id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 01 juli 2022 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.254.207 Rolnummer: A. 228034/XIV-38046 Zaak: Arrest 254207 - Federale en lokale politie – Aanwerving en loopbaan - 01/07/2022 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2022-07-21 Raadplegingen: 79 - laatst gezien 2026-06-10 07:13 Fiche Arrest nr 254.207 van 1 juli 2022 Openbaar ambt - Federale en lokale politie – Aanwerving en loopbaan Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK XIVe KAMER nr. 254.207 van 1 juli 2022 in de zaak A. 228.034/XIV-38.046 In zake : Robert ROTH bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Stijn Verbist en Joris Claes kantoor houdend te 2000 Antwerpen Graaf van Hoornestraat 51 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de STAD ANTWERPEN woonplaats kiezend te 2000 Antwerpen Oudaan 5 bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Patrick Van der Straten kantoor houdend te 2018 Antwerpen Mechelsesteenweg 210A bus 10 -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 6 mei 2019, strekt tot de nietigverklaring van: - “de beslissing van verwerende partij van 4 maart 2019, waarbij de aanvraag van [verzoeker] om te werken na zijn pensioenleeftijd met ingang van 1 juni 2015 wordt geweigerd” en - “de beslissing van verwerende partij van 4 maart 2019, waarbij de aanvraag van [verzoeker] om te werken na zijn pensioenleeftijd met ingang van 1 januari 2019 wordt geweigerd”. XIV-38.046-1/36 II. Verloop van de rechtspleging 2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste-auditeur-afdelingshoofd Werner Weymeersch heeft een verslag opgesteld. De verwerende partij heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. Verzoeker heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 16 maart 2022. Staatsraad Kaat Leus heeft verslag uitgebracht. Advocaat Joris Claes, die verschijnt voor verzoeker en advocaat Jim Deridder, die loco advocaat Patrick Van der Straten verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Werner Weymeersch heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3.1. Verzoeker was hoofdinspecteur (HINP) bij de lokale politie Antwerpen en teamleider-coördinator op de afdeling West, dienst Dagelijkse XIV-38.046-2/36 Gerechtelijke Opdrachten. Op 6 mei 2013 bereikt hij de leeftijd van 65 jaar waardoor hij bijgevolg op 1 juni 2013 op pensioen zou worden gesteld. 3.2. Op 22 november 2012 dient verzoeker een eerste aanvraag in om in activiteit te blijven boven de leeftijd van 65 jaar, in toepassing van artikel 3 van het koninklijk besluit van 12 mei 1927 ‘betreffende de ouderdom van de op pensioenstelling van de ambtenaren, beambte en het dienstpersoneel van de Staat’ (hierna: het koninklijk besluit van 12 mei 1927), en het enig artikel van het ministerieel besluit van 11 september 2012 tot uitvoering van het koninklijk besluit van 12 mei 1927 ‘betreffende de ouderdom van de oppensioenstelling van de ambtenaren, de beambten en het dienstpersoneel van de staat’ (hierna: het ministerieel besluit van 11 september 2012). Met verwijzing naar het ministerieel besluit van 11 september 2012 wordt verzoekers aanvraag tot verlenging van de pensioenleeftijd op 18 januari 2013 ingewilligd en krijgt hij de toelating om te werken na de leeftijdsgrens van 65 jaar voor een periode van zes maanden, ingaande van 1 juni 2013 tot 30 november 2013. 3.3. Naar aanleiding van verzoekers tweede aanvraag tot verlenging van de pensioenleeftijd, wordt de toelating op 31 mei 2013 nogmaals verlengd met zes maanden, tot 1 juni 2014. 3.4. Verzoeker dient op 24 oktober 2013 een derde aanvraag in voor de duur van één jaar. Die aanvraag wordt op 5 december 2013 door de korpschef van de lokale politie Antwerpen geweigerd. Op 28 maart 2014 beslist de korpschef van de lokale politie Antwerpen om de beslissing van 5 december 2013 in te trekken en zodoende de procedure te hernemen, waarop het tegen de beslissing van 5 december 2013 ingediende schorsings- en vernietigingsberoep door de Raad van State bij een enkel arrest nr. 227.596 van 28 mei 2014 wordt verworpen. XIV-38.046-3/36 Na de hiervoor vermelde intrekkingsbeslissing van 28 maart 2014 beslist de korpschef van de lokale politie Antwerpen op 14 mei 2014 opnieuw tot de weigering van die derde aanvraag. Met een arrest nr. 227.598 van 28 mei 2014 beveelt de Raad van State de schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de beslissing van 14 mei 2014. Met een arrest nr. 232.027 van 11 augustus 2015 wordt deze beslissing vernietigd. 3.5. Bij beslissing van 2 juni 2014 van de korpschef van de lokale politie te Antwerpen wordt verzoeker toegelaten als voorlopige maatregel zijn werkzaamheden verder te zetten in afwachting van een nieuwe beslissing na de beoordeling door de Raad van State van de beslissing van 14 mei 2014 of na kennisname van nieuwe feitelijke gegevens en omstandigheden die een nieuwe beoordeling noodzaken en waarbij deze voorlopige maatregel “alleszins eindigt op 1 december 2014”. 3.6. Verzoeker dient op 2 oktober 2014 een vierde aanvraag in tot verlenging van de pensioenleeftijd van 1 juni 2015 tot 1 juni 2016. De hiërarchisch meerdere van verzoeker, hoofdcommissaris van politie G.D., verstrekt op 29 september 2014, “wat de gepastheid van de indiensthouding voor de instelling betreft” een gunstig advies. De houder van de management- of staffunctie die het dichtst bij die van verzoeker ligt, commissaris van politie J.D., verstrekt op 16 april 2015 advies. Met een beslissing van 11 mei 2015, weigert de korpschef van de lokale politie Antwerpen deze vierde aanvraag. In die beslissing van 11 mei 2015 wordt het hiervoor genoemde gemotiveerd advies van 16 april 2015 van commissaris van politie J.D aangehaald dat luidt: “3.1 Wat de gepastheid van de indiensthouding voor de instelling betreft [Verzoeker] vervult volgens zijn onmiddellijke hiërarchische meerdere zijn administratieve taken naar behoren uit (zie punt 2.1. van dit formulier). We wijzen er echter op dat van een teamleider dagelijkse opdrachten ook verwacht wordt dat hij mee participeert in de taken van het team (kerntaak 6 functieprofiel), wat inhoudt XIV-38.046-4/36 dat er ook wordt deelgenomen aan de operationele taken. Vanaf 1 mei worden de diensten dagelijkse opdrachten gecentraliseerd op de Noorderlaan en vormen ze samen het team gerechtelijke opdrachten binnen de dienst gerechtelijke opvolging. Eén taak die hierbij ingevoerd wordt betreft een operationele permanentiedienst (2 shiften) waarbij dringende kantschriften of verderzetting van dringende dossiers vanuit de gerechtelijke afhandeling dient uitgevoerd te worden. 3.2 Wat de meest geschikte duur van deze indiensthouding betreft Rekening houdend met de argumenten uit punt 3.1 lijkt ons een periode van 6 maanden aangewezen. Deze periode moet toelaten om na te gaan of de aanvrager ook operationele taken naar behoren kan blijven uitvoeren.” Luidens de in de voorliggende procedure neergelegde memorie van antwoord van de verwerende partij heeft verzoeker “geen activiteit meer binnen het korps sinds 01.06.2015”. 3.7. Met ’s Raads arrest nr. 242.590 van 10 oktober 2018 wordt de in punt 3.6 genoemde weigeringsbeslissing op verzoekers (vierde) aanvraag tot verlenging van de pensioenleeftijd van 1 juni 2015 tot 1 juni 2016 vernietigd. 3.8. Op 20 december 2018 stelt verzoeker die vanaf 1 juni 2015 geen beroepsinkomsten meer genoot en geen opruststelling wenste, de stad Antwerpen in gebreke met het oog op het bekomen van een provisionele schadevergoeding van 334.187,06 euro. Hierop komt geen reactie. De ingebrekestelling betreft “gederfde inkomsten en morele schade/verlenging pensioenleeftijd/verhoging in graad” waarbij verzoeker vordert de gederfde, achterstallige wedde (totaal: 285.249,01 euro) te voldoen, evenals een vergoeding te betalen voor de morele schade ten belope van 25.000,00 euro, alsook intresten op al deze bedragen ten belope van 23.938,05 euro, hetzij het eerder genoemde (totaal)bedrag van 334.187,06 euro. In fine van datzelfde schrijven van 20 december 2018 stelt verzoeker nog dat hij er van uitgaat “dat u mijn pensioenleeftijd nog zal verlengen met ingang van 1 januari 2019” en “dat u daarnaast de bonussen voor het pensioen per gewerkt jaar na de leeftijd van 65 jaar eveneens zal toevoegen tot aan de datum van mijn effectieve pensionering. Na het arrest van de Raad van State is immers andermaal gebleken dat hiertoe geen enkel wettelijk beletsel meer bestaat om mij XIV-38.046-5/36 de gevraagde loopbaanverlenging van 1 jaar toe te staan”. Tot slot, verzoekt hij nog “[z]ijn graad te verhogen naar die van eerste hoofdinspecteur, dit ingevolge artikel 62 van de wet van 21 april 2016 ‘houdende diverse bepalingen’, die intussen van kracht werd”. 3.9. Op 1 maart 2019 dagvaardt verzoeker de stad Antwerpen voor de rechtbank van eerste aanleg Antwerpen – afdeling Antwerpen op grond van artikel 1382 van het (oud) burgerlijk wetboek. 