id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 17 augustus 2022 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.254.326 Rolnummer: A. 236952/IX-10089 Zaak: Arrest 254326 - ION - Aanwerving en loopbaan - 17/08/2022 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2022-08-19 Raadplegingen: 78 - laatst gezien 2026-06-10 07:19 Fiche Arrest nr 254.326 van 17 augustus 2022 Openbaar ambt - ION - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Verwerping Tussenkomst geweigerd Depersonalisatie Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIIe VAKANTIEKAMER nr. 254.326 van 17 augustus 2022 in de zaak A. 236.952/IX-10.089 In zake: XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Evelyne Maes en Sander Meert kantoor houdend te 3000 Leuven Arnould Nobelstraat 34/0101 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de Kamer van volksvertegenwoordigers bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Bruno Lombaert, Jan Joos en Niels Tack kantoor houdend te 1000 Brussel Loksumstraat 25 bij wie woonplaats wordt gekozen Verzoekende partij tot tussenkomst: Hielke HIJMANS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Evelyne Maes en Sander Meert kantoor houdend te 3000 Leuven Arnould Nobelstraat 34/0101 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering
- De vordering, ingesteld op 2 augustus 2022, strekt tot de schor- sing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van “de be- slissing van de Kamer van volksvertegenwoordigers van 20 juli 2022 tot opheffing van het mandaat van […] XXXX als directeur van het algemeen secretariaat en lid van het directiecomité van de Gegevensbeschermingsautoriteit en van de IX-10.089-1/22 (impliciete) beslissing van de Kamer van volksvertegenwoordigers om het man- daat van directeur van het algemeen secretariaat en lid van het directiecomité van de Gegevensbeschermingsautoriteit open te stellen”. II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een nota ingediend. Met een verzoekschrift van 9 augustus 2022 heeft Hielke Hijmans gevraagd om in het administratief kort geding te mogen tussenkomen. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 9 augustus 2022 om 14.00 uur en is voortgezet op 11 augus- tus 2022 om 10.00 uur. Staatsraad Bert Thys heeft verslag uitgebracht. Advocaten Evelyne Maes en Sander Meert, die verschijnen voor de verzoekende partij en voor de verzoekende partij tot tussenkomst en advocaten Bruno Lombaert, Jan Joos en Niels Tack, die verschijnen voor de verwerende par- tij, zijn gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Werner Weymeersch heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoör- dineerd op 12 januari
- IX-10.089-2/22 III. Feiten 3.
- De bestreden ontheffingsbeslissing maakt onder meer melding van de volgende feitelijke gegevens die haar voorafgaan: - het directiecomité van de Gegevensbeschermingsautoriteit (hierna: GBA) is aan- getreden in april
- Verzoeker is er lid van in zijn hoedanigheid van directeur van het algemeen secretariaat en voorzitter van de GBA. - op 1 juli 2020, naar aanleiding van diverse brieven aan de voorzitter van de Kamer van volksvertegenwoordigers over de GBA, draagt de Conferentie van voorzitters aan de Commissie voor Justitie op om de samenstelling en de werking van de GBA nader te onderzoeken. - in een brief van 9 september 2020 wijzen C.D., lid van het directiecomité van de GBA als directeur van de eerstelijnsdiensten, en A.J., toenmalig lid van het direc- tiecomité van de GBA als directeur van het kenniscentrum, op “ernstige tekortko- mingen” van verzoeker en vragen zij om de “tussenkomst van het Parlement”. Op 26 januari 2021 herhalen zij die vraag. - op 11 februari 2021 verzoekt de plenaire vergadering van de Kamer van volks- vertegenwoordigers het Rekenhof om een audit uit te voeren aangaande de werking van de GBA. - op 31 mei 2021 brengt het Rekenhof zijn controleverslag uit, waarin het onder meer de volgende suggestie formuleert: “In het raam van artikel 45 van de wet tot oprichting van de GBA evalueren of de mandatarissen die verantwoordelijk zijn voor de GBA, over de kwaliteiten beschikken die nodig zijn om hun functies uit te oefenen en of ze in staat zijn de institutionele en maatschappelijke uitdagingen die de aandacht van de GBA vergen, op het voorplan [te] zetten.” IX-10.089-3/22 - in de Commissie voor Justitie wordt vervolgens een werkgroep opgericht om de ontheffingsprocedure voor te bereiden waarin is voorzien in artikel 45 van de wet van 3 december 2017 ‘tot oprichting van de Gegevensbeschermingsautoriteit’ (hierna: GBA-wet). - op 25 november 2021 worden de “ontwerpbevindingen” van het onderzoek van die werkgroep ter kennis gebracht van verzoeker, die verzocht wordt zijn eventuele opmerkingen aan de Commissie voor Justitie te bezorgen, wat hij doet op 2 en 6 december
- - op 21 december 2021 brengt de Commissie voor Justitie mondeling verslag uit aan de Conferentie van voorzitters, waarbij zij de Kamer van volksvertegenwoor- digers verzoekt om de ontheffingsprocedure van artikel 45 van de GBA-wet op te starten ten aanzien van verzoeker, alsook ten aanzien van C.D. De commissie mo- tiveert haar verzoek, wat verzoeker betreft, als volgt: “Op basis van de elementen van het dossier, afzonderlijk of samengenomen, lijken de twee voorwaarden van artikel 45, § 1 (op ernstige wijze tekortschie- ten of niet langer aan de vereisten voor de uitvoering van de taken voldoen), of ten minste een van de twee, vervuld te zijn. Op zijn minst zijn er op grond van het volledige dossier ernstige redenen om te besluiten dat de betrokkene op ernstige wijze is tekortgeschoten.” - op 3 februari 2022 beslist de plenaire vergadering van de Kamer van volksverte- genwoordigers om de procedure van artikel 45 van de GBA-wet tegen verzoeker in te leiden. - op 17 maart 2022 wordt verzoeker opgeroepen voor een hoorzitting met het oog op een eventuele “opheffing” van zijn mandaat. In de oproeping worden de feiten vermeld die hem ten laste worden gelegd. - op 20 april 2022 wordt verzoeker, bijgestaan door zijn raadslieden, gehoord door de Commissie voor Justitie. Hij dient vervolgens een verweerschrift in en de door hem gevraagde getuigen worden gehoord. IX-10.089-4/22 - op 12 juli 2022 stelt de Commissie voor Justitie voor om “het mandaat van [ver- zoeker], voorzitter van de gegevensbeschermingsautoriteit, directeur van het alge- meen secretariaat en lid van het directiecomité, op te heffen”. 3.
