← België

Arrest 254324 - Varia (binnenlandse zaken en lokale besturen) - 12/08/2022

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 12 augustus 2022 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.254.324 Rolnummer: A. 236994/X-18212 Zaak: Arrest 254324 - Varia (binnenlandse zaken en lokale besturen) - 12/08/2022 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2022-08-16 Raadplegingen: 87 - laatst gezien 2026-06-10 07:19 Fiche Arrest nr 254.324 van 12 augustus 2022 Instellingen, Binnenlandse zaken en lokale besturen - Varia (binnenlandse zaken en lokale besturen) Beslissing : Bevolen Inwilliging tussenkomst Verwerping overige Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIIe VAKANTIEKAMER nr. 254.324 van 12 augustus 2022 in de zaak A. 236.994/X-18.212 In zake: Elke DUFFELER bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Jan Stijns en Tina Merckx kantoor houdend te 3001 Leuven Ubicenter, Philipssite 5 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de GEMEENTE MERCHTEM bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten David D’Hooghe, Jan Bouckaert, Ian Arnouts, Bastiaan Schelstraete en Thomas Leys kantoor houdend te 1000 Brussel Loksumstraat 25 bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partij: de BVBA ALLES IS VIER bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Dirk Abbeloos kantoor houdend te 9200 Dendermonde Sint-Gillislaan 117 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering 1. De vordering, ingesteld op 10 augustus 2022, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van het besluit van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Merchtem van 3 augustus 2022 houdende de goedkeuring voor het organiseren van een pop-up bar ‘Zanzibar’ op percelen grond gelegen Dahliastraat “voor de periode X-18.212-1/26 van 27 mei 2022 [lees: 4 augustus 2022] tot en met 3 september 2022”, met “vergunning geluid en drank”. Daarenboven vraagt verzoekster de Raad van State om de gemeente Merchtem bij wijze van voorlopige maatregel “de verplichting op te leggen om zich tot en met 3.09.2022 te onthouden van het nemen van een beslissing waarbij een toelating en/of vergunning wordt verleend om ten overstaan van agrarisch gebied zonevreemde activiteiten op het terrein zn. Merchtem - percelen kadastraal gekend als afd. l - sectie A - nrs. 391A en 289A toe te laten, en dit cf. art. 17 § 8 en 36 § 2 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State onder verbeurte van een dwangsom van 50.000 EUR per toelating/vergunning die in strijd met deze verplichting wordt verleend en 10.000 EUR/kalenderdag dat dergelijke toelating/vergunning niet wordt ingetrokken”. II. Verloop van de rechtspleging 2. De verwerende partij heeft een nota ingediend. Met een verzoekschrift van 11 augustus 2022 heeft de bvba Alles is Vier gevraagd om in het administratief kort geding te mogen tussenkomen. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 11 augustus 2022, om 15.00 uur. Kamervoorzitter Geert Van Haegendoren heeft verslag uitgebracht. Advocaat Tina Merckx, die verschijnt voor de verzoekende partij, advocaten Ian Arnouts, Thomas Leys en Bastiaan Schelstraete, die verschijnen voor de verwerende partij en advocaten Dirk Abbeloos en Martijn Van Acoleyen, die verschijnen voor de tussenkomende partij, zijn gehoord. X-18.212-2/26 Eerste auditeur Sofie De Doncker heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3. Het thans bestreden besluit van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Merchtem heeft een voorgeschiedenis, die beschreven is in ’s Raads arrest nr. 254.297 van 27 juli 2022. Bij dat arrest beveelt de Raad van State de schorsing van de tenuitvoerlegging van het besluit van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Merchtem van 24 maart 2022 houdende ‘Goedkeuring voor het organiseren van een pop-up bar ‘Zanzibar’ op percelen grond gelegen Dahliastraat zn. voor de periode van 27 mei 2022 tot en met 3 september 2022 + vergunning geluid en drank’. Met het thans bestreden collegebesluit van 3 augustus 2022 wordt voormeld collegebesluit van 24 maart 2022 opgeheven en wordt aan de bvba Alles is Vier opnieuw toelating verleend om op de in het besluit gepreciseerde data tussen 4 augustus 2022 en 3 september 2022 een pop-up bar te organiseren, “waarbij [gebruik] wordt gemaakt van elektronisch versterkte muziek, met een geluidsniveau van maximaal 85 dB(A)Leq 15 min”. Tijdens het evenement mag sterke drank verkocht worden. X-18.212-3/26 IV. Tussenkomst 4. De bvba Alles is Vier blijkt voordeel te halen uit het bestreden besluit en heeft er belang bij dat de vordering wordt afgewezen. Bijgevolg moet haar verzoek tot tussenkomst worden ingewilligd. V. Precisering van het voorwerp van het beroep 5. Het eerste artikel van het bestreden besluit strekt tot de opheffing van het collegebesluit van 24 maart 2022 dat bij arrest nr. 254.297 van 27 juli 2022 door de Raad van State is geschorst. Verzoekster is enkel gegriefd door en richt al haar middelen tegen de hernieuwde goedkeuring, die prima facie van de opheffing afsplitsbaar is. Het voorwerp van de vordering mag dan ook worden beperkt tot de artikelen 2 tot 8 van het besluit, die op de hernieuwde toelating betrekking hebben. VI. Herinnering aan de schorsingsvoorwaarden 6. Krachtens artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid slechts worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden en dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is die onverenigbaar is met de behandelingstermijn van de gewone vordering tot schorsing. VII. Uiterst dringende noodzakelijkheid 7. In voormeld arrest nr. 254.297 heeft de Raad van State vastgesteld dat redelijkerwijze “moet worden aangenomen dat de pop-up een ernstig risico op verstoring van verzoeksters woonomgeving inhoudt” en dat verzoekster “de negatieve effecten die zij ten gevolge van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit tot 3 september 2022 zal ondergaan aannemelijk [maakt] aan X-18.212-4/26 de hand van de in het verzoekschrift vermelde concrete, precieze en pertinente gegevens”. De situatie van verzoekster is ondertussen niet gewijzigd. Voorts overwoog de Raad dat “bezwaarlijk [kan] worden betwist dat een uitspraak ten gronde te laat zal komen om deze effecten te voorkomen”. Thans is apert dat ook een gewone schorsing niet meer kan volstaan om het nadeel van het bestreden besluit ongedaan te maken. 