3.10. Op 4 maart 2019 beslist de verwerende partij verzoekers (vierde) aanvraag van 2 oktober 2014 voor de verlenging van zijn pensioenleeftijd vanaf 1 juni 2015 tot 1 juni 2016 (zie supra, punt 3.6) - beslissing die moest worden overgedaan ingevolge het in punt 3.7 vernoemde vernietigingsarrest - opnieuw te weigeren op grond van de volgende overwegingen: “2. Motivering Op basis van het ministerieel besluit van 11 september 2012 kan de leidende ambtenaar met een gemotiveerd besluit beslissen over de aanvraag van een personeelslid om te blijven werken na de leeftijd van 65 jaar. Bij een positief besluit kan de leidende ambtenaar ook beslissen over de duur van deze indiensthouding. De leidende ambtenaar wint hiervoor het advies in van de ambtenaar in de managementfunctie waaronder de aanvrager ressorteert. De Raad van State bakent de appreciatiebevoegdheid met betrekking tot de aanvraag als volgt af: ‘Deze bepalingen verlenen de verwerende partij bijgevolg een appreciatiebevoegdheid die geval per geval moet worden uitgeoefend, rekening houdende met de concrete omstandigheden van de zaak, in het bijzonder de gepastheid van de vereiste indiensthouding van de aanvrager voor de instelling, en de meest geschikte duur ervan’ (overweging 19 – RvS 10 oktober 2018, nr. 242.590, […]). Aldus moet geval per geval, rekening houdende met de concrete omstandigheden van de zaak en in het bijzonder de gepastheid van de indiensthouding voor de instelling de aanvraag en de meest geschikte duur worden beoordeeld. Voor wat betreft de gepastheid van de indiensthouding voor de instelling van de aanvrager moet rekening worden gehouden met het personeelsbehoeftenplan. Op 27 januari 2014 keurde de gemeenteraad het nieuwe personeelsbehoefteplan goed. Het uitgangspunt van dit personeelsbehoefteplan was enerzijds kostenbesparend te werken en anderzijds een verhoging van de operationele capaciteit en beschikbaarheid op het terrein. Het beoogde doel is het bekomen van een dynamische en flexibel inzetbare lokale politie die continu kan inspelen op en zich kan aanpassen aan de maatschappelijke realiteit. Daarvoor wordt gepleit voor een vernieuwde focus op de echte kerntaken van de politie. Deze tendens zal gepaard gaan met een vereenvoudiging van de huidige werkprocessen en de optimalisatie van de dienstorganisatie voor onze interventiediensten. Tot slot XIV-38.046-6/36 brengt dit nieuwe personeelsbehoefteplan met zich mee dat de organisatiestructuur moet gerationaliseerd worden en dit onder het motto ‘centralisatie waar het kan, deconcentratie waar het hoort’. Deze rationalisatie van de organisatiestructuur betekent concreet: een doorgedreven centralisatie van bijna alle front- en backoffice diensten in één mastergebouw; een gedeconcentreerde wijkwerking die continu voeling blijft houden met haar buurt en in verbinding staat met haar bewoners; een gedeconcentreerde onthaalwerking die, afhankelijk van de behoefte en reden van het contact, de burger via het juiste kanaal op het juiste moment verwelkomt. Dit heeft tot gevolg dat er kantoren gesloten zullen worden en bestaande kantoren anders ingericht moeten worden, vermits de andere basisfunctionaliteiten allen gecentraliseerd worden naar één nieuw mastergebouw. De timing voor de ingebruikname van dit nieuwe mastergebouw is 2018. Begin 2015 werd reeds een doorgedreven tussentijdse centralisering gerealiseerd in de Havanasite op de Noorderlaan. Rekening houdende met deze visie werd door de gemeenteraad een algemeen totaal van 2624 VTE2 vastgesteld (2151 VTE voor het operationeel kader en 473 VT voor het administratief en logistiek kader). Doordat in het nieuwe personeelsbehoefteplan de nieuwe organisatiestructuur als uitgangspunt werd genomen, heeft dit in vergelijking met het vorige personeelsbehoefteplan van 2010 een daling met 49 VTE tot gevolg. Om uitvoering te geven aan de nieuwe organisatiestructuur werd voornamelijk gesnoeid in het kader van de hoofdinspecteurs van politie en dit ten voordele van de inspecteurs van politie. In vergelijking met het personeelsbehoefteplan van 2010 (323 HINP’
- s)werden voor het pesoneelsbehoefteplan (266 HINP’
- s)in totaal 57 minder HINP’s voorzien. Concreet betekent dit voor de indeling van het personeelskader: […] Op 1 mei 2015 vond er binnen Lokale Politie Antwerpen een belangrijke kanteling plaats binnen de nieuwe organisatiestructuur waarbij een doorgedreven centralisering van de operationele diensten op de Noorderlaan plaatsvond. Hiermee werd concreet uitvoering gegeven aan het personeelsbehoefteplan. Deze kanteling heeft tot resultaat dat de vereiste 2673 VTE voorzien in het BPB van 2010 in de praktijk ook moet worden teruggebracht naar de vastgestelde 2624 VTE, zoals voorzien in het PBP van 2014. Dit kan enerzijds worden bereikt door de instroom binnen bepaalde graden of niveau’s te beperken, maar anderzijds ook door natuurlijke afvloeiingen uit het politiekorps via externe mobiliteit of oppensioenstellingen. In dit opzicht moet iedere aanvraag tot verlenging van de pensioenleeftijd voortaan ook worden getoetst aan het PBP2014. Ten gevolge van de centralisatiebeweging die op 1 mei 2015 plaats vond is het derhalve budgettair niet langer te verantwoorden om HINP’s na hun pensioenleeftijd nog langer in dienst te houden. In het advies van CP [J.D.] wordt er gewezen op een volgens hem beschikbare functie voor een periode van zes maanden met ingang van 1 juni 2015 tot 30 november 2015 een operationele functie beschikbaar is voor de aanvrager. Deze functie zou nog niet ingevuld zijn door een andere HINP. Het gaat om de betrekking kantschriften. Het PBP2014 voorziet 6 plaatsen binnen kantschriften. Deze 6 plaatsen zijn met ingang van 1 mei 2015 allen ingevuld door 5 HINP’s en 1 commissaris die nog niet de pensioengerechtigde leeftijd hebben bereikt. […] XIV-38.046-7/36 Gelet op het feit dat deze plaatsen zijn ingevuld en HINP’s zich in overtal bevinden is het niet gepast voor de instelling om de aanvraag in deze concrete omstandigheden in te willigen. [Verzoeker] brengt geen bijzondere reden bij die een langere indiensthouding en afwijking van het personeelsbehoeftenplan zouden verantwoorden. Daarnaast zijn er ook geen redenen die ambtshalve kunnen worden bijgebracht. De aanvraag tot verlenging dient te worden geweigerd.” Dit is de eerste bestreden beslissing. Diezelfde 4 maart 2019 wordt door de verwerende partij ook verzoekers vraag zoals geformuleerd in fine van zijn brief van 20 december 2018 “dat u mijn pensioenleeftijd nog zal verlengen met ingang van 1 januari 2019” (zie supra, punt 3.8), geweigerd om reden dat (
- i)de aanvraag onvolledig is, (
- ii)niet in het juiste formaat is ingediend, (iii) niet naar de “juiste diensten” is verzonden, (
- iv)een aanvraag tot verlenging niet mogelijk is na uitdiensttreding, (
- v)de aanvraag laattijdig is en, tot slot, (
- vi)er geen administratieve functies zijn binnen het operationeel kader. Dit is de tweede bestreden beslissing. 3.11. Bij vonnis van 18 december 2019 verklaart de rechtbank van eerste aanleg Antwerpen, afdeling Antwerpen de vordering van verzoeker ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond en veroordeelt de stad Antwerpen tot een forfaitaire schadevergoeding te betalen aan verzoeker (verlies van een kans geraamd op 90%) van 7.200,00 euro, meer de vergoedende intresten aan de wettelijke intrestvoet vanaf 1 oktober 2015 en meer de gerechtelijke intresten vanaf de dag van de uitspraak tot op de dag van de algehele betaling. Tegen het genoemde vonnis wordt door verzoeker op 19 februari 2020 hoger beroep ingesteld. Het beroepsschrift strekt ertoe, voor recht te horen zeggen dat “de stad Antwerpen met haar vernietigde beslissing van 11 mei 2015 en deze van 4 maart 2019 onrechtmatig en derhalve foutief heeft gehandeld zodat zij op grond van artikel 1382 van het (oud) burgerlijk wetboek door aan verzoeker te blijven weigeren een verlenging van zijn pensioenleeftijd vanaf 1 juni 2015 toe te XIV-38.046-8/36 staan welke fouten een schending uitmaken van onder meer de toepasselijke rechtsregels betreffende de ouderdom van de oppensioenstelling van ambtenaren, tot schadevergoeding is gehouden”. Verzoeker vordert de stad Antwerpen te horen veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding ten belope van (
- i)gederfde inkomsten van 1 juni 2015 tot en met 30 juni 2020, provisioneel begroot op 450.000,00 euro; (
- ii)morele schade, provisioneel begroot op 35.000,00 euro en (iii) gederfde pensioenrechten, provisioneel begroot op 7.500,00 euro, al deze bedragen te indexeren en te vermeerderen met de wettelijke en gerechtelijke intresten. 3.12. Bij brief van 28 september 2020, gevoegd bij haar laatste memorie, deelt de raadsman van de verwerende partij de Raad van State mee dat verzoeker per 1 juli 2020 op pensioen werd gesteld. Bij diezelfde laatste memorie voegt zij nog een brief van 3 juli 2020 van de Federale Pensioendienst waarin deze aan verzoeker meedeelt dat deze dienst op 2 juli 2020 een dossier rustpensioen heeft geopend met ingangsdatum 1 juli 2020. 3.13. In zijn tussenarrest van 22 juni 2021 dat door verzoeker met zijn laatste memorie wordt bijgebracht, verklaart het hof van beroep Antwerpen het hoger beroep ontvankelijk, evenals het incidenteel beroep van de stad Antwerpen en zegt voor recht dat over de grond van de zaak worden geoordeeld nadat een arrest van de Raad van State zal zijn tussengekomen over de met het voorliggende beroep tot nietigverklaring bestreden beslissingen en verwijst in afwachting de zaak naar de bijzondere rol. IV. Ontvankelijkheid van het beroep Uiteenzetting van de exceptie 4. In haar laatste memorie werpt de verwerende partij een exceptie op waarin zij stelt dat verzoeker het vereiste (actueel) belang ontbeert aangezien verzoeker een pensioenaanvraag heeft ingediend en hij sedert 1 juli 2020 effectief XIV-38.046-9/36 met pensioen is. Deze oppensioenstelling is definitief. De verwerende partij voert aan dat “ondanks het arrest nr. 242.590 van 10.12.2018, er opnieuw een beoordeling moet gebeuren van het volgehouden en actuele belang”, dit rekening houdende met de op pensioenstelling per 1 juli 2020 en het uitoefenen van de pensioenaanspraken. De verwerende partij zet nog uiteen dat “los van de vraag of verzoeker nog over een actueel belang beschikt nu de duur van een jaar gedurende hetwelk hij langer in dienst wil blijven is verstreken”, dient vastgesteld dat verzoeker niet aantoont dat hij nog enig voordeel kan halen uit een eventuele nietigverklaring van de bestreden beslissingen aangezien hij met ingang van 1 juli 2020 met pensioen is. De verwerende partij verwijst naar rechtspraak waaruit volgens haar moet blijken dat de Raad van State, naar aanleiding van de gevorderde vernietiging van een weigeringsbeslissing tot indiensthouding na de leeftijd van 65 jaar, oordeelt dat gelet op het feit (
