id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 16 augustus 2022 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.254.325 Rolnummer: A. 236839/XII-9239 Zaak: Arrest 254325 - Overheidsopdrachten - 16/08/2022 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2022-08-19 Raadplegingen: 86 - laatst gezien 2026-06-10 07:19 Fiche Arrest nr 254.325 van 16 augustus 2022 Overheidsopdrachten en openbare werken - Overheidsopdrachten Beslissing : Bevolen Inwilliging tussenkomst Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIIe VAKANTIEKAMER nr. 254.325 van 16 augustus 2022 in de zaak A. 236.839/XII-9239 In zake: de bv SD SERVICE4YOU bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Luc Beerden en Frederik Niesten kantoor houdend te 3500 Hasselt Bampslaan 19 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de POLITIEZONE LIMBURG REGIO HOOFDSTAD bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Wim Mertens en Stefano Geebelen kantoor houdend te 3580 Beringen Paalsesteenweg 81 bij wie woonplaats wordt gekozen Verzoekende partij tot tussenkomst: de bv DELVEAU bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Dirk Van Coppenolle kantoor houdend te 3500 Hasselt Genkersteenweg 302 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering
- De vordering, ingesteld op 18 juli 2022, strekt tot de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van “de beslissing van het Politiecollege van Politie Limburg Regio Hoofdstad, goedgekeurd in zitting van 4 juli 2022, waarbij het verslag van nazicht van 24 juni 2022 wordt goedgekeurd en een opdracht ‘takelen voertuigen’ wordt gegund aan de enige inschrijver die volledig conform het opdrachtdocument is (geacht wordt), zijnde XII-9239-1/15 Delveau bv […], tegen het nagerekende offertebedrag van € 479.532,46, inclusief BTW voor de basisopdracht van 2 jaar, beslissing gekend onder de referte 2022_PC_00205”. II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een nota ingediend. Met een verzoekschrift van 22 juli 2022 heeft de bv Delveau gevraagd om in het administratief kort geding te mogen tussenkomen. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 9 augustus 2022, om 11.00 uur. Staatsraad Bert Thys heeft verslag uitgebracht. Advocaat Luc Beerden, die verschijnt voor de verzoekende partij, advocaat Stefano Geebelen, die verschijnt voor de verwerende partij en advocaat Dirk Van Coppenolle, die verschijnt voor de verzoekende partij tot tussenkomst, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Ann Eylenbosch heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, ge- coördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- De verwerende partij schrijft een overheidsopdracht uit voor de aanneming van diensten, met als voorwerp “takelen voertuigen”. XII-9239-2/15 3.
- Die opdracht wordt bekendgemaakt in het Bulletin der Aanbestedingen van 13 mei
- 3.
- Als plaatsingsprocedure is gekozen voor een openbare procedure met de prijs als enig gunningscriterium. 3.
- Het bijzonder bestek met referte 2022-001 is van toepassing. Onder deel III ‘Technische bepalingen’ van dat bestek is bepaald: “III.1 Takelen van voertuigen III.1.1 Algemene voorwaarden Vooraleer een takeldienst wordt toegelaten om bestuurlijke takelingen uit te voeren op het grondgebied van de politiezone Limburg Regio Hoofdstad, dient deze voor te komen op de lijst van FOD Justitie/parket van de procureur des Konings Limburg om gerechtelijke takelingen in het gerechtelijk arrondissement Limburg te mogen uitvoeren. Er zal enkel een beroep gedaan worden op takeldiensten die zich voorafgaandelijk verbonden hebben tot het naleven van de voorwaarden en richtlijnen zoals bepaald in de ministeriële omzendbrieven 062, 062bis, 062ter en volgende, alsook tot het naleven van de richtlijnen van het parket van de procureur des Konings Limburg inzake het takelen en stallen van voertuigen. De takeldienst moet beschikken over alle vergunningen voorgeschreven door de stedenbouwkundige reglementering, alsook een exploitatie- en milieu- vergunning, moet zich aanpassen aan elke andere reglementering en moet, in voorkomend geval, voldoen aan de wetgeving betreffende de pollutie van voertuigen. Facturatie dient steeds gericht te worden aan de overtreder (of eigenaar van het voertuig).” 3.
- Er worden twee offertes ingediend: één door de verzoekende partij voor een bedrag van 376.507,87 euro, btw inbegrepen, en één door de verzoekende partij tot tussenkomst voor een bedrag van 479.532,46 euro, eveneens btw inbegrepen. 3.
