id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 06 juli 2022 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.254.232 Rolnummer: A. 234301/VII-41191 Zaak: Arrest 254232 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 06/07/2022 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2022-07-12 Raadplegingen: 69 - laatst gezien 2026-06-10 07:14 Fiche Arrest nr 254.232 van 6 juli 2022 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : heropening debatten Voortzetting gewone procedure Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER nr. 254.232 van 6 juli 2022 in de zaak A. 234.301/VII-41.191 In zake : de NV REVABO bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Ria Hens kantoor houdend te 2000 Antwerpen Verlatstraat 23-25 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Steve Ronse en Isabelle Verhelle kantoor houdend te 8500 Kortrijk Beneluxpark 27B bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partijen:
- Johannes VAN DEN ASSEM
- Robert VAN HEYST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Reiner Tijs en Joram Maes kantoor houdend te 2000 Antwerpen Stijfselrui 48, bus 101 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het cassatieberoep
- Het cassatieberoep, ingesteld op 11 augustus 2021, strekt tot de nietigverklaring van arrest nr. RvVb-A-2021-1163 van de Raad voor Vergunningsbetwistingen van 1 juli 2021 in de zaak 1920-RvVb-0632-A. VII-41.191-1/4 II. Verloop van de rechtspleging
- Bij beschikking van 31 augustus 2021 wordt het cassatieberoep toelaatbaar verklaard. Johannes Van Den Assem en Robert Van Heyst hebben een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. De tussenkomst is toegestaan bij beschikking van 8 november
- De tussenkomende partijen hebben een memorie ingediend. De memorie van antwoord van de verwerende partij werd op 10 januari 2022 aan de verzoekende partij ter kennis gebracht. De mogelijkheid om te worden gehoord werd, op verzoek van het aangewezen lid van het auditoraat, op respectievelijk 29 maart 2022, 14 april 2022 en 15 april 2022 aan de verzoekende partij, de verwerende partij en de tussenkomende partijen ter kennis gebracht. De hoofdgriffier heeft aan de partijen de mededeling ter kennis gebracht bedoeld in artikel 15, § 1, van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State’. De verzoekende partij heeft op 8 april 2022 gevraagd om te worden gehoord. De verzoekende partij heeft op 26 april 2022 een memorie van wederantwoord ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 9 juni
- Staatsraad Pierre Lefranc heeft verslag uitgebracht. VII-41.191-2/4 Advocaat Hilde Vermeiren, die loco advocaat Ria Hens verschijnt voor de verzoekende partij, advocaat Isabelle Verhelle, die verschijnt voor de verwerende partij en advocaat Joram Maes, die verschijnt voor de tussenkomende partijen, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Peter Provoost heeft advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Beoordeling
- Naar luid van artikel 21, tweede lid, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, stelt de Raad van State het ontbreken van het vereiste belang vast als de verzoekende partij de termijn voor het toesturen van de memorie van wederantwoord niet eerbiedigt. Op grond van artikel 15, § 1, van voornoemd koninklijk besluit, doet de kamer uitspraak onder aanvoering van het ontbreken van het vereiste belang, tenzij een van de partijen binnen een termijn van vijftien dagen vraagt om te worden gehoord. Bij het versturen van een afschrift van de memorie van antwoord aan de verzoekende partij dient de hoofdgriffier melding te maken van artikel 21, tweede lid, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, en van artikel 15, § 1, van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State’. Aangezien uit het dossier niet onomstotelijk blijkt dat de verzoekende partij kennis kon krijgen van voormelde inlichting over de gevolgen van de niet-naleving van de termijn van dertig dagen waarin zij haar memorie van VII-41.191-3/4 wederantwoord moet overzenden, kan het ontbreken van het vereiste belang van de verzoekende partij niet worden vastgesteld. BESLISSING
- De Raad van State heropent het debat.
- De zaak wordt volgens de gewone rechtspleging voortgezet. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van zes juli tweeduizend tweeëntwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Pierre Lefranc, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier. De griffier De voorzitter Elisabeth Impens Pierre Lefranc VII-41.191-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.254.232 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.255.590 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div