- i)dat – lopende de vernietigingsprocedure – aan de betrokkene eervol ontslag werd verleend uit zijn ambt en (
- ii)de betrokkene ertoe werd gemachtigd zijn pensioenaanspraken te laten gelden, deze niet aantoont, los van de vraag of de betrokkene nog over een actueel belang beschikt nu de duur van één jaar gedurende hetwelk hij langer wenst in dienst te worden gehouden verstreken is, dat hij nog enig voordeel kan halen uit een eventuele nietigverklaring van de bestreden beslissing, aangezien hij inmiddels bij koninklijk besluit definitief op pensioen is gesteld. Volgens de verwerende partij is er immers geen rechtsplicht om verzoekers vraag om indiensthouding toe te staan “daar het om een gunst gaat”. In het arrest nr. 242.590 (zie supra, punt 3.7), aldus de verwerende partij, is geoordeeld “dat de vernietiging van de toen in het geding zijnde beslissing niet tot gevolg had dat een rechtsplicht ontstond om verzoeker met terugwerkende kracht de gevraagde toelating te verlenen”. Verzoeker heeft enkel een nieuwe kans om zijn loopbaan te reconstrueren, maar gelet op zijn pensionering verliest hij volgens de verwerende partij zijn belang. Tot slot, wijst de verwerende partij er nog op dat verzoeker bezwaarlijk een actueel belang kan creëren door bij de Raad van State alsnog een vordering tot schadevergoeding in te dienen aangezien een dergelijke vordering reeds hangende is voor de burgerlijke rechter. Ook in dat opzicht is er geen sprake van een behoud van belang. XIV-38.046-10/36 Beoordeling 5. Gelet op artikel 19, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, kan het beroep tot nietigverklaring bedoeld bij artikel 14 van deze wet, voor de afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State worden gebracht “door elke partij welke doet blijken van een benadeling of van een belang”. Die vereiste is erop gericht de rechtszekerheid te dienen en een goede rechtsbedeling te verzekeren (RvS (A.V.) 22 maart 2019, nr. 244.015, Moors). Een verzoekende partij beschikt over dit rechtens vereiste belang indien twee voorwaarden vervuld zijn: vooreerst dient zij door de bestreden administratieve rechtshandeling een persoonlijk, rechtstreeks, zeker, actueel en wettig nadeel te lijden; voorts moet de eventueel tussen te komen nietigverklaring van die rechtshandeling haar een direct en persoonlijk voordeel verschaffen, hoe miniem ook (RvS (A.V.) 15 januari 2019, nr. 243.406, Van Dooren). Het belang moet niet alleen bestaan bij het instellen van het beroep maar moet voortduren tot aan de sluiting van het debat (RvS (A.V.) 22 maart 2019, nr. 244.015, Moors), zonder dat de verzoekende partij noodzakelijk elk belang bij de nietigverklaring verliest wanneer zij het initiële voordeel niet meer kan ambiëren (cf. GwH 9 juli 2020, nr. 105/2020, punt B.11.2. en B.12.2). Het staat aan de Raad van State te oordelen of de verzoekende partij die een zaak voor de Raad brengt, doet blijken van een belang bij haar beroep. De Raad van State dient er over te waken dat het belangvereiste niet op een buitensporig restrictieve of formalistische wijze wordt toegepast (GwH 30 september 2010, nr. 109/2010, punt 4.3; GwH 9 juli 2020, nr. 105/2020, punt B.9.3.; EHRM 17 juli 2018, nr. 5475/06, Vermeulen t. België, punten 42 e.v.). 6. Er is voor een verzoekende partij geen stelplicht om haar belang bij het beroep te omschrijven of toe te lichten. XIV-38.046-11/36 Echter, doet zij dat wel hetzij in haar verzoekschrift, hetzij (wanneer haar belang in twijfel wordt getrokken) bij een eerstvolgende procedurele gelegenheid, dan schetst zij daarmee ook de contouren waarom het haar te doen is en moet de Raad van State met die door de verzoekende partij vastgelegde grenzen van het gerechtelijk debat rekening houden. 7. In zijn verzoekschrift, wat verzoeker in zijn memorie van wederantwoord herhaalt, voert verzoeker onder het kopje “belang” aan dat hij zich vier jaar na de vorige beslissing van 11 mei 2015 die bij arrest nr. 242.590 van 10 oktober 2018 door de Raad van State werd vernietigd (zie supra, punten 3.6 en 3.7) nog steeds in een penibele leefsituatie bevindt omdat hij op dat ogenblik geen arbeidsinkomen meer geniet, maar ook nog niet met pensioen is. Verzoeker kan om te voorzien in het levensonderhoud voor zichzelf en zijn (hulpbehoevende) kinderen slechts beroep doen (
- i)op kinderbijslag (vanaf najaar 2015), (
- ii)op de uitbetaling sedert 2014 via maandelijkse schijven van een polis “groepspensioen” - waarmee hij startte bij zijn eerste (privé)werkgever tussen 1965 en 1971 en waarvan hij later de premies zelf heeft betaald - waarvan het saldo zienderogen slinkt en, tot slot, (iii) op de hulp van voedselbanken. Omdat uit medisch onderzoek blijkt dat hij nog perfect in staat is om te werken, zou hij graag - getuige daarvan zijn aanvraag van 2 oktober 2014 die geleid heeft tot de (vernietigde) beslissing van 11 mei 2015, evenals zijn vraag van 20 december 2018 - zijn pensioenleeftijd verlengd zien “om alsnog een zekere periode opnieuw bij de lokale politie van Antwerpen tewerkgesteld worden, om opnieuw een deftig inkomen te verwerven met een aanvaardbare levensstandaard”, wat de verwerende partij “echter halsstarrig [blijft] weigeren”. In zijn laatste memorie, aldus replicerend op de door de verwerende partij in haar laatste memorie opgeworpen exceptie, stelt verzoeker dat zijn pensionering met ingang van 1 juli 2020 geenszins afbreuk doet aan zijn (actueel) belang. Hij verwijst daartoe naar randnummer 13 van ‘s Raads arrest nr. 242.590 van 10 oktober 2018 waarin is gesteld dat het voordeel dat verzoeker XIV-38.046-12/36 nastreeft erin bestaat een nieuwe kans te verwerven om een verlenging van de pensioenleeftijd te bekomen en aldus zijn loopbaan te laten reconstrueren. Het pensioen met ingang van 1 juli 2020 brengt geen verandering bij dit belang: de lopende procedure bij het hof van beroep bewijst dat verzoeker zijn loopbaan nog steeds wil reconstrueren, dit bij wijze van schadevergoeding die hij van de verwerende partij vordert. Hij wijst er voorts op dat de verwerende partij eraan voorbijgaat dat volgens rechtspraak van de Raad van State de beoordeling van het belang een toetsing vereist van alle nuttige gegevens in het licht van de concrete omstandigheden. Een pensionering impliceert niet automatisch een verlies aan belang, integendeel. Verzoeker vordert immers, na reconstructie van loopbaan, een substantiële schadevergoeding omdat verwerende partij hem op manifest onwettige gronden bij herhaling geweigerd heeft om nog door te werken na zijn pensioenleeftijd. 8. De Raad van State valt, om de hierna uiteengezette redenen, het argument van verzoeker bij dat het gegeven dat hij op het ogenblik van de effectieve behandeling van zijn zaak door de Raad van State met ingang van 1 juli 2020 zijn pensioen heeft gevraagd én gekregen te dezen irrelevant is. De Raad van State trekt hierbij lering uit het arrest van het Europees Hof voor de rechten van de mens van 17 juli 2018 inzake Vermeulen tegen België (EHRM 17 juli 2018, nr. 5475/06, Vermeulen t. België). In dit arrest heeft het Hof eraan herinnerd dat de invulling door de Raad van State, in zijn rechtspraak, van het begrip “belang” als ontvankelijkheidsvereiste niet tot gevolg mag hebben de kern zelf aan te tasten van het recht van eenieder op toegang tot de rechter, dat inherent is aan de waarborgen geboden bij artikel 6 van het Europees Verdrag over de rechten van de mens (hierna: het EVRM). Op het ogenblik waarop verzoeker voorliggend beroep instelt, is hij nog niet met pensioen en heeft hij, wel integendeel, met zijn (vierde) aanvraag (van 2 oktober 2014) tot verlenging van de pensioenleeftijd van 1 juni 2015 tot 1 juni 2016 nogmaals uitdrukkelijk te kennen gegeven dat hij gebruik wenst te XIV-38.046-13/36 maken van de mogelijkheid die de toepasselijke regelgeving hem biedt om verder in dienst te worden gehouden na de leeftijd van 65 jaar, d.w.z. om zijn hoedanigheid van ambtenaar nog na de leeftijd van 65 jaar te bestendigen. Zeven maanden later, op 11 mei 2015 (dit is amper twee weken vooraleer zijn vorige verlengingsperiode (op 30 mei 2015) afloopt), neemt de verwerende partij haar eerste weigeringsbeslissing. Die beslissing wordt op 10 oktober 2018 vernietigd (zie supra, punt 3.7), waardoor op de verwerende partij de rechtsplicht rustte om een nieuwe beslissing te nemen over verzoekers nog hangende aanvraag van 2 oktober 2014. De verwerende partij neemt die nieuwe, thans bestreden beslissing pas op 4 maart 2019 nadat zij door verzoeker op 20 december 2018 (verzoeker is dan ruim 70 jaar) in gebreke is gesteld en hij haar op 1 maart 2019 heeft gedagvaard voor de burgerlijke rechter. Samen met zijn ingebrekestelling verzoekt hij de verwerende partij nog om (
- i)zijn pensioenleeftijd te verlengen met ingang van 1 januari 2019, (