8. De tegenwerping van de verwerende partij dat controles en metingen aantonen dat het evenement zich houdt aan het maximum toegelaten geluidsniveau en dat voor enkele activiteiten geen toelating is gegeven, kan niet slagen. Hierbij wordt mede in overweging genomen dat de zomerbar niet een eenmalig kortstondig evenement betreft, maar een repetitieve activiteit is overheen vele weken, waarbij telkens op donderdag, vrijdag, zaterdag en zondag tot laat in de avond en soms zelfs tot en na middernacht toegelaten wordt om gebruik te maken van elektronisch versterkte muziek tot 85dB: 4 augustus van 19.00 tot 24.00 u 5 augustus van 19.00 tot 1.00 u 6 augustus van 19.00 tot 1.00 u 7 augustus van 14.00 tot 22.00 u 11 augustus van 19.00 tot 24.00 u 12 augustus van 19.00 tot 1.00 u 13 augustus van 19.00 tot 1.00 u 14 augustus van 14.00 tot 1.00 u 18 augustus van 19.00 tot 24.00 u 19 augustus van 19.00 tot 1.00 u 20 augustus van 19.00 tot 1.00 u 21 augustus van 14.00 tot 22.00 u 25 augustus van 19.00 tot 24.00 u 26 augustus van 19.00 tot 1.00 u X-18.212-5/26 27 augustus van 19.00 tot 1.00 u 28 augustus van 14.00 tot 22.00 u 1 september van 19.00 tot 24.00 u 2 september van 19.00 tot 1.00 u 3 september van 19.00 tot 1.00 u. Het kan niet ernstig worden weersproken dat alleen reeds die geluidsoverlast op de schaal van een dergelijk evenement ernstige en onherroepelijke schade aan het woongenot veroorzaakt, zonder dat de bijkomende last van mogelijke verkeershinder – die de tegenpartijen betwisten – moet worden onderzocht. Bovendien kan de huidige vordering weliswaar de hinder ingevolge de activiteiten die al voorbij zijn niet ongedaan maken, maar kan de Raad begrip ervoor hebben dat ook de voorbije weken aan geluidsoverlast, zoals elke druppel bij een Chinese waterfoltering, het schadelijk effect van het blijvend moeten ondergaan van het evenement tot 3 september nog versterkt. Terecht wijst verzoekster dan ook op de lange duurtijd en het intens karakter van de geluidsoverlast. Daarin verschilt de huidige zaak ook met de beoordeling in arrest nr. 231.259 van 19 mei 2015 waarop de verwerende partij zich beroept: in die zaak sprak de Raad van State zich uit over de blootstelling aan geluidshinder “gedurende twee opeenvolgende festivaldagen” met één soundcheck daags ervoor. 9. Verzoekster heeft het collegebesluit van 3 augustus 2022 volgens de verwerende partij opgevraagd op 5 augustus 2022 en kreeg het bezorgd op 8 augustus. Zij heeft de huidige vordering ingesteld op 10 augustus 2022. De Raad van State ziet niet in, hoe aan verzoekster onvoldoende diligent optreden kan worden verweten. Dat zij ondertussen ook een procedure bij de gewone rechter voert, leidt niet tot een ander inzicht. X-18.212-6/26 10. De tussenkomende partij verwijt verzoekster zelf te hebben bijgedragen tot het nadeel dat zij met de huidige vordering wil keren, door niet ingegaan te zijn op de uitnodiging om haar bezwaren op 28 juli 2022 aan het gemeentebestuur uiteen te zetten. Die uitnodiging ging uit van een medewerker van de dienst Omgeving “om begin volgende week samen te zitten, zodat we kunnen luisteren naar uw bezwaren omtrent deze pop-up” en vervolgens het bestuur “een zo volledig mogelijk beeld te bezorgen”. Aangenomen mag worden dat de gemeente op dat ogenblik, gelet op de voorgaanden, méér dan voldoende op de hoogte was van verzoeksters “bezwaren omtrent deze pop-up”, zodat haar afwezigheid niet mag verbazen. Verzoekster hééft overigens gereageerd op de uitnodiging, door in een e-mail als haar zienswijze mee te delen “de pop-up Zanzibar is niet toelaatbaar op de actuele locatie” en geen heil te zien in “milderende maatregelen”. Aangenomen mag worden dat een mondeling contact aan de betrokken ambtenaar dezelfde informatie zou hebben opgeleverd. 11. De schorsingsvoorwaarde van de uiterst dringende noodzakelijkheid is vervuld. VIII. Ernst van de middelen Standpunt van de partijen 12.1. In het eerste en het tweede middel voert verzoekster onder meer de schending aan van artikel 11 van het koninklijk besluit van 28 december 1972 ‘betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en gewestplannen’ (“inrichtingsbesluit”) en van artikel 4.4.4 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening (VCRO), evenals van het “motiveringsbeginsel”. X-18.212-7/26 12.2. Verzoekster licht toe dat het betrokken terrein gelegen is in agrarisch gebied van het gewestplan Halle-Vilvoorde-Asse, dat krachtens het inrichtingsbesluit bestemd is voor landbouw. De op dit terrein vergunde pop-up is echter een omvangrijk openluchtcafé met diverse eetmogelijkheden (stands en restaurant), cocktail/gin/champagnebars met permanente muziek en zwembad waarbij de activiteiten in de avondlijke uren te vergelijken zijn met deze van een discotheek. In het bestreden besluit kan nergens worden gelezen dat er rekening is gehouden met de agrarische bestemming van het betrokken terrein, noch op grond van welk motief de gemeente Merchtem eventueel zou menen op dit terrein zonevreemde activiteiten te kunnen toelaten. De gemeente heeft niet de minste daadwerkelijke controle verricht omtrent de reële activiteiten en het gebruik van de pop-up Zanzibar. Zij neemt de beweringen van de bvba Alles is Vier klakkeloos en zonder enige controle of kritische benadering over, terwijl er geen enkele geloofwaardigheid aan kan worden gehecht. 