper uitgegraven worden dan het laagste punt van het terrein. Dit voorschrift is geheel nieuw. In de stedenbouwkundige voorschriften van het eerste ontwerp RUP was er hieromtrent eenvoudigweg opgenomen dat er bij elke vergunnings- aanvraag een waterstudie gevoegd zou moeten worden. - In de vrije ruimte die in deze zones niet wordt ingenomen door een ontwikkeling moet bijkomend ruimte worden gecreëerd voor waterbuffering om het kombergend vermogen van het gebied t.o.v. de bestaande toestand te vergroten. Dit voorschrift is geheel nieuw. In de stedenbouwkundige voorschriften van het eerste ontwerp RUP was er hieromtrent eenvoudigweg opgenomen dat er bij elke vergunnings- aanvraag een waterstudie gevoegd zou moeten worden.” X-18.180-24/33 De stedenbouwkundige voorschriften zijn op dergelijke wijze aangepast dat de gezamenlijke totaal bebouwbare oppervlakte in het recreatie- gebied en de zone voor recreatie en parking wordt beperkt tot maximaal 1.500 m². Dit betekent dat hetzelfde project wordt gerealiseerd, zij het op een beperktere oppervlakte. Dit houdt een essentiële wijziging in die ter raadpleging aan het publiek voorgelegd had moeten worden. De verregaande aanpassingen inzake waterhuishouding in de stedenbouwkundige voorschriften zorgen er verder voor dat het niet langer mogelijk is om in te schatten of het gewenste project effectief nog realiseerbaar is. De meeste van de aangebrachte wijzigingen zijn een rechtstreekse doorvertaling van de bevindingen uit de ecologische studie. Dit onderzoek, dat aan de basis ligt van de essentiële wijzigingen, werd slechts opgemaakt na het afsluiten van het openbaar onderzoek. Nochtans had dit onderzoek publiek raadpleegbaar moeten zijn. Beoordeling 9.
- Artikel 2.2.23 VCRO luidt: “§
- De Vlaamse Regering en de deputatie beschikken over een termijn van vijfenveertig dagen die ingaat op de dag na de betekening, vermeld in artikel 2.2.22 of in paragraaf 3, tweede lid, om de uitvoering van het besluit van de gemeenteraad tot definitieve vaststelling van het gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan te schorsen. Een schorsing kan niet gedeeltelijk zijn. De Vlaamse Regering kan binnen de voormelde termijn een definitief vastgesteld gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan ook geheel of gedeeltelijk vernietigen. Een afschrift van het schorsings- of vernietigingsbesluit wordt binnen een ordetermijn van tien dagen met een beveiligde zending bezorgd aan het college van burgemeester en schepenen. Binnen de ordetermijn, vermeld in het eerste lid, bezorgt de Vlaamse Regering een afschrift van het schorsings- of vernietigingsbesluit aan de deputatie. Als de deputatie een schorsingsbesluit neemt, bezorgt ze daarvan binnen de voormelde ordetermijn een afschrift aan het departement. §
- Het besluit van de gemeenteraad tot definitieve vaststelling van het gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan kan alleen worden geschorst of vernietigd: X-18.180-25/33 1° als het gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan uitvoering geeft aan een optie uit het gemeentelijk beleidsplan ruimte waarbij de Vlaamse Regering of de deputatie voorbehoud heeft gemaakt conform artikel 2.1.11, § 2, tweede lid; 1°/1 als het gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan uitvoering geeft aan een beleidskader van het gemeentelijk beleidsplan ruimte dat de Vlaamse Regering niet meer geldig heeft verklaard conform artikel 2.1.5, § 2, tweede lid, of dat de provincieraad niet meer geldig heeft verklaard