- ii)de bonussen voor het pensioen per gewerkt jaar na de leeftijd van 65 jaar toe te voegen tot aan de datum van zijn effectieve pensionering en (iii) zijn graad te verhogen naar die van eerste hoofdinspecteur, wat hem met de bestreden beslissingen opnieuw wordt geweigerd. De Raad van State kan er niet aan voorbijgaan dat verzoeker na de opeenvolgende weigeringsbeslissingen die hij consequent voor de Raad van State heeft bestreden, in de feiten noodgedwongen (verzoeker is dan immers al 70 jaar) per 1 juli 2020 zijn pensioen heeft aangevraagd. Dat hij in die omstandigheden niet langer in dienst is en door zijn oppensioenstelling de hoedanigheid van ambtenaar is verloren, is niet relevant. Verzoeker heeft nog steeds belang bij het bestrijden van de beslissingen waarbij hem het voordeel werd geweigerd om langer dan de wettige pensioenleeftijd in dienst te blijven en waarvan hij de wettigheid (tijdig) in vraag heeft gesteld en die dus omwille van het vernietigingsberoep precair blijven, ondanks het feit dat hij niet langer in dienst is. In de mate immers finaal zou blijken dat de bestreden weigeringsbeslissingen waarbij verzoeker de continuïteit van zijn hoedanigheid als ambtenaar wordt geweigerd onrechtmatig zijn, blijft verzoeker er immers belang bij hebben deze vernietigd te zien en is zijn voordeel bij de vernietiging erin gelegen dat hij een XIV-38.046-14/36 reconstructie van loopbaan vermag te bekomen met het oog op het bepalen van zijn pensioenrechten. In die concrete omstandigheden aan verzoeker belang ontzeggen, zou op onevenredige wijze afbreuk doen aan zijn recht op toegang tot de rechter zoals dit is gewaarborgd bij artikel 6, lid 1, EVRM. 9. Het argument van de verwerende partij dat verzoeker voor de justitiële rechter zou hebben verklaard dat het verder in dienst blijven voor hem vanaf 1 oktober 2015 (datum vanaf wanneer hij de kinderbijslag ontving) “niet langer hoefde”, doet aan voormelde vaststelling geen afbreuk. De vaststelling blijft dezelfde: verzoeker heeft een aanvraag ingediend om een verlenging van de pensioenleeftijd te bekomen van 1 juni 2015 tot 1 juni 2016 . Het voordeel dat hij nastreeft is en blijft een reconstructie van zijn loopbaan. Overigens zou verzoeker niet onmiddellijk zijn pensioen hebben kunnen innen, gegeven de tijd die na de pensioenaanvraag vereist is om het dossier in orde te brengen, wat blijkt uit het schrijven van 3 juli 2020 van de Federale Pensioendienst aan verzoeker. De eerder gemaakte vaststelling in het arrest van 10 oktober 2018 blijft derhalve overeind. Evenmin doet de rechtspraak waarnaar de verwerende partij verwijst, anders besluiten. Het te dezen relevante arrest waarnaar zij verwijst, handelt over een aanvraag (van 1 juli 2013) tot indiensthouding na de leeftijd van 65 jaar ingediend door een geneesheer-inspecteur-directeur onder toepassing van artikel 3 van het koninklijk besluit van 12 mei 1927, zoals dat werd vervangen bij artikel 1 van het koninklijk besluit van 1 juli 2012 ‘tot wijziging van het koninklijk besluit van 12 mei 1927 betreffende de ouderdom van de oppensioenstelling van de ambtenaren, de beambten en het dienstpersoneel van den staat’ (hierna: het wijzigingsbesluit) en zoals dat ook van toepassing is in de voorliggende zaak. De feitelijke situatie die werd beoordeeld in die zaak verschilt fundamenteel van deze in de voorliggende zaak. In die zaak (
- i)lag geen positief maar een negatief advies voor van de onmiddellijk hiërarchische meerdere tot indiensthouding van de betrokkene, (
- ii)weigerde de administrateur-generaal van de betrokken instelling in XIV-38.046-15/36 lijn met het negatief advies de verdere indiensthouding wat deze, na een verzoek om herziening, bevestigde en (iii) werd aan de betrokkene in die zaak bij koninklijk besluit van 26 januari 2014 (dit is zeven maanden na zijn aanvraag van 1 juli 2013) eervol ontslag verleend uit zijn ambt waarbij deze gemachtigd werd om zijn pensioenaanspraken te laten gelden dat (omdat het niet werd bestreden) definitief was geworden en (
- iv)toonde de verzoeker in die zaak, anders dan in de voorliggende zaak het geval is, overigens niet aan nog enig voordeel te kunnen halen uit een eventuele nietigverklaring van de bestreden weigeringsbeslissing om langer in dienst te worden gehouden. 10. De exceptie wordt verworpen. V. Onderzoek van het eerste middel Standpunt van de partijen 11. Verzoeker voert in een eerste middel, dat hij in twee middelonderdelen opsplitst, een schending aan van artikel 3 van het koninklijk besluit van 12 mei 1927, artikel 1 van het ministerieel besluit van 11 september 2012, de formele- en materiëlemotiveringsplicht, het zorgvuldigheidsbeginsel, het grondwettelijk gelijkheids- en non-discriminatiebeginsel, en het rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel. De eerste bestreden beslissing schendt volgens verzoeker de aangehaalde bepalingen en beginselen doordat de verlenging van de pensioenleeftijd op onwettige wijze aan verzoeker wordt geweigerd zonder dat hiervoor enige afdoende of draagkrachtige motivering voor voorhanden is. Bovendien wordt verzoeker hiermee op discriminatoire wijze behandeld, louter omwille van zijn leeftijd, en worden zijn rechtmatige verwachtingen hierdoor manifest geschonden (eerste middelonderdeel); de tweede bestreden beslissing schendt volgens verzoeker de aangehaalde bepalingen en beginselen evenzo door aan verzoeker verwijten te formuleren die precies het rechtstreekse gevolg zijn van XIV-38.046-16/36 de eerste bestreden beslissing (en van de vorige, op 10 oktober 2018 vernietigde beslissing) en op basis van deze onwettigheden de verlenging van de pensioenleeftijd te weigeren (tweede middelonderdeel). In zijn verzoekschrift zet verzoeker in het eerste middelonderdeel, dat hij in zijn memorie van wederantwoord herneemt, uiteen dat de eerste bestreden beslissing de in het eerste middel genoemde bepalingen en beginselen van behoorlijk bestuur schendt “doordat de verlenging van de pensioenleeftijd op onwettige wijze aan verzoeke[r] wordt geweigerd, zonder dat hiervoor enige afdoende of draagkrachtige motivering voor voorhanden is. Bovendien wordt verzoeke[r] hiermee op discriminatoire wijze behandeld, louter door zijn leeftijd, en worden zijn rechtmatige verwachtingen hier manifest mee geschonden”. Volgens verzoeker wordt met de eerste bestreden beslissing onterecht de indruk gewekt dat de weigering van 4 maart 2019 een onontkoombaar gevolg zou zijn van het personeelsbehoeftenplan dat de gemeenteraad op 27 januari 2014 goedkeurde, alsook van de kanteling die op 1 mei 2015 plaatsvond binnen de lokale politie Antwerpen (herleiding aantal voltijdse equivalenten), alsook van het advies van CP J.D., die in het kader van de aanvraag van verzoeker verwees naar een bepaalde betrekking (kantschriften), die volgens de verwerende partij echter op 1 juni 2015 reeds volledig ingevuld was door personen die de pensioengerechtigde leeftijd nog niet hadden bereikt. Uit het personeelsbehoeftenplan, noch uit de kanteling vloeit nochtans voort dat de aanvraag tot verlenging moest worden geweigerd aangezien dat plan geen enkel criterium of geen enkele richtlijn in dit verband bevat. In de hypothese dat daarin zou zijn bepaald dat oudere werknemers eerst zouden moeten afvloeien, zou deze bepaling discriminerend zijn en op grond van artikel 159 van de Grondwet buiten toepassing moeten worden gelaten. Meer nog, de argumentatie van de verwerende partij wordt volgens verzoeker geheel tegengesproken door de verdere evoluties die zich, alleen al in de rest van 2015, voordeden bij de lokale politie Antwerpen, wat hij als volgt illustreert. Zo werd in het najaar van 2015 een oproep gedaan voor 500 nieuwe mensen in het korps wat hij verklaart door het feit dat door de pensioneringsgolf bij de lokale politie men uiteindelijk zelfs buiten het korps van XIV-38.046-17/36 Antwerpen moest rekruteren hoewel verzoeker, die na zijn pensioen nog een tijdje wilde doorwerken, dit pertinent werd geweigerd. Ook na 1 juni 2015 blijkt dat hoofdinspecteurs zowel nieuw aangesteld werden, als benoemd in plaatsen die open waren verklaard. Niet blijkt derhalve dat, ingevolge het personeelsbehoeftenplan, verzoeker nog onmogelijk had kunnen doorwerken na zijn pensioengerechtigde leeftijd. Verzoeker stelt vervolgens vast dat nu, vier jaar later, voor de eerste maal in de motivering van de bestreden beslissing wordt verwezen naar het voorgaand advies van commissaris van politie J.D. Naar het advies van hoofdcommissaris van politie G.D. wordt nog steeds niet verwezen. Het advies van commissaris van politie J.D. wordt bovendien “op tendentieuze wijze” aangehaald om de indruk te wekken dat daaruit zou volgen dat commissaris van politie J.D. verzoeker slechts geschikt zou hebben geacht voor één bepaalde betrekking (kantschriften), die evenwel, volgens de verwerende partij, op 1 juni 2015 “reeds volledig ingevuld zou zijn geweest door personeelsleden die de pensioengerechtigde leeftijd nog niet bereikt hadden”. Dit advies stipuleert echter geenszins dat verzoeker enkel en alleen voor de specifieke betrekking kantschriften geschikt zou zijn geweest doch noemt enkel een betrekking die toen inderdaad vacant was, en waarvoor volgens commissaris van politie J.D. verzoeker geschikt was. Niet alleen is de vermelding van de zes ingevulde vacatures voor de betrekking kantschriften extreem laattijdig hoewel die informatie logischerwijs reeds vier jaar geleden beschikbaar moest zijn. Bovendien blijkt nergens uit dat de betrekkingen waarvoor verzoeker had kunnen of mogen kandideren, enkel beperkt zouden zijn gebleven tot de betreffende kantschriften. Wel integendeel: het is zelfs zo, dat verzoeker nog op 18 mei 2015 mocht deelnemen aan de screening voor een commissaris diversiteit, waarvoor hij zich in april 2015 kandidaat had gesteld. Van niemand binnen de politie ontving verzoeker enige melding dat hij niet meer aan die screening mocht deelnemen. Pas op 21 mei 2015 ontving hij dan alsnog het bericht, dat ingevolge de (inmiddels vernietigde) beslissing van 11 mei 2015 zijn pensioenleeftijd niet meer werd verlengd. Minstens blijkt hieruit, dat de functies waarvoor de verwerende partij verzoeker potentieel geschikt achtte geenszins beperkt bleven tot de betrekking kantschriften. Er bestaat dan ook geen enkel redelijk verband tussen “enerzijds het personeelsbehoeftenplan met de daaruit XIV-38.046-18/36 voortvloeiende zogenaamde “kanteling”, plus het advies van CP [J.D.], en anderzijds de weigeringsbeslissing van 4 maart 2019”. Uit de (eerste) bestreden beslissing blijkt niet waarom het personeelsbehoeftenplan en het