- Het verslag van nazicht van de offertes van 24 juni 2022 vermeldt dat beide inschrijvers worden geselecteerd. XII-9239-3/15 Met betrekking tot de regelmatigheid van de offertes van de geselecteerde inschrijvers vermeldt het verslag: “ Nr. Naam Substantiële Niet-substantiële onregelmatigheden? onregelmatigheden? 1 SD Service4you Ja Nee 2 Delveau Nee Nee Prijs- of kostenonderzoek: Alle ingediende offertes werden onderworpen aan een prijs- of kostenonderzoek overeenkomstig het artikel 35 van het KB van 18 april
- Nazicht abnormale eenheidsprijzen en totale offerteprijzen: Berekening abnormale totale offerteprijzen (incl. btw) De prijs van elke offerte wordt vergeleken met de gemiddelde offerteprijs. Berekening gemiddelde Offerteprijs op basis van: Laagste Offerteprijs meegerekend Hoogste Offerteprijs meegerekend Maximale afwijking: 15,00% Zowel abnormaal hoge als abnormaal lage prijzen Dit geeft een gemiddelde van: € 428.020,17 incl. btw Dit geeft een minimum van: € 363.817,14 incl. btw Dit geeft een maximum van: € 492.223,20 incl. btw Er werden geen abnormale totale offerteprijzen vastgesteld Besluit van het regelmatigheidsonderzoek van de offertes Volgende offertes worden door het bestuur nietig verklaard: Nr. Naam Motivering Onderzoek van de substantiële onregelmatigheid: De inschrijver staat niet vermeld in de lijst van FOD Justitie/parket van de procureur des Konings Limburg om 1 SD Service4you gerechtelijke takelingen in het gerechtelijke arrondissement Limburg te mogen uitvoeren. Dit is vermeld onder de algemene voorwaarden van de technische bepalingen (rubriek III.1.1). De inschrijver is niet opgenomen in de lijst De volgende offertes worden door het bestuur als regelmatig beschouwd omdat eventuele onregelmatigheden niet substantieel zijn: Nr. Naam Motivering 2 Delveau In orde ” XII-9239-4/15 3.
- Op 4 juli 2022 keurt het politiecollege van de verwerende partij het verslag van nazicht goed en beslist het om de opdracht te gunnen aan “de enige inschrijver die volledig conform het opdrachtdocument is, zijnde Delveau bv”. Dit is de bestreden beslissing. IV. Tussenkomst
- De bv Delveau blijkt voordeel te halen uit de bestreden beslissing en heeft er belang bij dat de vordering wordt afgewezen. Bijgevolg wordt haar verzoek tot tussenkomst ingewilligd. Hierna wordt zij dan ook ‘de tussenkomende partij’ genoemd. V. Regelmatigheid van de rechtspleging
- De verzoekende partij heeft, na kennis te hebben genomen van de nota van de verwerende partij, een “replieknota” neergelegd. Het koninklijk besluit van 5 december 1991 ‘tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State’ voorziet niet in de mogelijkheid voor de verzoekende partij om een dergelijke nota als een processtuk neer te leggen. Voor zover die nota evenwel de neerslag vormt van de uiteenzetting van de verzoekende partij ter terechtzitting, wordt ze door de Raad van State niet als een processtuk, maar als een loutere inlichting in aanmerking genomen. VI. Ontvankelijkheid van de vordering Exceptie
- De verwerende partij werpt in haar nota op dat het voorliggende verzoekschrift met toepassing van artikel 3bis van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling XII-9239-5/15 bestuursrechtspraak van de Raad van State’ geacht moet worden niet te zijn ingediend, omdat de verzoekende partij weliswaar een afschrift heeft bijgevoegd van haar bekendgemaakte oprichtingsakte, die onder meer haar statuten omvat, maar geen afschrift van haar “gecoördineerde geldende statuten”, zoals nochtans is voorgeschreven door artikel 3, 4°, van het voormelde besluit, en er geen regularisatie is gebeurd. Beoordeling
- De verzoekende partij wijst erop dat zij een recent opgerichte vennootschap is en dat sedert haar oprichting nog geen wijzigingen in de statuten werden aangebracht, zodat er geen gecoördineerde statuten bestaan. De verwerende partij spreekt dat niet tegen. De voormelde exceptie die zij opwerpt, faalt bijgevolg. Ze is niet ernstig. VII. Schorsingsvoorwaarden
- Krachtens artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid slechts worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden en dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is die onverenigbaar is met de behandelingstermijn van de gewone vordering tot schorsing.