12.3. Verzoekster wijst erop dat de bestreden beslissing zélf erkent dat de activiteiten van de pop-up Zanzibar principieel strijdig zijn met de gewestplanbestemming. Zij vervolgt dat niet voldaan is aan de voorwaarden om het in artikel 4.4.4, § 1, VCRO bedoelde zonevreemd sociaal-cultureel of recreatief medegebruik toe te staan. Uit de bewoordingen van deze bepaling blijkt dat dergelijk medegebruik enkel aanvaardbaar is voor zover het door zijn beperkte impact de verwezenlijking van de algemene bestemming van het gebied niet in het gedrang brengt. Zij brengt in herinnering wat in de parlementaire voorbereiding over dit begrip ‘beperkte impact’ is te lezen. Verzoekster benadrukt dat artikel 4.4.4, § 1, VCRO een uitzonderingsbepaling is die als dusdanig strikt geïnterpreteerd en toegepast moet worden. X-18.212-8/26 Zij stelt dat de op het betrokken terrein toegelaten pop-up een veel grotere impact heeft op de agrarische bestemming dan de in artikel 4.4.4, § 1, VCRO bedoelde “beperkte impact”. Met de op- en afbouwperiode inbegrepen, zal het terrein in de periode medio mei tot medio september, zijnde vier lente- en zomermaanden, niet aangewend kunnen worden voor agrarische activiteiten. Ook dient er rekening mee te worden gehouden dat het terrein gevolgschade zal hebben zodat minstens twee maanden de gevolgen van het oneigenlijke gebruik nadien zichtbaar zullen zijn. Op het betrokken terrein worden laaggroeiende gewassen geteeld, waarvoor de oogstperiode voornamelijk juni tot september is. Door tijdens de oogstperiode vier maanden festiviteiten toe te laten, is er een aanzienlijke impact op de realisatie van de algemene bestemming van de agrarische zone. Ten onrechte wordt in het bestreden besluit gemotiveerd dat de impact op de gebruikte percelen agrarisch gebied beperkt zou zijn, omdat er in de nabijheid ook percelen zijn die agrarisch gebied zijn. Dergelijke motivering is niet correct en strijdig met artikel 4.4.4 VCRO. De beoordeling van de impact dient enkel gemaakt te worden op die percelen die gebruikt worden voor de principieel met de bestemming strijdige activiteiten. Gezien de zonevreemde inbeslagname van het terrein één derde van het jaar beloopt, kan geenszins gesteld worden dat er sprake is van occasioneel recreatief medegebruik. Nopens een festival, hetgeen het meeste aansluit bij de beoogde activiteiten van de pop-up Zanzibar, leert de parlementaire voorbereiding dat opbouw en afbraak in de termijn begrepen dienen te worden, de activiteit slechts éénmalig van aard mag zijn en de duurtijd hooguit enkele weken mag zijn. 13. In de nota met opmerkingen wijst de verwerende partij erop dat het bestreden besluit geen omgevingsvergunning is voor het stellen van stedenbouwkundige handelingen. In het bestreden besluit wordt niet getoetst aan artikel 4.4.1, § 1, doch aan de artikelen 4.4.1, § 3, en 4.4.4, § 1, VCRO. In het verzoekschrift wordt geen enkele kritiek geuit tegen de juridische grondslag van de artikelen 4.4.1, § 3, en 4.2.3 VCRO iuncto het vrijstellingsbesluit (het besluit van X-18.212-9/26 de Vlaamse regering van 16 juli 2010 ‘tot bepaling van stedenbouwkundige handelingen waarvoor geen omgevingsvergunning nodig is’) waarop het bestreden besluit aanvullend steunt. De motieven van het bestreden besluit worden op geen enkel punt in het (eerste) middel betrokken. Vervolgens betwist de verwerende partij het verwijt dat zij geen “daadwerkelijke controles” heeft gedaan en de beweringen van de aanvrager “klakkeloos” zou hebben overgenomen. Zij wijst erop dat (

  1. i)er in de bestreden beslissing bijkomende beperkingen aan de aanvrager worden opgelegd wat betreft het aantal aanwezigen en de grootte van de parking, (
  2. ii)een aantal evenementen werd geschrapt en (iii) de twee toegekende tijdelijke afwijkingen van de geluidslimiet werden ingetrokken. Zij heeft bovendien wel degelijk een daadwerkelijke bijkomende controle uitgevoerd zowel bij het nemen van het bestreden besluit als bij de controle op de naleving ervan. Zo heeft zij (
  3. i)voorafgaandelijk advies gevraagd aan de brandweer en politie, (
  4. ii)opnieuw de inventaris gemaakt van het gebruik van het betrokken terrein (de constructies, handelingen, activiteiten /evenementen en hun aard, ligging en omvang), (iii) de aanvrager verzocht of de informatie inzake het gebruik van het terrein nog actueel is en desgevallend het ontvangen van eventueel bijkomende informatie of documenten waarover de aanvrager zou beschikken die een aanvulling of verduidelijking kan inhouden; (
  5. iv)verzoekster (tevergeefs) uitgenodigd om haar informatie/bezwaren toe te lichten en te bezorgen en (
  6. v)de controle van de naleving van het bestreden besluit door de milieu-inspectie wordt geïnitieerd. De verwerende partij betwist de omschrijving van het evenement als openluchtdiscotheek. Uit de plannen van de aanvrager blijkt geen concrete dansvloer (bestemde zone) aanwezig te zijn. De bewering over het gebruik van het zwembad is gestaafd met een ongedateerde foto. Of een gebruik in overeenstemming is met de toelating is overigens een kwestie van handhaving van de bestreden beslissing en raakt niet het bestreden besluit zelf. X-18.212-10/26 De kritiek van verzoekster laat de aanvullende juridische grondslag van het bestreden besluit overeenkomstig artikel 4.4.1, § 3, VCRO inzake vrijgestelde handelingen volledig onverlet en kan haar niet het gewenste voordeel opleveren. Uit de motieven van het bestreden besluit blijkt duidelijk dat de verwerende partij volgens de lering van het schorsingsarrest van 27 juli 2022 ditmaal na inventarisatie van het gebruik van het terrein is nagegaan of dit gebruik daadwerkelijk een beperkte impact heeft zodat het de verwezenlijking van de algemene bestemming van het gebied niet in het gedrang brengt. De algemene punten die verzoekster in haar verzoekschrift aanhaalt, werden beoordeeld. Het betoog van verzoekster maakt abstractie van voormelde motieven in het bestreden besluit. Zij toont derhalve niet aan dat deze motieven foutief of onredelijk zouden zijn en beperkt zich tot algemeenheden. Het enige element dat verzoekster in het kader van de motieven concreet nog opwerpt houdt verband met de beoordeling van de impact, die volgens haar “enkel en alleen” gemaakt moet worden op die percelen die gebruikt worden voor de principieel met de bestemming strijdige activiteiten. Zij toont daarbij evenwel niet aan op welk punt de motivering in het bestreden besluit zou knellen. Die stelling van verzoekster mist hoe dan ook juridische grondslag. Uit de parlementaire voorbereiding bij artikel 4.4.4. VCRO (Parl.St. Vl.Parl. 2004-05, nr. é/1, 12) blijkt immers: “Het spreekt voor zich dat voor elk toepassingsgeval een gebiedsgerichte beoordeling essentieel is, waarbij rekening gehouden wordt met de algemene bestemming van het betrokken gebied maar ook met de nabijheid van andere bestemmingsgebieden en de goede ruimtelijke ordening in het algemeen. In die zin moeten de decretale bepalingen in kwetsbare gebieden (de ruimtelijk kwetsbare gebieden en degene, aangewezen op basis van andere wetgeving, zoals speciale beschermingszones) een veel striktere beoordeling krijgen dan in bepaalde andere gebieden. Zelfs binnen eenzelfde categorie van bestemmingsgebieden kan de toelaatbaarheid van de betrokken activiteiten verschillen, bijvoorbeeld wegens nabuurschap met andere bestemmingsgebieden (cf. supra) of de feitelijke toestand zoals de aanwezigheid van bepaalde natuurwaarden of het landschappelijk waardevol karakter van een gebied bestemd voor agrarisch gebruik. Bij de X-18.212-11/26 plaatsgebonden beoordeling moeten ook elementen zoals de toegankelijkheid van een gebied en de verkeersimpact van bepaalde activiteiten in rekening worden gebracht.” Ook die kritiek mist feitelijke en juridische grondslag. 