genoemde advies tot gevolg moesten hebben dat juist verzoeker voor geen enkele functie als hoofdinspecteur meer geschikt zou zijn geweest, zeker ook gegeven de gunstige adviezen, de gunstige evaluaties en het blanco tuchtregister van verzoeker en de in de praktijk volledig tegenstrijdige handelwijze van de verwerende partij, waarbij andere hoofdinspecteurs wel nog na 1 juni 2015 werden benoemd. In zijn laatste memorie herhaalt verzoeker dat in 2019 zeer laattijdig en uit het niets een motief (niet-beschikbaarheid van vacante plaatsen) werd “verzonnen” dat nooit eerder werd aangevoerd, wat op zich al de onwettigheid van de eerste bestreden beslissing bewijst. Overigens is dat motief niet dragend aangezien geen enkele wettelijke bepaling vereist dat een ambtenaar slechts in dienst kan blijven boven de leeftijd van 65 jaar wanneer er een vacante plaats zou zijn. De verwerende partij trekt dit standpunt door “naar het andere uiterste, alsof er een rechtsplicht zou bestaan om actief naar een betrekking te gaan zoeken”, wat niemand voorhoudt. Het is ook niet zo dat verzoeker bij zijn aanvraag zelf alle mogelijke alternatieven had moeten voordragen voor zijn bestaande job. Verzoeker was in alle opzichten geschikt en het kwam de verwerende partij toe te verantwoorden waarom dat niet of niet meer zo zou zijn. Bovendien had verzoeker wel degelijk een administratieve functie als alternatief voorgesteld maar ook dit werd geweigerd hoewel de verwerende partij nu zelf erkent dat er wel steeds andere taken voorhanden waren voor verzoeker. Zij wil het debat in zwart-wittermen verengen tot de vraag of er een rechtsplicht zou bestaan om iemand na zijn pensioenleeftijd in dienst te houden, dan wel of dit een gunstmaatregel betreft, wat geenszins de kern van de zaak is. De kern van de zaak is of de betrokken overheid haar herhaalde weigeringsbeslissing op afdoende en draagkrachtige wijze motiveert, wat te dezen niet het geval is. De enige ware, maar door de verwerende partij onuitgesproken reden van de weigering is erin gelegen dat zij, zoals ook de justitiële rechter heeft vastgesteld, “geen zin” had om verzoeker nog langer te werk te stellen. XIV-38.046-19/36 Wat het tweede middelonderdeel betreft, voert verzoeker in zijn verzoekschrift aan dat (ook) de tweede bestreden beslissing de in het eerste middel genoemde bepalingen en beginselen van behoorlijk bestuur schendt door “aan verzoeke[r] verwijten te formuleren, die precies het rechtstreekse gevolg zijn van de eerste bestreden beslissing (en van de vorige, op 10 oktober 2018 vernietigde beslissing), en op basis van deze onwettigheden de verlenging van de pensioenleeftijd te weigeren”. Verzoeker wijst erop dat hij geen activiteit meer heeft binnen het korps sedert 1 juni 2015, ingevolge de (vernietigde) beslissing van 11 mei 2015 zodat verzoeker sedertdien geen hiërarchische oversten meer had waaraan hij advies kon vragen en er evenmin nog een “verlengingstermijn liep waarin verzoeke[r] uiterlijk zes maanden vóór het verstrijken een hernieuwing had kunnen aanvragen” zoals hij voordien steeds had gedaan. De eisen die de verwerende partij met haar tweede bestreden beslissing formuleert, zijn bijgevolg juridisch onmogelijk net omdat de verwerende partij eerdere verlengingen van zijn loopbaan onmogelijk had gemaakt door een opeenvolging van onwettig bevonden beslissingen. De verwerende partij kan deze verwijten dan ook niet op ernstige wijze formuleren, nu zij er zelf aan de basis van ligt. Nochtans kon de verwerende partij de situatie regulariseren door na het vernietigingsarrest van 10 oktober 2018 uit eigen beweging één of meerdere nieuwe beslissingen te nemen met terugwerkende kracht en had zij, gezien de intussen verstreken periode, verzoeker bij wijze van voorlopige maatregel kunnen toelaten om terug in dienst te komen voor een bepaalde periode, in afwachting van te nemen regularisatiebeslissingen met terugwerkende kracht, telkens voor maximaal één jaar, “tot op het ogenblik van een gebeurlijke nieuwe beslissing, na een nieuwe, formele aanvraag” van verzoeker, net zoals eerder op 20 juni 2014 aan verzoeker met een voorlopige maatregel werd toegestaan zijn werkzaamheden voorlopig voort te zetten. De verwerende partij heeft evenwel volledig nagelaten om de nodige gevolgen te verbinden aan het vernietigingsarrest van 10 oktober 2018 en heeft, integendeel, de onwettige en vernietigde beslissing vervangen door de (andermaal) onwettige eerste bestreden beslissing. De door de verwerende partij zelf gecreëerde situatie wordt daarbij ingeroepen om de vraag van verzoeker tot hernieuwde XIV-38.046-20/36 indiensttreding in de tweede bestreden beslissing als “onontvankelijk of ongegrond” te bestempelen. Juridisch gezien kon verzoeker pas een formeel correcte aanvraag indienen voor een nieuwe verlenging, van zodra hij opnieuw in dienst zou zijn, hetzij via een voorlopige maatregel, hetzij via een nieuwe aanstelling. Overigens spreekt de verwerende partij zichzelf manifest tegen in de tweede bestreden beslissing door eerst te stellen dat die aanvraag moet worden geweigerd omdat hij niet langer in dienst is en vervolgens te stellen dat hij “tot het “operationeel kader” behoort, om ook op die grond de aanvraag te weigeren. Er is aldus volstrekt foutief gebruik gemaakt van de bepalingen van artikel 3 van het koninklijk besluit van 12 mei 1927 en artikel 1 van het ministerieel besluit van 11 september 2012. Bovendien is de tweede bestreden beslissing op deze wijze geenszins afdoende of draagkrachtig gemotiveerd, noch zorgvuldig onderbouwd: het creëren van onwettigheden kan immers niet als “motief” dienen om steeds opnieuw onwettigheden bij te begaan zodat ook de formele- en materiëlemotiveringsplicht, alsook het zorgvuldigheidsbeginsel, zijn geschonden. Evenmin blijkt er enig objectief onderscheid dat kan verantwoorden waarom aan verzoeker blijvend de verlenging van pensioenleeftijd wordt geweigerd zodat ook het grondwettelijk gelijkheids- en non-discriminatiebeginsel werd geschonden. Tot slot, wordt volgens verzoeker ook het rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel geschonden: de gerechtvaardigde verwachtingen van verzoeker dat de verwerende partij, na diverse vastgestelde onwettigheden, eindelijk een correcte beslissing zou nemen, werden immers niet gehonoreerd. In zijn memorie van wederantwoord (randnummer 27) verduidelijkt verzoeker met betrekking tot het tweede middelonderdeel dat zijn brief van 20 december 2018 “geenszins als een ‘nieuwe aanvraag’ beschouwd [kan] worden, in tegenstelling tot wat de verwerende partij voorhoudt”. Verzoeker, zo stelt hij, herneemt in zijn brief simpelweg zijn (vierde) aanvraag. Zolang de procedure tegen de beslissing van 11 mei 2015 bij de Raad van State immers liep, aldus verzoeker, kon er niets opnieuw aangevraagd worden. Tot er een arrest kwam, aldus verzoeker, was de situatie met andere woorden als het ware “bevroren”. Het vernietigingsarrest van 10 oktober 2018 maakte de zaak terug XIV-38.046-21/36 actueel, aangezien de toen bestreden beslissing van 11 mei 2015 niet meer bestond. Het is om die reden dat verzoeker (lees: met zijn brief van 20 december 2018) zijn vierde aanvraag gewoon terug in herinnering bracht. De verwerende partij had, zo voert hij aan, na het vernietigingsarrest kunnen opteren voor een rechtsherstel ten aanzien van verzoeker maar koos er integendeel voor om (andermaal) een negatieve (onwettige) beslissing te nemen en dat pas nadat verzoeker “eerst ook een burgerlijke dagvaarding had uitgebracht”. 12. In haar memorie van antwoord repliceert de verwerende partij, wat het eerste middelonderdeel betreft, dat de korpschef zich bij de beoordeling van de aanvraag van verzoeker niet enkel en alleen dient te baseren op de adviezen van zijn directe overste. Deze adviezen zijn in overweging genomen en “voor zover ze concrete elementen bijbrachten beantwoord”. Daarnaast werd, anders dan wat verzoeker voorhoudt, geenszins beslist of gesteld dat verzoeker in mei 2015 ongeschikt was om zijn functie als hoofdinspecteur verder uit te voeren. De korpschef heeft de verlenging geweigerd op basis van het personeelsbehoeftenplan van 27 januari 2014 dat nader werd uitgevoerd door de centralisatie die op 1 mei 2015 werd ingezet. Door het uitvoeren van dit plan moest worden vastgesteld dat de HINP’s in overtal waren. In die omstandigheden, aldus de verwerende partij, “is het verlengen van de pensioenleeftijd van HINP’s die in dienst zijn en de pensioengerechtigde leeftijd hebben bereikt niet in het belang van de instelling”. Daarnaast werd er geantwoord op de overweging van het advies van commissaris van politie J.D. waarin werd aangegeven dat er een plaats beschikbaar zou zijn voor verzoeker bij de dienst kantschriften. Dit bleek, aldus de verwerende partij, “niet het geval te zijn”. Tot slot, werd er nagegaan of er bijzondere redenen waren die een langere indiensthouding in afwijking van het personeelsbehoeftenplan werden bijgebracht of ambtshalve konden worden bijgebracht. “Aangezien dit niet het geval was”, aldus de verwerende partij, werd er beslist om de aanvraag tot verlenging op grond van die motieven te weigeren. Aangezien de verlenging die door verzoeker werd aangevraagd betrekking heeft op de periode na de centralisatie die op 1 mei 2015 werd ingezet, is dit volgens de verwerende partij wel degelijk een motief dat in overweging mag worden genomen voor de XIV-38.046-22/36 beoordeling van de aanvraag van verzoeker. In zijn arrest van 10 oktober 2018 heeft de Raad van State, aldus de verwerende partij, uitdrukkelijk aangegeven dat de verwerende partij ter zake over een appreciatiebevoegdheid beschikt die geval per geval moet worden uitgeoefend, rekening houdend met de concrete omstandigheden van de zaak, in het bijzonder de gepastheid van de verdere