conform artikel 2.1.8, § 2, tweede lid; 1°/2 als het gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan kennelijk onverenigbaar is met een beleidskader of, in voorkomend geval, een ontwerp van beleidskader van het Beleidsplan Ruimte Vlaanderen of het provinciaal beleidsplan ruimte; 2° als het gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan strijdig is met een gewestelijk of provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan of, in voorkomend geval, met een ontwerp van gewestelijk of provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan, tenzij de Vlaamse Regering, respectievelijk de provincieraad daarmee haar instemming conform artikel 2.2.18, § 1, derde lid, heeft verleend; 3° als het gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan strijdig is met direct werkende normen binnen andere beleidsvelden dan de ruimtelijke ordening of met bindende delen van een door de Vlaamse Regering vastgesteld beleidsplan; 4° wegens de niet-naleving van een substantiële vormvereiste. De Vlaamse Regering gaat alleen over tot vernietiging als ze van oordeel is dat de onverenigbaarheid, de strijdigheid of de niet-naleving, vermeld in het eerste lid, niet kan worden hersteld, weggewerkt of opgelost door het volgen van de procedure, vermeld in paragraaf
- §
- In geval van schorsing beschikt de gemeenteraad over een termijn van negentig dagen, die ingaat op de dag na de verzending van het schorsingsbesluit aan de gemeente, om het ruimtelijk uitvoeringsplan opnieuw definitief vast te stellen. Onverminderd artikel 2.2.21, § 6, derde lid, kunnen bij de definitieve vaststelling van het plan ten opzichte van het geschorste plan alleen wijzigingen worden aangebracht die gebaseerd zijn op of voortvloeien uit het schorsingsbesluit. Het gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan wordt samen met het nieuwe besluit van de gemeenteraad onmiddellijk na de definitieve vaststelling met een beveiligde zending bezorgd aan de deputatie van de provincie waarin de gemeente ligt, en aan het departement. Als de gemeenteraad binnen de voormelde termijn van negentig dagen geen nieuw besluit tot definitieve vaststelling van het gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan neemt, vervallen het geschorste gemeenteraadsbesluit en het ontwerp van gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan.” Artikel 2.2.21, § 6, derde lid en vierde lid, VCRO luidt: X-18.180-26/33 “Bij de definitieve vaststelling van het plan kunnen ten opzichte van het voorlopig vastgestelde plan alleen wijzigingen worden aangebracht die gebaseerd zijn op of voortvloeien uit de tijdens het openbaar onderzoek geformuleerde bezwaren en opmerkingen, of uit de adviezen, uitgebracht door de aangewezen diensten en overheden, of uit het advies van de gemeentelijke commissie voor ruimtelijke ordening. De definitieve vaststelling van het plan kan echter geen betrekking hebben op delen van het grondgebied die niet opgenomen zijn in het voorlopig vastgestelde plan.” Het zorgvuldigheidsbeginsel houdt onder meer in dat de overheid haar besluiten op een zorgvuldige wijze moet voorbereiden door de relevante gegevens en de op het spel staande belangen te inventariseren en deze gegevens en belangen tegen elkaar af te wegen in het licht van het doel van het besluit. Het materiëlemotiveringsbeginsel houdt in dat een besluit van het bestuur moet gedragen worden door rechtens verantwoorde motieven die kunnen blijken, hetzij uit het besluit zelf, hetzij uit de stukken van het dossier. 9.