- In dit geval is echter ook de wet van 17 juni 2013 ‘betreffende de motivering, de informatie en de rechtsmiddelen inzake overheidsopdrachten, bepaalde opdrachten voor werken, leveringen en diensten en concessies’ van toepassing. XII-9239-6/15 Krachtens artikel 15, eerste lid, van die wet kan de uitvoering van de thans bestreden beslissing worden geschorst “in aanwezigheid van een ernstig middel of een klaarblijkelijke onwettigheid”. Overeenkomstig artikel 15, tweede lid, van die wet wordt de vordering tot schorsing bij de Raad van State uitsluitend ingesteld volgens een procedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid. Er dient te dezen dan ook enkel nog te worden onderzocht of minstens één ernstig middel wordt aangevoerd, dan wel een klaarblijkelijke onwettigheid aanwezig is, die de nietigverklaring van de bestreden beslissing kan verantwoorden. VIII. Ernst van het eerste middel Standpunt van de partijen
- De verzoekende partij leidt een eerste middel af uit de schending van het legaliteitsbeginsel, artikel 83 van de wet van 17 juni 2016 ‘inzake overheidsopdrachten’ (hierna: wet overheidsopdrachten 2016), artikel 76, §§ 1 tot 3, van het koninklijk besluit van 18 april 2017 ‘Plaatsing overheidsopdrachten in de klassieke sectoren’ (hierna: koninklijk besluit plaatsing 2017) en artikel 63, lid 1, van richtlijn 2014/24/EU van het Europees parlement en de Raad van 26 februari 2014 ‘betreffende het plaatsen van overheidsopdrachten en tot intrekking van Richtlijn 2004/18/EG’ (hierna: richtlijn 2014/24/EU), alsook uit de schending van het “patere legem-beginsel”, de formele- en materiëlemotiveringsplicht en het formele- en materiëlezorgvuldigheidsbeginsel. Zij licht het middel onder meer als volgt toe: “Vooreerst blijkt niet uit het bestek dat [de kwestieuze bestekbepaling] uitdrukkelijk als een essentiële bestekbepaling dient te worden beschouwd. XII-9239-7/15 De bestreden beslissing wijkt dan ook af van de bepalingen van het bijzondere bestek en schendt hierdoor het patere legem-beginsel. Ook in het gunningsverslag werd niet gemotiveerd waarom de opname op de lijst van de FOD Justitie / parket van de procureur des Konings Limburg om gerechtelijke takelingen in het gerechtelijke arrondissement uit te voeren als een essentiële bestekbepaling dient te worden beschouwd. Het gebrek aan motivering terzake houdt een schending in van de formele en materiële motiveringsvereist[e]. Zelfs al zou de opname op de lijst alsnog als een essentiële bestekbepaling kunnen worden aangemerkt (quod certa non) dan nog werd de offerte van verzoeker volstrekt onterecht substantieel onregelmatig verklaard. Verzoeker voldeed immers aan de technische eisen. Haar onderaannemer, [H.S. nv], is weldegelijk opgenomen op de lijst van de FOD Justitie / parket van de procureur des Konings Limburg om gerechtelijke takelingen in het gerechtelijke arrondissement Limburg te mogen uitvoeren. Verzoeker heeft bij zijn offerte dan ook uitdrukkelijk beroep gedaan op de draagkracht van deze onderaannemer. Een overeenkomst waarbij beroep wordt gedaan op draagkracht van haar onderaannemer werd gevoegd bij de offerte van verzoeker. Volgens vaste rechtspraak van de Raad van State en het Europees Hof van Justitie kan een inschrijver beroep doen op de draagkracht van een onderaannemer. Immers, de inschrijver is vrij om te kiezen welke juridische banden hij wenst aan te knopen met andere entiteiten. Volgens vaste rechtspraak van de Raad van State en het Europees Hof van Justitie is een aanbestedende overheid ertoe gehouden rekening te houden met de draagkracht van andere entiteiten waarop een inschrijver beroep doet (Hof van Justitie, 7 april 2016, zaak C-324/14). Deze rechtspraak werd bovendien bevestigd in artikel 63 lid 1 van richtlijn 2014/
- Uit het verslag van nazicht van de offertes noch uit de gunningsbeslissing blijkt dat enige aandacht en onderzoek besteed is aan het beroep op de draagkracht van derden en de verbintenis tot terbeschikkingstelling van middelen in het kader van de kwalitatieve selectie. Evenmin blijkt dat enig onderzoek is gedaan naar de opname op de lijst van de FOD Justitie / parket van de procureur des Konings Limburg om gerechtelijke takelingen in het gerechtelijke arrondissement uit te voeren in hoofde van de onderaannemer van verzoeker. Het bijzonder bestek vereist geenszins dat bewijsstukken daaromtrent bij het indienen van de offerte worden toegevoegd. De aanbestedende overheid heeft met betrekking tot de twee inschrijvers ambtshalve een onderzoek gedaan naar de opname op voormelde lijst, zodat het essentieel is dat zij dergelijk onderzoek ook deed met betrekking tot de onderaannemer op wiens draagkracht beroep is gedaan. Door dit onderzoek na te laten en tot onregelmatigverklaring van de offerte van verzoeker over te gaan schendt de aanbestedende overheid de formele en materiële zorgvuldigheidsplicht en motiveringsplicht. XII-9239-8/15 Het eerste middel, ingeroepen in hoofdorde, dient dan ook gegrond verklaard te worden nu de aangevoerde schendingen vaststaan.”