indiensthouding van de aanvrager voor de instelling, en de meest geschikte duur ervan. Zij doet voorts nog gelden dat het gegeven dat de beslissing van de korpschef dateert van na 1 mei 2015 “geenszins van doorslaggevend belang [is] om na te gaan of er al dan niet rekening mocht worden gehouden met deze centralisatie”. Deze centralisatie stond al langer gepland en zou, “ongeacht de datum van de beslissing, steeds in werking zijn getreden vóór de periode waarop de aanvraag betrekking had”. Ook indien er sneller na de aanvraag zou zijn beslist, had de korpschef rekening moeten houden met het personeelsbehoeftenplan aangezien de centralisatie zou starten op 1 mei 2015 en de aanvraag betrekking had op de periode na 1 juni 2015. Deze centralisatie en het nieuw personeelsbehoefteplan zijn wel degelijk pertinente motieven om de aanvraag tot verlenging van verzoeker te beoordelen, temeer omdat hier budgettaire gevolgen aan zijn gekoppeld. Sinds de inwerkingtreding van het personeelsbehoeftenplan zijn HINP’s binnen het korps in overtal waardoor een verlenging na de wettelijke pensioenleeftijd niet verantwoordbaar is indien de HINP in kwestie zijn functie zonder problemen door andere HINP’s kan worden overgenomen of indien de functie die wordt uitgeoefend verdwijnt door het nieuwe personeelsbehoeftenplan. Dit is een pertinent motief waarmee de korpschef rekening mocht houden en dit ligt in lijn met de personeelsformatie vastgelegd door de gemeenteraad in functie van het belang van de instelling. Daarnaast waren er, “in tegenstelling tot wat het advies van CP J.D. lijkt aan te geven”, geen beschikbare plaatsen die niet door (in overtal zijnde) hoofdinspecteurs, welke nog niet de pensioengerechtigde leeftijd hadden bereikt, waren ingevuld. De plaatsen waar commissaris van politie J.D. naar verwijst “werden uitdrukkelijk nagekeken” en hieruit bleek dat deze plaatsen ingevuld waren. In zoverre er andere plaatsen beschikbaar werden door de verschuiving van plaatsen (waarbij eveneens posities verdwenen) ingevolge het personeelsbehoeftenplan gingen deze “uiteraard” bij voorkeur naar in overtal XIV-38.046-23/36 zijnde hoofdinspecteurs die niet de pensioengerechtigde leeftijd hadden bereikt. Verzoeker toont geenszins aan dat er bij het nemen van de beslissing plaatsen uit het personeelsbehoefteplan niet konden worden ingevuld door leden van het operationeel kader die nog niet de pensioengerechtigde leeftijd hadden bereikt. In de mate verzoeker “naar een artikel [verwijst] omtrent de aanwerving van nieuwe agenten (…) blijkt echter geenszins dat deze wervingscampagne betrekking heeft op hoofdinspecteurs”. Het loutere feit dat de hoofdinspecteurs in overtal waren, wil uiteraard geenszins zeggen dat er op andere niveaus geen aanwervingen noodzakelijk waren. Op 31 mei 2015 was er (ten overstaan van het personeelsbehoeftenplan) voor inspecteurs een tekort zodat het logisch is dat er aanwervingen van inspecteurs noodzakelijk waren. In de mate verzoeker verwijst naar specifieke aanstellingen in de graad van hoofdinspecteur, moet erop worden gewezen dat het hier slechts gaat om aanstellingen en niet om benoemingen. Voor het personeelsbehoefteplan worden deze aangestelde hoofdinspecteurs ingedeeld onder de inspecteurs aangezien ze niet benoemd zijn als hoofdinspecteur. Bovendien ontneemt het personeelsbehoeftenplan “op geen enkele wijze de discretionaire bevoegdheid van de korpschef voor aanstellingen en benoemingen”. Evenmin verhindert dit plan aanstellingen en benoemingen waarop personeelsleden recht hebben ten gevolge van wettelijke bepalingen. Net zoals bij de beslissing over de verlenging van verzoeker dient de korpschef “geval per geval na te gaan of een afwijking op het personeelsbehoefteplan kan of moet worden toegestaan”. Het loutere feit dat bij andere personeelsleden, omwille van de eigenheid van hun dossier wel afwijkingen zouden zijn toegestaan op het personeelsbehoeftenplan, heeft geenszins tot gevolg dat verzoeker ook recht had op een dergelijke afwijking. Er was immers daartoe in het dossier van verzoeker geen bijzondere reden bijgebracht, noch was er een ambtshalve aan te brengen reden voorhanden om een dergelijke afwijking toe te staan. De verwerende partij volhardt in haar laatste memorie wat dit middelonderdeel betreft. Zij acht de kritiek op het weigeringsmotief waarbij de korpschef vaststelt dat niet kon worden ingegaan op de aanvraag gelet op het niet beschikbaar zijn van vacante plaatsen als laattijdig en daardoor “niet XIV-38.046-24/36 geloofwaardig”, onterecht. Zij stelt dat het feit dat in de hernemende beslissing nieuwe aanvullende argumenten en motieven worden ontwikkeld wanneer de beslissing is vernietigd wegens motiveringsgebrek, “evident” is. Stellen dat dergelijke middelen en argumenten laattijdig en ongeloofwaardig zijn en aldus niet zouden kunnen worden bijgetreden, ontneemt elke zin “om een hernemende beslissing te nemen na vernietiging wegens motiveringsgebrek”. Evenmin kan het standpunt worden bijgetreden dat wanneer een personeelslid een verzoek tot verdere tewerkstelling na 65 jaar indient, de desbetreffende overheid de rechtsplicht heeft om op zoek te gaan naar andere taken wanneer de door verzoeker uitgeoefende functie niet langer vacant is. Een rechtsplicht tot het zoeken van een gepaste functie blijkt nergens uit een wettelijke bepaling. Een verzoek tot verdere tewerkstelling heeft “in principe” betrekking op “een verdere tewerkstelling in de functie en de taken die men uitoefende”. Alleszins blijkt nergens uit dat verzoeker bij zijn aanvraag heeft verzocht om andere taken te mogen uitvoeren. De verwerende partij vervolgt nog dat “[d]e mogelijkheid voor een politieambtenaar om na de leeftijd van 65 jaar in dienst te blijven een gunstregime betreft dat slechts toepassing kan vinden met wederzijdse instemming wat impliceert dat beide partijen het nut en het belang van de verlenging onderschrijven”. Zoals niemand verplicht kan worden na de leeftijd van 65 jaar verder te blijven werken, geldt ook het omgekeerde, een eventuele verdere tewerkstelling vereist een vrije beoordeling van het bestuur, weliswaar binnen de grenzen of er al dan niet reden is om op het verzoek tot verlenging in te gaan. Beoordeling Eerste middelonderdeel 13. Vóór de wijziging ervan met het wijzigingsbesluit van 1 juli 2012 bepaalde artikel 3, eerste lid, van het koninklijk besluit van 12 mei 1927 dat “[h]et in activiteit behouden boven de leeftijd van 65 jaar bij uitzondering [kan] toegelaten worden wanneer de Staat er bijzonder belang bij zou hebben de medewerking te behouden van agenten die, indien zij op pensioen gesteld werden, XIV-38.046-25/36 vervangen zouden moeten worden.” Die beslissing moest met redenen worden omkleed en had slechts uitwerking voor maximum zes maanden. Zij kon niet worden vernieuwd. De indiensthouding na 65 jaar werd destijds derhalve opgevat als uitzondering, beperkt in de tijd, en werd aangewend “wanneer de Staat er bijzonder belang bij zou hebben”. 14. De regelgeving inzake het in dienst blijven na het bereiken van de (pensioengerechtigde) leeftijd van 65 jaar is in 2012 substantieel gewijzigd waardoor een dergelijk in dienst houden niet langer op te vatten is als een “uitzondering”. Het eerder genoemde wijzigingsbesluit van 1 juli 2012 valt immers te situeren in het kader van het Regeerakkoord van 1 december 2011 waarvan een van de doelstellingen erin was gelegen, mede in het licht van de vergrijzing en de leefbaarheid van sociale zekerheid, de werkzaamheidsgraad te verhogen waaronder de tewerkstelling van oudere werknemers. Het genoemde Regeerakkoord voorziet er bovendien in, specifiek wat het openbaar ambt betreft, dat “[w]erken na 65 jaar in de overheidssector [zal] worden toegestaan, mits het akkoord van de werkgever” (Regeerakkoord van 1 december 2011, p. 102). Met het wijzigingsbesluit van 1 juli 2012 wordt aan die beleidsdoelstelling uitvoering verleend en wordt de mogelijkheid tot indiensthouding na de leeftijd van 65 jaar ingevoerd. Het genoemde artikel 3 van het koninklijk besluit van 12 mei 1927 bepaalt thans: “Het in activiteit blijven boven de leeftijd van 65 jaar kan worden toegelaten door de leidend ambtenaar op aanvraag van de ambtenaar. De beslissing wordt met redenen omkleed. De periode van in activiteit blijven wordt bepaald voor de maximumduur van één jaar. Deze kan worden hernieuwd. De Minister tot wiens bevoegdheid de Ambtenarenzaken behoren bepaalt de procedure.” Het enig artikel van het ministerieel besluit van 11 september 2012 ‘tot uitvoering van artikel 3 van het koninklijk besluit van 12 mei 1927’ XIV-38.046-26/36 betreffende de ouderdom van de oppensioenstelling van de ambtenaren, de beambten en het dienstpersoneel van de Staat’ bepaalt: “De ambtenaar die na zijn 65e verjaardag in dienst wenst te worden gehouden dient hiertoe ten vroegste achttien maanden voor deze datum en ten laatste zes maanden voor de datum van deze verjaardag bij zijn onmiddellijke hiërarchische meerdere een aanvraag in door middel van het bij dit besluit gevoegde formulier. In geval van een aanvraag tot hernieuwing ingediend na de leeftijd van 65 jaar moet de aanvraag uiterlijk zes maanden voor het verlopen van de vorige verlenging ingediend worden. De termijn wordt gereduceerd tot drie maanden wanneer de duur van deze verlenging korter was dan zes maanden. De ambtenaar stuurt tegelijkertijd een kopie van zijn aanvraag, en eventueel van zijn aanvraag tot hernieuwing, naar de directeur van de stafdienst Personeel en Organisatie of, in de diensten waar deze functie niet is toegekend, naar de directeur of naar de verantwoordelijke van de dienst belast met het humanresourcesmanagement of, bij gebrek hieraan, naar de verantwoordelijke van de personeelsdienst. De hiërarchische meerdere bezorgt de aanvraag, binnen een