← België

Arrest 254234 - Leger en bijzondere korps - Aanwerving en loopbaan - 07/07/2022

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 07 juli 2022 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.254.234 Rolnummer: Zaak: Arrest 254234 - Leger en bijzondere korps - Aanwerving en loopbaan - 07/07/2022 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2022-07-15 Raadplegingen: 66 - laatst gezien 2026-06-10 07:15 Fiche Arrest nr 254.234 van 7 juli 2022 Openbaar ambt - Leger en bijzondere korps - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Verwerping Samenvoeging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 254.234 van 7 juli 2022 in de zaken A. 229.461/IX-9644 (I) A. 231.381/IX-9742 (II) In zake : I.+ II. Bert DESSERS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Willy van Eeckhoutte kantoor houdend te 9051 Gent Drie Koningenstraat 3 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : I.+II. de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Defensie -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1.

  1. Het beroep in de zaak A. 229.461/IX-9644, ingesteld op 31 oktober 2019, strekt tot de nietigverklaring van het ministerieel besluit van 12 augustus 2019 waarbij aan Bert Dessers een gedeeltelijke vrijstelling wordt verleend, om uitzonderlijke sociale redenen, van de terugbetaling van het bedrag van 99.614,51 euro, overeenstemmend met een breukdeel van 73% van de netto wedde ontvangen tijdens zijn vorming, voor het gedeelte dat het bedrag van 74.710,88 euro overschrijdt. 1.
  2. Het beroep in de zaak A. 231.381/IX-9742, ingesteld op 24 juli 2020, strekt tot de nietigverklaring van het ministerieel besluit van 27 mei 2020 waarbij het ministerieel besluit van 12 augustus 2019 wordt ingetrokken en een gehele of gedeeltelijke vrijstelling van de terugbetaling van het bedrag van IX-9644-1/26 99.614,51 euro, overeenstemmend met een breukdeel van 73% van de netto wedde ontvangen tijdens de vorming, niet wordt toegestaan. II. Verloop van de rechtspleging
  3. De verwerende partij heeft in de beide zaken telkens een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft in de beide zaken telkens een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur Geert De Bleeckere heeft in de beide zaken een verslag opgesteld. De verzoekende partij en de verwerende partij hebben in de beide zaken een laatste memorie ingediend. De partijen zijn in de beide zaken opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 14 februari
  4. Staatsraad Bruno Seutin heeft in de beide zaken verslag uitgebracht. De verzoekende partij, advocaat Jef Michielsen, die loco advocaat Willy van Eeckhoutte verschijnt voor de verzoekende partij en luitenant Pieter-Jan Tuts, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Geert De Bleeckere heeft in de beide zaken een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  5. IX-9644-2/26 III. Feiten 3.
  6. Verzoeker is toegetreden tot de Koninklijke Militaire School (KMS) als kandidaat beroepsofficier van niveau A van de medische dienst op 16 augustus
  7. Na het voltooien van zijn opleiding is hij op 26 juni 2018 benoemd in de graad van geneesheer-onderluitenant en op 26 september 2018 in de graad van geneesheer-luitenant. 3.
  8. Op 5 juni 2018 vraagt verzoeker via model B de verbreking van zijn dienstneming als kandidaat beroepsofficier van niveau A, evenals een vrijstelling van de terugbetaling van de genoten wedde op grond van artikel 184 van de wet van 28 februari 2007 ‘tot vaststelling van het statuut van de militairen en kandidaat-militairen van het actief kader van de krijgsmacht’ (hierna: de wet van 28 februari 2007). Aan deze vraag tot dienstverbreking wordt geen gevolg gegeven. 3.
  9. Op 7 september 2018 vraagt verzoeker zijn ontslag aan als beroepsofficier van niveau A van de medische dienst. Bij koninklijk besluit nr. 2251 van 4 december 2018 wordt het ontslag van verzoeker als beroepsofficier van niveau A van de medische dienst aanvaard. 3.
  10. Op 25 februari 2019 wordt aan verzoeker meegedeeld dat hij een bedrag van 96.808,47 euro zal moeten terugbetalen, maar dat hij met toepassing van artikel 184 van de wet van 28 februari 2007 wegens “uitzonderlijke sociale redenen” om gehele of gedeeltelijke vrijstelling van dit bedrag kan verzoeken. Nadat vastgesteld is dat verzoeker, hoewel hij nog in dienst was, reeds vanaf oktober 2018 geen prestaties meer voor Defensie heeft verricht, maar wel voor het Jan Yperman Ziekenhuis, wordt het terug te betalen bedrag verhoogd tot 99.614,51 euro. IX-9644-3/26 3.
  11. Bij het ministerieel besluit van 12 augustus 2019 wordt aan verzoeker om uitzonderlijke sociale redenen een gedeeltelijke vrijstelling verleend van de terugbetaling van het bedrag van 99.614,51 euro, overeenstemmend met een breukdeel van 73% van de nettowedde ontvangen tijdens zijn vorming, voor het gedeelte dat het bedrag van 74.710,88 euro overschrijdt. De overwegingen van dat ministerieel besluit luiden als volgt: “Gelet op het koninklijk besluit nr. 2551 van 4 december 2018 waarbij het ontslag van de geneesheer-luitenant beroepsofficier Bert Dessers wordt aanvaard op datum van 1 december 2018; Overwegende dat hij op 1 oktober 2018 is beginnen werken aan het Academisch Ziekenhuis van de KUL; Overwegende dat hij aan de Schatkist een wettelijke opgelegde vergoeding schuldig is in geval van ontslag vóór de voltooiing van de rendementsperiode als beroepsofficier van niveau A; Overwegende dat die vergoeding, in toepassing van het artikel 180 van de wet van 28 februari 2007, vervangen bij de wet van 31 juli 2013 en gewijzigd bij de wet van 30 april 2018, een breukdeel van 73% van de netto uitbetaalde wedden tijdens zijn vorming bedraagt wat, in het geval van betrokkene, 99.614,51 euro betekent en gevorderd werd op datum van 30 juli 2019; Overwegende dat betrokkene geen sociale redenen aanvoert om een aanvraag tot vrijstelling, ingediend op datum van 5 juni 2018, te rechtvaardigen: Overwegende dat betrokkene de volgende bewijsstukken heeft geleverd:
  12. Een fiche 281.10 van Defensie voor het jaar 2018;
  13. Een fiche 281.10 van de vzw Jan Yperman Ziekenhuis voor het jaar 2018;
  14. Een verweerschrift van 7 september 2018; Overwegende dat een grondig onderzoek van de sociale toestand van betrokkene werd uitgevoerd, rekening houdend met het ingediende dossier; Overwegende dat de studies en de vorming van betrokkene van 16 augustus 2011 tot 25 juni 2018, integraal door Defensie werden bekostigd; Overwegende dat betrokkene van de volledigheid van zijn wedden heeft genoten tijdens de vorming, hetzij 140.302,13 euro; Overwegende dat uit het gecombineerde onderzoek van de sociale situatie van betrokkene en van de redenen die de terugbetaling van een gedeelte van de genoten wedden tijdens de vorming rechtvaardigen, blijkt dat slechts een gedeeltelijke vrijstelling van de terugbetaling van de genoten wedden tijdens de vorming kan worden verleend, en dat het bedrag van de vrijstelling niet hoger mag zijn dan het deel dat 74.710,88 euro overschrijdt; Overwegende dat de bepaling van het bedrag van de vrijstelling gebaseerd is op een juiste evenredigheid tussen het belang van de aangehaalde uitzonderlijke sociale redenen en het bedrag van de gehele terugbetaling die zou kunnen worden geëist.” Dat is het bestreden besluit in de zaak A. 229.461/IX-9644 (hierna: het eerste bestreden besluit). IX-9644-4/26 3.