- Op 20 juli 2022 neemt de plenaire vergadering van de Kamer van volksvertegenwoordigers de thans bestreden beslissing om het voorstel van de Commissie voor Justitie te volgen en het mandaat van verzoeker “op te heffen”. Verzoeker lijkt daarin tevens de “(impliciete) beslissing” van de Kamer van volksvertegenwoordigers te onderkennen om zijn mandaat van direc- teur van het algemeen secretariaat en lid van het directiecomité open te stellen, die hij mede tot voorwerp van zijn vordering maakt. IV. Verzoek tot tussenkomst Verzoek
- Hielke Hijmans, voorzitter van de geschillenkamer en lid van het directiecomité van de GBA, verzoekt om in het administratief kort geding te mogen tussenkomen. Hij argumenteert dat de bestreden ontheffingsbeslissing niet al- leen de onafhankelijkheid van het mandaat van verzoeker schendt, maar eveneens de onafhankelijkheid van andere leden van de GBA, in het bijzonder leden van het directiecomité, en bijgevolg de onafhankelijkheid van “de gehele Gegevensbe- schermingsautoriteit”. Volgens verzoeker tot tussenkomst heeft de Kamer van volksver- tegenwoordigers zich met de bestreden ontheffingsbeslissing gemengd in het in- houdelijke beleid van de GBA en aldus de onafhankelijkheid van de GBA geschon- den. Bovendien, zo stelt hij, is hij betrokken geweest bij de besluitvorming van het directiecomité die aan de bestreden ontheffingsbeslissing ten grondslag ligt en is IX-10.089-5/22 hij zelfs mede verantwoordelijk voor deze besluitvorming. Hij meent dan ook “[a]ls lid van het [d]irectiecomité […] een rechtstreeks en persoonlijk belang [te hebben] bij de schorsing en vernietiging van de bestreden beslissing”. Beoordeling
- Luidens artikel 21bis van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kunnen “[d]egenen die belang hebben bij de oplossing van de zaak, […] erin tussenkomen”. Voor zover verzoeker tot tussenkomst zijn verzoek steunt op de beweerde aantasting van de onafhankelijkheid van “andere leden” van de GBA en van “de gehele Gegevensbeschermingsautoriteit”, voert hij geen persoonlijk be- lang aan. Zoals hij zelf in zijn verzoekschrift benadrukt, dient hij het verzoek noch- tans in “op eigen titel, zonder daartoe te zijn gemachtigd door de Gegevensbescher- mingsautoriteit”. Het belang van andere leden van de GBA of van de GBA als zodanig vermag de tussenkomst van verzoeker tot tussenkomst niet te rechtvaardi- gen. Voor zover verzoeker tot tussenkomst doet gelden dat hij betrok- ken is geweest bij de besluitvorming van het directiecomité die aan de bestreden ontheffingsbeslissing ten grondslag ligt, moet worden vastgesteld dat de bestreden ontheffingsbeslissing een individuele maatregel betreft die door de Kamer van volksvertegenwoordigers ten aanzien van verzoeker is genomen en uitsluitend diens rechtstoestand heeft gewijzigd. Verzoeker tot tussenkomst maakt niet con- creet aannemelijk dat ook hijzelf rechtstreeks en persoonlijk door die beslissing wordt gegriefd. Zo valt het niet zonder meer in te zien en verzoeker tot tussenkomst toont ook niet aan dat de bestreden ontheffingsbeslissing rechtstreeks ingrijpt in zijn onafhankelijkheid als voorzitter van de geschillenkamer of als lid van het di- rectiecomité van de GBA. IX-10.089-6/22 Bijgevolg wordt het verzoek tot tussenkomst in de voorliggende schorsingsprocedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid, bij gebrek aan het door artikel 21bis van de gecoördineerde wetten op de Raad van State vereiste belang in hoofde van verzoeker tot tussenkomst, onontvankelijk bevonden. V. Ontvankelijkheid van de vordering
- De verwerende partij werpt in haar nota met opmerkingen twee excepties van onontvankelijkheid van de vordering op. De eerste exceptie steunt op een gebrek aan rechtsmacht van de Raad van State, gelet op artikel 45, § 1, van de GBA-wet naar luid waarvan geen enkel beroep openstaat tegen de beslissing tot ontheffing van het mandaat van lid van het directiecomité wegens ernstige tekort- komingen of het niet langer voldoen aan de vereisten voor het vervullen van de taken. De tweede exceptie betwist het bestaan van de door verzoeker mede bestre- den impliciete beslissing om zijn mandaat open te stellen.
- De Raad van State acht het niet noodzakelijk en om proceseco- nomische redenen ook niet wenselijk om die excepties – waarvan de eerste com- plexe vragen doet rijzen met betrekking tot de bestaanbaarheid van artikel 45, § 1, van de GBA-wet met Europeesrechtelijke, supranationale en grondwettelijke voor- schriften – reeds in de huidige stand van de rechtspleging te onderzoeken en te beslechten, aangezien hierna zal blijken dat hij zich vooralsnog niet dient uit te spreken over de grond van het hem voorgelegde geschil, maar kan volstaan met de vaststelling dat de noodzaak van een uiterst dringende behandeling van de zaak niet wordt aangetoond en de vordering om die reden hoe dan ook moet worden verworpen. VI. Schorsingsvoorwaarden
- Krachtens artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid slechts worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat IX-10.089-7/22 minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden en dat een uiterst dringende nood- zakelijkheid voorhanden is die onverenigbaar is met de behandelingstermijn van de gewone vordering tot schorsing. VII. Uiterst dringende noodzakelijkheid Uiteenzetting
- Verzoeker zet in zijn inleidend verzoekschrift de uiterst dringende noodzakelijkheid van zijn vordering uiteen als volgt (met weglating van de voetnoten): “
- Indien de bestreden beslissingen niet voor het einde van de vakantieperiode en de heropstart van de werkzaamheden van de Kamer van volksvertegenwoordigers in het bijzonder worden geschorst, zal onherstelbare schade ontstaan. Deze onherstelbare schade heeft betrekking op • de onafhankelijkheid van de GBA; • de goede werking van de GBA; • moreel nadeel voor de heer XXXX; • impact op het familiaal leven van de heer XXXX; • financieel nadeel voor de heer XXXX. 1.