termijn van vijftien dagen, alsook zijn met redenen omkleed advies aan de houder van de management- of staffunctie die het dichtst bij die van de aanvrager ligt, of, bij ontstentenis daarvan, aan de ambtenaar die de dienst leidt. De houder van de management- of staffunctie die het dichtst bij die van de aanvrager ligt of, bij ontstentenis daarvan, de ambtenaar die de dienst leidt, bezorgt op zijn beurt de aanvraag met het advies van de hiërarchische meerdere alsook zijn eigen advies, aan de leidend ambtenaar, binnen een termijn van vijftien dagen. De met redenen omklede adviezen hebben zowel betrekking op de gepastheid van de indiensthouding voor de instelling als op de meest geschikte duur voor deze indiensthouding. Indien een advies niet binnen de gestelde termijn is verstrekt, wordt de procedure vervolgd op initiatief van de in het derde lid bedoelde dienst. De leidend ambtenaar neemt een met redenen omklede beslissing binnen de dertig dagen na de ontvangst van het dossier.” Eveneens op 11 september 2012, wordt bij middel van omzendbrief nr. 618 ‘betreffende de ouderdom voor de oppensioenstelling van de ambtenaren, de beambten en het dienstpersoneel van de Staat’, binnen het federaal openbaar ambt ruime bekendheid verleend aan deze nieuwe mogelijkheid om na de leeftijd van 65 jaar nog in dienst te blijven en de ter zake te volgen procedure. Zo vermeldt de omzendbrief uitdrukkelijk dat “[e]lke organisatie voor een zo groot mogelijke verspreiding van deze omzendbrief [zorgt] bij alle personeelsleden”. 15. Uit de bij het ministerieel besluit van 11 september 2012 vastgelegde te volgen procedure blijkt dat de regelgever een bijzonder belang XIV-38.046-27/36 hecht aan de in te winnen adviezen van eensdeels de (onmiddellijk) hiërarchische meerdere en, anderdeels, het hoofd van de dienst waartoe de aanvrager behoort. De hiërarchische meerdere dient de aanvraag, binnen een termijn van vijftien dagen, vergezeld van zijn met redenen omkleed advies te bezorgen aan de houder van de management- of staffunctie die het dichtst bij die van de aanvrager ligt, of, bij ontstentenis daarvan, aan de ambtenaar die de dienst leidt. Ook die laatste (dit is de houder van de management- of staffunctie die het dichtst bij die van de aanvrager ligt of, bij ontstentenis daarvan, de ambtenaar die de dienst leidt), bezorgt op zijn beurt de aanvraag met het advies van de hiërarchische meerdere alsook zijn eigen advies, aan de leidend ambtenaar (te dezen de korpschef), binnen een termijn van vijftien dagen. Beide met redenen omklede adviezen hebben zowel betrekking op (
- i)de gepastheid van de indiensthouding voor de instelling als op (
- ii)de meest geschikte duur ervan. 16. De redenen waarom de Raad van State met zijn arrest nr. 242.590 van 10 oktober 2018 oordeelde de beslissing van 11 mei 2015 te moeten vernietigen, luiden: “20. Blijkens de bestreden beslissing zijn er ten gevolge het personeelsbehoeftenplan 2014, goedgekeurd bij gemeenteraadsbesluit van 27 januari 2014, en de concrete uitvoering ervan op 1 mei 2015 met de centralisering van de operationele diensten op de Noorderlaan, binnen de lokale politie Antwerpen nog 12 HINP’s ‘buiten het PBP van 2014’ werkzaam, en moet in dit opzicht ‘iedere aanvraag tot verlenging van de pensioenleeftijd voortaan ook worden getoetst aan het PBP 2014’. Er wordt vervolgd dat tengevolge van de centralisatiebeweging die op 1 mei 2015 plaatsvond en het teveel aan HINP’s binnen het korps, het op dit ogenblik derhalve budgettair niet langer te verantwoorden is om HINP’s na hun pensioenleeftijd nog langer in dienst te houden. In het advies van CP J.D., de houder van de management- of staffunctie die het dichtst bij die van verzoeker ligt, wordt uitdrukkelijk verwezen naar de centralisatie van de diensten vanaf 1 mei 2015. Deze centralisatie lijkt, wat de gepastheid van de indiensthouding van verzoeker betreft, geen probleem op te leveren, zelfs integendeel: er wordt verwezen naar één taak die vanaf 1 mei binnen de dienst gerechtelijke opvolging wordt ingevoerd, het betreft ‘een operationele permanentiedienst (2 shiften) waarbij dringende kantschriften of verderzetting van dringende dossiers vanuit de gerechtelijke afhandeling dient uitgevoerd te worden’. Wat de meest geschikte duur van verzoekers indiensthouding betreft, wordt alsdan gesteld dat, hiermee rekening houdend, een periode van zes maanden aangewezen lijkt om na te gaan of de aanvrager ook de operationele taken naar behoren kan blijven uitvoeren. XIV-38.046-28/36 21. In het licht van het gunstig advies van verzoekers hiërarchisch meerdere en van voornoemd gunstig advies van de houder van de management- of staffunctie in het bijzonder, waarin uitdrukkelijk wordt verwezen naar het personeelsbehoeftenplan 2014 en de hierbij ingevoerde operationele permanentiedienst waarbinnen verzoeker, (minstens) gedurende een periode van zes maanden, zou worden tewerkgesteld, kan de verwerende partij er niet mee volstaan louter te verwijzen naar het personeelsbehoeftenplan 2014 en het teveel aan HINP’s binnen het korps. In strijd met het enig artikel van het ministerieel besluit van 11 september 2012 en de formelemotiveringsplicht is in de bestreden beslissing geen rekening gehouden met voornoemde adviezen. De loutere verwijzing naar het personeelsbehoeftenplan 2014 en het budgettaire gevolg ervan, is in het licht van voornoemde gunstige adviezen, een onvoldoende dragend motief om verzoekers aanvraag tot verlenging van de pensioenleeftijd te weigeren.” 17. Te dezen wordt in de eerste bestreden beslissing, waarvan de motieven zijn aangehaald in punt 3.10., opnieuw verwezen naar het personeelsbehoeftenplan 2014 en de organisatorische en structurele gevolgen ervan in de organisatie, in het bijzonder de “kanteling” binnen de nieuwe organisatiestructuur waarbij een doorgedreven centralisering van de operationele diensten plaats vindt. Daarmee rekening houdende wordt in die beslissing geconcludeerd dat “iedere aanvraag tot verlenging van de pensioenleeftijd voortaan ook [moet] worden getoetst aan het PBP 2014” om vervolgens - op veralgemeende wijze – te besluiten dat “[t]en gevolge van de centralisatiebeweging die op 1 mei 2015 plaats vond het derhalve budgettair niet langer te verantwoorden [is] om HINP’s na hun pensioenleeftijd nog langer in dienst te houden”. Zoals hiervoor is gebleken, heeft de Raad van State in zijn arrest van 10 oktober 2018 reeds geoordeeld dat de verwerende partij er niet mee kon (noch kan) volstaan louter te verwijzen naar het personeelsbehoeftenplan 2014 en het teveel aan HINP’s binnen het korps. De loutere verwijzing naar het personeelsbehoeftenplan 2014 en het budgettaire gevolg ervan, werd immers in het licht van de gunstige adviezen van de hiërarchische meerdere en het diensthoofd van verzoeker als een onvoldoende dragend motief aanzien (schending van de formele- én de materiële motiveringsplicht) om verzoekers aanvraag tot verlenging van de pensioenleeftijd te weigeren. XIV-38.046-29/36 18. Weliswaar, in tegenstelling tot de door de Raad van State vernietigde beslissing van 11 mei 2015, wordt de motivering van de voorliggende weigering daartoe niet beperkt, wat trouwens ook niet had gekund en een duidelijke schending met zich zou hebben meegebracht van het gezag van gewijsde van het vernietigingsarrest van 10 oktober 2018. Derhalve, zoals uit de overwegingen van het arrest van 10 oktober 2018 ook volgt, wordt thans in de eerste bestreden beslissing van 4 maart 2019 wel ingegaan op die uitgebrachte adviezen. Er wordt thans in de eerste bestreden beslissing echter aangegeven dat het advies van commissaris van politie J.D. “niet correct is” of “zelfs achterhaald was” om reden dat de functie waarnaar in dat advies werd verwezen, reeds ingevuld was, zodat er geen dergelijke (vrije) functie bestond. In de memorie van antwoord stelt de verwerende partij ter zake nog dat - in 2019 (!) zo moet worden aangenomen - “[d]e plaatsen waar CP J.D. naar verwijst […] uitdrukkelijk [werden] nagekeken en hieruit bleek dat deze plaatsen ingevuld waren.” De door commissaris van politie J.D. in zijn advies van 2014 voorgestelde indiensthouding van verzoeker betrof “een operationele permanentiedienst (2 shiften) waarbij dringende kantschriften of verderzetting van dringende dossiers vanuit de gerechtelijke afhandeling dient uitgevoerd te worden”. Het nieuwe motief in de eerste bestreden beslissing dat de plaatsen reeds met ingang van 1 mei 2015 waren ingevuld, vindt geen steun in de gegevens van de zaak. Vooreerst moet worden vastgesteld dat het aangegeven motief, met name het (reeds met ingang van 1 mei 2015) niet langer beschikbaar zijn van vacante plaatsen, pas in de eerste bestreden beslissing voor het eerst als dragend motief wordt aangevoerd. Waarom de verwerende partij dat motief niet reeds vermeldde in de vernietigde beslissing van 11 mei 2015 wordt geenszins toegelicht, noch wordt redelijkerwijze aannemelijk gemaakt dat het niet gekend was of kon zijn op dat ogenblik. Het opgegeven motief bevreemdt des te meer nu verzoekers aanvraag van 2 oktober 2014 er is gekomen nadat zijn eerdere aanvraag van 14 mei 2014 door ‘s Raads arrest nr. 227.598 van 28 mei 2014 werd geschorst XIV-38.046-30/36 (en uiteindelijk vernietigd), en hij inmiddels bij voorlopige maatregel van 2 juni 2014 in dienst werd gehouden, zodat van de verwerende partij mocht worden verwacht dat reeds aan de (eveneens vernietigde) beslissing van 11 mei 2015 een zorgvuldig onderzoek zou zijn voorafgegaan waaruit alsdan reeds had moeten blijken dat de door commissaris van politie J.D. (in april 2014) voorgestelde betrekking niet langer te begeven was. Dat die invulling er al zou zijn geweest met ingang van 1 mei 2015 wordt overigens geenszins ondersteund met stavingstukken in het administratief