id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 15 juli 2022 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.254.280 Rolnummer: A. 236807/VII-41583 Zaak: Arrest 254280 - Dierenwelzijn - 15/07/2022 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2022-07-19 Raadplegingen: 72 - laatst gezien 2026-06-10 07:16 Fiche Arrest nr 254.280 van 15 juli 2022 Sociale zaken en volksgezondheid - Dierenwelzijn Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIIe VAKANTIEKAMER nr. 254.280 van 15 juli 2022 in de zaak A. 236.807/VII-41.583 In zake: Dario VAN REGEMORTER bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Ezrah Geuens kantoor houdend te 2060 Antwerpen Fr. Rooseveltplaats 12 bus 3 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Isabelle Cooreman kantoor houdend te 1082 Brussel Access Building Keizer Karellaan 586 bus 9 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering
- De vordering, ingesteld op 13 juli 2022, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van “de ‘beslissing tot bestemming’ dd. 13.06.2022”. II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een nota ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 15 juli 2022, om 11.00 uur. Staatsraad Pierre Lefranc heeft verslag uitgebracht. VII-41.583-1/7 Advocaat Ezrah Geuens, die verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Joeri Leten, die loco advocaat Isabelle Cooreman verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Frederic Eggermont heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, ge- coördineerd op 12 januari
- III. Feiten
- Op 29 mei 2022 neemt de lokale politie 2 honden en 2 baardagamen administratief in beslag bij toepassing van artikel 42, § 1 van de wet van 14 augustus 1986 ‘betreffende de bescherming en het welzijn der dieren’ (hierna: dierenwelzijnswet), na de vaststellingen die in een proces-verbaal van dezelfde dag ten huize van de verzoeker werden gedaan. De dieren werden in afwachting van de bestemmingsbeslissing overgebracht naar een erkend dierenasiel. Op basis van de vaststellingen in voormeld proces-verbaal, het verhoor van de verzoeker, het dierenartsverslag en het horen van de zuster van de verzoeker, neemt het afdelingshoofd van de afdeling Dierenwelzijn van het departement Omgeving de bestreden bestemmingsbeslissing waarbij in toepassing van artikel 42, § 2 van de dierenwelzijnswet de dieren “definitief in volle eigendom [worden] gegeven aan het asiel”. VII-41.583-2/7 IV. Ontvankelijkheid van de vordering
- De verwerende partij betwist de ontvankelijkheid van de vordering. Een onderzoek van en een uitspraak over de ontvankelijkheid zouden zich alleen opdringen indien mocht blijken dat aan de grondvoorwaarden voor een schorsing voldaan is, wat, zoals hierna zal blijken, niet het geval is. V. Uiterst dringende noodzakelijkheid
- Krachtens artikel 17, §§ 1 en 4, van de RvS-wet kan tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid slechts worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden en dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is die onverenigbaar is met de behandelingstermijn van de gewone vordering tot schorsing.
- De verzoeker stelt aangaande de uiterst dringende noodzakelijkheid in het feitenrelaas van zijn verzoekschrift: “Thans werden de huisdieren van verzoeker reeds te koop aangeboden op de website van ‘Canina’, hoewel tegen de bestemmingsbeslissing van de afdeling Dierenwelzijn een beroepstermijn van 60 dagen open staat. […] De hoogdringendheid van huidig verzoekschrift die de schorsing van de beslissing rechtvaardigt ligt er dan ook in dat, indien de dieren gedurende de annulatieprocedure worden verkocht, deze procedure zonder voorwerp zal vallen”.
- De verwerende partij wijst erop dat de inbeslagname reeds plaatsvond op 29 mei 2022 en dat de verzoeker op dat moment reeds een vordering bij uiterst dringende noodzakelijkheid had kunnen indienen. Door minstens 3 weken te wachten met het indienen van een vordering bij uiterst dringende VII-41.583-3/7 noodzakelijkheid tegen de bestemmingsbeslissing, heeft de verzoeker nagelaten met de vereiste spoed en diligentie op te treden. Beoordeling
- Luidens artikel 16, § 1, eerste lid, 7°, van het koninklijk besluit van 5 december 1991 ‘tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State’, bevat het verzoekschrift waarin de uiterst dringende noodzakelijkheid wordt aangevoerd daartoe “een uiteenzetting van de feiten die de uiterst dringende noodzakelijkheid rechtvaardigen”.
- Daaruit volgt de vaststelling dat de uiterst dringende noodzakelijkheid een afzonderlijke schorsingsvoorwaarde vormt die niet kan worden gelijkgesteld met en in beginsel niet volgt uit de ernst van de middelen die de verzoeker aanvoert. Van de Raad van State kan niet worden verondersteld enige toelichting van de veronderstelde uiterst dringende noodzakelijkheid af te leiden uit de aangevoerde middelen.