- De onafhankelijkheid van de GBA
- De onafhankelijkheid van de GBA is geen doel op zich. Het is een middel om ‘de grondrechten en fundamentele vrijheden van natuurlijke personen in verband met de verwerking van hun persoonsgegevens te beschermen en het vrije verkeer van persoonsgegevens binnen de Unie te vergemakkelijken’. De heer XXXX, als natuurlijke persoon wier persoonsgegevens wordt ver- werkt, maar ook alle Belgen, hebben recht op een GBA die onafhankelijk is. De heer XXXX kan zich dan ook zelf beroepen op de schending van de onafhanke- lijkheid van de GBA als onherstelbare schade die wordt geleden door de onmid- dellijke uitvoering van de bestreden beslissingen.
- De Kamer van volksvertegenwoordigers heeft met de bestreden beslis- singen zich gemengd in het inhoudelijke beleid van de GBA en schendt daarmee de onafhankelijkheid van de GBA. Uit de rechtspraak van het Hof van Justitie volgt onder meer dat er bij een ontheffingsbeslissing sprake moet zijn van ern- stige en objectief verifieerbare reden (cf. supra). Hiervan is in het voorliggende geval geen sprake. Dit blijkt onder meer uit het feit dat de vier weerhouden tenlasteleggingen steunen op voorafgaande en gel- dige beslissingen van het directiecomité. Bovendien kan er geen sprake zijn van objectief verifieerbare reden voor zover het organiek wettelijk kader van de IX-10.089-8/22 GBA verre van voldoende eenduidig is. De onduidelijkheid en twisten die daar- van het gevolg zijn geweest, kunnen niet individueel aan de heer XXXX worden ten laste gelegd. Ten gevolge van de bestreden beslissing wordt de GBA aan- zienlijk beperkt in haar autonomie of acties, nu voortaan niet langer in overleg kan worden gegaan met overheidsorganen over de toepassing en naleving van de AVG. Bovendien lijkt de Kamer van volksvertegenwoordigers het directie- comité van de GBA te verhinderen om zich te organiseren om zich voorafgaand aan een beslissing tot vatting van de Inspectiedienst grondig te informeren. Evenmin kan de GBA nog bijdragen aan afstemming van overheidsoptreden of overheidsmaatregelen (bv. corona-maatregelen) die raken aan de bescherming van de persoonsgegevens.
- De onafhankelijkheid van de GBA moet onmiddellijk worden hersteld. Zij verdraagt niet de afwachting van een uitspraak over een vordering tot schor- sing of een beroep tot nietigverklaring. De GBA werkt verder en dient op een onafhankelijke wijze toezicht te kunnen uitoefenen op de naleving van de AVG in België. Bovendien zijn er bij de GBA klachten aanhangig m.b.t. de naleving van de AVG door de Kamer van volksvertegenwoordigers zelf. Het risico op geanticipeerde gehoorzaamheid is reëel. De GBA moet in staat zijn om in volle onafhankelijkheid deze klachten te kunnen behandelen. Dit is onmogelijk indien de (overige) leden van het directiecomité onder de voortdurende dreiging van een ontheffingsprocedure om politieke redenen moeten handelen. Dat de onaf- hankelijkheid van de GBA ernstig onder druk staat, blijkt uit de geregelde mis- prijzende uitlatingen vanuit de federale regering, als zou de GBA een ‘funda- mentalisme rond privacy’ […] aanhangen.
- Een snelle wederindiensttreding van de heer XXXX is eveneens vereist om de betrokkene toe te laten te blijven waken over de onafhankelijke werking van de instelling waarvan hij tot voor kort overeenkomstig artikel 13, § 2 GBA- wet […] de voorzitter was en waarvan hij lid van het directiecomité was. 1.
- De goede werking van de GBA
- De schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de bestreden be- slissingen tot opheffing is eveneens hoogdringend, omdat de heer XXXX daar- door opnieuw directeur van het algemeen secretariaat van de GBA zal zijn. Dat is van belang vermits de GBA zich onmiskenbaar in een transitiefase bevindt. Recent heeft de regering bij de Kamer van volksvertegenwoordigers een wets- ontwerp ingediend waardoor de structuur en werking van de GBA zouden wor- den aangepast. Ondanks de reeds jaren aanslepende procedure, heeft de Kamer van volksvertegenwoordigers hiervoor wel de hoogdringendheid aanvaard. Ge- zien de hervormingsplannen van de regering, is de (her)opstart van de wetge- vende werkzaamheden van de Kamer van Volksvertegenwoordigers (begin sep- tember) een cruciaal tijdstip. Op dat ogenblik zal het wetsontwerp wellicht wor- den goedgekeurd en uitvoering krijgen.
- Bovendien wordt in de pers reeds melding gemaakt van het feit dat de Kamer van Volksvertegenwoordigers zich zou voornemen om de procedure voor de benoeming van nieuwe directeurs af te ronden: ‘Un appel à candidature aura lieu pour les remplacer. Les candidats aux deux postes vacants seront au- ditionnés à la Chambre, avant un vote en plénière sur la désignation des futurs directeurs.’ IX-10.089-9/22 De mogelijke benoeming van een nieuwe directeur zou onherstelbare schade veroorzaken. Bij een procedure voor een gewone schorsing zou de uitspraak vallen op een moment dat de nieuwe directeur van het algemeen secretariaat reeds is benoemd. Dit betekent dat de goede werking van de GBA verder zou worden bemoeilijkt. Slechts enkele weken (hooguit enkele maanden) na het be- noemen van een nieuwe directeur, zou de heer XXXX opnieuw zijn mandaat van directeur van het algemeen secretariaat opnemen, indien de schorsing na een gewone vordering tot schorsing wordt ingewilligd. 1.