dossier. Verzoeker, zijnerzijds, brengt daarentegen met zijn verzoekschrift een stuk bij waarin melding wordt gemaakt van meerdere aanstellingen HINP in vacante betrekkingen na 1 juni 2015, evenals van (minstens) een vacante betrekking HINP (per 16 december 2015) bij de “OGP gerechtelijke afhandeling”. In die omstandigheden maakt de verwerende partij niet aannemelijk dat haar volstrekt nieuwe argument feitelijk noch rechtens overtuigt en derhalve geen dragend motief kan zijn voor de eerste bestreden beslissing. Evenmin blijkt waarom het personeelsbehoeftenplan met de daaruit voortvloeiende “kanteling” precies tot gevolg moest hebben dat juist verzoeker niet in een van die betrekkingen verder in dienst kon worden gehouden van 1 juni 2015 tot 1 juni 2016. Voorts vereist het koninklijk besluit van 12 mei 1927 noch het ministerieel besluit van 11 september 2012 dat een ambtenaar slechts in activiteit kan blijven boven de leeftijd van 65 jaar wanneer er voor de betrokkene een vacante plaats zou zijn. Evenmin vereisen deze bepalingen dat een verzoek tot verdere tewerkstelling betrekking heeft op een verdere tewerkstelling in de functie en de taken die men reeds uitoefende. In het advies van commissaris van politie J.D. wordt bovendien enkel bij wijze van voorbeeld een bepaalde taak aangewezen. Nergens wordt gesteld dat er geen andere taken zouden zijn. Het thans aangedragen motief is dan ook niet van aard de eerste bestreden beslissing te kunnen dragen. Dat de verwerende partij op grond van artikel 3 van het koninklijk besluit van 12 mei 1927 en het enig artikel van het ministerieel besluit van 11 XIV-38.046-31/36 september 2012 over een appreciatiebevoegdheid beschikt die geval per geval, rekening houdend met de concrete omstandigheden van de zaak, moet worden uitgeoefend, moge dan al juist zijn maar die uit te oefenen appreciatiebevoegdheid dient volgens diezelfde bepalingen rekening te houden enerzijds met de voorliggende positieve adviezen waarvan de onjuistheid niet is gebleken en, anderzijds, met de aan het gewijzigde artikel 3 ten grondslag liggende doelstelling. 19. Het eerste middelonderdeel is in de aangegeven mate gegrond. Tweede middelonderdeel 20. In zijn verzoekschrift duidt verzoeker het voorwerp van zijn voorliggend vernietigingsberoep als volgt aan: “-de beslissing van verwerende partij van 4 maart 2019, waarbij de aanvraag van verzoekende partij om te werken na zijn pensioenleeftijd met ingang van 1 juni 2015 wordt geweigerd. Dit is de eerste bestreden beslissing; - de beslissing van verwerende partij van 4 maart 2019, waarbij de aanvraag van verzoekende partij om te werken na zijn pensioenleeftijd met ingang van 1 januari 2019 wordt geweigerd. Dit is de tweede bestreden beslissing.” 21. Met de eerste bestreden beslissing weigert de verwerende partij, na vernietiging van haar eerdere weigeringsbeslissing van 11 mei 2015 bij ‘s Raads arrest nr. 242.590 van 10 oktober 2018, (opnieuw) verzoekers aanvraag van 2 oktober 2014 om nog verder in dienst te blijven na de leeftijd van 65 jaar en zulks voor de periode van 1 juni 2015 tot 1 juni 2016. Artikel 1 van de tweede bestreden beslissing bepaalt zijnerzijds dat “[d]e aanvraag van [verzoeker] om te werken na de pensioenleeftijd wordt afgewezen als onontvankelijk”. Onder het kopje “Procedureverloop” verwijst de tweede bestreden beslissing naar verzoekers aanvraag in zijn aangetekend schrijven van 27 [lees 20] december 2018 waarin door verzoeker, althans naar luid van de tweede bestreden beslissing, “onder meer een verlenging van de pensioenleeftijd [wordt] aangevraagd”. De verwerende partij, zo blijkt nog uit XIV-38.046-32/36 diezelfde beslissing, begreep verzoekers vraag in zijn schrijven van 20 december 2018 als een wilsuiting om (nog) verder aan het werk te blijven “na 31 mei 2016”. 22. Verzoeker vraagt in zijn verzoekschrift om de beide bestreden beslissingen gezamenlijk te behandelen gezien hun verknochtheid die hij situeert in het gegeven dat “[d]e tweede bestreden beslissing immers intrinsiek [samen]hangt met de eerste bestreden beslissing (en met de vorige, door Uw Raad op 10 oktober 2018 vernietigde beslissing) en ook hetzelfde voorwerp [heeft], namelijk een weigering van aanvraag tot werken na de pensioengerechtigde leeftijd”. Verzoeker zet voorts uiteen dat de verwijten die de verwerende partij formuleert in de tweede bestreden beslissing “rechtstreeks voort[vloeien] uit het feit dat verzoeker ingevolge de vorige onwettige beslissingen van de verwerende partij sinds 1 juni 2015 enerzijds niet meer in dienst is, maar anderzijds ook geen pensioen geniet”. Omdat verzoeker niet langer in dienst was, had hij geen hiërarchische overste meer zodat hij dus ook geen advies meer kon vragen. Er werd geen vorige verlenging van de pensioenleeftijd toegestaan zodat verzoeker zes maanden vóór het verstrijken van de vorige verlengingsperiode geen nieuwe aanvraag meer kon indienen hoewel deze weigering te verlengen later onwettig bleek. 23. De verwerende partij heeft klaarblijkelijk een ander begrip van de draagwijdte van het genoemde schrijven van 20 december 2018 dat zij aanziet als een (bijkomende) “aanvraag tot verlenging na 31 mei 2016”. Dat is echter klaarblijkelijk niet wat verzoeker met zijn schrijven van 20 december 2018 heeft beoogd. In dat schrijven van 20 december 2018 (dat in wezen een civielrechtelijke ingebrekestelling met het oog op het bekomen van schadevergoeding betreft) stelt hij immers dat hij er “[v]ooralsnog […] van uit[gaat] dat u mijn pensioenleeftijd nog zal verlengen met ingang van 1 januari 2019, en dat u daarnaast de bonussen voor het pensioen per gewerkt jaar na de leeftijd van 65 jaar eveneens zal toevoegen tot aan de datum van mijn effectieve pensionering. Na het arrest van de Raad van State is immers andermaal gebleken XIV-38.046-33/36 dat hiertoe geen enkel wettelijk beletsel meer bestaat om mij de gevraagde loopbaanverlenging van 1 jaar toe te staan”. Met die laatste zin brengt verzoeker, zo moet worden aangenomen, tot uitdrukking dat hij met dat schrijven de loopbaanverlenging (en de ermee verbonden loopbaanreconstructie) beoogt die hij vroeg voor de periode van 1 juni 2015 tot 1 juni 2016 en dus niet – en anders dan de verwerende partij dat zag – om nog bijkomend na 31 mei 2016 tewerkgesteld te blijven. Wat er ook van zij, verzoeker verschaft in ieder geval zelf opheldering met zijn memorie van wederantwoord. Zo stelt hij in randnummer 9 onder het kopje “Nood aan gezamenlijke behandeling van beide bestreden beslissingen” dat de beide bestreden beslissingen “één en hetzelfde geheel” vormen. De eerste bestreden beslissing, aldus verzoeker, vervangt immers de vorige, vernietigde beslissing van 11 mei 2015 en de tweede bestreden beslissing – die volgens de verwerende partij de weigering vormt van een nieuwe aanvraag om (bijkomend) nog “na 31 mei 2016” tewerkgesteld te worden – betreft, zo stelt verzoeker in zijn memorie van wederantwoord, geen nieuwe aanvraag: “Er was op 20 december 2018 geenszins sprake van een nieuwe aanvraag. Omdat na het vernietigingsarrest van de Raad van State de beslissing van 11 mei 2015 niet langer bestond, “verwees verzoeker in zijn brief van 20 december 2018 gewoon naar de aanvraag van 24 september [lees: 2 oktober] 2014, die op deze wijze hernomen werd. Het ging niet om een nieuw dienstjaar, maar om het “hernemen” van de geweigerde aanvraag tot één dienstjaar”. 24. De aldus door verzoeker verstrekte verduidelijking brengt het auditoraat in zijn verslag tot de volgende beoordeling: “Aangezien verzoeker in zijn memorie van wederantwoord aangeeft dat hij geen nieuwe aanvraag indiende, maar gewoon zijn aanvraag van 24 september 2014 hernam, is er geen reden om het tweede onderdeel nader te onderzoeken. Immers, ingevolge het gegrond bevinden van het eerste onderdeel, zal de verwerende partij na een eventuele nietigverklaring de aanvraag van 24 september 2014 van verzoeker opnieuw moeten beoordelen. In die zin beschouwd, vallen het eerste en tweede onderdeel noodzakelijkerwijze samen.” XIV-38.046-34/36 Verzoeker - noch overigens de verwerende partij - betwist deze conclusie. Na kennisneming van het verslag van het auditoraat, heeft verzoeker - noch overigens de verwerende partij - de gelegenheid benut die een laatste memorie biedt om nog een andere visie op die beoordeling door het auditoraat weer te geven. Verzoeker - zoals de verwerende partij - verzuimt hierop nog inhoudelijk te reageren. In die omstandigheden en na eigen onderzoek, ziet de Raad van State geen reden om het anders te zien dan het auditoraat en ziet aldus, de redenering van het auditoraatsverslag bijvallend, evenmin reden om het tweede middelonderdeel te onderzoeken. Conclusie 25. Het eerste middel is, wat de beide bestreden beslissingen betreft, in de aangegeven mate gegrond. BESLISSING 1. De Raad van State vernietigt: - de (eerste bestreden) beslissing van de verwerende partij van 4 maart 2019, waarbij de aanvraag van verzoeker om te werken na zijn pensioenleeftijd met ingang van 1 juni 2015 wordt geweigerd, evenals - de (tweede bestreden) beslissing van de verwerende partij van 4 maart 2019, waarbij de aanvraag van verzoeker om te werken na zijn pensioenleeftijd met ingang van 1 januari 2019 wordt geweigerd. 2. De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 20 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan verzoeker. XIV-38.046-35/36 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van een juli tweeduizend tweeëntwintig, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Geert Debersaques, kamervoorzitter, Kaat Leus, staatsraad, Patricia De Somere, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Geert Debersaques XIV-38.046-36/36 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.254.207 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div