  15. Bij het ministerieel besluit van 27 mei 2020 wordt het eerste bestreden besluit ingetrokken (artikel 1) en stelt de verwerende partij dat een gehele of gedeeltelijke vrijstelling van de terugbetaling van het bedrag van 99.614,51 euro, overeenstemmend met een breukdeel van 73% van de netto ontvangen wedden tijdens de vorming niet kan worden toegestaan (artikel 2). De overwegingen van dat ministerieel besluit luiden als volgt: “Overwegende dat betrokkene op 1 oktober 2018 is beginnen werken in het ziekenhuis Jan Yperman te Ieper; Overwegende dat betrokkene aan de Schatkist een wettelijk opgelegde vergoeding schuldig is in geval van ontslag vóór de voltooiing van de rendementsperiode als beroepsofficier van niveau A; Overwegende dat die vergoeding, in toepassing van het artikel 180 van de wet van 28 februari 2007, vervangen bij de wet van 31 juli 2013 en gewijzigd bij de wet van 30 april 2018, een breukdeel van 73 % van de netto uitbetaalde wedden tijdens zijn vorming bedraagt wat, in het geval van betrokkene, 99.614,51 euro betekent en gevorderd werd op datum van 30 juli 2019; Gelet op het ministerieel besluit nr. 95719 van 12 augustus 2019 betreffende de aanvraag tot vrijstelling, om uitzonderlijke sociale redenen, van de terugbetaling van een gedeelte van de tijdens de vorming genoten wedden van een beroepsofficier van niveau A, waarbij een gedeeltelijke vrijstelling werd toegestaan voor het gedeelte dat het bedrag van 74.710,88 euro overschrijdt; Overwegende dat een verzoekschrift tot nietigverklaring op 4 november 2019 bij de Raad van State (G/A 226.461/IX-9644) werd ingediend tegen het ministerieel besluit nr. 95719 van 12 augustus 2019 betreffende de aanvraag tot vrijstelling, om uitzonderlijke sociale redenen, van de terugbetaling van een gedeelte van de tijdens de vorming genoten wedden van een beroepsofficier van niveau A; Overwegende dat, gezien het vastgestelde motiveringsprobleem, het gepast is over te gaan tot intrekking van het ministerieel besluit nr. 95719 van 12 augustus 2019; Overwegende dat een concreet en aandachtig onderzoek naar de sociale situatie van de betrokkene nogmaals werd uitgevoerd, rekening houdend met de door betrokkene overgemaakte argumentatie en stukken; Overwegende dat betrokkene de volgende redenen aanvoert om een vrijstellingsaanvraag, ingediend op datum van 5 juni 2018 en vervolledigd op 15 februari 2019, 29 maart 2019 en 21 mei 2019 (met verwijzing naar zijn Model B aanvraag tot ontslag van 7 september 2018), te rechtvaardigen: 1° Betrokkene verklaart dat Defensie met haar visie en toekomstplannen hem een andere levensrichting uitduwt dan hij zelf voor ogen had, en diens oversten zijn verdere opleiding en tewerkstelling in slechte banen waren aan het leiden, zodat hij bijgevolg ook verplicht was om zijn ontslag aan te vragen; 2° Betrokkene stelt dat Defensie hem onrealistische verwachtingen heeft gegeven wat de loopbaanperspectieven betreft en dat hij ontevreden is met zijn concrete jobinhoud en het evenwicht tussen privéleven en werken; 3° Er zou geen consensus meer mogelijk betreffende de visie van Defensie in vergelijking met zijn persoonlijk toekomstperspectief. Gezien Defensie zelf een aandeel heeft in de redenen waarom hij besloten had de organisatie te verlaten, dient Defensie ook haar verantwoordelijkheid te IX-9644-5/26 dragen; 4° Betrokkene voert aan dat hij meerdere inspanningen heeft geleverd die buiten het strikte vormingscurriculum van de KMS vallen, zoals onder meer stages. Hij benadrukt zijn engagement voor Defensie door zijn deelname aan jobbeurzen, en dit op vrijwillige basis. Overwegende dat de betrokkene de volgende bewijsstukken heeft geleverd: 1° Een fiche 281.10 van Defensie voor het jaar 2018; 2° Een fiche 281.10 van de vzw Jan Yperman Ziekenhuis voor het jaar 2018; Overwegende dat overeenkomstig artikel 180 van de wet van 28 februari 2007, vervangen bij de wet van 31 juli 2013 en gewijzigd bij de wet van 30 april 2018, de terugbetaling van een breukdeel van de genoten wedde de regel is, en dat overeenkomstig artikel 184 van diezelfde wet de vrijstelling de uitzondering is voor het geval dat uitzonderlijke sociale redenen worden aangetoond. Dit impliceert dat het aan de betrokkene toekwam aan te tonen waarom hij, omwille van uitzonderlijke sociale redenen, niet op financieel vlak in staat zou zijn een (breuk)deel van de tijdens de vorming genoten wedden volledig terug te betalen (Parl. St. Kamer, 2006-2007, nr. 51-2759/1, 96-97), ofwel dat hij zou aantonen dat hij omwille van uitzonderlijke sociale redenen de verschuldigde vergoeding niet dient terug te betalen, los van een eventuele precaire financiële situatie; Overwegende dat de betrokkene in eerste instantie op geen enkel moment aantoont op welke manier hij, omwille van uitzonderlijke sociale redenen, in de onmogelijkheid zou verkeren om een breukdeel van de tijdens de vorming genoten wedden terug te betalen. De betrokkene daarentegen blijft argumenteren waarom hij voor zichzelf geen toekomst meer ziet binnen Defensie, doch dit vooral louter betrekking heeft op de redenen van zijn ontslag zelf en dus niet toelaten om te begrijpen in welke hij ook effectief moeilijkheden, omwille van uitzonderlijke sociale redenen, zal hebben om de verschuldigde vergoeding terug te betalen. Ook de overgemaakte stukken (fiscale fiches) leveren niet het bewijs van het voorhanden zijn van dergelijke precariteit; Bovendien maakt de betrokkene niet aannemelijk dat hij zich in een uitzonderlijke sociale situatie zou bevinden door te stellen dat hij zich niet meer kan vinden in de toekomstvisie van Defensie en dat zijn concrete jobinhoud hem op professioneel vlak onvoldoende voldoening schenkt. Betrokkene weigert in te zien dat de job van militair gepaard gaat met bijzondere verplichtingen (evenwicht privéleven en werken) en dat zijn individuele ambities ook verzoenbaar moeten kunnen zijn met de verwachtingen van de organisatie; Aan het argument, dat Defensie profijt heeft