- Moreel nadeel
- De beslissing tot opheffing van het mandaat van de betrokkene door de Kamer van volksvertegenwoordigers, komt de facto neer op een ontslag ‘op staande voet’. Daags nadien werden immers reeds […] de toegangen tot de ge- bouwen en IT infrastructuur ingetrokken. Dit geldt des te meer omdat in een deel van de (Franstalige) nationale pers reeds gedurende meerdere maanden een perceptie tegen betrokkene wordt gecreëerd, die door de beslissing lijkt te wor- den bevestigd. Het moreel nadeel waaraan betrokkene momenteel wordt bloot- gesteld, is aanzienlijk en dreigt weldra onherstelbaar te worden. Meer bepaald brengt de opheffing van zijn mandaat voor betrokkene volgende nadelen met zich mee waaraan zo spoedig mogelijk een einde moet worden gesteld: 1.3.1 Impact op de goede naam en reputatie van betrokkene
- Door de beslissing tot opheffing van zijn mandaat wegens ‘ernstige te- kortkoming’ wordt de indruk gecreëerd dat de in de pers en door twee voorma- lige collega-directeurs verspreide aantijgingen correct zouden zijn. Bij wijze van voorbeeld kan verwezen worden naar het citaat van voormalig collega [J.], die naar aanleiding van haar ontslag liet optekenen: ‘Hij verdedigt eerder de belangen van bepaalde instanties, organisaties en machtige mensen’ ([A.J.], eerder opgestapte collega), Vergelijkbare lasterlijke opmerkingen werden eerder ook door collega [D.] in Le Soir geformuleerd, waarvoor betrokkene beide reeds formeel in gebreke stelde.
- Tijdens de behandeling van zijn dossier in de Kamer in vergaderingen achter gesloten deuren zijn echter regelmatig artikelen verschenen in een be- paalde pers waarin wordt verwezen naar informatie die enkel afkomstig kan zijn van bronnen binnen de Kamer. Dit heeft ertoe geleid dat publiek ten onrechte een negatieve beeldvorming is gecreëerd inzake zijn taakuitoefening. Overigens werd zijn dossier in dezelfde pers systematisch in verband gebracht met het dos- sier tegen zijn collega [C.D.]. Dit wekt de indruk dat beide dossiers door be- paalde Kamerleden met elkaar verbonden worden (zie infra, randnummer 163), hetgeen in strijd is met de onafhankelijkheidsvereisten zoals voorzien in de AVG. Er kan bijgevolg niet anders dan worden vastgesteld dat deze onterechte sfeerschepping (of een vaak vermeld politiek ‘meerderheidsakkoord’) de parle- mentsleden heeft beïnvloed bij het nemen van hun individuele beslissing over betrokkene, zodat zijn dossier niet eerlijk werd beoordeeld op de inhoudelijke aspecten die hem betreffen, onafhankelijk van het dossier tegen zijn collega [C.D.]. Er dient aan te worden herinnerd dat precies de individuele verantwoor- delijkheid van de verschillende directeurs een belangrijke motivatie was voor het huidige organisatiemodel van de GBA: enkel het mandaat van wie zelf zware fouten maakt kan worden opgeheven. Dit is des te relevanter aangezien IX-10.089-10/22 drie van de vier aangehaalde grieven waarop de bestreden beslissingen steunen, rechtsgeldige beslissingen van het Directiecomité betreffen en dus niet indivi- dueel aan betrokkene ten laste kunnen worden gelegd. Als voorzitter (destijds) was het de wettelijke opdracht van de heer XXXX om de genomen beslissingen van het Directiecomité ten uitvoering te leggen.
- De opheffing van het mandaat van de heer XXXX werkt stigmatiserend omdat zij de vooraf gecreëerde publieke perceptie lijkt te bevestigen, wat nega- tief afstraalt op zijn professionele reputatie. Zowel betrokkene zelf, zijn echtge- note, kinderen, ouders en schoonouders worden door vrienden en kennissen aan- gesproken, waarbij zij telkens moeten uitleggen dat de in de pers gecreëerde perceptie onterecht is, maar toch moeten toegeven dat de Kamer van volksver- tegenwoordigers dat standpunt – om louter politieke redenen – niet heeft willen volgen.
- Dit alles is des te meer problematisch vermits betrokkene zijn mandaat naar eer en geweten, correct en conform de wetsbepalingen in alle onafhanke- lijkheid heeft uitgeoefend, hetgeen tijdens de procedure voor de commissie voor de Justitie niet alleen door de aangebrachte stukken, maar ook door zijn beide getuigen (zijn voorganger [W.D.] en collega Hielke Hijmans) werd bevestigd. De betrokkene heeft overigens ook nog steeds de steun van de overgrote meer- derheid van de collega-directeurs en het personeel van de GBA.
- Ten slotte wijst betrokkene erop dat hij diligent heeft gehandeld. Zo heeft hij met alle mogelijke middelen getracht de commissie voor de Justitie en de Kamer van volksvertegenwoordigers in staat te stellen een correcte beslissing te laten nemen door reeds in een vroege fase te wijzen op de onwettigheden van de nakende ontheffingsbeslissing. 1.3.2 Onmogelijkheid zijn mandaat uit te oefenen en de facto beëindiging publieke carrière
- Ondanks zijn intrinsieke motivatie (waarvan getuigt zijn lange en vaak belangeloze inzet als bvb. voorzitter van verschillende adviserende overheids- organen, na een eerst jarenlange academische carrière) voor het dienen van het algemene belang, wordt het hem onmogelijk gemaakt zijn mandaat verder uit te oefenen. Betrokkene heeft dit mandaat nochtans elke dag met hart en ziel uitge- oefend, hetgeen ook wordt erkend door het overgrote deel van het personeel (en andere ‘stakeholders’). Ook een verdere loopbaan in de publieke sector in hoofde van betrokkene wordt door de beslissing onmogelijk gemaakt wegens beweerde ernstige fouten, hoewel betrokkene ook zeer hoog aangeschreven stond in academische, publieke en private middens. Deze goede naam en faam wordt door de beslissing tot opheffing van zijn mandaat volledig door het slijk gehaald.
- Betrokkene kan en zal in de toekomst geen enkele activiteit meer kunnen verrichten in de publieke sector. De bestreden beslissing maakt het voor verzoe- kende partij definitief onmogelijk om zijn mandaat uit te oefenen. Het spreekt voor zich dat een dergelijke beslissing – die de professionele toekomst van ver- zoekende partij in erg belangrijke mate hypothekeert – zeer nadelige en schade- lijke gevolgen heeft voor hem. 1.
- Impact op familiaal leven en gezondheid
- De bestreden beslissing heeft een zeer nadelige morele impact op de heer XXXX. Hij valt immers van de ene dag op de andere zonder werk, wordt van IX-10.089-11/22 de ene dag op de andere verplicht om thuis te blijven, zonder enige professionele bezigheid. Dit heeft uiteraard een zeer nadelige invloed op zijn (mentale) ge- zondheid, maar ook op zijn familiale leven. De beslissing tot opheffing van zijn mandaat leidt dus voor betrokkene tot onredelijke impact op het familiaal leven en zijn gezondheid. De maandenlange periode van professionele stress heeft niet alleen zijn tol geëist voor betrokkene zelf, maar eveneens geleid tot psychische problemen of minder goede schoolse prestaties bij verschillende van zijn kinderen. In alle redelijkheid kan omwille van de hierboven weergegeven motivering niet anders dan worden aangenomen dat deze beslissing een bijzonder ernstig moreel nadeel veroorzaakt, dat in de door betrokkene geschetste omstandighe- den ten spoedigste moet worden verholpen. 1.