14. De tussenkomende partij betwist dat de pop-up bar een openluchtdiscotheek is. Het probleem met het vorige collegebesluit was dat de gemeente niet voldoende had getoetst om welke activiteiten het ging, teneinde te kunnen toetsen of er al dan niet sprake kon zijn van een afwijking op de bestemming en een sociaal-cultureel of recreatief medegebruik. Huidige bestreden beslissing heeft dat probleem niet: er is op basis van de bijkomende informatie aangeleverd door de bvba Alles is Vier afgetoetst dat het concept geen openluchtdiscotheek is. Er is een duidelijke inventaris gemaakt van de gewenste activiteiten door pop-up Zanzibar en deze is opgenomen in de goedkeuring en uitdrukkelijk opgelegd als voorwaarde. Het uitbaten van een openluchtdiscotheek is door de bestreden beslissing uitgesloten en niet mogelijk. Alsnog een openluchtdiscotheek uitbaten, zou ingaan tegen de bestreden beslissing en dan kan en zal er handhavend worden opgetreden. Verzoekster heeft volgens de tussenkomende partij geen belang bij een middel waarin zij opwerpt dat niet voldoende rekening werd gehouden met de hinderaspecten wanneer zij uitdrukkelijk werd uitgenodigd om deze hinderaspecten te komen toelichten maar daar niet op is ingegaan. 15. De bewering van verzoekster dat er laag groeiende gewassen worden geteeld op het betrokken perceel is manifest onjuist en enkele vage foto’s van verzoekster zonder datum of locatie kunnen uiteraard niet aanvaard worden als stavingstuk, nu zij rechtstreeks tegengesproken worden door veel objectieve en duidelijke stukken die door de tussenkomende partij aan de gemeente zijn bezorgd. De bvba Alles is Vier verwijst naar een verklaring van de eigenaar-landbouwer van het betrokken perceel dat de gronden niet bebouwd worden met laag groeiende opbrengstgewassen doch dat het gaat om graslanden waar gehooid wordt. Dit X-18.212-12/26 standpunt wordt overigens bevestigd door de inkartering op Geopunt, die inderdaad grasland aangeeft voor de recentste jaren. Het gras wordt geoogst net voor pop-up Zanzibar de terreinen in gebruik neemt. Na afloop van het evenement wordt ofwel nog een nieuwe grasoogst gedaan of wordt het perceel als graasland voor schapen gebruikt, afhankelijk van de noden. De maanden waarin de grasoogst gemist wordt zijn de drogere zomermaanden waar hoe dan ook een zeer beperkte opbrengst zou zijn. Op geen enkel moment komt de onderliggende landbouwbestemming in het gedrang. Beoordeling 16. Deze beide middelen zijn gelijkaardig aan de middelen aangevoerd in de eerdere procedure van verzoekster tegen het collegebesluit van 24 maart 2022. Bij ’s Raads arrest nr. 254.297 van 27 juli 2022 werd daarover overwogen dat de bestreden toelating “om wettig te zijn, zoals iedere individuele overheidsbeslissing, [moet] kunnen worden ingepast in de bestaande regelgeving, waaronder de bestemmingsvoorschriften van het geldende ruimtelijke uitvoeringsplan of plan van aanleg” en “dat niet alleen in (stedenbouwkundige) omgevingsvergunningen, maar ook in andere individuele overheidsbeslissingen, zoals de bestreden toelating, van de bestemmingsvoorschriften van het geldende ruimtelijke uitvoeringsplan of plan van aanleg afgeweken kan worden voor het in artikel 4.4.4, § 1, VCRO bedoelde sociaal-culturele of recreatieve medegebruik”. Er is geen reden om hierover thans anders te oordelen. 17. Nog steeds vloeit hieruit voort, zoals de Raad overwoog in voormeld arrest: “[…] dat het aan de verwerende partij toekwam om na te gaan of de vergunde pop-up ingepast kan worden in de bestemmingsvoorschriften voor agrarisch gebied van het gewestplan. Daar niet in te zien valt dat dat deze pop-up landbouw in de zin van artikel 11 van het inrichtingsbesluit zou betreffen, diende X-18.212-13/26 zij prima facie te onderzoeken of het gaat om het in artikel 4.4.4, § 1, VCRO bedoelde sociaal-cultureel of recreatief medegebruik dat door zijn beperkte impact de verwezenlijking van de algemene bestemming van het agrarisch gebied niet in het gedrang brengt.” 18. Op het eerste gezicht dient dergelijk onderzoek te bestaan uit twee stappen. Eerst dient de overheid nauwkeurig te inventariseren welk gebruik er van het betrokken terrein zal worden gemaakt om uit te kunnen maken dat dit effectief sociaal-cultureel of recreatief is. Vervolgens dient de overheid na te gaan of dit gebruik daadwerkelijk een beperkte impact heeft zodat het de verwezenlijking van de algemene bestemming van het gebied niet in het gedrang brengt. Niet ten onrechte – zo lijkt – gaat verzoekster ervan uit dat bij beide stappen van de vereiste beoordeling terdege rekening moet worden gehouden met wat over artikel 4.4.4, § 1, VCRO is gesteld in de parlementaire voorbereiding. 19. Om tegemoet te komen aan de bevindingen van voormeld arrest gaat de verwerende partij bij collegebesluit van 3 augustus 2022 over tot het opheffen van het collegebesluit van 24 maart 2022. In hetzelfde besluit verleent zij aan de bvba Alles is Vier opnieuw goedkeuring voor het organiseren van een tijdelijk evenement pop-up zomerbar op de hiervóór opgesomde data. 20.1. Wat de eerste stap betreft van het onderzoek conform artikel 4.4.4, § 1, VCRO vermeldt de verwerende partij in het bestreden besluit de volgende inventarisatie van de geplande activiteiten: “Er werd een plan bezorgd waarbij de opbouw van de site meer in detail wordt weergegeven, naast de parking die ongeveer 3/4e van het terrein inneemt, bestaat de pop-up-ruimte zelf uit de volgende elementen: . Een afscherming bestaande uit houten en plastieken ‘paloxen’ die volledig rondom de pop-up ruimte werden opgebouwd; . Een inkom uit stenen tegels; . Verschillende zithoeken, waarvan de grote meerderheid niet overdekt; . Verschillende zitbanken; X-18.212-14/26 . Een plonsbad om de ‘tropische sfeer te creëren’, wat aanzien dient te worden als een klein zwembad van 70 cm diep; . Enkele