gehad van het engagement en de inzet van de betrokkene, wordt reeds in belangrijke mate tegemoetgekomen door het feit dat hij slechts een breukdeel van 73% van de genoten wedden dient terug te betalen en er dus sowieso rekening werd gehouden met de ‘beschikbaarheidswaarde’ van de betrokkene (Kamer, 1999-2000, 50-0321/001, 4). De betrokkene maakt daarnaast niet aannemelijk dat hij inspanningen heeft geleverd die de normale verwachtingen van een kandidaat beroepsofficier van niveau A aan de KMS overstijgen, zodat hij zich ook in dit verband niet kan beroepen op uitzonderlijke sociale redenen; Overwegende dat de betrokkene dus geen enkel rechtvaardigend element of bewijsstuk heeft ingediend dat uitzonderlijke sociale redenen, zoals bedoeld in artikel 184 van de wet van 28 februari 2007, zou kunnen bewijzen; Overwegende dat de betrokkene Defensie verlaten heeft op eigen aanvraag en op voorhand op de hoogte werd gebracht van de gevolgen van zijn aanvraag tot ontslag; in het bijzonder over de verplichting van de terugbetaling van een gedeelte van de tijdens zijn vorming genoten wedden. Betrokkene heeft zelf verklaard op 11 september 2018 dat hij kennis genomen heeft van de terugbetalingsverplichting; Overwegende dat de studies en de vorming van de betrokkene van 16 augustus 2011 tot 25 juni 2018 integraal door Defensie werd bekostigd; Overwegende dat betrokkene van de volledigheid van zijn wedden heeft IX-9644-6/26 genoten tijdens de vorming, hetzij 140.302,13 euro.” Dat is het bestreden besluit in de zaak A. 231.381/IX-9742 (hierna: het tweede bestreden besluit). IV. Samenvoeging
  16. Uit de feitelijke uiteenzetting sub 3 blijkt dat de twee zaken nauw met elkaar verbonden zijn. Het is dan ook aangewezen dat beide zaken worden samengevoegd. V. Onderzoek van de zaak A. 231.381/IX-9742 (II) A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel
  17. In het eerste middel voert verzoeker de schending aan van de formelemotiveringsplicht. Verzoeker zet vooreerst de draagwijdte van de formelemotiveringsplicht, zoals bepaald in de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’ uiteen, waaruit onder meer blijkt dat de motivering “afdoende” moet zijn. Volgens verzoeker is het eerste bestreden besluit allesbehalve afdoende gemotiveerd aangezien daarin wordt vermeld dat geen sociale redenen werden aangevoerd die een vrijstelling van terugbetaling konden rechtvaardigen, terwijl anderzijds verwezen wordt naar de bewijsstukken die verzoeker heeft ingediend , vervolgens overwogen wordt “dat de bepaling van het bedrag van de vrijstelling gebaseerd is op een juiste evenredigheid tussen het belang van de aangehaalde uitzonderlijke sociale redenen en het bedrag van de gehele terugbetaling die zou kunnen worden geëist”, om vervolgens te besluiten dat een IX-9644-7/26 gedeeltelijke vrijstelling om uitzonderlijke sociale redenen voor het gedeelte dat het bedrag van 74.710,88 euro overschrijdt, kan worden toegestaan. Het eerste bestreden besluit vermeldt op geen enkele wijze concreet welke de juridische en feitelijke overwegingen zijn die aan de vrijstelling ten grondslag liggen, laat staan dat deze afdoende zijn. In de motivering van het tweede bestreden besluit stelt de verwerende partij dan dat het gepast is het eerste bestreden besluit in te trekken “gezien het vastgestelde motiveringsprobleem”. Bij het nemen van de nieuwe beslissing diende de verwerende partij dan wel daadwerkelijk rekening te houden met de argumenten van verzoeker zoals aangehaald in het verzoekschrift in het beroep tegen het eerste bestreden besluit. De verwerende partij pretendeert dat blijkens de motivering ook te doen (“dat een concreet en aandachtig onderzoek naar de sociale situatie van de betrokkene nogmaals werd uitgevoerd, rekening houdend met de door betrokkene overgemaakte argumentatie en stukken”). Toch besluit de verwerende partij tot intrekking van het eerste bestreden besluit, waardoor verzoeker zelfs niet langer een gedeeltelijke vrijstelling geniet op grond van – in essentie – de vaststelling dat geen uitzonderlijke sociale omstandigheden worden aangetoond, terwijl volgens verzoeker in het ingetrokken eerste bestreden besluit wél is erkend dat verzoeker bewijsstukken heeft ingediend over diens uitzonderlijke sociale situatie die een gedeeltelijke vrijstelling rechtvaardigde. Nochtans zijn er sinds de indiening van het beroep tegen het eerste bestreden besluit geen zaken veranderd die tot een ander standpunt betreffende de vrijstelling zouden kunnen leiden. Het enige wat redelijkerwijze had kunnen veranderen, betrof het besef van de verwerende partij dat haar standpunt onredelijk was in zoverre geen grotere vrijstelling werd verleend aan verzoeker. Dat de argumenten van verzoeker het omgekeerde effect teweegbrengen, valt niet te begrijpen. De verwerende partij motiveert overigens niet waarom er voorheen wél, maar intussen niet langer uitzonderlijke sociale redenen zijn, waardoor zij andermaal de formelemotiveringsplicht schendt. IX-9644-8/26
  18. In zijn memorie van wederantwoord benadrukt verzoeker nog dat de echte reden van de intrekking van het eerste bestreden besluit “manifest” is, namelijk, zoals de verwerende partij zelf heeft aangekondigd, dat verzoeker de toegekende vrijstelling zou verliezen indien hij het zou wagen een beroep in te stellen tegen dit besluit. Daarnaast wijst verzoeker erop dat er in casu geen onjuiste weergave of interpretatie van de feiten was die rechtvaardigde dat het eerste bestreden besluit mocht worden ingetrokken. De zaken die ten grondslag lagen aan het eerste bestreden besluit, zijn ook de zaken die ten grondslag lagen aan het tweede bestreden besluit, dat onmiskenbaar een vergeldingsactie is. Hij besluit dat het tweede bestreden besluit allesbehalve op afdoende wijze is gemotiveerd en tegenstrijdigheden bevat. De verwerende partij motiveert niet hoe het komt dat naar haar mening voorheen wél, maar inmiddels niet langer, uitzonderlijke sociale redenen zouden bestaan.