- Financieel nadeel
- Een spoedige schorsing van de opheffing van het mandaat van de betrok- kene […] is vooreerst vanuit financieel oogpunt cruciaal. In september 2022 dreigt de heropstart van de universitaire en middelbare loopbaan van de vier kinderen voor het gezin van de betrokkene tot moeilijk of onherstelbare finan- ciële schade te leiden, gezien de opheffing van zijn mandaat leidt tot een aan- zienlijke beperking van het gezinsbudget en gezien het feit dat betrokkene mo- gelijk geen werkloosheidsuitkering zal kunnen genieten.
- De beslissing tot opheffing van zijn mandaat als directeur van het Alge- meen secretariaat van de Gegevensbeschermingsautoriteit heeft uiteraard ook zeer zware gevolgen op financieel vlak, nu het volledig wegvallen van zijn maandelijks beroepsinkomen op een wezenlijke wijze zijn levensstandaard aan- tast en deze situatie onhoudbaar is tot het doorlopen van de normale procedure van schorsing. 1.5.1 Ernstige beperking maandelijks gezinsinkomen
- De beslissing heeft een zeer ernstige beperking van het gezinsinkomen van betrokkene tot gevolg, aangezien het gezin ongeveer 60% van zijn maande- lijks netto-inkomen verliest. Het maandelijks netto-inkomen van de betrokkene dat wegvalt, bedraagt immers 6277,63 euro (stuk 55), zodat het gezin moet rondkomen met het inkomen van de echtgenote van de heer XXXX dat netto 4372,41 euro bedraagt (stuk 56). Het gezin heeft vaste kosten van 2139,79 euro per maand voor enkel de afbetaling van hypothecaire kredieten, voor onder meer de aankoop en verbouwing van de enige en eigen woning van het gezin (stuk 57). Na aftrek van allerlei overige vaste kosten (water, elektriciteit, stook- olie, ...) dreigen betrokkene en zijn gezin over onvoldoende inkomsten te be- schikken om in hun dagelijkse behoeften te voorzien. In dat verband kan ook gewezen worden op weldra te verwachten (aanzienlijke) onkosten die de start van het academiejaar voor de oudste twee kinderen met zich zal meebrengen. […] bevinden zich immers in de startfase van hun opleiding aan de universiteit (stuk 58). Maar ook de te verwachten onkosten naar aanleiding van de start van het (middelbare) schooljaar voor de twee jongste kinderen […] zijn aanzienlijk. Tot slot wijst de betrokkene op de reeds lange duurtijd van de procedure tot opheffing van zijn mandaat, wat reeds aanzienlijke kosten voor juridische bij- stand met zich heeft meegebracht. Uit dit alles blijkt ontegensprekelijk dat het gezinsinkomen van betrokkene zeer aanzienlijk zal worden beperkt, waardoor de situatie ook op financieel vlak zeer urgent is. IX-10.089-12/22 1.5.2 Ontoereikende sociaalzekerheidsrechtelijke en arbeidsrechtelijke be- scherming
- In 2019 nam betrokkene ontslag uit zijn functie als Europees ‘Functiona- ris voor de Gegevensbescherming’ bij het marktonderzoeksbureau Nielsen, na- dat hij diezelfde functie ook eerder bij Telenet verrichtte in de periode 2013-
- Hij nam deze beslissing precies om te kunnen voldoen aan de vereiste van onafhankelijkheid, zoals die ook Europeesrechtelijk is verankerd in de Alge- mene Verordening Gegevensbescherming, en in de veronderstelling dat zijn mandaat in 2025 probleemloos zou worden verlengd (tot 2031). Met een moge- lijke opheffing van zijn mandaat omwille van louter politieke motieven diende hij op dat ogenblik redelijkerwijs geen rekening te houden. De wettelijke en Europeesrechtelijke beperkingen voor een mogelijk ontslag van een lid van de toezichthoudende overheid staan daaraan immers in de weg.
- Door de beslissing tot opheffing van zijn mandaat blijkt betrokkene nu echter terecht te komen in een aanzienlijk slechtere rechtspositie dan elke andere ambtenaar, of werknemer in de private sector. De stringente Europese onafhan- kelijkheidsvereisten hebben de wetgever immers ertoe gebracht om voor de le- den van het Directiecomité van de Gegevensbeschermingsautoriteit een bijzon- der statuut uit te werken, dat enerzijds gebaseerd is op het statuut van de raads- heren van het Rekenhof (zie artikel 50 GBA-wet), maar anderzijds ook speci- fieke maatregelen bevat met het oog op het waarborgen van de onafhankelijk- heid (zie bvb. artikel 44 van de GBA-wet, i.v.m. onverenigbaarheden, dat be- paalt dat de leden van het directiecomité, de leden van het kenniscentrum en de leden van de geschillenkamer mogen, tijdens de duur van hun mandaat, geen andere al dan niet bezoldigde activiteit uitoefenen die niet verenigbaar is met hun mandaat). Een bijkomende complicerende factor is bovendien dat de GBA is opgericht ‘bij de Kamer van volksvertegenwoordigers’, als een orgaan van de wetgevende macht (zie artikel 3 GBA-wet), zodat heel wat wetgeving die voor organen van de uitvoerende macht geldt niet van toepassing blijkt.