houten vloeren; . Enkele zeecontainers met de technieken en frigo’s; . Verschillende ruimtes met tafels en barkrukken; . Een VIP-ruimte, hier kunnen gasten tafelen in een soort binnenruimte; . Een kleine sanitaire ruimte aan de VIP-ruimte en een grotere in de buurt van de inkom; . Een springkasteel.” Daar wordt aan toegevoegd: “In de begeleidende brief verduidelijkt de organisatie het concept van de pop-up en de activiteiten die er georganiseerd worden. De pop-up zomerbar betreft geen openluchtdiscotheek, maar een bar waar een zomers vakantiegevoel wordt gecreëerd (‘lounge-concept’). De inrichting van de ruimte, het sluitingsuur van uiterlijk 1 uur, het gevarieerde doelpubliek en de begrenzing van de muziek op 85 decibel maken duidelijk dat hetgeen discotheek betreft. Er is ook geen dansvloer voorzien, maar tafels om aan te staan of zitten. Op zondag wordt er specifiek ingezet op families met kinderen. De muziek creëert mee de sfeer, maar zoals op restaurant of op café is het doel niet om de mensen aan het dansen te brengen. De bar wordt niet doorverhuurd aan externen, de organisatie en uitbating blijft in handen van de aanvragers. Enkel wat betreft de catering en muziek wordt er samengewerkt met externen. Het past om dit als voorwaarde op te nemen.” Hieruit leidt de verwerende partij af dat het evenement “een horeca-concept [is] waarbij voeding en drank ter consumptie wordt verkocht”. In het bestreden besluit volgt dan een overzicht van de geplande activiteiten, het aantal aanwezigen en de grootte van de parking per openingsdag. 20.2. Op basis van deze inventarisatie besluit de verwerende partij dat het evenement voldoet aan de voorwaarden van artikel 4.4.4, § 1, VCRO: “Het terrein van het evenement (tijdelijke pop-up zomerbar) ligt volgens het gewestplan in agrarisch gebied. Uit de inventarisatie blijkt duidelijk dat de pop-up zomerbar geen landbouwactiviteit uitmaakt en dus principieel strijdig is met de gewestplanbestemming. Aanvragen voor (omgevings)vergunningen worden geweigerd wanneer het aangevraagde onverenigbaar is stedenbouwkundige voorschriften (zoals de gewestplanbestemming agrarisch gebied), voor zover daarvan niet op X-18.212-15/26 geldige wijze is afgeweken (art. 4. 3. 1, §1, 1°,
  7. b)VCRO). De relevante afwijkingsbepalingen in dat kader zijn artikelen 4. 4.1 §3 en 4.4.4, §1 VCRO. Onderhavige goedkeuring van het college kwalificeert evenwel niet als een omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen. In het gemeentelijk reglement d.d. 25 oktober 2021, dat het kader vormt voor onderhavige beslissing, werd in de bijhorende overwegingen uitdrukkelijk voorzien dat: ‘Overwegende dat elke pop-up dient te voldoen aan de geldende wetgeving omtrent milieu en ruimtelijke ordening. De inrichting dient volledig te voldoen aan artikel 7. 2. of 7. 3. van het besluit van de Vlaamse Regering tot bepaling van stedenbouwkundige handelingen waarvoor geen omgevingsvergunning nodig (het ‘Vrijstellingsbesluit’), of de vereiste omgevingsvergunningen dienen tijdig verkregen te zijn’. Voor de pop-up zomerbar werd geen omgevingsvergunningaanvraag ingediend, de aanvrager maakt dan ook toepassing van het Vrijstellingsbesluit. Uit het schorsingsarrest van de Raad volgt evenwel dat ook onderhavige goedkeuring aan artikel 4.4.4, §1 VCRO moet worden getoetst, in het bijzonder moet ingegaan worden op de impact van de vergunde pop-up op de verwezenlijking van de algemene bestemming van het agrarisch gebied (randnummer 22.2 van het arrest). Het evenement voldoet, zoals hierna blijkt, aan de voorwaarden in het kader van artikel 4.4.4, §1 VCRO, minstens kan voor de pop-up zomerbar de afwijkingsbepaling van artikel 4.4.1, § 3 VCRO een voldoende rechtsgrond vormen. De toetsing of een evenement onder socio-cultureel of recreatief medegebruik kan vallen, vergt een geval per geval-toetsing. In de parlementaire voorbereiding van artikel 4.4.4. §1 van de VCRO wordt (niet limitatieve lijst) aangehaald dat onder andere het volgende aanzien kan worden als recreatief medegebruik: ‘het organiseren van een eenmalig jaarlijks popfestival in agrarisch gebied, waarbij de periode vanaf de voorbereiding tot aan het herstel van de plaats in de oorspronkelijke toestand slechts enkele weken duurt’. Een popfestival (muziek met logischerwijs aanhorende horeca- en sanitaire voorzieningen) is overigens van een veel grotere schaal en impact dan een tijdelijke pop-up zomerbar (horeca met achtergrondmuziek). Uit de inventarisatie blijkt dat het gebruik van landbouwgronden voor een tijdelijke pop-up zomerbar, als recreatief medegebruik waarvan melding in artikel 4.4.4. §1 van de VCRO kwalificeert. De tijdelijke pop-up zomerbar is voorzien op enkele landbouwgronden, gebruikt als grasland (geopunt), die gelegen zijn binnen een ruilverkaveling. In het volgende punt

(3)wordt beoordeeld of de algemene bestemming agrarisch gebied in het gedrang komt, maar gelet op de duurtijd van max. vier maanden per kalenderjaar, de beperkte openingsuren en het feit dat het gebruik van de rest van de gronden gelegen binnen de ruilverkaveling niet gehinderd wordt, kan dit aanzien worden als medegebruik die de algemene bestemming van het agrarisch gebied niet X-18.212-16/26 aantast. De gronden zijn niet in eigendom van de aanvrager, maar worden gehuurd voor de corresponderende duurtijd van de pop-up. De organisatie brengt viermaal per week tot max. 1.000 personen bij elkaar voor een hapje, een drankje en achtergrondmuziek. De pop-up zomerbar is enkel geopend op donderdag, vrijdag, zaterdag en zondag, en dat ook tussen vastgelegde openingsuren. De pop-up zomerbar is er niet voor enkele weken zoals in het voorbeeld van de parlementaire voorbereiding, maar voor ongeveer vier maanden inclusief de opbouw en afbraak, maar de impact op het landbouwgebied en haar omgeving is ettelijke malen kleiner gezien haar beperkte omvang. In plaats van tienduizenden bezoekers per dag, gaat het vanaf 4 augustus over viermaal max. 400 bezoekers, vijfmaal max. 600 bezoekers, zevenmaal max. 800 bezoekers en driemaal max. 1 .000 bezoekers. Ook het geluid blijft beperkt tot max. 85 decibel, geen vuurwerk, geen lasers, etc. Iedereen kan te voet, per fiets of per wagen vlot tot aan de pop-up geraken en vlot weer huiswaarts keren. Minstens is aanvullend en voor zoveel als nodig op de juridische grondslag van artikel 4.