  19. In zijn laatste memorie betoogt verzoeker dat de verwerende partij een andere invulling geeft aan het “vastgestelde motiveringsprobleem”. In de mate dat wordt gesteld dat verzoeker zich niet meer op het eerste bestreden besluit kan beroepen omdat dit moet worden geacht niet meer te bestaan en dat de intrekking ervan toelaatbaar was, wat volgens de verwerende partij niet wordt betwist door verzoeker, stelt verzoeker dat het doel van zijn annulatieberoep niet was om louter de intrekking van dit besluit te verkrijgen, maar wel een grotere en meer redelijke vrijstelling. Verzoeker heeft dus nooit een intrekking op zich zonder een daaropvolgende redelijke beslissing toelaatbaar geacht en het tegendeel blijkt uit niets. IX-9644-9/26 Beoordeling a) Voor zover gericht tegen artikel 1 van het tweede bestreden besluit
  20. Bij artikel 1 van het tweede bestreden besluit wordt het eerste bestreden besluit ingetrokken. Het eerste bestreden besluit heeft echter rechten verleend aan verzoeker aangezien het een gedeeltelijke vrijstelling van terugbetaling heeft toegekend. Een administratieve rechtshandeling die rechten heeft doen ontstaan, mag slechts worden ingetrokken indien de onregelmatigheid van de beslissing kan worden aangetoond. In dat geval moet de intrekking plaatsvinden binnen de verjaringstermijn van zestig dagen om een annulatieberoep in te stellen bij de Raad van State of, desgevallend, vóór het sluiten van het debat indien een dergelijk beroep effectief werd ingesteld. In casu heeft de verwerende partij wegens “het vastgestelde motiveringsprobleem” het eerste bestreden besluit ingetrokken vóór het sluiten van het debat in die zaak. Verzoeker voert zelf aan dat dit besluit onregelmatig is omwille van een motiveringsprobleem. Hij is dus slecht geplaatst om thans de intrekking op grond van dit motief te betwisten. b. Voor zover gericht tegen artikel 2 van het tweede bestreden besluit
  21. In artikel 2 van het tweede bestreden besluit wordt bepaald dat een gehele of gedeeltelijke vrijstelling van de terugbetaling van het bedrag van 99.614,51 euro, overeenstemmend met een breukdeel van 73% van de netto ontvangen wedden tijdens de vorming, niet kan worden toegestaan. In de mate dat het middel zo moet worden begrepen dat verzoeker de formelemotiveringsplicht geschonden acht doordat in het tweede IX-9644-10/26 bestreden besluit zonder nadere motivering wordt besloten dat er geen uitzonderlijke sociale redenen zijn, kan dit middel niet worden bijgevallen. In tegenstelling tot wat verzoeker aanvoert, wordt in het tweede bestreden besluit vooreerst verwezen naar de vier redenen die verzoeker heeft aangevoerd om een vrijstellingsaanvraag te rechtvaardigen, evenals naar de bewijsstukken die verzoeker heeft voorgelegd ter staving van die aanvraag. Vervolgens wordt door de verwerende partij in de volgende bewoordingen uiteengezet waarom zij van oordeel is dat deze redenen niet als uitzonderlijke sociale redenen kunnen worden gekwalificeerd en dat dergelijke redenen evenmin blijken uit de bijgebrachte bewijsstukken: “Overwegende dat de betrokkene in eerste instantie op geen enkel moment aantoont op welke manier hij, omwille van uitzonderlijke sociale redenen, in de onmogelijkheid zou verkeren om een breukdeel van de tijdens de vorming genoten wedden terug te betalen. De betrokkene daarentegen blijft argumenteren waarom hij voor zichzelf geen toekomst meer ziet binnen Defensie, doch dit vooral louter betrekking heeft op de redenen van zijn ontslag zelf en dus niet toelaten om te begrijpen in welke hij ook effectief moeilijkheden, omwille van uitzonderlijke sociale redenen, zal hebben om de verschuldigde vergoeding terug te betalen. Ook de overgemaakte stukken (fiscale fiches) leveren niet het bewijs van het voorhanden zijn van dergelijke precariteit; Bovendien maakt de betrokkene niet aannemelijk dat hij zich in een uitzonderlijke sociale situatie zou bevinden door te stellen dat hij zich niet meer kan vinden in de toekomstvisie van Defensie en dat zijn concrete jobinhoud hem op professioneel vlak onvoldoende voldoening schenkt. Betrokkene weigert in te zien dat de job van militair gepaard gaat met bijzondere verplichtingen (evenwicht privéleven en werken) en dat zijn individuele ambities ook verzoenbaar moeten kunnen zijn met de verwachtingen van de organisatie; Aan het argument, dat Defensie profijt heeft gehad van het engagement en de inzet van de betrokkene, wordt reeds in belangrijke mate tegemoetgekomen door het feit dat hij slechts een breukdeel van 73 % van de genoten wedden dient terug te betalen en er dus sowieso rekening werd gehouden met de ‘beschikbaarheidswaarde’ van de betrokkene (Kamer, 1999-2000, 50-0321/001, 4). De betrokkene maakt daarnaast niet aannemelijk dat hij inspanningen heeft geleverd die de normale verwachtingen van een kandidaat beroepsofficier van niveau A aan de KMS overstijgen, zodat hij zich ook in dit verband niet kan beroepen op uitzonderlijke sociale redenen; Overwegende dat de betrokkene dus geen enkel rechtvaardigend element of bewijsstuk heeft ingediend dat uitzonderlijke sociale redenen, zoals bedoeld in artikel 184 van de wet van 28 februari 2007, zou kunnen bewijzen.” Die motivering op zich is afdoende; ze stelt verzoeker in staat zich op het vlak van de motieven te weren in rechte. IX-9644-11/26 Dat in het tweede bestreden besluit zonder nadere motivering wordt besloten dat er geen uitzonderlijke sociale redenen zijn, zoals verzoeker beweert, kan bijgevolg niet worden aangenomen. Dat verzoeker zich niet kan vinden in deze motivering en een andere mening eropna houdt, impliceert niet dat de formelemotiveringsplicht is geschonden.