- Door die bijzondere en afwijkende regelingen lijkt betrokkene prima fa- cie zowel wat betreft sociale zekerheid als arbeidsrechtelijk zeer slecht te zijn beschermd na de opheffing van zijn mandaat, zowel wat gezondheidsrisico’s als werkloosheid betreft. Deze erg nadelige situatie houdt niet alleen een ernstig financieel nadeel in, maar staat eveneens in schril contrast met de in de wet voorziene regeling voor ambtenaren of magistraten, waarvoor artikel 44, § 3 GBA-wet bepaalt dat hen een verlof voor opdracht van algemeen belang kan worden toegekend, terwijl betrokkene als het ware in een ‘zwart gat’ valt tussen de verschillende sociaalzekerheidsrechtelijke stelsels. Deze ongelijke behande- ling houdt mogelijk een ernstige schending in van het gelijkheidsbeginsel en staat in schril contrast met de aanpak van bijvoorbeeld de Vlaamse overheid, die externe kandidaten-mandaathouders de keuze biedt tussen een 1° benoeming bij de diensten van de Vlaamse overheid en vervolgens een tijdelijke aanwijzing in de betrokken mandaatfunctie, of 2° een indienstneming met een arbeidsover- eenkomst voor onbepaalde duur in de zin van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten. De zwakke sociale bescherming van betrokkene (die overigens mogelijk discriminatoir is) is een belangrijk element voor de hoogdringendheid van de voorliggende vordering tot schorsing. IX-10.089-13/22 1.5.3 Persoonlijke situatie betrokkene en verbod artikel 44, § 2 van de GBA- wet
- Bovendien, zelfs indien betrokkene in beginsel een beroep zou kunnen doen op een werkloosheidsuitkering, bestaat de kans dat deze uitkering voorlo- pig zou worden geschorst in afwachting van een onderzoek naar de omstandig- heden van het opheffen van zijn mandaat. Betrokkene voegt er nog aan toe dat hij 47 jaar oud is, zodat zijn slaagkansen om op de arbeidsmarkt een nieuwe evenwaardige job te vinden uitermate gering zijn. Hij wijst er tevens op dat zijn recentste professionele verdiensten grotendeels te situeren zijn in de publieke sector en dat elke toelichting van de omstandigheden van zijn ontslag aan een potentiële nieuwe werkgever elke mogelijkheid op nieuw werk riskeert te on- dermijnen, hetgeen niet alleen een moreel, maar ook een ernstig financieel na- deel inhoudt. Bovendien verbiedt artikel 44, § 2 van de GBA-wet dat leden van het direc- tiecomité gedurende twee jaar na het einde van hun mandaat een functie uitoe- fenen die hen rechtstreeks of onrechtstreeks voordelen zouden opleveren die voortvloeien uit de uitoefening van hun mandaat. Vermits de expertise van de heer XXXX zich in het privacy-recht bevindt, zal het voor hem zeer moeilijk zijn om een nieuwe functie te bekleden, waarvan niet kan worden gezegd dat die hem rechtstreeks of onrechtstreeks voordelen zou opleveren die voort- vloeien uit de oefening van zijn mandaat als voorzitter en/of directeur van het algemeen secretariaat. 1.
- Verstrijken van de termijn
- De heer XXXX kan het verloop van een beroep tot nietigverklaring niet afwachten. Zijn mandaat als directeur van het algemeen secretariaat zou nor- maal in april 2025 verstrijken. Een uitspraak over de nietigverklaring duurt doorgaan drie à vier jaar. Zijn mandaat zal aldus hoogstwaarschijnlijk verstre- ken zijn op het moment dat Uw Raad van State uitspraak over het beroep tot nietigverklaring doet. De uitkomst van de annulatieprocedure kan aldus niet worden afgewacht.
- Zoals hierboven toegelicht, kan voor het remediëren van de morele en financiële nadelen ook niet worden gewacht op een schorsingsarrest. Dit is in het bijzonder het geval gelet op de acute en aanzienlijke impact die de bestreden beslissing heeft op enerzijds de financiële draagkracht van de betrokkene en zijn gezin, alsook op anderzijds de morele schade die hij ondergaat, onder meer door de gevolgen voor 1° de goede naam van de heer XXXX, 2° de onmogelijkheid om zijn mandaat uit te oefenen en de facto beëindiging publieke carrière, 3° de impact op zijn familiaal leven en op zijn gezondheid.
- Ook voor de onafhankelijkheid van de GBA kan niet worden gewacht op een schorsingsarrest. De onafhankelijkheid van de GBA moet onmiddellijk worden hersteld. Zij verdraagt niet de afwachting van een uitspraak over een vordering tot schorsing of een beroep tot nietigverklaring. De GBA werkt verder en dient op een onafhankelijke wijze toezicht te kunnen uitoefenen op de nale- ving van de AVG in België.
- Besluit. Aan voormelde ernstige nadelen voor verzoekende partij moet zo spoedig mogelijk een einde worden gesteld. In dit opzicht is de situatie voor verzoekende partij dermate spoedeisend en dus onverenigbaar met een behan- deling ervan in een gewone schorsingsprocedure. Indien verzoekende partij de IX-10.089-14/22 gewone termijn van een schorsingsprocedure moet afwachten dan zou hij zich in een toestand met onherroepelijke schade bevinden.” Beoordeling
- De Raad van State heeft in zijn rechtspraak al eerder eraan her- innerd dat de toepassing van de schorsingsprocedure ‘bij uiterst dringende nood- zakelijkheid’ een ernstige verstoring teweegbrengt van het normale verloop van de rechtspleging voor de Raad van State, dat ze de mogelijkheden tot onderzoek van de zaak tot een strikt minimum beperkt en de uitoefening van de rechten van ver- dediging van de verwerende partij aanzienlijk in het gedrang brengt. De aanwen- ding van die procedure moet dan ook zeer uitzonderlijk blijven. Ze mag slechts worden aangewend in die enkele gevallen dat door de verzoekende partij op een duidelijke en onomstootbare wijze wordt aangetoond dat de zaak uiterst dringend is. Luidens artikel 16, § 1, eerste lid, 7°, van het koninklijk besluit van 5 december 1991 ‘tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State’ bevat het verzoekschrift waarin de uiterst dringende noodzakelijkheid wordt aangevoerd, daartoe “een uiteenzetting van de feiten die de uiterst dringende noodzakelijkheid rechtvaardigen”. Dit betekent dat een verzoekende partij aan de hand van precieze en concrete gegevens in haar inleidend verzoekschrift aannemelijk moet maken dat de schorsing van de tenuitvoerlegging, indien ze pas na het afwikkelen van een gewone schorsingsprocedure zou worden uitgesproken, onherroepelijk te laat zou komen om het nadeel op te vangen dat haar ingevolge de onmiddellijke tenuitvoer- legging van de bestreden beslissing treft of dreigt te treffen. Niet anders dan het geval is in een gewone schorsingsprocedure, is bovendien vereist dat de verzoekende partij het resultaat van de procedure ten gronde niet kan afwachten, op het gevaar af zich in een toestand te bevinden waarin schadelijke gevolgen van de bestreden beslissing niet meer door een eventueel IX-10.089-15/22 vernietigingsarrest of in het kader van het rechtsherstel na een dergelijk arrest kun- nen worden goedgemaakt.