- Na te hebben vastgesteld dat het aangepaste GRUP kadert binnen de doelstellingen van het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen, het provinciaal ruimtelijk structuurplan van de provincie Limburg, en dat dit plan “gemotiveerd afwijkt” van het gemeentelijk ruimtelijk structuurplan van de gemeente Alken (zie randnummer 3.15), vermeldt het bestreden besluit de volgende schorsingsmotieven: - dat de doorgevoerde wijzigingen in functie van de tweede definitieve vaststelling “essentiële en substantiële aanpassingen” van de verordenende stedenbouwkundige voorschriften inhouden, en dat deze wijzigingen “individueel, maar vooral cumulatief een bijzondere impact hebben op zowel het voorziene programma dat onderzocht werd in het MER en het RUP, maar vooral op de effectieve realisatiemogelijkheden en bouwprogramma op het terrein”; dat “de aanpassingen, de gewijzigde planopties en de onduidelijke realisatiemogelijkheden aanleiding kunnen geven tot verwarring en onzekerheid bij het brede publiek, in het bijzonder bij de rechtstreeks betrokkenen; de voetbalclubs, de directe buren van het plangebied en de individuele perceeleigenaars”, dat “deze onduidelijkheden aanleiding kunnen geven tot een verdere juridische X-18.180-27/33 procedure” en “dat enkel een nieuwe publieke raadpleging, via de organisatie van een openbaar onderzoek, duidelijkheid kan creëren over de door het gemeentebestuur aangebrachte wijzigen inzake planopties en voorschriften”; - dat de meeste van de aangebrachte wijzigingen een rechtstreekse doorvertaling zijn van het ecologisch onderzoek voor de zoekzone Broosveld, en dat dit onderzoek “geen onderdeel uitmaakte van het eerste georganiseerde openbaar onderzoek”, “maar later in de procedure als bijlage 10.3 werd toegevoegd in functie van de eerste definitieve vaststelling”, “dat de publieke kennisgeving van dit document een gewichtig element is in functie van het vermijden van extra procedureslagen” en dat “de deputatie van oordeel is dat zowel het vernoemde ecologisch onderzoek als de aangebrachte wijzigingen in functie van de tweede definitieve vaststelling ter kennis gegeven dienen te worden aan het brede publiek, waarbij de nodige inspraakmogelijkheden worden gecreëerd en in alle openbaarheid de bedoelde planaanpassingen worden weergegeven”; - dat “de deputatie op basis van de gewijzigde stukken niet langer kan oordelen of het gewenste project nog effectief realiseerbaar is binnen de voorgestelde planopties, dat de opportuniteitsafweging ontbreekt en dat de gewijzigde planopties niet opnieuw worden afgewogen binnen het te voeren alternatievenonderzoek”. 9.3.
- Prima facie moet vooreerst worden vastgesteld dat de bestreden beslissing het besluit van de gemeente Alken van 31 maart 2022 in overeen- stemming acht met de geldende structuurplannen en geen schending van enig in artikel 2.2.23, § 2, eerste lid, VCRO, bedoeld beleidsplan aanneemt. 9.3.
- De overwegingen in het bestreden besluit dat de doorgevoerde wijzigingen in functie van de tweede definitieve vaststelling “essentiële en substantiële aanpassingen” van de verordenende stedenbouwkundige voorschriften inhouden en dat deze wijzigingen “individueel, maar vooral cumulatief een bijzondere impact hebben op zowel het voorziene programma dat onderzocht werd in het MER en het RUP, maar vooral op de effectieve realisatiemogelijkheden en bouwprogramma op het terrein”, worden prima facie nergens – noch in het bestreden besluit zelf, noch in de stukken van het administratief dossier van de verwerende partij – concreet onderbouwd of toegelicht. X-18.180-28/33 Mede gelet op de uitgebreide motivering en toelichting in het besluit van de gemeenteraad van de gemeente Alken van 31 maart 2022 met betrekking tot de doorgevoerde aanpassingen om tegemoet te komen aan de eerste schorsingsbeslissing van 13 januari 2022 (zie randnummer 3.13.2 en volgende), kon de verwerende partij er prima facie niet mee volstaan om in algemene termen te overwegen dat “de aanpassingen, de gewijzigde planopties en de onduidelijke realisatiemogelijkheden aanleiding kunnen geven tot verwarring en onzekerheid bij het brede publiek, in het bijzonder bij de rechtstreeks betrokkenen; de voetbalclubs, de directe buren van het plangebied en de individuele perceeleigenaars”, dat “deze onduidelijkheden aanleiding kunnen geven tot een verdere juridische procedure” en “dat enkel een nieuwe publieke raadpleging, via de organisatie van een openbaar onderzoek, duidelijkheid kan creëren over de door het gemeentebestuur aangebrachte wijzigen inzake planopties en voorschriften”. De verzoekende partij wijst er prima facie terecht op dat het voor haar “een raadsel” is welke elementen van het gewijzigde GRUP volgens het bestreden besluit “aanleiding kunnen geven tot verwarring en onzekerheid” en “tot een verdere juridische procedure”. Een en ander klemt te dezen prima facie nog meer nu de bevoegde Vlaamse minister geen enkele kritiek heeft geuit op de aanpassingen die de gemeente Alken met haar herstelbesluit van 31 maart 2022 heeft doorgevoerd. De a posteriori-opsomming van wijzigingen die de verwerende partij in haar nota toelicht, en die volgens haar essentiële wijzigingen zouden uitmaken die tot een nieuw openbaar onderzoek nopen, vermag de ontoereikende motivering van het bestreden besluit prima facie niet te verhelpen. 9.3.