  22. Het eerste middel is niet gegrond. B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel
  23. In het tweede middel voert verzoeker de schending aan van het redelijkheidsbeginsel. Volgens verzoeker had het verkrijgen van de vrijstelling in principe gerechtvaardigd moeten worden door de sociale redenen die hij heeft aangevoerd in zijn verweerschrift van 7 september 2018, dat in feite een tweede aanvraag tot ontslag behelsde. Hij wijst erop dat het Grondwettelijk Hof heeft verduidelijkt dat het begrip ‘uitzonderlijke sociale redenen’ een ruime interpretatie moet krijgen (GwH 30 januari 2002, nr. 28/2002). Ook in de brief van 3 september 2019 met in bijlage het eerste bestreden besluit, wordt vermeld dat de aanvraag tot het verkrijgen van een vrijstelling gedeeltelijk werd toegestaan. Uit het gebrek aan motivering in het eerste bestreden besluit bleek dat geen rekening werd gehouden met de in het verweerschrift aangevoerde redenen. Naast de schending van de formelemotiveringsplicht bleek dat ook het redelijkheidsbeginsel werd geschonden. Verzoeker rekende er dan ook op dat de Raad van State, wegens het kennelijk onredelijk karakter van het eerste bestreden besluit zou ingrijpen in de discretionaire bevoegdheid van de verwerende partij. Door dit besluit in te trekken heeft de verwerende partij geprobeerd dit te voorkomen. IX-9644-12/26 Vervolgens zet verzoeker aan de hand van de argumenten die hij in zijn verweerschrift van 7 september 2018 heeft aangevoerd, uiteen dat de verwerende partij zelf schuld heeft aan het ontslag van verzoeker doordat zij haar beloften over de vorming en loopbaan niet is nagekomen. Op grond daarvan meent verzoeker dat de verwerende partij op kennelijk onredelijke wijze gebruik maakt van haar beoordelingsbevoegdheid in het kader van artikel 184 van de wet van 28 februari 2007 wanneer zij geen rekening houdt met haar eigen foutief handelen. Onder een titel ‘Revanchisme’ zet verzoeker nog uiteen dat ex-collega’s in zeer gelijkaardige omstandigheden om niet gekende redenen geen uittredingsvergoeding moesten betalen hetgeen wijst op willekeur, wat ook blijkt uit de wijze waarop de algemene directie Human Resources communiceert over de berekening van de uittredingsvergoeding. Hij verwijst daarbij ook naar verschillende documenten waarin telkens sprake is van verschillende bedragen die terugbetaald moesten worden. Verzoeker vermoedt dat voor hem geen willekeur speelt, maar eerder het feit dat hij de pijnpunten van de opleiding heeft durven blootleggen. Het eerste en het tweede bestreden besluit zijn derhalve een represaillemaatregel. Hij verwijst nog naar een e-mail van P.D.C. van 13 september 2019 waarin, volgens verzoeker, wordt vermeld dat hij de toegekende vrijstelling zou verliezen indien hij het zou wagen een beroep in te stellen. Dat het tweede bestreden besluit het gevolg zou zijn van “concreet en aandachtig onderzoek naar de sociale situatie van de betrokkene” is derhalve onzin. Verzoeker besluit, met verwijzing naar de rechtspraak van het Grondwettelijk Hof, dat “burgers van de toegang tot de rechter afschrikken, zoals het gebruik van die toegang bestraffen, volstrekt onaanvaardbaar [is] in een rechtsstaat”.
  24. In zijn memorie van wederantwoord stelt verzoeker dat zowel in het eerste als in het tweede bestreden besluit onvoldoende rekening is gehouden met de door hem aangevoerde “uitzonderlijke sociale redenen”. Volgens hem blijft IX-9644-13/26 de verwerende partij daarbij blind voor de eigen fout die heeft geleid tot de aanvraag tot ontslag van verzoeker en bezondigt zij zich daarenboven aan flagrant revanchisme. Verzoeker benadrukt dat hij het slachtoffer is geworden van intimidatie en dreigementen en verwijst daarbij naar personen die deze hebben geuit en personen die hiervan getuige zijn geweest. Daarnaast wijst verzoeker erop dat hij de redelijke verwachting mocht hebben dat hij een zesjarige opleiding tot specialist in de urgentiegeneeskunde zou kunnen volgen en niet de driejarige specialisatie in de acute geneeskunde die in de medische wereld als onvoldoende wordt beschouwd. Hij geeft hierbij een omstandige toelichting en wijst daarbij ook op de onbegrijpelijke weigering om samen te werken met het universitair ziekenhuis Gent. Ook had hij gehoopt dat hij een passende plaats van tewerkstelling zou krijgen. Ten slotte wijst verzoeker erop dat hij oprecht een carrière bij het leger wenste uit te bouwen, maar hem dat onmogelijk is gemaakt door valse beloftes, intimidaties en kortzichtigheid in hoofde van de verwerende partij.
  25. In zijn laatste memorie stelt verzoeker dat hij de kritiek niet begrijpt dat het middel waarin de schending van het redelijkheidsbeginsel wordt aangevoerd, onontvankelijk moet worden bevonden, omdat verzoeker daaraan een draagwijdte zou geven die het beginsel niet heeft en veeleer zou aanvoeren dat het tweede bestreden besluit niet steunt op deugdelijke motieven. Verzoeker begrijpt deze kritiek niet omdat hij omstandig heeft toegelicht dat de verwerende partij ten onrechte weigert rekening te houden met de eigen fout, namelijk de organisatie van een gebrekkige vervolgopleiding, de onbegrijpelijke weigering om samen te werken met het universitair ziekenhuis Gent en de leugenachtige beschrijving van de militaire carrière. Door daarmee IX-9644-14/26 geen rekening te houden bij het nemen van haar beslissing, schendt de verwerende partij het redelijkheidsbeginsel. Bovendien is bij het nemen van deze beslissing sprake van een onverantwoorde verandering van standpunt met betrekking tot het al dan niet bestaan van uitzonderlijke sociale redenen en een onaanvaardbare vorm van represaille en willekeur. Verzoeker besluit dat het enige dat redelijkerwijze had kunnen veranderen, was, het standpunt van de verwerende partij ten opzichte van het eerste bestreden besluit, waardoor zij zou beseffen dat dit inderdaad onredelijk was en dat verzoeker recht heeft op een grotere vrijstelling. Dat de argumentatie van verzoeker net het omgekeerde effect teweeg heeft gebracht, valt niet te begrijpen. Aldus schendt de verwerende partij met het tweede bestreden besluit het redelijkheidsbeginsel nog meer dan met het eerste bestreden besluit dat voorziet in een gedeeltelijke vrijstelling van de terugbetalingsplicht. Beoordeling
  26. Het redelijkheidsbeginsel mag geschonden worden genoemd wanneer een beslissing, waarvan vastgesteld wordt dat ze op deugdelijke grondslagen berust, inhoudelijk dermate van het normale beslissingspatroon afwijkt dat het ondenkbaar is dat enige andere zorgvuldig handelende overheid in dezelfde omstandigheden die beslissing zou nemen. Het komt de Raad van State niet toe, bij zijn controle van de naleving van het redelijkheidsbeginsel, zijn eigen beoordeling in de plaats te stellen van de beoordeling van de bevoegde administratieve overheid. Hij vermag in de uitoefening van zijn wettigheidstoezicht, desgevraagd, enkel na te gaan of de administratieve overheid op grond van juiste en correct beoordeelde feitelijke gegevens, in redelijkheid tot haar beslissing is kunnen komen. 15.