- Verzoeker beroept zich in het eerste en het tweede onderdeel van zijn uiteenzetting met betrekking tot de uiterst dringende noodzakelijkheid van zijn vordering, op de onafhankelijkheid en de goede werking van de GBA waarvan hij meent dat ze door de bestreden beslissingen in het gedrang worden gebracht. Daarmee beoogt hij evenwel niet de vrijwaring van een persoon- lijk belang, maar wel van het belang van de GBA als zodanig. Dat laatstgenoemde belang valt niet binnen zijn vereist persoonlijk belang bij de vordering, laat staan dat het de uiterst dringende noodzakelijkheid van die vordering kan staven. Voor zover verzoeker doet gelden dat de onafhankelijkheid van de GBA geen doel op zich is, maar een middel om “de grondrechten en fundamen- tele vrijheden van natuurlijke personen in verband met de verwerking van hun per- soonsgegevens te beschermen en het vrije verkeer van persoonsgegevens binnen de Unie te vergemakkelijken”, en dat hij – zoals “alle Belgen” – recht heeft op een GBA die onafhankelijk is, lijkt hij te willen anticiperen op het voorgaande bezwaar, maar moet worden opgemerkt dat het persoonlijke belang waaraan hij aldus tracht te appelleren, samenvalt met het belang dat elke burger heeft bij een goede werking van de instellingen en diensten, in dit geval de GBA. Een dergelijk belang, dat slechts tot een niet-ontvankelijke actio popularis aanleiding kan geven, vermag de uiterst dringende noodzakelijkheid van de vordering in hoofde van verzoeker niet aan te tonen. Verzoeker argumenteert voorts dat er geen sprake is van een “ernstige en objectief verifieerbare reden” die aan de grondslag ligt van de bestre- den ontheffingsbeslissing en dat “[d]e onduidelijkheid en twisten […] niet indivi- dueel aan [hem] ten laste [kunnen worden] gelegd”. Daarmee lijkt hij een grief aan te voeren met betrekking tot de wettigheid van de bestreden ontheffingsbeslissing. Het vereiste om een ernstig middel aan te voeren, moet evenwel worden IX-10.089-16/22 onderscheiden van het vereiste dat de uiterst dringende noodzakelijkheid van de vordering moet worden aangetoond. De voormelde grief is in het licht van het laatstgenoemde vereiste niet dienstig. De omstandigheid dat de GBA zich in een “transitiefase” bevindt en dat “[g]ezien de hervormingsplannen van de regering […] de (her)opstart van de wetgevende werkzaamheden van de Kamer van Volksvertegenwoordigers (be- gin september) een cruciaal tijdstip” is, steunt andermaal op het belang van de GBA als zodanig en verantwoordt de uiterst dringende noodzakelijkheid van verzoekers vordering niet. Ook het argument dat op het ogenblik van een uitspraak over een gewone vordering tot schorsing mogelijk een nieuwe directeur benoemd zal zijn, overtuigt niet. Niet alleen gaat het uit van een loutere hypothese en wijst het op een moeilijkheid waarmee de GBA mogelijk zal worden geconfronteerd, bovendien – voor zover hij persoonlijk erdoor gegriefd is – zou verzoeker een dergelijke benoe- ming die hij onwettig acht, eveneens in rechte kunnen bestrijden.
- In het derde onderdeel van zijn uiteenzetting voert verzoeker een “[m]oreel nadeel” aan, doordat de bestreden ontheffingsbeslissing “de facto neer[komt] op een ontslag”, hetgeen een impact heeft op zijn goede naam en repu- tatie en impliceert dat hij onmogelijk zijn mandaat nog kan uitoefenen en zijn “pu- blieke carrière” de facto ten einde is. Volgens ’s Raads vaste rechtspraak kan een moreel nadeel in be- ginsel worden goedgemaakt door de genoegdoening die wordt verleend door een eventueel vernietigingsarrest. Het valt een verzoekende partij voor de Raad van State toe om, in voorkomend geval, bijzondere omstandigheden aan te voeren die ervan overtuigen dat het in haar geval anders is en dat er redenen zijn om bij spoed- eisendheid of, zoals in dit geval, zelfs uiterst dringende noodzakelijkheid, het aan- gevoerde morele nadeel een halt toe te roepen. IX-10.089-17/22 Verzoeker voert geen bijzondere omstandigheden aan die tot een onverwijld ingrijpen nopen. De omstandigheid dat in de pers “reeds gedurende meerdere maanden een perceptie tegen betrokkene wordt gecreëerd”, zoals verzoe- ker aanvoert, kan niet aan de bestreden ontheffingsbeslissing worden toegeschre- ven. Dat de bestreden ontheffingsbeslissing die perceptie “lijkt” te bevestigen, sluit niet uit dat een eventueel vernietigingsarrest dit zou kunnen verhelpen. Bovendien is de procedure die tot de bestreden ontheffingsbeslis- sing heeft geleid, met gesloten deuren gevoerd, zodat de buitenwereld geen kennis heeft van de motieven die eraan ten grondslag liggen. Ook om die reden ligt het niet voor de hand en maakt verzoeker niet aannemelijk dat hij een moreel nadeel ondergaat dat hij niet langer kan dragen. Voor zover verzoeker doet gelden dat de “negatieve beeldvor- ming [die] is gecreëerd inzake zijn taakuitoefening”, de “indruk” van verbonden- heid van zijn dossier met dat van zijn collega C.D. en “deze onterechte sfeerschep- ping” de parlementsleden hebben beïnvloed bij het nemen van hun individuele be- slissing, “zodat zijn dossier niet eerlijk werd beoordeeld op de inhoudelijke aspec- ten die hem betreffen”, beoogt hij wederom de onwettigheid van de bestreden ont- heffingsbeslissing aan te klagen. Dat is ook het geval voor zover hij voorts doet gelden dat hij “zijn mandaat naar eer en geweten, correct en conform de wetsbepa- lingen in alle onafhankelijkheid heeft uitgeoefend” en “diligent heeft gehandeld”. Die beweerde onwettigheid staat evenwel, zoals hiervóór sub 11 ook al is opge- merkt, los van de aan te tonen uiterst dringende noodzakelijkheid van de vordering. De aangevoerde “[o]nmogelijkheid zijn mandaat uit te oefenen” is een gevolg van de bestreden ontheffingsbeslissing, maar staaft op zich de uiterst dringende noodzakelijkheid van zijn vordering niet. De beweerde “de facto beëindiging [van zijn] publieke carrière” is dan weer hypothetisch. Beide kunnen hoe dan ook worden goedgemaakt door een eventuele nietigverklaring van de bestreden ontheffingsbeslissing. IX-10.089-18/22
- In het vierde onderdeel van zijn uiteenzetting bespreekt verzoe- ker de “[i]mpact [van de bestreden ontheffingsbeslissing] op familiaal leven en ge- zondheid”. Hij doet dat evenwel op een zeer algemene wijze, zonder vermelding van concreet onderbouwde gegevens en bijbehorende stavingsstukken. Een dergelijke veeleer vage uiteenzetting kan niet de spoedei- sendheid, laat staan de uiterst dringende noodzakelijkheid van zijn vordering aan- tonen.