- Het komt er voor een verzoekende partij, die beweert dat in haar zaak een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is die onverenigbaar is met de behandelingstermijn van de gewone vordering tot schorsing, op aan om van die uiterst dringende noodzakelijkheid te overtuigen aan de hand van de concrete feiten die zij in haar vordering aanvoert. Dit houdt in dat het aan de verzoeker toevalt om aan zijn zaak eigen, specifieke gegevens bij te brengen die in concreto aantonen waarom de nadelige gevolgen die een onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing voor hem persoonlijk veroorzaakt, niet kunnen worden gedragen gedurende de behandelingstermijn van de gewone vordering tot schorsing en waarom de afloop van de gewone schorsingsprocedure bijgevolg niet kan worden afgewacht. Die gegevens moeten door de verzoeker worden onderbouwd op een wijze die de Raad van State toelaat om ze te verifiëren, zodat hij kan aftoetsen of ze de uiterst dringende noodzakelijkheid inderdaad kan verantwoorden. De uiterst dringende noodzakelijkheid wordt niet vermoed, welke VII-41.583-4/7 ook de aard van de bestreden beslissing is. In beginsel mag alleen rekening worden gehouden met hetgeen in het verzoekschrift “bij uiterst dringende noodzakelijkheid” wordt uiteengezet én gestaafd.
- De verzoeker voert in het inleidend verzoekschrift vier ‘middelen’ aan, maar laat na uiteen te zetten dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is die onverenigbaar is met de behandelingstermijn van de gewone vordering tot schorsing. De verzoeker kan er volledigheidshalve niet van overtuigen dat aan deze laatste schorsingsvoorwaarde zou worden voldaan louter omdat een annulatieberoep “zonder voorwerp zal vallen” “indien de dieren gedurende de annulatieprocedure worden verkocht”. Deze reden alleen al volstaat om de vordering te verwerpen.
- Uit de gegevens van het dossier blijkt bovendien dat de baardagamen geplaatst zijn bij derden. De reden van “hoogdringendheid” is, wat die dieren betreft, derhalve niet langer voorhanden. Bovendien heeft een door de Raad van State bevolen schorsing enkel uitwerking voor de toekomst. Het bevelen van de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de bestreden beslissing, voor zover die betrekking heeft op de baardagamen, zou niets veranderen aan het feit dat die ondertussen zijn overgedragen aan derden.
- In zoverre nog de schorsingsvoorwaarde van de uiterst dringende noodzakelijkheid betrokken kan worden op de twee honden, wordt ook nog vastgesteld dat de verzoeker pas op 13 juli 2022 de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing van 14 juni 2022 indient, terwijl bij e-mailbericht van 17 juni 2022 door de zuster van de verzoeker aan de verwerende partij werd bevestigd dat de bestreden beslissing is ontvangen. VII-41.583-5/7 De verzoeker wist bijgevolg al bijna een maand vóór de indiening van de vordering, dat het dierenasiel beschikte over de volle eigendom van beide honden. Artikel 3.50 van het Burgerlijk Wetboek luidt: “Het eigendomsrecht verleent aan de eigenaar rechtstreeks het recht om het voorwerp ervan te gebruiken, hiervan het genot te hebben en erover te beschikken. De eigenaar heeft de volheid van bevoegdheden, behoudens de beperkingen die door wetten, verordeningen of door de rechten van derden worden opgelegd”. De verzoeker is dus reeds meer dan drie weken op de hoogte van het feit dat het dierenasiel in het kader van diens beschikkingsrecht de dieren mocht vervreemden, minstens behoorde hij dat te weten. De omstandigheid dat de verzoeker twee afbeeldingen voorlegt van een website waarop de twee honden worden voorgesteld, zonder dat wordt verduidelijkt sinds wanneer die afbeeldingen zichtbaar zijn of werden opgemerkt, verhindert niet dat ook moet worden vastgesteld dat de verzoeker niet met de vereiste diligentie is opgetreden. Het vrijwillig verblijf van de verzoeker in een open afdeling van een instelling doet aan die vaststelling niets af. Wel integendeel. Conclusie
- Er is niet voldaan aan één van de voorwaarden gesteld in artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die cumulatief vervuld moeten zijn om een vordering bij uiterst dringende noodzakelijkheid te kunnen inwilligen. BESLISSING De Raad van State verwerpt de vordering. VII-41.583-6/7 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van vijftien juli tweeduizend tweeëntwintig, door de Raad van State, XIIe vakantiekamer, samengesteld uit: Pierre Lefranc, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Vera Wauters, griffier. De griffier De voorzitter Vera Wauters Pierre Lefranc VII-41.583-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.254.280 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.255.327 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.