  1. 1, § 3, 2° VCRO te wijzen. Overeenkomstig die ‘afwijkingsmogelijkheid’ worden handelingen die vrijgesteld zijn van de vergunningsplicht voor stedenbouwkundige handelingen niet beschouwd als strijdig met voorschriften van het gewestplan, op voorwaarde dat de op het perceel aanwezige gebouwen of constructies hoofdzakelijk vergund zijn. Overeenkomstig artikel 7.2 van het Vrijstellingsbesluit van de Vlaamse regering is een omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen niet vereist voor de tijdelijke plaatsing van constructies, met uitzondering van publiciteitsinrichtingen, op voorwaarde dat aan de volgende voorwaarden voldaan is: […] Op het terrein van het evenement zijn geen gebouwen of constructies aanwezig, waardoor de pop-up zomerbar voldoet aan de voorwaarde van artikel 4.
  2. 1, § 3 VCRO dat de op het perceel aanwezige gebouwen of constructies hoofdzakelijk vergund: wat er niet is, kan niet onvergund zijn. Daarnaast is ook voldaan aan de voorwaarden van artikel 7.2 van het Vrijstellingsbesluit: . de maximale duur van vier periodes wordt geëerbiedigd; . de plaatsing gebeurt niet in een ruimtelijk kwetsbaar gebied (agrarisch gebied valt daar niet onder); . de constructies brengen de verwezenlijking van de algemene bestemming van het agrarisch gebied niet het gedra[n]g (zie eerdere overwegingen en ook de hierna volgende overwegingen onder punt
  3. Verwezenlijking algemene bestemming); . de plaatsing gaat niet gepaard met een ontbossing, een wijziging van vegetatie of kleine landschapselementen, een aanmerkelijke reliëfwijziging of een wijziging van waterlichamen. Het project van de aanvrager voldoet dan ook aan de voorwaarden van artikel 4.2.
  4. VCRO (vrijgestelde handelingen) en in het bijzonder artikel 7.
  5. van het Vrijstellingbesluit.
  6. Verwezenlijking algemene bestemming X-18.212-17/26 De algemene bestemming van het gebied is agrarisch gebied volgens het gewestplan. De desbetreffende percelen zijn in gebruik als grasland. Net voor de start van de opbouw heeft de eigenaar het gras geoogst, na de afbraak zal ofwel opnieuw geoogst worden of zullen er schapen grazen. Bijkomend wordt de pop-up georganiseerd tijdens de warme en droge zomerperiode, waardoor eventueel verlies nog beperkter blijft. De parking is zeer groot, maar is voorzien op een maximaal aantal bezoekers en om aan de gemeente de zekerheid te bieden dat er nooit geparkeerd zal worden op het omliggende openbaar domein. Zoals reeds vermeld worden de percelen enkel gehuurd voor de periode van de pop-up, de aanvragers moeten het terrein achterlaten in dezelfde staat als ze het in gebruik genomen hebben. Zo zijn alle constructies van tijdelijke aard, ze worden volledig verwijderd bij de afbraak. Het bouwvrije agrarisch gebied op het grondgebied van Merchtem tussen de Heirbaan, de Kouter en Leireken is ongeveer 147 ha groot, het aanpalende bouwvrije agrarisch gebied op het grondgebied van Londerzeel tussen de Heerbaan, de Smisstraat en Leireken is ongeveer 92 ha groot. De volledige percelen waar de pop-up op gevestigd is, heeft een oppervlakte van 2,46 ha. Op een totaal van 239 ha betekent dit een tijdelijke inname van 1,03% van dit aaneengesloten bouwvrij agrarisch gebied. Van dit percentage is meer dan 3/4e in gebruik als parking (die overigens niet volledig wordt benut). Voor de parking zijn weinig ingrepen nodig om ze kwalitatief in te richten, waardoor er weinig schade kan optreden, ook visueel hebben deze zaken weinig tot geen impact. Enkel tijdens de effectieve opening van de pop-up staan hier wagens geparkeerd, uit de opsomming van de activiteiten blijkt ook dat de parking tijdens de opening slechts deels gevuld staat. De impact is dus beperkt van aard.” 21.
  7. Naar het oordeel van de Raad van State is deze motivering prima facie onzorgvuldig, minstens al om de volgende redenen. 21.
  8. Het college leidt uit de inventaris af dat het gebruik dat van het betrokken terrein wordt gemaakt “een horeca-concept” is, dat dus volgens haar effectief sociaal-cultureel of recreatief is. Op het eerste gezicht houdt die kwalificatie verband met de in de inventaris opgenomen inkleding van de zomerbar (zithoeken, plonsbad, springkasteel) en de er geplande activiteiten. Dit heeft echter betrekking op slechts één kwart van het terrein. Aan het gebruik dat van het terrein wordt gemaakt als parking – niet minder dan drie kwart van het terrein – wordt in de motivering geen aandacht gegeven. Waarom het parkeren van wagens in agrarisch gebied effectief X-18.212-18/26 sociaal-cultureel of recreatief is, is voor de Raad ook voorshands niet zo evident, dat er in het besluit geen motivering over mag worden verwacht. Dat elders in het besluit te lezen valt dat de gemeente geen extra wagens wenst op haar openbaar domein, doet hieraan niets af, integendeel zo lijkt. 21.
  9. Om de impact op de verwezenlijking van de algemene bestemming van het gebied vervolgens te onderzoeken, lijkt het college enkel rekening te houden met de data van de nog vanaf 4 augustus 2022 geplande activiteiten, terwijl die impact op het eerste gezicht afgemeten moet worden aan de volledige duur van de ingebruikname, inclusief de opbouw en afbraak. Ook op dagen zonder activiteit lijkt het terrein immers onttrokken te zijn aan zijn agrarische bestemming. Bovendien merkt verzoekster op het eerste gezicht niet onterecht op, gelet op de lange duur en de intensiteit van het gebruik, dat het terrein na de afbraak en opruiming mogelijk gevolgschade ondervindt – minstens lijkt dat in het collegebesluit niet onderzocht te zijn. 21.