  27. Artikel 184, eerste lid, van de wet van 28 februari 2007 machtigt de koning of de overheid die hij aanwijst, ertoe de militair die erom verzoekt voor uitzonderlijke sociale redenen bij gemotiveerde beslissing vrij te stellen van de IX-9644-15/26 gehele of gedeeltelijke terugbetaling van de vormingskosten en de tijdens de vorming genoten wedden. Luidens de parlementaire voorbereiding van deze bepaling wordt ermee de mogelijkheid geopend om voor militairen die vóór het bee indigen van hun rendementsperiode de hoedanigheid van militair verliezen, of voor aspirant officieren die na het behalen van hun bachelordiploma vooralsnog mislukken in de rest van academische studies, en die om sociale redenen in de onmogelijkheid verkeren om het in artikel 180 van dezelfde wet bepaalde deel van de tijdens de vorming genoten wedden volledig terug te betalen, deels of volledig van deze terugbetaling vrij te stellen (Parl.St. Kamer 2006-2007, nr. 51-2759/1, 96-97). De vrijstelling kan luidens artikel 184, eerste lid, van de wet van 28 februari 2007 slechts om “uitzonderlijke sociale redenen” worden verleend, wat een appreciatie in het concrete geval vereist. 15.
  28. Verzoeker voert aan dat hij in zijn verweerschrift van 7 september 2018 de sociale redenen heeft aangevoerd voor het verkrijgen van de vrijstelling tot terugbetaling, maar dat hiermee geen rekening is gehouden. In het tweede bestreden besluit worden die redenen opgesomd en die luiden als volgt: “1° Betrokkene verklaart dat Defensie met haar visie en toekomstplannen hem een andere levensrichting uitduwt dan hij zelf voor ogen had, en diens oversten zijn verdere opleiding en tewerkstelling in slechte banen waren aan het leiden, zodat hij bijgevolg ook verplicht was om zijn ontslag aan te vragen; 2° Betrokkene stelt dat Defensie hem onrealistische verwachtingen heeft gegeven wat de loopbaanperspectieven betreft en dat hij ontevreden is met zijn concrete jobinhoud en het evenwicht tussen privéleven en werken; 3° Er zou geen consensus meer mogelijk betreffende de visie van Defensie in vergelijking met zijn persoonlijk toekomstperspectief. Gezien Defensie zelf een aandeel heeft in de redenen waarom hij besloten had de organisatie te verlaten, dient Defensie ook haar verantwoordelijkheid te dragen; 4° Betrokkene voert aan dat hij meerdere inspanningen heeft geleverd die buiten het strikte vormingscurriculum van de KMS vallen, zoals onder meer stages. Hij benadrukt zijn engagement voor Defensie door zijn deelname aan jobbeurzen, en dit op vrijwillige basis.” IX-9644-16/26 15.
  29. In de motivering van het tweede bestreden besluit wordt overwogen dat verzoeker op geen enkele wijze aantoont op welke manier hij, omwille van uitzonderlijke sociale redenen, in de onmogelijkheid zou verkeren om een breukdeel van de tijdens de vorming genoten wedde terug te betalen en dat ook de voorgelegde stukken (fiscale fiches) niet het bewijs leveren van het voorhanden zijn van dergelijke “precariteit”. Verzoeker ontkracht dit motief niet. 15.
  30. Verzoeker heeft in zijn vraag tot ontslag van 7 september 2018 gesteld dat hij door het uiteengroeien van interesses en verwachtingen niet langer een professionele carrière bij Defensie ambieert, noch als beroepsofficier noch als arts. Dat hij teleurgesteld is in de in zijn ogen minderwaardige vervolgopleiding die hij verondersteld wordt te volgen als toekomstige spoedarts, dat hij niet tevreden is over wat zijn werk concreet zou inhouden en dat het evenwicht tussen leven en werk afwezig is, is mogelijk. Verzoeker verliest evenwel uit het oog dat aan diegenen die voor een militaire loopbaan hebben gekozen, bepaalde verplichtingen kunnen worden opgelegd, gelet op de opdrachten die aan het leger worden toevertrouwd. Dat die verplichtingen niet in de lijn liggen van wat verzoeker voor ogen had toen hij in dienst trad – de te volgen opleiding en het loopbaanperspectief – is mogelijk, maar het kan de verwerende partij niet ten kwade worden geduid dat zij dit anders ziet en stelt dat verzoekers individuele ambities ook verzoenbaar moeten kunnen zijn met de verwachtingen van Defensie. De verwerende partij kan dan ook worden bijgevallen waar zij stelt dat verzoeker niet aannemelijk maakt dat hij zich in een uitzonderlijke sociale situatie bevindt door te stellen dat hij zich niet meer kan vinden in de toekomstvisie van Defensie en dat zijn concrete jobinhoud hem op professioneel vlak onvoldoende voldoening schenkt. 15.
  31. Verzoeker wijst er ook op dat zijn ex-collega’s in zeer gelijkaardige omstandigheden geen uittredingsvergoeding hebben moeten betalen. IX-9644-17/26 Bij gebrek aan enig (begin van) bewijs is dit argument niet méér dan een loutere bewering die niet onderzocht kan worden. 15.
  32. In zoverre verzoeker stelt dat de algemene directie Human Resouces in haar communicatie naar hem verschillende bedragen heeft meegedeeld, kan erop worden gewezen dat dit niet rechtstreeks betrekking heeft op het al dan niet aanwezig zijn van uitzonderlijke sociale redenen en de (on)redelijkheid van de weigering. Verzoeker verliest daarbij ook uit het oog dat hij reeds vóór zijn ontslag bij Defensie in het Jan Ypermanziekenhuis prestaties heeft geleverd zonder dat de verwerende partij hier kennis van had, hetgeen alvast een verklaring biedt voor de verschillende bedragen die aan verzoeker werden gecommuniceerd. 15.
  33. Voor zover verzoeker vermoedt dat het feit dat hij de pijnpunten in de opleiding heeft durven blootleggen, de reden is voor de bestreden besluiten die een represaillemaatregel zijn, kan enkel worden vastgesteld zoals verzoeker zelf aangeeft, dat dit slechts een vermoeden is dat niet aantoont dat de bestreden besluiten omwille van “revanchisme” zouden zijn genomen, laat staan dat deze onredelijk zijn. 15.