- De verwerende partij werpt in haar nota vooreerst op dat de verzoekende partij in haar inleidend verzoekschrift niet concreet uitwerkt hoe het legaliteitsbeginsel door de bestreden beslissing geschonden zou zijn. Het eerste middel is volgens haar in zoverre onontvankelijk “obscuri libelli”. Met betrekking tot de aangevoerde schending van het “patere legem-beginsel” doet zij vervolgens gelden dat zij heeft geoordeeld dat de offerte van de verzoekende partij substantieel onregelmatig is, omdat ze afwijkt van de technische bepaling inzake gerechtelijke erkenning. Volgens haar komt het aan de aanbestedende overheid toe om te beslissen of een bestekbepaling al dan niet essentieel is. Daartoe is niet vereist dat het bestek deze bepaling uitdrukkelijk als essentieel bestempelt. Er bestaat ook geen algemene verplichting voor de aanbestedende overheid om bij elke bestekbepaling al dan niet het essentiële of wezenlijke karakter te vermelden. De verwerende partij meent dan ook te mogen stellen “dat een aanbestedende overheid over de mogelijkheid beschikt om een bestekbepaling die niet uitdrukkelijk aangeduid is als essentieel toch te kwalificeren als een essentiële bestekbepaling zonder dat zij daardoor haar eigen bestek schendt”. Wat de aangevoerde schending betreft van artikel 83 van de wet overheidsopdrachten 2016, artikel 76 van het koninklijk besluit plaatsing 2017 en artikel 63, eerste lid, van richtlijn 2014/24/EU, betoogt de verwerende partij dat de gerechtelijke erkenningsvereiste in casu niet is opgenomen als een selectiecriterium, maar integendeel vermeld staat onder het luik ‘technische bepalingen’, zodat deze voorwaarde “geen onderdeel uitmaakt van de (kwalitatieve) selectie” en zij “bij de controle van deze voorwaarde geen rekening moet/mocht houden met [de] draagkracht van [de nv H.S.]”. Zij merkt ook op dat de verzoekende partij nergens in haar offerte aangeeft dat zij beroep doet op de draagkracht van de nv H.S. om te voldoen aan de erkenningsvereiste inzake gerechtelijke takelingen. XII-9239-9/15 Met betrekking tot de aangevoerde schending van de formele- en materiëlemotiveringsplicht en van het zorgvuldigheidsbeginsel stelt de verwerende partij dat er voor haar geen verplichting bestaat om in het gunningsverslag of in de gunningsbeslissing te motiveren waarom zij een bestekbepaling als essentieel beschouwt. Het volstaat volgens haar dat de motieven voor het essentiële karakter van een bestekbepaling blijken uit het administratief dossier. Dat is in casu het geval, zo vervolgt zij. De gerechtelijke erkenningsvereiste is immers vastgelegd als een technische bepaling van de opdracht, hetgeen in principe volstaat om te besluiten dat het gaat om een essentiële bestekbepaling. Voorts impliceert een gerechtelijke erkenning dat de betrokken inschrijver zich ertoe verbonden heeft om specifieke voorwaarden en richtlijnen na te leven, zoals die welke uitgaan van ministeriële omzendbrieven en omzendbrieven van het parket. Aldus wordt gewaarborgd dat de inschrijver de dienst op zodanige wijze uitoefent dat het publieke vertrouwen in de ordehandhavingsinstanties niet wordt aangetast. Volgens de verwerende partij bevestigen deze omstandigheden bijkomend het essentiële karakter van de gerechtelijke erkenningsvereiste en is er dan ook geen schending van de formele- en materiëlemotiveringsplicht, noch van het zorgvuldigheidsbeginsel.