  10. Artikel 4.4.4, § 1, VCRO is bij de parlementaire voorbereiding als volgt: “De impact kan beperkt zijn door (niet limitatief): – het beperkte ruimtebeslag (dat geldt bijvoorbeeld voor lijnvormige infrastructuren, zoals wandelwegen, ruiterpaden en fietspaden of infrastructuur met een kleine oppervlakte, zoals een picknicktafel, een zitbank, een informatiebord); – de tijdelijkheid van de ingreep (zoals bij een occasionele motorcross in agrarisch gebied, die bijvoorbeeld maximaal 3 keer per jaar wordt gehouden); – de afwezigheid van weerslag op het terrein (zoals bij het overvliegen van een agrarisch gebied met modelvliegtuigen, of het waterskiën op een zone voor waterweg). […] Een evaluatie geval per geval is nodig. Enkele voorbeelden van zaken die onder het toepassingsgebied vallen, zijn: – het plaatsen van een zitbank in agrarisch gebied, bosgebied of natuurgebied; – het plaatsen van een vogelkijkhut in natuurgebied; – het aanleggen van een fietspad of wandelpad in agrarisch gebied, bosgebied of natuurgebied; – het plaatsen van een fit-o-meter in bosgebied; X-18.212-19/26 – het organiseren van een eenmalig jaarlijks popfestival in agrarisch gebied, waarbij de periode vanaf de voorbereiding tot aan het herstel van de plaats in de oorspronkelijke toestand slechts enkele weken duurt; – het organiseren van een festival in parkgebied (voor zover dit al niet als bestemmingsconform kan worden geacht gezien de sociale functie die het [inrichtingsbesluit] toeschrijft aan de parken); – het tijdelijk en occasioneel opzetten van een tentenkamp van een jeugdbeweging in agrarisch gebied; – het organiseren van een eenmalige karting in open lucht op de parking van een fabriek in industriegebied; – het organiseren van een mountainbikewedstrijd in agrarisch gebied of bosgebied; – het organiseren van een occasionele motorcross in agrarisch gebied na de oogst van de landbouwgewassen […]” (Parl.St. Vl.Parl. 2004-2005, nr. é/1, 11-12). Uit de opgesomde voorbeelden begrijpt de Raad van State in de huidige stand van de rechtspleging dat afwijkingen strikt moeten worden toegepast en dat de impact veeleer minimaal moet blijven: de voorbeelden hebben hetzij geen of minimale weerslag op het terrein (overvliegen, plaatsen van een zitbank, een vogelkijkhut, een fit-o-meter) of zijn occasionele, eenmalige activiteiten. Inderdaad vermeldt de opsomming ook een “eenmalig jaarlijks popfestival”, “waarbij de periode vanaf de voorbereiding tot aan het herstel van de plaats in de oorspronkelijke toestand slechts enkele weken duurt”. Op het eerste gezicht laat het thans besproken evenement zich daar niet mee vergelijken: de pop-up bar duurt niet “slechts enkele weken”, maar verschillende maanden. Het argument dat een popfestival “een veel grotere schaal en impact” heeft, is niet zomaar evident: een popfestival hoeft niet noodzakelijk grote massa’s op de been te brengen maar kan ook kleinschalig zijn en ook de impact van de organisatie van een popfestival moet dus nog steeds geval-per-geval onderzocht worden. Het thans toegelaten evenement brengt in totaal overheen de ganse periode ook duizenden bezoekers op het terrein, met een mogelijk maximum van 12.500 deelnemers, wat niet per se kleinschaliger is dan een éénmalig popfestival. De kwalificatie “achtergrondmuziek” spoort voorts niet met de vermelding dat sommige activiteiten gepland zijn “met lokale DJ” en dat voor alle activiteiten een geluidsniveau tot 85dB is toegelaten. Aangezien al vanaf 65dB sprake kan zijn van X-18.212-20/26 geluidsoverlast, is dat niet onder het begrip ‘achtergrondmuziek’ te brengen, zo lijkt. 21.
  11. Dat het terrein door de landbouwer-eigenaar die het aan de tussenkomende partij tegen vergoeding ter beschikking stelt, sinds enkele jaren enkel gebruikt wordt als grasland en niet (meer) voor de teelt van gewassen, roept de vraag op naar oorzaak en gevolg. Hoe dan ook lijkt het feitelijke gebruik niet doorslaggevend te zijn: de bestemming ervan is agrarisch gebied, welke ook de feitelijke cultuur ervan is. 21.
  12. Verzoekster merkt terecht op, zo lijkt, dat de beoordeling van de impact op de bestemming agrarisch gebied enkel gemaakt kan worden op de percelen die daadwerkelijk gebruikt worden voor de met de bestemming strijdige activiteit. Uit het bestreden besluit kan niet worden afgeleid hoeveel procent van het perceel daadwerkelijk wordt ingenomen voor de bestemmingsvreemde activiteit, doch uit de foto’s en plannen blijkt dat dit zowat gans het perceel betreft. Het citaat dat de verwerende partij aanhaalt uit de parlementaire voorbereiding over de gebiedsgerichte beoordeling overtuigt vooralsnog niet om het anders te zien. Integendeel lijkt die tekst zo opgevat te moeten worden dat nóg strikter omgesprongen moet worden met het toelaten van afwijkingen die een “veel striktere beoordeling krijgen”, “wegens nabuurschap met andere bestemmingsgebieden (cf. supra [versta: kwetsbare gebieden (de ruimtelijk kwetsbare gebieden en degene, aangewezen op basis van andere wetgeving, zoals speciale beschermingszones)]) of de feitelijke toestand zoals de aanwezigheid van bepaalde natuurwaarden of het landschappelijk waardevol karakter van een gebied bestemd voor agrarisch gebruik”. 21.
  13. Om al deze redenen kan de conclusie dat het evenement voldoet aan de voorwaarden, bedoeld in artikel 4.4.4, § 1, VCRO voorlopig niet slagen. X-18.212-21/26
  14. Aangezien vooralsnog niet is aangetoond dat het evenement de verwezenlijking van de algemene bestemming als agrarisch gebied niet in het gedrang brengt, en de toelating aldus artikel 11 van het inrichtingsbesluit lijkt te miskennen, kan ook de beweerd alternatieve rechtsgrond aan de verwerende partij op het eerste gezicht geen soelaas bieden. Hierbij zij opgemerkt dat ook artikel 7.2 van het vrijstellingsbesluit vergt dat de verwezenlijking van de agrarische bestemming niet in het gedrang wordt gebracht en voorts enkel betrekking heeft op de plaatsing van constructies.