  34. In zoverre verzoeker ten slotte nog verwijst naar een e-mail van P.D.C. “waarin staat te lezen dat de verzoeker de toegekende vrijstelling zou verliezen indien hij het zou wagen een beroep in te dienen”, kan enkel worden vastgesteld dat in die e-mail wordt vermeld dat het risico van een beroep het verlies van de vrijstelling kan zijn. Die mededeling is niet onjuist en evenmin werd in die e-mail gesteld dat verzoeker zijn vrijstelling (met zekerheid) zou verliezen indien hij een beroep instelde. IX-9644-18/26
  35. Uit wat voorafgaat volgt dat verzoeker niet aannemelijk maakt dat het onmogelijk is dat enige andere zorgvuldig handelende overheid in dezelfde omstandigheden tot hetzelfde besluit zou zijn gekomen.
  36. Het tweede middel is niet gegrond. C. Derde middel Uiteenzetting van het middel
  37. In het derde middel voert verzoeker de schending aan van de artikelen 12 en 23 van de Grondwet. Volgens verzoeker verbieden de vrijheid van persoon, gewaarborgd door artikel 12, eerste lid, van de Grondwet en de vrijheid van arbeid, gewaarborgd door artikel 23, derde lid, 1°, van de Grondwet dat een arbeid, onder dreiging met welke straf dan ook, zou worden geëist zonder dat die arbeid kan worden verantwoord door beweegredenen van algemeen belang. Het tweede bestreden besluit schendt artikel 23, derde lid, 1°, van de Grondwet omdat het de financiële sanctie die aan verzoeker is opgelegd, vergroot en dus zijn recht op een menswaardig bestaan nog meer in het gedrang brengt. Op grond van artikel 23, derde lid, 1°, van de Grondwet heeft iedereen recht op billijke arbeidsvoorwaarden en een billijke beloning. Om billijk te zijn moeten de arbeidsvoorwaarden “van dien aard zijn dat de arbeid de werknemer een arbeidsvoldoening schenkt, hem de mogelijkheid biedt zich volledig te ontplooien, zijn gezondheid beschermt en aan hem en zijn familie de mogelijkheid biedt om een onafhankelijk en fatsoenlijk bestaan te leiden” (Parl. St. Senaat 1991-1992, nr. 100-2/3°, 16). In die arbeidsvoorwaarden zijn onder andere begrepen de beroepsoriëntatie en -vorming (GwH 21 april 2016, nr. IX-9644-19/26 53/2016). De vervolgopleiding en de “carrière” die verzoeker had moeten volgen indien hij zijn ontslag niet had aangevraagd, hadden aldus eveneens een schending van het recht op arbeid teweeggebracht aangezien overduidelijk geen sprake zou zijn van “arbeidsvoldoening”, “volledige ontplooiing” of een degelijke “beroepsoriëntatie en -vorming”.
  38. In zijn memorie van wederantwoord benadrukt verzoeker nog dat niet het principe van de terugbetalingsplicht op zich zijn recht op arbeid schendt, maar wel de wijze waarop dit principe in zijn concreet geval wordt toegepast. Ook het alternatief dat verzoeker had, namelijk niet uit dienst treden, zou een schending van zijn recht op arbeid inhouden. Voorts onderstreept verzoeker ook dat voor eender wie, ongeacht het exacte niveau van “precariteit”, de plicht tot terugbetaling van een bedrag van 99.614,51 euro een immense financiële impact heeft die het menswaardig bestaan in ieder geval in gedrang kan brengen.
  39. In zijn laatste memorie beklemtoont verzoeker dat zijn kritiek is gericht op de wijze waarop de verwerende partij haar bevoegdheid ter zake heeft uitgeoefend. Het is de wijze waarop de wet wordt toegepast, die een schending van een grondwettelijk recht van verzoeker vormt. In antwoord op het standpunt dat een eventueel gebrek aan billijke arbeidsvoorwaarden wel het “niet langer geïnteresseerd” zijn verantwoordt, maar dat daaruit geen uitzonderlijke sociale reden blijkt, stelt verzoeker dat er niet zomaar sprake is van “desinteresse”, wat volgens hem inderdaad en terecht op zich niet kan volstaan als een vrijstellingsgrond, maar dat die desinteresse het gevolg is van de foutieve handelingen van de verwerende partij. Alle elementen van de zaak samengenomen (“de concrete gegevens”) zijn de argumenten “die dit uitzonderlijk sociaal karakter kunnen staven”. IX-9644-20/26 Beoordeling
  40. In zoverre in dit middel de schending wordt aangevoerd van de vrijheid van persoon, gewaarborgd door artikel 12, eerste lid, van de Grondwet, moet worden vastgesteld dat niet wordt toegelicht en niet wordt verduidelijkt hoe het tweede bestreden besluit artikel 12, eerste lid, van de Grondwet precies schendt, zodat dit middelonderdeel onontvankelijk is.
  41. In zoverre in het middel de schending wordt aangevoerd van het recht op arbeid gewaarborgd door artikel 23, derde lid, 1°, van de Grondwet, gaat verzoeker eraan voorbij dat die grondwettelijke bepaling geen directe werking heeft. Dit blijkt met zoveel woorden uit artikel 23, tweede lid, van de Grondwet waarin het waarborgen van dit grondrecht wordt toevertrouwd aan de daarvoor bevoegde wetgever. Aangezien de wettigheid van een individuele administratieve rechtshandeling niet rechtstreeks kan worden getoetst aan de geschonden geachte bepaling, kan dit middelonderdeel niet leiden tot de nietigverklaring van het tweede bestreden besluit.
  42. Het derde middel is onontvankelijk. D. Vierde middel Uiteenzetting van het middel
  43. In het vierde middel voert verzoeker de schending aan van de vrijheid van ondernemen. Volgens verzoeker is artikel II.3 van het Wetboek van Economisch Recht, dat zich verzet tegen een ongeoorloofde beperking van de vrijheid van handel en nijverheid, van openbare orde. Het beding dat een onredelijke beperking van de concurrentie naar voorwerp, territorium of duur oplegt, is bijgevolg nietig. De vrijheid van handel en nijverheid die beschermd IX-9644-21/26 wordt door artikel 23 van de Grondwet en het Wetboek van Economisch Recht staat er niet aan in de weg dat de wet de economische activiteit regelt van de personen en ondernemingen, maar enkel op voorwaarde dat ze deze niet beperkt zonder dat de noodzaak daartoe bestaat en de beperkingen die ze aanbrengt niet onevenredig zijn ten opzichte van het nagestreefde doel. Uit wat onder het tweede middel werd uiteengezet, blijkt dat zijn vrijheid van handel en nijverheid op onevenredige wijze en zonder noodzaak wordt beperkt door het tweede bestreden besluit. De schuldvordering die ontstaat bij het ontslag van een beroepsmilitair die de rendementsperiode niet volledig presteert, werkt als drukkingsmiddel om militairen in deze situatie te “ontraden” ontslag te vragen. In de situatie van verzoeker blijkt echter dat onmogelijk van hem kon worden verwacht de vervolgopleiding en daaropvolgende carrière te ambiëren, aangezien deze van onvolwaardige kwaliteit waren en niet aansluiten bij zijn kennis en competenties. Dat verzoeker na zijn aldus volledig gerechtvaardigde aanvraag tot ontslag geconfronteerd werd met een “ontradende” schuldvordering, vormt een ontoelaatbare beperking van zijn vrijheid van handel en nijverheid. Het behoeft geen nadere toelichting dat de vrijheid van handel en nijverheid van verzoeker op nog meer onevenredige wijze wordt beperkt door de beslissing van de verwerende partij om het eerste bestreden besluit zonder meer in te trekken.