- De tussenkomende partij argumenteert in haar verzoekschrift tot tussenkomst dat er geen sprake is van een schending van de formelemotiveringsplicht “nu verzoekster […] in haar verzoekschrift de facto enkel materiële motieven aanhaalt om de bestreden beslissing te bekritiseren”, zodat zij “duidelijk de inhoud en onderbouwing van de bestreden beslissing lijkt te kennen […] waardoor het doel van de betrokken formele motiveringsverplichting is bereikt”. Voorts doet zij gelden dat niet alleen uit het aanbestedingsdossier zelf, maar ook uit “de materiële wettelijke verplichtingen rustende op het opdrachtgevend bestuur” blijkt dat de vereiste inschrijving op de lijst van gerechtelijke takelaars wél een essentiële bestekbepaling is. Zij betoogt in dit verband dat de takelopdrachten die in het kader van de aanbesteding zullen XII-9239-10/15 gebeuren, niet alleen bestuurlijke takelingen zijn, maar ook gerechtelijke takelingen en dat “de gerechtelijke autoriteiten – en zo dus ook [de politiezone Limburg Regio Hoofdstad] – nog enkel de firma’s [kunnen] vorderen die erkenning aangevraagd hebben en die zich geëngageerd hebben tot het respecteren van de tarieven, voorwaarden en richtlijnen van de ministeriële omzendbrief nr. 062, nr. 062bis en nr. 062ter”. Het essentiële karakter van de kwestieuze bestekbepaling vloeit volgens haar aldus “evenzeer [voort] uit het bindend karakter van de ministeriële omzendbrief opzichtens [het] opdrachtgevend bestuur”. Voor zover de verzoekende partij zich beroept op de draagkracht van haar onderaannemer, de nv H.S., verliest zij volgens de tussenkomende partij uit het oog dat “de draagkracht van de onderaannemer enkel slaat op de uitvoering van de gegunde opdracht”. De vereiste van erkenning voor gerechtelijke takeling slaat evenwel op de selectiecriteria, waarvoor in casu geen beroep kan worden gedaan op de draagkracht van onderaannemers. De essentiële bestekbepaling betreffende de erkenning als gerechtelijk takelaar is, zo stelt de tussenkomende partij, “een fundamenteel element wat in zekere mate een intuïtu personae karakter geeft aan de opdracht”. Aangezien de verzoekende partij géén erkenning heeft voor gerechtelijke takelingen, voldoet zij per definitie niet aan de selectiecriteria, zo besluit de tussenkomende partij. Beoordeling
- Met de verwerende partij moet vooreerst worden vastgesteld dat de verzoekende partij in haar inleidend verzoekschrift niet nader uiteenzet op welke wijze de bestreden beslissing volgens haar het legaliteitsbeginsel schendt. In zoverre het de schending inroept van het voornoemde beginsel is het middel op het eerste gezicht niet ontvankelijk.
- De bestreden beslissing lijkt afdoende de reden te vermelden waarom de offerte van de verzoekende partij substantieel onregelmatig wordt XII-9239-11/15 bevonden en dienvolgens niet in aanmerking wordt genomen voor de gunning van de opdracht. De formelemotiveringsplicht vergt niet dat de motieven van de motieven in de beslissing worden vermeld. In zoverre het de schending inroept van de formelemotiveringsplicht is het middel niet ernstig. 15.
- Luidens artikel 83 van de wet overheidsopdrachten 2016 onderzoekt de aanbestedende overheid de regelmatigheid van de offertes en kan de Koning daartoe de bijkomende nadere regels bepalen. Artikel 76, § 1, van het koninklijk besluit plaatsing 2017 bepaalt dat een offerte ‘substantieel’ of ‘niet substantieel’ onregelmatig kan zijn. Een substantiële onregelmatigheid is onder meer, volgens artikel 76, § 1, vierde lid, 3°, “de niet-naleving van de minimale eisen en de vereisten die als substantieel worden aangemerkt in de opdrachtdocumenten”. Artikel 76, § 3, bepaalt dat de aanbestedende overheid de substantieel onregelmatige offerte nietig verklaart. 15.