- In het vijfde onderdeel van zijn uiteenzetting roept verzoeker een financieel nadeel in, rekening houdend met zijn gezinssituatie met vier studerende kinderen. Hij wijst op de “[e]rnstige beperking [van het] maandelijks gezinsinko- men” en op de “[o]ntoereikende sociaalzekerheidsrechtelijke en arbeidsrechtelijke bescherming” die hij geniet, alsook op het verbod van artikel 44, § 2, van de GBA- wet, luidens hetwelk het leden van het directiecomité gedurende twee jaar na het einde van hun mandaat verboden is een functie uit te oefenen die hen rechtstreeks of onrechtstreeks voordelen zou opleveren die voortvloeien uit de uitoefening van hun mandaat. Verzoeker maakt aannemelijk dat de bestreden ontheffingsbe- slissing wegens het wegvallen van het inkomen dat voortvloeide uit het mandaat waarvan hij wordt ontheven, het maandelijks gezinsinkomen aanzienlijk beperkt. Dit volstaat evenwel op zich niet om ook aan te nemen dat hij terecht een beroep doet op de schorsingsprocedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid. De vraag rijst immers of een beroep tot nietigverklaring en zeker een gewone schorsingspro- cedure dit nadeel niet kan verhelpen. Mede gelet op, eensdeels, het behouden maandelijkse netto-inkomen van zijn echtgenote ten bedrage van 4372,41 euro en, anderdeels, zijn volledig stilzwijgen over de globale financiële situatie van het ge- zin, in het bijzonder met betrekking tot het bestaan van financiële reserves, over- tuigt verzoeker er niet van dat zelfs de periode tot de uitspraak over een gewone vordering tot schorsing niet zou kunnen worden overbrugd. IX-10.089-19/22 Daarenboven moet worden opgemerkt dat verzoeker stelt dat hij “mogelijk geen werkloosheidsuitkering zal kunnen genieten” en dat “de kans [be- staat] dat deze uitkering voorlopig zou worden geschorst”. Dit is echter, aldus ge- formuleerd, niet meer dan een loutere hypothese, terwijl van verzoeker mag wor- den verwacht dat hij bewijsstukken van het beweerde feit voorlegt. Verzoekers betoog over “[o]ntoereikende sociaalzekerheidsrech- telijke en arbeidsrechtelijke bescherming” is evenmin overtuigend. Hij stelt dat hij “zeer slecht [lijkt] te zijn beschermd” en hij voegt eraan toe dat die “zwakke sociale bescherming […] mogelijk discriminatoir is”. Dergelijke algemene en vrijblijvende uiteenzetting vermag de ui- terst dringende noodzakelijkheid van verzoekers vordering niet aan te tonen. Hetzelfde geldt voor verzoekers verwijzing naar artikel 44, § 2, van de GBA-wet dat hem tijdelijk verhindert bepaalde functies uit te oefenen, maar hem zeker niet “verplicht om thuis te blijven, zonder enige professionele bezig- heid”.
- In het zesde onderdeel van zijn uiteenzetting beroept verzoeker zich op het “[v]erstrijken van de termijn”. Volgens hem kan hij het verloop van een beroep tot nietigverklaring, dat “doorgaan[s] drie à vier jaar” vergt, niet afwachten, aangezien zijn mandaat van directeur van het algemeen secretariaat normaal in april 2025 zou verstrijken. Daargelaten dat elkeen die een beroep tot nietigverklaring instelt, moet dulden dat een zekere behandelingstermijn de uitspraak onvermijdelijk voor- afgaat en eveneens buiten beschouwing gelaten dat in dit geval een uitspraak over een beroep tot nietigverklaring normaal toch vóór april 2025 zou mogen worden verwacht, gaat verzoeker alleszins voorbij aan de mogelijkheid om op elk moment van die termijn een (gewone) schorsingsvordering in te stellen als hij de spoedei- sendheid kan aantonen. IX-10.089-20/22
- Uit wat voorafgaat blijkt dat verzoeker de uiterst dringende noodzakelijkheid van zijn vordering niet aantoont.
- Er is derhalve niet voldaan aan alvast één van de voorwaarden gesteld in artikel 17, §§ 1 en 4, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, die cumulatief vervuld moeten zijn opdat een vordering tot schorsing bij ui- terst dringende noodzakelijkheid zou kunnen worden ingewilligd. VIII. Kosten
- De verwerende partij vraagt in haar nota een “basis rechtsple- gingsvergoeding” van 924 euro. Overeenkomstig artikel 67 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrecht- spraak van de Raad van State’ bedraagt het geïndexeerde basisbedrag van de rechtsplegingsvergoeding dat aan de verwerende partij als in het gelijk gestelde partij kan worden toegekend, evenwel 770 euro en is er geen aanleiding om dit bedrag te verhogen. BESLISSING
- Het verzoek van Hielke Hijmans tot tussenkomst in het administratief kort geding wordt niet ingewilligd.
- De Raad van State verwerpt de vordering.
- De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 22 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 770 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. IX-10.089-21/22 De verzoekende partij tot tussenkomst wordt verwezen in de kosten van het verzoek tot tussenkomst, begroot op 150 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van zeventien augustus tweeduizend tweeëntwintig, door de Raad van State, XIIe vakantiekamer, samengesteld uit: Bert Thys, staatsraad, waarnemend voorzitter, bijgestaan door Tiny Temmerman, griffier. De griffier De voorzitter Tiny Temmerman Bert Thys IX-10.089-22/22 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2022:ARR.254.326 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.256.826 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div