  44. In zijn memorie van wederantwoord benadrukt verzoeker nog dat niet de wettelijke bepalingen van de wet van 28 februari 2007 op zich het voorwerp van het beroep uitmaken, maar wel de wijze waarop de verwerende partij deze bepalingen toepast in het kader van de behandeling van het verzoek tot vrijstelling van de terugbetaling, waarbij zij over een appreciatiebevoegdheid beschikt. Beoordeling 26.
  45. Verzoeker kan niet worden bijgevallen wanneer hij stelt dat de vrijheid van ondernemen wordt gewaarborgd door artikel 23 van de Grondwet. In IX-9644-22/26 zijn arrest nr. 86/2015 van 11 juni 2015 heeft het Grondwettelijk Hof reeds overwogen (B.3.7.2.) dat artikel 23, derde lid, 1°, van de Grondwet het recht op de vrije keuze van beroepsarbeid onder de economische, sociale en culturele rechten vermeldt, doch dat uit de parlementaire voorbereiding van artikel 23 van de Grondwet blijkt dat de Grondwetgever de vrijheid van handel en nijverheid of de vrijheid van ondernemen niet heeft willen verankeren in de begrippen ‘recht op arbeid’ en ‘vrije keuze van beroepsarbeid’ (Parl.St. Senaat, BZ 1991-1992, nr. 100-2/3°, 15; nr. 100-2/4°, 93 tot 99; nr. 100-2/9°, 3 tot 10). In die mate faalt het middel naar recht. 26.
  46. In zoverre verzoeker aanvoert dat zijn vrijheid van handel en nijverheid door het tweede bestreden besluit op onevenredige wijze wordt beperkt zonder dat daartoe een noodzaak bestaat, kan verzoeker daarin niet worden bijgevallen. Het tweede bestreden besluit legt verzoeker geen verbod op om een economische activiteit uit te oefenen. De beperkingen die verzoeker meent te ervaren, vloeien niet rechtstreeks voort uit dit besluit. 26.
  47. Het vierde middel is ongegrond. E. Vijfde middel Uiteenzetting van het middel
  48. In zijn verzoekschrift voert verzoeker een vijfde middel aan onder de titel ‘geleverde prestaties’ luidende als volgt: “De recentste berekening van de schuldvordering ziet er als volgt uit: - totaal verworven netto wedden: 140.302,13 euro; - standaardcoëfficiënt: 0,73; - te presteren rendementsperiode: 126 maanden; - gepresteerde maanden: 3 maanden; IX-9644-23/26 » 0,73 x ((126-3)/126) = 0,71 » 0,71 x 140.302,13 euro = 99.614,51 euro. De ADHR houdt echter onterecht enkel rekening met de drie maanden prestaties, die de verzoeker verrichtte na het einde van de opleiding. Ook tijdens zijn opleidingsperiode leverde de verzoeker prestaties die de normale beschikbaarheidswaarde overschreden en die aldus in rekening moeten worden gebracht bij de berekening van de schuldvordering. Het gaat over - zijn aanwezigheid op allerhande militaire activiteiten; militaire parades; rekruteringsbeurzen; sportcompetities; benefietacties; - zijn bijkomende ziekenhuisstages; - zijn activiteiten in het urgentieteam van het militair hospitaal, bijvoorbeeld tijdens de aanslag in Zaventem van 24 maart 2016.” Beoordeling
  49. Luidens artikel 2, § 1, 3°, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1984 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State’ bevat het verzoekschrift tot nietigverklaring (onder meer) “een uiteenzetting van de feiten en de middelen”. Onder middel in de zin van deze bepaling moet worden verstaan de voldoende duidelijke omschrijving van de geschonden geachte rechtsregel of het geschonden geachte rechtsbeginsel en van de wijze waarop die regel of dat beginsel naar het oordeel van verzoeker door de bestreden handeling wordt geschonden. “Voldoende duidelijk” betekent dat geen veronderstellingen moeten worden gemaakt over de juiste bedoelingen van een verzoeker, waardoor in werkelijkheid de verwerende partij, en nadien de Raad van State ertoe worden gebracht in de plaats van verzoeker het verzoekschrift op te stellen. In het voorliggende middel wordt geen duidelijke omschrijving gegeven van de geschonden geachte rechtsregel of het geschonden geachte rechtsbeginsel en van de wijze waarop die regel of dat beginsel naar het oordeel van verzoeker door het bestreden besluit wordt geschonden. IX-9644-24/26
  50. Het vijfde middel is hoe dan ook niet ontvankelijk, daargelaten de bevoegdheid van de Raad van State om zich uit te spreken over een “berekening van de schuldvordering”. VI. Onderzoek van de zaak A. 229.461/IX-9644 (I)
  51. Uit het onderzoek van de middelen in de zaak A. 231.381/IX-9742 (II) blijkt dat geen van die middelen de onwettigheid van het tweede bestreden besluit aantoont, zodat het beroep in die zaak moet worden verworpen. In die omstandigheden dringt een onderzoek van de middelen in de zaak A. 229.461/IX-9644 (I) zich niet langer op vermits, door de verwerping van het beroep tegen het tweede bestreden besluit, de intrekking van het eerste bestreden besluit definitief voor wettig moet worden gehouden waardoor het beroep tegen het eerste bestreden besluit zonder voorwerp is. BESLISSING
  52. De zaken A. 229.461/IX-9644 en A. 231.381/IX-9742 worden samengevoegd.
  53. De Raad van State verwerpt de beroepen.
  54. De verwerende partij wordt in de zaak A. 229.461/IX-9644 verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 20 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verzoekende partij. De verzoekende partij wordt in de zaak A. 231.381/IX-9742 verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro en een bijdrage van 20 euro. IX-9644-25/26 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van zeven juli tweeduizend tweeëntwintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, Bruno Seutin, staatsraad, Bert Thys, staatsraad, bijgestaan door Vera Wauters, griffier. De griffier De voorzitter Vera Wauters Geert Van Haegendoren IX-9644-26/26 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.254.234 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.