- De volgende bestekbepaling is in het geding: “Vooraleer een takeldienst wordt toegelaten om bestuurlijke takelingen uit te voeren op het grondgebied van de politiezone Limburg regio Hoofdstad, dient deze voor te komen op de lijst van FOD Justitie / parket van de procureur des Konings Limburg om gerechtelijke takelingen in het gerechtelijke arrondissement Limburg te mogen uitvoeren. Er zal enkel een beroep gedaan worden op takeldiensten die zich voorafgaandelijk verbonden hebben tot het naleven van de voorwaarden en richtlijnen zoals bepaald in de ministeriële omzendbrieven 062, 062bis, 062ter en volgende, alsook tot het naleven van de richtlijnen van het parket van de procureur des Konings Limburg inzake het takelen en stallen van voertuigen.” 15.
- De bestreden beslissing bevindt de offerte van de verzoekende partij substantieel onregelmatig omdat zij niet is ingeschreven op de lijst van de FOD Justitie / het parket van de procureur des Konings te Limburg om gerechtelijke takelingen in het gerechtelijk arrondissement Limburg te mogen XII-9239-12/15 uitvoeren. De verzoekende partij betwist die vaststelling niet in de feiten, maar is van mening dat de verwerende partij ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de draagkracht van haar onderaannemer die wel is ingeschreven op die lijst. 15.
- In haar nota verklaart de verwerende partij met verwijzing naar de vindplaats in de opdrachtdocumenten dat de gerechtelijke erkenningsvereiste geen selectievereiste is, maar een technische bepaling. Hieruit leidt zij af dat zij bij de controle van deze vereiste geen rekening diende te houden met de draagkracht van de onderaannemer van de verzoekende partij. Deze opvatting van de verwerende partij komt ook tot uiting in de bestreden beslissing. 15.
- De kwalificatie van de gerechtelijke erkenningsvereiste door de verwerende partij als een technische bepaling lijkt in de huidige stand van de rechtspleging evenwel niet te kunnen worden bijgevallen. De gerechtelijke erkenningsvereiste kan op het eerste gezicht immers niet worden beschouwd als een technische specificatie waaraan de offerte moet voldoen, aangezien ze refereert aan de inschrijver en niet aan de offerte als zodanig. De verwerende partij toont alleszins niet aan dat deze vereiste inpasbaar zou zijn in artikel 53 van de wet overheidsopdrachten 2016 en artikel 76 van het koninklijk besluit plaatsing
- De vindplaats van die vereiste in het bestek lijkt alleszins niet bepalend. Uit de procedurestukken lijkt overigens te kunnen worden afgeleid dat de beide inschrijvers de kwestieuze vereiste hebben begrepen als een selectievereiste. Daaruit volgt op het eerst gezicht dat het uitgangspunt van de verwerende partij om de draagkracht van de onderaannemer van de verzoekende partij niet in rekening te moeten brengen, eveneens faalt. XII-9239-13/15 Het staat niet aan de Raad van State om het bedoelde onderzoek in de plaats van de aanbestedende overheid te voeren. Met het post factum gevoerde verweer dienaangaande, zowel in de nota van de verwerende partij – wat de beperkte draagwijdte van de verbintenis van de onderaannemer van de verzoekende partij betreft – als in het verzoekschrift van de tussenkomende partij – wat het “intuïtu personae karakter” van de opdracht betreft – mag de Raad van State dan ook geen rekening houden. 15.
- De voorgaande vaststelling doet voorlopig besluiten dat de bestreden beslissing niet op een deugdelijke wijze tot stand is gekomen en met name de in het middel aangevoerde wettelijke en reglementaire bepalingen en de materiëlemotiveringsplicht schendt.
- Het middel is alvast in de hiervóór sub 15 besproken mate ernstig en deze vaststelling volstaat om de schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing te bevelen. BESLISSING
- Het verzoek van de bv Delveau tot tussenkomst in het administratief kort geding wordt ingewilligd.
- De Raad van State beveelt de schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de beslissing van het politiecollege van de politiezone Limburg Regio Hoofdstad van 4 juli 2022 waarbij het verslag van nazicht van de offertes voor de overheidsopdracht ‘Takelen voertuigen’ wordt goedgekeurd en de opdracht wordt gegund aan de bv Delveau. XII-9239-14/15 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van zestien augustus tweeduizend tweeëntwintig, door de Raad van State, XIIe vakantiekamer, samengesteld uit: Bert Thys, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Frank Bontinck, griffier. De griffier De voorzitter Frank Bontinck Bert Thys XII-9239-15/15 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.254.325 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.256.531 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.