- Het schorsingsmotief dat bekritiseert dat het ecologisch onderzoek voor de zoekzone Broosveld geen onderdeel heeft uitgemaakt van “het eerste georganiseerde openbaar onderzoek”, “maar later in de procedure als bijlage 10.3 werd toegevoegd in functie van de eerste definitieve vaststelling”, “dat de publieke kennisgeving van dit document een gewichtig element is in functie van het vermijden van extra procedureslagen” en dat “de deputatie van oordeel is dat zowel het vernoemde ecologisch onderzoek als de aangebrachte wijzigingen in X-18.180-29/33 functie van de tweede definitieve vaststelling ter kennis gegeven dienen te worden aan het brede publiek, waarbij de nodige inspraakmogelijkheden worden gecreëerd en in alle openbaarheid de bedoelde planaanpassingen worden weergegeven”, kan in de huidige stand van het geding evenmin overtuigen. Vooreerst wordt prima facie vastgesteld dat de schorsings- beslissing van 13 januari 2022 geen enkele kritiek uit op het gegeven dat het ecologisch onderzoek, dat gevoerd werd naar aanleiding van de inspraakreacties op de startnota, tijdens het navolgend openbaar onderzoek niet ter inzage zou hebben gelegen. Integendeel heeft de Vlaamse minister er uitdrukkelijk op gewezen dat in de toelichtingsnota bij het GRUP onder titel ‘7.1.9.4 Effecten op het watersysteem’ een deel van het ecologisch onderzoek werd overgenomen, “waarbij ook de voorgestelde aanbevelingen voor optimalisatie van het plan/het project worden opgesomd”. Ook in de scopingnota (p. 121) wordt dit alles overigens vermeld. De bestreden beslissing gaat hier niet op in. Op het eerste gezicht blijkt niet dat de weergave in de toelichtingsnota en de scopingnota van een deel van de ecologische studie en de daarin voorgestelde aanbevelingen niet zou hebben volstaan. Het schorsingsmotief dat ook de “aangebrachte wijzigingen in functie van de tweede definitieve vaststelling” “ter kennis dienen gegeven te worden aan het grote publiek”, kan op het eerste gezicht evenmin overtuigen, gelet op het gestelde onder randnummer 9.3.2, nu prima facie niet blijkt dat deze wijzigingen niet zouden “gebaseerd zijn op of voortvloeien uit” de schorsingsbeslissing van 13 januari 2022, zoals artikel 2.2.23, § 3, VCRO bepaalt – de verzoekende partij werpt in dit verband prima facie terecht op dat de schorsingsgronden van het besluit van 13 januari 2022 nergens bij de motivering van het bestreden besluit zijn betrokken geworden –, en verder op het eerste gezicht evenmin mag blijken dat de door het bestreden besluit geviseerde aanpassingen van het GRUP niet zouden “gebaseerd zijn op of voortvloeien uit de tijdens het openbaar onderzoek geformuleerde bezwaren en opmerkingen, of uit de adviezen, uitgebracht door de aangewezen diensten en overheden, of uit het advies X-18.180-30/33 van de gemeentelijke commissie voor ruimtelijke ordening”, zoals voorzien door artikel 2.2.23, § 3, juncto artikel 2.2.21, § 6, derde lid, VCRO. 9.3.