  15. Op de tegenwerping dat verzoekster naliet in te gaan op de uitnodiging tot overleg is hiervóór al geantwoord. Er is geen reden verzoekster hierom belang bij deze middelen te ontzeggen.
  16. Het eerste en het tweede middel zijn in de aangegeven mate ernstig. IX. Vordering tot het bevelen van een andere voorlopige maatregel
  17. Behalve de schorsing vraagt verzoekster de Raad van State om de gemeente Merchtem bij wijze van voorlopige maatregel en onder verbeurte van een dwangsom “de verplichting op te leggen om zich tot en met 3.09.2022 te onthouden van het nemen van een beslissing waarbij een toelating en/of vergunning wordt verleend om ten overstaan van agrarisch gebied zonevreemde activiteiten op het terrein zn. Merchtem - percelen kadastraal gekend als afd. l - sectie A - nrs. 391A en 289A toe te laten”.
  18. Artikel 8, eerste lid, 5°, van het procedurereglement kort geding vereist een uiteenzetting, in het inleidend verzoekschrift, van de feiten waarin wordt aangetoond dat de voorlopige maatregelen noodzakelijk zijn om de belangen van de partij die ze vordert, te vrijwaren. X-18.212-22/26 De andere voorlopige maatregelen die verzoekster naast de schorsing vraagt te bevelen, mogen niet verder strekken dan nodig om haar belangen veilig te stellen.
  19. Hierover geeft verzoekster in het inleidend verzoekschrift geen nadere toelichting; zij komt zelfs aan geen enkele afzonderlijke bespreking van de gevraagde voorlopige maatregelen toe.
  20. Het college heeft blijkens het ernstig bevonden middel – ten tweede male – een voorlopig onregelmatig bevonden besluit getroffen. Daarmee is evenwel niet aangetoond dat onder geen enkele omstandigheid een tijdelijk evenement – aangevraagd door de bvba Alles is vier of eventueel door een andere organisator – kan worden toegelaten op het betrokken terrein, zelfs als dat evenement een zonevreemde activiteit is. De gevraagde voorlopige maatregel zou het bestuur elke bevoegdheid tot heroverweging ontnemen en zelfs elke bevoegdheid om een gewijzigde aanvraag of een zelfs niet aan deze zaak gerelateerde aanvraag te onderzoeken. Met de gevraagde tijdelijke maatregel zou de Raad van State zich dan ook in de plaats stellen van het bestuur. Er kan geen gevolg aan worden gegeven. X. Belangenafweging Verzoek
  21. De tussenkomende partij verzoekt de Raad van State om een afweging te maken van de negatieve gevolgen van een schorsing en het nut ervan voor verzoekster: X-18.212-23/26 “In casu zijn de negatieve gevolgen van een schorsing voor bvba Alles is Vier desastreus. Een tweede noodgedwongen stillegging van het evenement zorgt voor een aanzienlijk reputatieverlies en verlies van vertrouwen in cliënteel, dat in de toekomst zal wegblijven uit vrees voor nieuwe problemen. Alles is Vier heeft uiteraard alle kosten voor het evenement al reeds voorgeschoten en rekent op de opbrengsten om uit deze kosten te raken. Een nieuwe stillegging van het evenement betekent ettelijke tienduizenden euro’s gederfde winst, uiteraard bovenop de reeds geleden verliezen door de eerdere schorsing. Pop-up Zanzibar heeft lopende overeenkomsten met leveranciers, foodtrucks en een 150tal werknemers die gehonoreerd dienen te worden. Zij kan deze overeenkomsten niet nakomen bij een nieuwe stillegging van de bestreden beslissing, hetgeen haar ook langs die zijde openstelt voor financiële verliezen, maar ook commerciële, nu zij allicht partners zal verliezen bij een stillegging van het evenement.” De voor verzoekster nagestreefde voordelen en rechtsherstel door een schorsing is daarmee amper in verhouding. De hinder die verzoekster naar eigen zeggen ervaart is dermate beperkt dat zij er zelfs nog maar niet in slaagt om deze objectief vastgelegd te krijgen in enig stuk. Er zijn geen metingen, geen opnames, geen vaststellingen van politie over de naar eigen zeggen ervaren hinder door verzoekster. Bovendien gaat het nog om vijftien dagen dat het evenement zou worden uitgebaat, vier weekends. De tussenkomende partij meent dan ook dat de gevolgen van de schorsing kennelijk onredelijk zijn in verhouding met het door verzoekster gevorderde rechtsherstel zodat een schorsing niet kan worden uitgesproken. Beoordeling
  22. De tussenkomende partij verschaft geen concrete toelichting bij het beweerde financiële nadeel en voegt geen enkel stavingsstuk bij. Kan ervoor begrip worden opgebracht dat zij slechts over een zeer korte tijd kon beschikken om haar verweer te voeren, dan nog maakt het ontbreken van elke becijfering en van elk stavingsstuk het voor de Raad van State onmogelijk om de omvang van de financiële gevolgen en de weerslag op de leefbaarheid van de bvba in te schatten. X-18.212-24/26
  23. Bovendien is het bestreden besluit voorlopig onwettig gebleken. Het betreft een besluit met tijdelijke uitwerking. De tussenkomende partij vraagt niet meer of min dan álle geplande activiteiten onverkort te mogen laten doorgaan, onder dezelfde voorwaarden inzake geluidsoverlast en bezoekersaantallen. Dit verzoek inwilligen zou dus verzoekster enkel het vooruitzicht laten op een latere nietigverklaring en eventuele vervangende schadevergoeding. Enig dadelijk voordeel wordt haar ontzegd. Dat is in strijd met hetgeen is aangenomen over verzoeksters nadeel en roept onomkeerbare toestanden in het leven die de huidige vordering precies beoogt te voorkomen. In die omstandigheden kan op de vraag niet worden ingegaan. BESLISSING
  24. Het verzoek van de bvba Alles is Vier tot tussenkomst in het administratief kort geding wordt ingewilligd.
  25. De Raad van State beveelt de schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de artikelen 2 tot 8 van het besluit van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Merchtem van 3 augustus 2022 houdende de goedkeuring voor het organiseren van een pop-up bar ‘Zanzibar’ op percelen grond gelegen Dahliastraat voor de periode van 4 augustus 2022 tot 3 september 2022, met “vergunning geluid en drank”.
  26. De Raad van State verwerpt de vordering voor het overige. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van twaalf augustus tweeduizend tweeëntwintig, door de Raad van State, XIIe vakantiekamer, samengesteld uit: Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, bijgestaan door X-18.212-25/26 Frank Bontinck, griffier. De griffier De voorzitter Frank Bontinck Geert Van Haegendoren X-18.212-26/26 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.254.324 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.255.859 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.