- De overweging in het bestreden besluit dat “de deputatie op basis van de gewijzigde stukken niet langer kan oordelen of het gewenste project nog effectief realiseerbaar is binnen de voorgestelde planopties”, kan op het eerste gezicht evenmin als een afdoende motivering gelden. Er blijkt prima facie niet uit dat het GRUP zoals definitief vastgesteld op 31 maart 2022 strijdig zou zijn met een direct werkende norm binnen een ander beleidsveld dan de ruimtelijke ordening of dat dit plan een substantiële vormvereiste niet zou hebben nageleefd, zoals bedoeld in artikel 2.2.23, § 2, eerste lid, 4° en 5°, VCRO. Dat de verwerende partij niet langer zou kunnen oordelen “of het gewenste project nog effectief realiseerbaar is binnen de voorgestelde planopties” blijkt prima facie overigens een loutere bewering te zijn, daar waar het geschorste vaststellingsbesluit van 31 maart 2022 uitvoerig lijkt te zijn gemotiveerd (zie randnummer 3.13.2 en volgende), en daarbij verwijst naar, steunt op, en terugkoppelt naar (het advies van) de dienst Water en Domeinen van de verwerende partij. Op het eerste gezicht mag evenmin concreet blijken dat een “opportuniteitsafweging” zou ontbreken. In dit verband zij met de verzoekende partij opgemerkt dat blijkens de voorbereidende werken bij het ontwerp van decreet ‘houdende wijziging van diverse bepalingen van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening’ “[d]e schorsingsbevoegdheid [zich] beperkt tot legaliteitsaspecten en […] geen nieuwe opportuniteitsbeoordeling [kan] inhouden” (Memorie van Toelichting, Parl.St. Vl. Parl. 2013-2014, nr. 2371/1, p. 25). Prima facie blijkt niet dat een direct werkende norm binnen een ander beleidsveld dan de ruimtelijke ordening of een substantiële vormvereiste zou geschonden zijn. Wat het schorsingsmotief aangaat dat “de gewijzigde planopties niet opnieuw [werden] afgewogen binnen het te voeren alternatievenonderzoek”, moet vooreerst met de verzoekende partij prima facie aangenomen worden dat uit het bestreden besluit nergens concreet mag blijken dat de planopties dermate zouden zijn gewijzigd dat dit een weerslag op de alternatieven zou hebben, dit X-18.180-31/33 terwijl in het definitieve vaststellingsbesluit van de gemeente Alken van 31 maart 2022 in dit verband wordt overwogen dat “[d]e planbeschrijving i.f.v. het ontwerp-RUP en bijhorende conclusies uit de plan-mer-screening uit de scopingnota […]niet [wijzigen]”. Op het eerste gezicht blijkt niet dat een direct werkende norm binnen een ander beleidsveld dan de ruimtelijke ordening of een substantiële vormvereiste zou geschonden zijn. 9.
- Gelet op wat voorafgaat, schendt het bestreden besluit prima facie het zorgvuldigheids- en materiëlemotiveringsbeginsel. 9.
- Het middel is in de aangegeven mate ernstig. VIII. Besluit
- Er is niet voldaan aan ten minste één van de voorwaarden gesteld in artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die cumulatief vervuld moeten zijn wil een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid worden toegewezen. BESLISSING De Raad van State verwerpt de vordering. X-18.180-32/33 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van dertig juni tweeduizend tweeëntwintig, door de Raad van State, Xe kamer, samengesteld uit: Stephan De Taeye, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Frank Bontinck, griffier. De griffier De voorzitter Frank Bontinck Stephan De Taeye X-18.180-33/33 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.254.193 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.255.747 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div